CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

040 bijl1. Toelichting bestemmingsplan J. Henry Dunantstraat (sectie D 720 en 2077) te Arcen.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 5.5: RV 40 Vaststellen bestemmingsplan J. Henry Dunantstraat (sectie D 720 en 2077) te Arcen18.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Omdat ter plekke nieuwe woningen worden gerealiseerd ter vervanging van de verouderde ouderenwoningen, is in dat kader een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek (NEN 5725) (Econsultancy, rapportnummer 18917.001, 7 juni 2022, Bijlage 1) uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn hieronder weergegeven. Conclusie Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Binnen het plangebied worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

31

eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Conclusie verkennend bodemonderzoek De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, plaatselijk zwak grindig, zeer fijn tot zeer grof zand. De bovengrond is bovendien plaatselijk zwak humeus (tot maximaal 1,0 m -mv). In het opgeboorde materiaal van boring 12 is onder het asfalt (over het traject 0,03-0,5 m -mv) een zintuigelijk schone stollaag waargenomen. In de bodem van de boring 03 en 05 zijn zwakke bijmengingen met kolengruis en baksteen aangetroffen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van het plangebied, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte (plaat-)materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging binnen het plangebied te verwachten. De kolengruis- en baksteenhoudende bodem is licht verontreinigd met cadmium.

De zintuigelijk schone stollaag is licht verontreinigd met minerale olie, PCB en PAK. In de overige boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Algehele conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat heet plangebied als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, niet geheel bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de sloop en bouw binnen het plangebied. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functies) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Invloed planvoornemen op omgeving

32

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

De beoogde woningbouw vormt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van de grondgebonden woningen is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Invloed omgeving op planvoornemen De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen waardoor sprake is van een rustige woonwijk. Ten zuidwesten van het plangebied geldt de bestemming 'Detailhandel' met de functieaanduiding 'supermarkt'. De Spar is hier gevestigd. Voor een supermarkt geldt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' en richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het plangebied en de supermarkt bedraagt meer dan 60 meter, zodoende wordt er aan de richtafstand voldaan en vormt de supermarkt geen belemmering voor het planvoornemen. Ten oosten van het plangebied, aan de Boerenweg, is een maatschappelijke bestemming van toepasssing. Hier was een school gevestigd. De is inmiddels niet meer aanwezig, de bebouwing is gesloopt en de locatie is ingericht als groenvoorziening. Uitgaande van een school geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied is op grotere afstand gelegen.

Ten noorden van het plangebied, aan de Lage Lei, is een begraafplaats gelegen. De richtafstand hiervoor is 10 meter. Ook hiervoor geldt dat het plangebied op grotere afstand gelegen is. Verder zijn ten zuiden van het plangebied nog een maatschappelijke en horeca bestemming gelegen. Gezien de ruime afstand van meer dan 100 meter zijn ook deze bestemmingen niet vna invloed op het plangebied. Om gekeerd vormen de nieuwe woningen geen belemmeringen voor deze functies aangezien voldaan wordt aan de richtafstand, andere woningen op korter afstand zijn gelegen en het vervangende woningbouw betreft.

4.5

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

33

komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2 . Als de 3% grens voor PM1 0 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm Woningen (maximaal) 1.500 Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Aangezien voorliggend plan een herontwikkeling betreft waarbij 11 oude woningen vervangen worden door 11 nieuwe woningen wordt hiermee ruimschoots gebleven onder de aantallen, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’ (< 1.500 woningen). De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er ook gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL geraadpleegd. In de kern Arcen zijn geen rekenpunten gevestigd. Ter indicatie van de aanwezige fijnstofconcentraties in het plangebied is gekozen om een rekenpunt gelegen aan de Zwarte Bergweg te raadplegen.

