044 bijl01 bestemmingsplan Sitterskampweg 140, Boekend - Toelichting.pdf
Tekst van het document
21
Afbeelding 10 Uitsnede Structurenkaart (plangebied rood omcirkeld)
Primair agrarisch productielandschap en cultuurhistorische waardevolle gebieden kunnen vaak goed samengaan. Het combineren van beide functies is het uitgangspunt maar daar waar initiatieven voor primaire agrarische productie in conflict komen met de cultuurhistorische waarden heeft het behoud van de cultuurhistorische waarden voorrang. Het bijzondere karakter van het buitengebied heeft namelijk een belangrijke aantrekkingskracht op bewoners en toeristen en vormt een belangrijke pijler voor toerisme en recreatie. Bovendien zijn deze cultuurhistorische gebieden kwetsbaar vanuit de wetenschap dat deze zich niet zomaar herstellen. De kwaliteit van het buitengebied beschermen en verbeteren staat centraal. Verrommeling, verloedering en kwaliteitsverlies wordt tegengegaan. Het toevoegen van nieuwe stedelijke functies in het buitengebied is in beginsel dan ook niet toegestaan, echter is er maatwerk mogelijk indien het initiatief hierom vraagt. Dit om het behoud van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en ensembles te waarborgen en te kunnen sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en hergebruik van bestaand vastgoed. In het gehele buitengebied is het, indien het voormalige bedrijf is beëindigd en de milieuvergunning is ingeleverd, dan ook toegestaan voormalige bedrijfswoningen in gebruik te nemen als burgerwoning.
Hierbij is het wel van belang dat de woning niet in een glastuinbouwconcentratiegebied is gelegen, bestaande omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en geen nieuwe óf extra stedelijke functies worden toegevoegd aan het buitengebied. Met onderhavig initiatief wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De bestemmingswijziging heeft geen nadelige effecten op de functie als ‘Agrarisch productielandschap’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. Momenteel is er reeds sprake van een woning, deze wordt slechts van bestemming gewijzigd. Derhalve is het initiatief passend binnen de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo.
Woonvisie 2021 - 2026 In september 2021 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2021-2026 vastgesteld. In de Woonvisie 2021-2026 legt de gemeente Venlo de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen in de sociale volkshuisvesting. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
22
een doorkijk naar de jaren daarna, voor wat betreft de lange termijn ontwikkelingen die de gemeente in het oog willen houden. Met de woonvisie 2021-2026 wordt tevens een bijdrage geleverd aan het bereiken van het toekomstbeeld van de Strategische Visie Venlo 2040. De huidige uitdagingen op de woningmarkt zijn niet gering, de markt is volop in bewegingen. Dat heeft positieve kanten, maar ook een keerzijde. Gemeente Venlo wil inzetten op het benutten van die positieve kanten van het de huidige bewegingen op de woningmarkt, zonder hierbij de negatieve kanten uit het oog te verliezen. Hierbij zijn drie hoofdthema’s geformuleerd. Voor ieder hoofdthema zijn doelstellingen geformuleerd om flexibiliteit te behouden en in te kunnen spelen op toekomstige ontwikkelingen. Bij de doelstellingen wordt uitgegaan van de principes: versnellen, verbinden en vernieuwen. De drie hoofdthema’s zijn: ▪ Een robuuste woningvoorraad Een woningvoorraad die voldoende ruimte biedt voor de gewenste ontwikkeling van de stad en de diverse doelgroepen. Maar ook een woningvoorraad die kan meebewegen met groei en krimp van verschillende doelgroepen en kwalitatief passend is bij de wensen van de huidige en toekomstige inwoners van Venlo. Het is noodzakelijk te versnellen om te komen tot een robuuste woningvoorraad, maar de verbinding met andere opgaven dient niet uit het oog te worden verloren.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar vernieuwde concepten om een impuls te kunnen geven aan de woningvoorraad. ▪ Beschikbaarheid en betaalbaarheid Het is noodzakelijk om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de woningvoorraad in het oog te houden. Waar nodig moet versneld worden om knelpunten rondom de beschikbaarheid en betaalbaarheid op te lossen. Dient de verbinding tussen de diverse doelgroepen en de Venlose woningmarkt te worden gestimuleerd en wordt er gekeken naar het toepassen van vernieuwde woonconcepten om een bijdrage te leveren aan de woningmarkt. ▪ Wonen en zorg Wonen en zorg zijn tegenwoordig onlosmakelijk met elkaar verbonden, mede door de groeiende vergrijzing. Er moet versneld worden om passende woonruimtes in combinatie met zorg te kunnen garanderen, vernieuwde woonconcepten zouden hierbij een uitkomst kunnen bieden. Ook dient ingezet te worden op het verbinden met de sociale woonomgeving, zoals sociaal contact en ruimte voor ontmoeting. Gemeente Venlo kent diverse stadsdelen en kernen, het is noodzakelijk per stadsdeel en kern te kijken naar de locatie specifieke uitgangspunten.