Globale ligging plangebied t.o.v. rekenpunt Zwarte Bosweg (Bron: Nsl-monitoringstool viewer) De fijnstofconcentraties nabij het dichtstbij het plangebied gelegen rekenpunt is beoordeeld (zie voorgaande afbeelding). Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM1 0 (beide 40 ìg/m3 ) en PM2,5 (20 ìg/m3 ) ter plaatse van de rekenpunten niet wordt overschreden (zie voorgaande afbeelding). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur gemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve

34

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect fijnstof vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.6

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Venlo heeft in het Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 een toetsingskader opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van transportassen. Ondanks het verstrijken van de termijn van het beleidsplan, is het toetsingskader bruikbaar bij voorliggende planontwikkeling. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Echter neemt het aantal woningen niet toe met onderhavig planvoornmen. Toetsing

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

35

Uitsnede risicokaart, plangebied lichtblauw omcirkeld (Bron: Risicokaart) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Basisnet is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico in te vullen als de planlocatie buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een weg waarover veelvuldig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N271, welke op circa 850 meter van het plangebied is gelegen. Het plangebied ligt, gezien deze afstand en de aard van de stoffen die over deze weg worden vervoerd, buiten het invloedsgebied van deze weg. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied ligt met een afstand van circa 220 meter ten oosten van de Maas in het invloedsgebied van deze vaarweg. Het PR-plafond van de Maas ligt op de oeverlijn, waardoor het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van de Maas. Gezien de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling (het aantal woningen blijft gelijk) zal geen significante invloed worden uitgeoefend op het groepsrisico door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas.

De ligging van het plangebied ten opzichte van de Maas levert daarom geen directe belemmeringen op. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel a van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Onderstaande tekst kan overgenomen worden bij een ruimtelijk plan dat zich in deze zone bevindt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Echter in onderhavige situatie is geen sprake van toename van de personendichtheid aangezien het aantal

36

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

woningen gelijk blijft. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor.

Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen, waardoor het plangebied niet binnen het invloedsgebied van risicovolle buisleidingen is gelegen. Advies Veiligheidregio Limburg-Noord Op 30 juni 2022 is advies uitgebracht door de Veiligheidsregio Limburg Noord (Bijlage 2) voor onderhavig planvoornemen. In dit advies wordt gesteld dat het groepsrisico niet toeneemt en het planvoornemen gezien de afstand tot transportassen (> 200m) binnen het toepassingsgebied valt van standaard advisering Geconcludeerd wordt dat de bestrijdbaarheid van de nieuwe ontwikkeling in orde is. Er zijn voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig en het plangebied is voldoende bereikbaar zodat incidenten zijn te bestrijden ter bescherming van de gebruikers van het plangebied.

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

37

Wel wordt geadviseerd om rekening te houden met de in het advies genoemde beheersmaatregelen voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw en de gemeente ter verbetering van de zelfredzaamheid.

Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Wel is het gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas. Echter is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen met zich meebrengt en tevens is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op het gebied van externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Met betrekking tot de gestelde nadere eisen uit de beheersverordening van ‘Arcen Dorp’ is enkel een toxisch scenario relevant. Maatregelen gericht op explosies en brand zijn dus niet van toepassing. Er dienen maatregelen te worden genomen die een toegevoegde waarde hebben voor de mate van zelfredzaamheid bij een toxische scenario, deze zijn te vinden in de standaard verantwoording groepsrisico.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.

Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, opgenomen in de beheersverordening 'Arcen Dorp', heeft het plangebied middels dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. Conform beleid zijn aan deze verwachtingswaarde een oppervlakte- en dieptenorm gekoppeld van respectievelijk 500 m² en 40 cm. Aangezien er vooralsnog sprake is van een verwachting dient deze in het kader van dit plan eerst te worden getoetst. Dat betekent dat archeologisch vooronderzoek vereist is door middel van een bureauonderzoek en verkennende boringen. Op basis van de resultaten van het verkennende vooronderzoek neemt de gemeente als bevoegd gezag een besluit over nut en noodzaak van vervolgonderzoek. Bij dit (selectie) besluit wordt ook de bodemverstoring door de werkzaamheden t.b.v. planrealisatie meegewogen. Opgemerkt moet worden dat bij de sloop van de bestaande bebouwing de bodem ter plaatse van de bebouwing niet meer dan strikt noodzakelijk voor de sloop mag worden verstoord. Dit aangezien ook de locatie van de bestaande bebouwing bij het verkennende onderzoek moet worden betrokken.

Bij voorkeur vindt de sloop in eerste instantie plaats tot op maaiveldniveau.

38

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo plangebied blauw omkaderd In dit kader is in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 18917.002, d.d. 28 juli 2022 2022, Bijlage 3) uitgevoerd. Uit dit bureauonderzoek is gebleken dat volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting het plangebied een lage verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum heeft en een hoge verwachting voor alle periodes vanaf het Me-solithicum tot en met de Nieuwe tijd. Gezien de in het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

Dit kan het beste gedaan worden na sloop van de huidige woningen Bovenstaand betreft een advies. Dit advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2). Op basis van de conclusies uit het archeologisch bureauonderzoek en het gemeentelijk selectiebesluit is vervolgens aanvullend een archeologisch verkennend booronderzoek (Econsultancy, rapportnummer 189117.003, d.d. 26 augustus 2022, Bijlage 4) uitgevoerd. Uit dit verkennend booronderzoek is gebleken dat dat de bodem binnen het plangebied tot 165-210 centimeter onder het maaiveld is verstoord. Onder de verstoring werden bedding- en oeverafzettingen aangetroffen. De verstoring hangt hoogst waarschijnlijk samen met de huidige bebouwing. Bij de aanleg van de woningen in 1971 zal de ondergrond vermoedelijk zijn vergraven en verstoord. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

39

nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is opgesteld tijdens het bureauonderzoek, is op basis van het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Dit advies is door de gemeente overgenomen in haar uiteindelijke definitieve selectiebesluit.

Cultuurhistorie In de directe omgeving en binnen het plangebied zijn geen rijks- gemeentelijke monumenten dan wel beeldbepalende panden met cultuurhistorische waarden gelegen. De bebouwing dateert uit de jaren '70 van de vorige eeuw en heeft geen enkel cultuurhistorische waarden. Deze bebouwing is verder niet behoudens waardig en leidt dan ook niet tot problemen met het slopen er van. Hierbij gaan geen cultuurhistorische waarden verloren. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen objecten, zoals historische laanbeplanting, monumentale bomen dan wel kapelletjes of kruisbeelden, aanwezig die enige cultuurhistorische waarden hebben.

4.8

Flora en Fauna

4.8.1 Inleiding Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.8.2 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura2000-gebieden. Onderhavig plangebied valt vanwege de ligging binnen bebouwd gebied niet binnen één van de Natura2000-gebieden.

De dichtsbij gelegen gebieden betreffen het ten zuiden van het plangebied op 900 meter afstand gelegen Maasduinen (vogelrichtlijngebied) en het ten noorden op 2,2 kilometer afstand gelegen Maasduinen (vogelrichtlijn- en habitatgebied). Op Duits grondgebied ligt geen Natura2000-gebied dat gezien de ligging ten opzichte van het plangebied benoemt dient te worden.

40

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Uitsnede omliggende Natura2000-gebieden, plangebied rood omlijnd (Bron: Natura2000 Viewer) Gezien de ligging binnen het stedelijk gebied, de kleinschaligheid van het planvoornemen en de afstand tot omliggende Natura2000-gebieden is de invloed van het planvoornemen op de omliggende Natura2000-gebieden niet in betekenende mate. Er is geen sprake van externe effecten in de vorm van licht, geluid en trilling. Gebiedsbescherming vormt hierom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Het plangebied is evenmin gelegen binnen provinciale beleidscategorieën, die betrekking hebben op natuurof landschapswaarden. Door de ligging binnen de bebouwde kom en de afstand is derhalve geen sprake van mogelijke beinvloeding van het nationaal of provinciaal natuurnerwerk. 4.8.3 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen.

Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn Gedeputeerde Staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing F&F op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. In dit kader is een quickscan flora/fauna en vleermuizenonderzoek (FF advies, rapportnummer R202129-C, d.d. 28 juni 2022, Bijlage 5) uitgevoerd. Op basis van de quickscan wordt vastgesteld dat de woningen in de huidige toestand in de zomer geschikt zijn als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Voor gebouwbewonende volgels zijn de woning niet toegankelijk en dit geldt ook voor de steenmarter. In verband met de geschiktheid van de woningen als (zomer)verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, is in de (na)zomer van 2021 en het voorjaar van 2022 een onderzoek uitgevoerd naar deze soort, volgens het

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

41

vleermuisprotocol. Uit dit vleermuisonderzoek is gebleken dat het plangebied door vleermuizen, met name de gewonen dwergvleermuis en incidenteel de laatvlieger, wordt gebruikt als foerageergebied. Er is geen binding van vleermuizen met één van de woningen vastgesteld. Er is dan ook geen sprake van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied. Wel dienen de maatregelen zoals genoemd in de paragraaf 3.3. van de quickscan flora/fauna en vleermuizenonderzoek worden nageleefd. Dit betreffen concreet: Aanbevolen wordt om in de nieuwbouw, wanneer deze plaatsvindt, mogelijkheden te creëren voor vleermuizen door het aanbrengen van daarvoor speciaal ontwikkelde inbouwstenen (www.vivarapro.nl/IB-VL-01-Inbouwsteen-Vleermuizen) of het plaatsen van kasten aan de muren. Voor broedvogels geldt dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels, die in de directe omgeving kunnen broeden. Indien werkzaamheden met een sterke geluidsimpact binnen het broedseizoen (15 mei tot 15 juli) plaatsvinden, moet eerst worden nagegaan of er bezette nesten zijn binnen de storingsafstand, waarvoor te zijner tijd een deskundige op het gebied van broedvogels geraadpleegd moet worden.

Aanbevolen wordt om ook voor boerenzwaluw, huismus, gierzwaluw of huiszwaluw het principe van natuurinclusief bouwen te volgen en, vergelijkbaar met die voor vleermuizen, geschikte verblijfplaatsen aan te bieden.

Belangrijkste waarnemingen gewone dwergvleermuis bij onderzoek 2021-2022 4.8.4 Stikstof Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden. Met de komst van de nieuwe wet is voor woningbouwprojecten is een belangrijke wijziging ingevoerd. Namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector van de natuurvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb. De vrijstelling voor bouwactiviteiten is om twee redenen partieel. Allereerst omdat de vrijstelling alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“Realisatiefase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (“Gebruiksfase”). Voor de structurele uitstoot die een project in de Gebruiksfase uitstoot, blijft de natuurvergunningplicht dus onverkort van toepassing.

De vrijstelling is voorts partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, bijvoorbeeld de verstoring van diersoorten. Voor de onderhavige planvoornemen geldt daarmee dus dat indien er geen significante effecten ten aanzien

42

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

van de emissie van stikstof zijn te verwachten in de gebruiksfase, de bouwfase buiten beschouwing kan worden gelaten (vrijgesteld) en dat een ontheffing van de Wnb voor het project niet aan de orde is. Derhalve is navolgend gekeken of er een effect in de gebruiksfase is te verwachten ten aanzien van stikstof. In dat kader is een notitie beoordeling stikstor opgesteld en een aeriusberekening (gebruiksfase) uitgevoerd (Pouderoyen Tonnaer, project J222367, d.d. 17 maart 2023, Bijlage 6). Uit de berekening van de realisatiefase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura2000-gebieden ten gevolge van de realisatiefase worden uitgesloten. Uit de berekening van de gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase worden uitgesloten. Het bouwplan leidt dan ook niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.