Het projectgebied is gelegen in ‘Boekend; hier gelden de volgende uitgangspunten: ▪ Een robuuste woningvoorraad o Nieuw woningbouwlocaties enkel binnen contour; ▪ Wonen en zorg o Opgave voor geclusterde woonvormen voor ouderen op de korte termijn; o Geen opgave voor 24-uurs zorgvoorzieningen voor ouderen; Het plangebied voorziet in het omzetten van een thans bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hiermee blijft de woonfunctie behouden maar wordt het voor een burger ook mogelijk in de woning te wonen. Het betreft dan ook een initiatief dat inspeelt op het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving en de lokale behoefte. De ontwikkeling past hiermee binnen het lokale woonbeleid zoals beschreven in de Woonvisie 2016-2021. Dynamische Woningbouwprogrammering De dynamische woningbouwprogrammering (DWP) is een lokaal uitvoeringsinstrument, waarbij de gemeente Venlo invulling geeft aan de woningbouwkaders uit de woonvisie en de Strategische Visie 2030. De DWP is op 26 april 2011 vastgesteld in het college van B&W. Alle woningbouwinitiatieven worden getoetst aan de uitgangspunten van de DWP. De voorgenomen ontwikkeling heeft slechts betrekking op een functiewijziging van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is geen nieuwbouw beoogd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
Er zijn derhalve geen belemmeringen vanuit de uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
23
RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
Milieuaspecten Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de bestemmingswijziging. Ter plaatse is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan concluderend gesteld worden dat de hypothese ‘verdachte locatie’ voor deellocatie A (de onderzoekslocatie) formeel gezien standhoudt. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zware metalen en aftaleen aangetoond. Voor de verhoogde gehalten met zware metalen in het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Waarschijnlijk betreft het verhoogde achtergrondgehalten. Het voorkomen van verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater is voor deze regio geen onbekend verschijnsel. Voor wat betreft deellocatie B (voormalige ondergrondse tank) kan concluderend gesteld worden dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de voormalige ondergrondse tank standhoudt. In de grond en het grondwater zijn, met uitzondering van een lichte verontreinigingen met naftaleen, geen verontreinigingen aangetoond. De lichte verontreiniging met naftaleen in het grondwater is mogelijk te relateren aan de voormalige ondergrondse opslag van brandstof.
Echter gelet op het slechts zeer licht verhoogd gehalte en het feit dat voor het overige geen verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn aangetoond, kan er ook sprake zijn van een verhoogd achtergrondgehalte. Conclusie De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Om milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken omvat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met oog op functiemenging.
2 Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 22 februari 2023, kenmerk: 22313601A)
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
24
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied betreft een gebied waarin diverse functies voorkomen. Ter plaatse van het plangebied zijn diverse woningen gelegen welke worden afgewisseld met enkele (agrarische) bedrijven. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar.