4.9

Verkeer en parkeren

De verkeersituatie ter plaatst blijft ongewijzigd. Net als in de huidige situatie worden de woningen ontsloten via de J. Henry Dunantstraat. In de bestaande situatie zijn hetzelfde aantal parkeerplaatsen voorzien als het aantal voorziene parkeerplaatsen middels het planvoornemen. Dit komt neer op 5 parkeerplaatsen op eigen terrein (noordoostkant van het plangebied) en de 14 parkeerplaatsen aan de openbare weg gesitueerd, in totaal 19 parkeerplaatsen. De 5 parkeerplaatsen zijn bereikbaar vanaf een insteek vanaf de J. Henry Dunantstraat. Een gestelde voorwaarde hiervoor is dat het bestaan aanwezige 'achterom' toegankelijk blijft voor overige bewoners en of gebruikers van het pad. Dit houdt in dat de 5 parkeerplaatsen aan de noordoostkant van het plangebied vanaf de J. Henry Dunantstraat én de Laakweg (lopend) bereikbaar dienen te blijven. Aangezien het aantal woningen in de huidige situatie gelijk is aan het aantal woningen voorzien in het planvoornemen, de locatie van de bebouwing nagenoeg hetzelfde is en de woningtypen eveneens nagenoeg hetzelfde zijn, kan gesteld worden verkeer en parkeren gewaarborgd is in het planvoornemen.

4.10

Kabels en leidingen

Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en electra. Deze zijn tevens gelegen binnen het plangebied zelf ten behoeve van de bestaande woningen. Deze zogenaamde huisaansluitingen zullen verlegt moeten worden ten behoeve van de nieuwe woningen. Daarnaast zal een riolering die door het plangebied loopt verlegt moeten worden.

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

43

Overzicht leidingen Het kan noodzakelijk zijn dat er een ten behoeve van de nieuwbouw een extra trafo (Enexis) geplaatst moet worden, hiervoor dient een locatie in het bouwplan te worden opgenomen.

44

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.

5.2

Rijkswaterstaat

Het plangebied maakt deel uit van het gedeelte van het rivierbed waar §6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit). Dit betekent dat het gebied is vrijgesteld van vergunningsplicht voor het gebruik van de waterstaatswerken. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Op 18 juni 2020 is door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen. Op moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming.

5.3

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP). Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur van waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. De komende jaren gaat het waterschap aan de slag om de doelen uit het waterbeheerprogramma te realiseren. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor het WBP 2022-2027. Zo zijn in het Nationaal Waterprogramma de Delta-beslissingen opgenomen. Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategische grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen en de overige wateren. Het WBP 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. De belangrijkste onderwerpen in het WBP zijn waterbescherming, klimaatadaptatie, ecologische waterkwaliteit en zuiveren.

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

45

5.4

De Keur en Legger

Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende Legger als kaart). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Op 1 april 2019 heeft het Waterschap een nieuwe Keur vastgesteld. Op basis van de Legger van waterschap Limburg valt het plangebied binnen een beschermingszone.

Uitsnede van de Legger van waterschap Limburg, plangebied rood omcirkeld Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen of ruimtelijke onderbouwing en Het Waterschap Limburg hanteert sinds 1 april 2019 de volgende uitgangspunten voor haar toetsing met betrekking tot de behartiging van waterhuishoudkundige belangen binnen een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing alsmede voor de toetsing van de waterparagraaf van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing: Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit; schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit; hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool.

46

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepteinfiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord-Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid,controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan. Direct ten westen van het besluitgebied ligt een primaire waterkering die in beheer is bij het Waterschap Limburg. De buitenbeschermingszone van deze kering ligt over de westzijde van het plangebied. De buitenbeschermingszone ligt over de beoogde twee levensloopbestendige woningen aan de westzijde van het plangebied. Ter plaatse van deze zone is het zonder vergunning van het waterschapsbestuur verboden om bouwwerken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. Voor de bouw van deze twee westelijke woningen, die naar voren worden geplaatst, is hierdoor een vergunning van het waterschap vereist.

Aangezien het voormalige Waterschap Peel en Maasvallei in het verleden reeds een vergunning heeft afgegeven voor een eerder woningbouwplan op deze locatie, is de verwachting dat er voor de herbouw van deze woningen geen belemmeringen bestaan vanwege de ligging ten opzichte van de waterkering.

5.5

Invloed van planvoornemen

De invloed van het planvoornemen op het watersysteem in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie wordt het plangebied na de herstructurering van 11 woningen niet voorzien van opperlvaktewater. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van bestaand bebouwd gebied. Afvalwater Het planvoornemen voorziet in woongelegenheid voor 11 woningen. Uitgaande van een norm van 3 bewoners per woning komt dit neer op 33 bewoners in het plangebied. Conform de richtlijnen wordt er uitgegaan van een waterverbruik van 150 liter per persoon per dag. De totale droogweerafvoer komt daarmee uit op ca 4,95 m3 per dag. Het huishoudelijk afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande reeds aanwezige riolering van de J. Henry Dunantstraat. De aansluiting op het gemeentelijk riool zal plaatsvinden op grond van de voorwaarden van en in overleg met de rioolbeheerder.

Hemelwater Het hemelwater van het dakoppervlak en de verharde buitenruimte wordt in de toekomstige situatie afgekoppeld van het afvalwatersysteem en conform de huidige beleidsinzichten geïnfiltreerd. Door het waterschap wordt gesteld dat infiltratie van hemelwater mogelijk is indien: de doorlatendheid van de bodem groter is dan 0,3 m/dag; de grondwaterstand dieper is dan 0,8 m minus bodem van het infiltratie-element aanwezig is; het in te leiden hemelwater niet is verontreinigd.

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

47

De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ter plaatse van het plangebied is in terug te vinden op de bodemkaart. Op basis van de Grondwaterkaart 2006 is voor het plangebied geen aanvullende waarde opgenomen. Op basis van de waarden van de bodemkaart in de omgeving van het plangebied is in te schatten dat het plangebied grondwatertrap VII heeft. Dit komt neer op een GHG van lager dan 80 cm onder het maaiveld en dat betekent dat hemelwater goed kan infiltreren in de bodem.

Bij het maken van de keuze voor het type (infiltratie)voorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG), het afstromend verhard oppervlak en het beleid van het bevoegd gezag. Op basis van de Keur van het Waterschap Limburg geldt een bergingseis van 100 mm. Deze bergingseis is gehanteerd bij het bepalen van de benodigde berginscapaciteit voor de opvang van het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak (bebouwing en verharding). Het plangebied is momenteel reeds ingericht met woningen en gedeeltelijk verhard. Door de herstructurering van de woningen blijft het verhard oppervlak binnen het plangebied per saldo ongeveer gelijk. De nieuwe grondgebonden huurwoningen als ook de verharding wordt in de nieuwe situatie volledig afgekoppeld. Het verharde oppervlak van de levensloopbestendige woningen bedraagt per woning ca. 95 m2 . Het verharde oppervlak van de eengezinswoningen bedraagt ca. 75 m2 . Dit betekent een berginseis van respectievelijk 9,5 m3 en 7.5 m3 per woning. Hiervoor zal aan de achterzijde van de woningen onder het terras de noodzakelijke infiltratievoorzieningen worden aangelegd in de vorm van infiltratiekratten. Uit het uitgevoerde infiltratieonderzoek (Aelmans, rapportnummer E223067.003/LOM, d.d. 30 juni 2022, Bijlage 7) blijkt dat infiltratie van het hemelwater tot de mogelijkheden behoort.