Binnen een straal van 300 meter van het plangebied bevinden zich de volgende milieubelastende functies: Bedrijf
Adres
SBI-2008
Aan te houden afstanden
Agrarisch loonbedrijf
Sitterskampweg 136
016
Tuinbouwbedrijf
Kockerseweg 120
011, 013
012,
Glastuinbouw
Sitterskampweg 156
011, 013
012,
Grondgebonden agrarisch bedrijf
Langvenweg 50
011, 013
012,
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 0 meter 0 meter 10 meter 10 meter 0 meter 0 meter 10 meter 10 meter 0 meter 0 meter 30 meter 10 meter
Afstand plangebied 5 meter
tot
60 meter
110 meter
210 meter
Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er zijn twee hindercontouren die het plangebied overlappen. De geluids- en geurcontour afkomstig van het naastgelegen loonbedrijf aan de Sitterskampweg 136. Echter wordt de bestaande bedrijfswoning net zoveel beschermd ten opzichte van het bedrijf als de beoogde burgerwoning. Slechts de functie van bedrijfswoning naar burgerwoning wordt gewijzigd. Daarbij is ter tevens sprake van een verbetering voor wat betreft het bouwvlak ten opzichte van de bestaande situatie, deze wordt aan de zijde van het bedrijf Sitterskampweg 136 ingekort. Concluderend kan gesteld worden dat de woning reeds bescherming heeft ten opzichte van het bedrijf en deze in het kader van de ontwikkeling niet wijzigt. De omliggende bedrijven vormen derhalve geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat in de woning. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd daar de voorgenomen wijziging betrekking heeft op een bestaande woningen, waarmee omliggende bedrijven reeds rekening moeten houden bij eventuele ontwikkelingen.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
25
Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. Bij de bestemmingswijziging tot woondoeleinden is géén sprake van het realiseren van een nieuwe geluidgevoelige functie. In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning betreft. Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege (spoor)wegverkeer of industrie is derhalve niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer).
Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,6 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,0 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,3 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een ontwikkeling NIBM, als aannemelijk is dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Er is in dit geval geen sprake van een toename van PM10 of NO2, aangezien er sprake is van een bestaande bedrijfswoning waarvan alleen het soort bewoning wijzigt naar een burgerwoning. Deze bestemmingswijziging valt daarom onder de 3% grens voor PM10 of NO2. De bestemmingswijziging draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
26
Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2017 in werking getreden Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Een woning betreft een geurgevoelig object. De woning kan derhalve geurhinder ondervinden van veehouderijen in de omgeving.
Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied ligt slechts één veehouderij, zijnde een paardenhouderij aan de Grote Blericksche Bergenweg 16, gelegen op een afstand van 370 tot het plangebied. De afstand van de veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Geconcludeerd kan worden door het ontbreken van veehouderijen (met uitzondering van de paardenhouderij aan de Grote Blericksche Bergenweg 16) in de wijde omgeving van het plangebied dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten.
De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
27
iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 1. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. De gemeente Venlo beschikt eveneens over een ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo’. Externe veiligheid is geen op zichtzelf staand thema maar een integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. Het verbindt de domeinen fysieke omgeving, risicobronnen en mogelijkheden tot beheersbaarheid. Bij het maken van afwegingen over het gebruik van de ruimte gaat het om het vinden van een goede balans tussen deze domeinen. In het algemeen geldt dat naarmate de afstand tussen de risicobron en de bebouwde omgeving groter is, het risico lager is. Afstand houden is daarom zinvol, maar binnen de stedelijke context erg lastig; de stad is immers behoorlijk vol gebouwd en de vraag naar ontwikkelingsruimte is groot. De insteek van het beleidsplan is om de schaarse (industrie)grond maximaal te benutten maar met minimale risico’s, waarbij externe veiligheid goed is ingebed in het gemeentelijk planproces.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
28
Afstand tot het plangebied: 800 meter
Afbeelding 11 Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld)
Inventarisatie risicovolle inrichtingen en transportroutes Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart is er in de omgeving van het plangebied één risicovolle transportroute aanwezig. De rijksweg A73 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt is gelegen op een afstand van 800 meter tot het plangebied. Tevens ligt het plangebied conform het Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo binnen zone III. Transport gevaarlijke stoffen Op een afstand van circa 800 meter, ten oosten van het plangebied is de A73 gelegen. Het plaatsgevonden risico ligt op de weg. Derhalve vormt het plaatsgebonden risico in dit geval geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Tevens vormt de hoogte van het groepsrisico eveneens geen belemmering aangezien het plangebied op een afstand van meer dan 200 meter van de A73 is gelegen. Zone III Conform het gemeentelijk beleidsplan ligt het plangebied binnen zone III. Voor deze zone (invloedsgebied toxische stoffen) gelden geen beperkingen voor het gebruik en kan volstaan worden met een standaard verantwoording.
Verantwoording Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: ▪ de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; ▪ de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); ▪ de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
29
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: ▪ toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; ▪ kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen.
Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dit plan.
Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
30
Door de bestemmingswijziging worden eventuele aanwezige beschermde dieren- of plantensoorten niet verstoord. De woning blijft immers fysiek zoals bestaand, in stand. Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Duitse Natura2000-gebied Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg is gelegen op een afstand van 6,3 kilometer tot het plangebied. Het Natura2000-gebied Maasduinen en het Duitse gebied Wälder und Heiden bei Brüggen Bracht zijn beide gelegen op een afstand van 8 kilometer tot het plangebied. Op een afstand van 8 kilometer tot het plangebied zijn nog de Duitse gebieden Krickerbecker Seen – Kl De Witt-See gelegen en Hangmoor Damerbruch. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te boordelen. Gezien de forse onderlinge afstand heeft de bestemmingswijziging van een reeds bebouwde locatie geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor het Natura2000-gebied.
Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venlo als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat ▪ voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg en de omgevingsverordening is het plangebied gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Binnen de boringsvrije zone Venloschol is het niet toegestaan om beneden 5 meter boven NAP: Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
31
a. b. c. d.
een boorput te hebben; de grond te roeren; een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.
Onderhavig plangebied is op 21 en 23 meter boven NAP gelegen. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 16 en 18 meter geroerd kan worden. Dit is in onderhavig initiatief niet aan de orde. Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een matige bodemdoorlaatbaarheid te hebben van 1,5 tot 10 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 100 – 120 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater In plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Op een afstand van 30 meter, ten zuiden van het plangebied stroomt de Blericks Langven. Dit betreft een primaire watergang van het waterschap. Op beide watergangen is de Keur van waterschap van toepassing. Er vinden in en rondom de watergang geen ontwikkelingen c.q. bouwwerkzaamheden plaats. Afvalwater/ riolering De bestaande woning is aangesloten op het gemeentelijk drukrioleringssysteem. Grondwaterbescherming Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg en de omgevingsverordening is het plangebied gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Zie voor nadere toelichting paragraaf 5.4.1.
Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie. Onderhavig plan is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Opgemerkt wordt dat het hemelwater, overeenkomstig de huidige situatie, via de bestaande bebouwing op het maaiveld terecht komt. Op het maaiveld krijgt het hemelwater de mogelijkheid te infiltreren. Dit leidt in de huidige situatie niet tot overlast op het eigen of aangrenzende percelen. Concluderend kan gesteld worden dat door de bestemmingswijziging geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
32
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venlo heeft in 2007 een archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. In februari 2015 is deze beleidskaart herzien. Op basis van de beleidskaart is het plangebied gelegen in zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Venlo” is aan het plangebied dan ook de gebiedsaanduiding ‘middelhoge/hoge archeologische verwachting’ toegekend. Voor gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachting geldt dat het behoud van archeologische erfgoed in situ gewenst is. Indien dit niet mogelijk is dient er vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan de belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaats vinden.