De doorlatendheid van de ondergrond is hiervoor voldoende. Het infiltreren direct in de ondiepe ondergrond kan plaatsvinden. De verharding in de vorm van voetpaden aan de voorzijde van de woningen aan het hofje watert rechtstreeks af op de groeninrichting. Voor de verharding van de ontsluiting en parkeervoorziening aan de oostzijde van het plangebied wordt voorzien in een open verharding met daaronder een lavapakket om het water ter plaatse rechtstreeks te bufferen zodat het van daaruit kan infiltreren in de bodem. Er wordt tevens nog nader onderzocht of het bestaande riool, zoals aanwezig binnen het plangebied aan de oostzijde, vervangen c.q.verlegd moet worden. Dit is afhankelijk van de exacte ligging. Indien dit aan de orde is dan kan hier ter plekke ook direct een infiltratieriool aangebracht worden. De exacte vormgeving en dimensionering zal in het vervolg van het traject in overleg met de gemeente nader worden uitgewerkt. De berekende benodigde capaciteit vormt hierbij het uitgangspunt, tezamen met de feitelijke (ruimtelijke) situatie ter plaatse.

48

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

5.6

Conclusie

Het verhard oppervlak van de uitgeefbare gronden en verhardingen in de openbare ruimte worden volledig afgekoppeld, waarbij het hemelwater van de woningen wordt afgevoerd naar de berging- c.q. infiltratievoorziening op eigen terrein. Gezien de gemiddeld hoogste grondwaterstand van meer dan 0,8 m onder maaiveld en de zeer goede bodemdoorlatendheid zijn binnen het plangebied ruim voldoende mogelijkheden aanwezig om het hemelwater te laten infiltreren. Er wordt hiervoor de noodzakelijke ondergrondse berging aangelegd door middel van infiltratiekoffers. Met de ontwikkeling zal dan ook geen wateroverlast ontstaan op omliggende gronden. De ontwikkeling is in het kader van het vooroverleg ter toetsing voorgelegd aan het waterschap. Hierop is geen reactie ontvangen, aangenomen mag dan ook worden dat voorliggend plan voor het waterschap geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

49

50

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Hoofdstuk 6 6.1

Planopzet

Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

6.2

De verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.

6.3

De regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze worden overgenomen.

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.

Bestemmingsregels De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende toegestane functies direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de bouwregels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels;

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

51

Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hierna een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden ‘met daaraan ondergeschikt’. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat, met het oog op de raadpleegbaarheid, ook inrichtingsaspecten. Zo kan er worden bepaald dat de betreffende gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan in de bestemmingsomschrijving worden aangegeven dat het behoud van bepaalde karakteristieken of waarden wordt nagestreefd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan cultuurhistorische waarden.

Bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels weergegeven. Hierbij wordt in ieder geval een onderscheid gemaakt tussen de regeling van (hoofd)gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.

Nadere eisen Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.

Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de toegestane bouwregelingen. Deze vergunning is niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvoor een vergunning wordt verleend, welke maximale afwijking kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder vergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien de afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

52

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

Specifieke gebruiksregels Het is verboden gronden te gebruiken en/of te laten gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, nog expliciet worden genoemd als zijnde verboden gebruik.

Afwijken van de gebruiksregels Met een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijkingsbevoegdheden geen ‘nieuwe’ functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

Toegekende bestemming Wonen De voor ‘Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen; aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, zoals vermeld in de als bijlage opgenomen Bedrijvenlijst; tuinen, erven en onbebouwde erven; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergingsen infiltratievoorzieningen; groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: woonstraten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse)

bestemmingsplan Herstructurering J. Henry Dunantstraat Arcen

waterbergings-

en

53

infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: bermen en beplanting; straatmeubilair; voorzieningen van algemeen nut; Algemene regels Anti-dubbeltelregel Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/114/documents/4307