Afbeelding 12 Uitsnede archeologische beleidskaart (geel; plangebied)
Het archeologisch onderzoek dient plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 500 m² en dieper dan 0,4 m verstoord wordt. Met de functiewijziging zijn geen grondwerkzaamheden voorzien. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd, wel wordt de archeologische dubbelbestemming doormiddel van dit plan gehandhaafd. Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig wordt omgegaan met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
33
Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen erbinnen of nabijheid het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Naast het provinciaal cultuurhistorische beleid heeft de gemeente Venlo ook een gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart (d.d. 6 november 2015) opgesteld. Conform de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart in het landschapstype ‘natte kampontginning met rationele structuur, Rknr’. Natte kampontginningen komen verspreid over de gemeente voor. Natte kampontginningen waren complexe cultuurland met een afwisseling van akkerland en weiland. Belangrijke kenmerken van de natte kampontginningen zijn het overdadig voorkomen van perceelsrandbeplanting en de schaal, het waren doorgaans kleine kavels. Ook kwam een afwisseling van akkerland en bos sporadisch voor. Binnen het plangebied zijn cultuurhistorische landschapselementen gelegen. Op een afstand van 80 meter, ten westen van het plangebied ligt een kapel. Verspreid aan de Sitterskampweg liggen enkele historische boerderijen en/of woonhuizen. In het kader van onderhavige ontwikkeling vinden er geen ontwikkelingen plaats in of nabij cultuurhistorische landschapselementen.
Afbeelding 13 Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo
Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning veroorzaakt geen toename van de verkeersgeneratie. Er is zelfs sprake van een afname van verkeer doordat er geen sprake meer is van verkeer dat afkomstig is van het agrarische bedrijf. Gezien de ligging in het landelijke gebied dient er rekening te worden gehouden met het ontbreken van faciliteiten voor voetgangers en fiets zoals een trottoir. Echter is het aannemelijk dat toekomstige bewoners hiervan op de hoogte zijn aangezien deze de keuze maken om in het landelijk gebied te gaan wonen met al haar voordelen en enkele nadelen zoals het ontbreken van deze faciliteiten.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
34
Parkeren De bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning veroorzaakt geen toename van de verkeersgeneratie. Er is zelfs sprake van een afname van de parkeerbehoefte doordat er geen sprake meer is van (de mogelijk tot oprichten van) een agrarisch bedrijf. Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen maakt de gemeente Venlo in beginsel gebruik van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Gekeken is naar de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ en naar het gebiedstype ‘buitengebied in een matig stedelijk gebied’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Derhalve dienen er 3 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Gezien de voormalige functie als bedrijfswoning zijn er reeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig op eigen terrein.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
35
JURIDISCHE ASPECTEN Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Venlo”.
Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Wonen’. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak toegekend. Voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Hydrologisch gevoelige natuur’ en zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venlo schol’, ‘bufferzone verdroging’ en ‘middelhoge/ hoge archeologische verwachting’ opgenomen zoals dat in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Venlo” reeds het geval is.
Toelichting op de planregels De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
36
wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
37
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
Economische uitvoerbaarheid De bestemmingswijziging geschiedt geheel voor rekening van de initiatiefnemers. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemers. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. In het kader van de Grex-wet is met de bestemmingswijziging geen sprake van een bouwplan. Een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Venlo en de initiatiefnemers is om die reden niet benodigd. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Venlo en de initiatiefnemers afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venlo komt maar voor rekening van de initiatiefnemers.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Omgevingsdialoog In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn initiatiefnemers voorafgaande aan de ontwikkeling in gesprek gegaan met de omwonende. Doormiddel van deze omgevingsdialoog zijn de omwonende op de hoogte gebracht van het voorgenomen planvoornemen. Een verslag van deze omgevingsdialoog (geanonimiseerd) is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Inspraakprocedure Het voorontwerpplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 5 december 2023 tot en met 15 januari 2024. Er zijn geen zienswijze ingediend.
Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
38
▪ ▪
▪ ▪
Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld – ‘Sitterskampweg 140, Boekend’
39