CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

035 bijl1 Transitievisie Gebouwde omgeving 2.0 (4).pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 5.3: RV 35 Transitievisie Gebouwde omgeving 2.017.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

1

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

VOORWOORD Voor je ligt de Transitievisie Gebouwde omgeving 2.0 van de gemeente Venlo. Hiermee brengen we in beeld wat de verwachte oplossing is per buurt om stapsgewijs van het aardgas af te gaan. Als overheid wordt van ons verwacht dat we de weg wijzen. Dat doen we met deze visie, maar als Venlo doen we meer. We willen het mogelijk maken dat we samen onze doelen bereiken, namelijk een duurzame en lokale warmtevoorziening die voor iedere Venlonaar toegankelijk is. In deze visie heb ik dan ook een wens: Ik wil graag samen met jou kansen benutten. Een van die kansen is om als gemeente én als inwoner meer regie te krijgen op de kosten en beschikbaarheid van duurzame warmte. Want hoe mooi zou het zijn als we de energie in de regio Venlo zelf kunnen opwekken, en bijvoorbeeld de warmte uit de maas kunnen inzetten voor onze eigen duurzame warmte. ik ben er dan ook van overtuigd dat de warmtetransitie veel meer is dan een technisch vraagstuk. Het is juist ook een sociale opgave waarin iedereen zijn eigen uitdagingen heeft. Ik vind het belangrijk dat we als gemeente drempels wegnemen en goede initiatieven van inwoners ondersteunen. Dit betekent ook dat we als gemeente keuzes moeten maken.

Over de warmteoplossing per buurt, maar ook over de mogelijkheden die we hebben om als gemeente te kunnen sturen op de waarden die we daarbij belangrijk vinden, zoals betaalbaarheid, onafhankelijkheid en uitvoerbaarheid. Ik wens je veel leesplezier en nieuwe inspiratie voor een toekomstbestendig Venlo. Namens burgemeester en wethouders van gemeente Venlo, Marij Pollux, Wethouder Duurzaamheid

2

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

INHOUDSOPGAVE VOORWOORD

2

INHOUDSOPGAVE

3

SAMENVATTING

4

1

INLEIDING

5

1.1

8

2

WARMTEVISIE

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

3

Onze uitgangspunten in de warmtetransitie

Hoe herijken we de vorige warmtevisie? Overzicht van duurzame warmteoplossingen Warmteoplossing per buurt 2.3.1 Warmtevoorziening op basis van elektriciteit 2.3.2 Warmtevoorziening op basis van warmtenet Verschillen met de vorige Transitievisie Overige overwegingen Gevolgen voor de aanpak

STURING EN SAMENWERKING

12 12 13 18 20 20 22 22 26

27

3.1 Rolverdeling gemeente, woningcorporaties en Enexis 3.1.1 Rol gemeente Venlo 3.1.2 Rol woningcorporaties 3.1.3 Rol Enexis 3.2 Doorpakken in vier bouwblokken 3.2.1 Energiebesparing 3.2.2 Nieuwe energie 3.2.3 Burger in beeld 3.2.4 Inspelen op verandering 3.2.5 Integrale blik 3.3 Risico’s warmtetransitie 3.4 Basis voor samenwerking

28 28 29 29 31 31 34 36 38 39 42 43

BIJLAGEN

44

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

44 55 60

3

Overzicht uitkomsten Warmtevisie Samenvatting QuickScan warmtetransitie Scenario’s publieke rolkeuze warmtenetten

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

SAMENVATTING Als gemeente hebben we een belangrijke rol in de transitie naar een volledig duurzame warmtevoorziening. Al onze woningen moeten in 2050 namelijk volledig aardgasvrij zijn. Vanuit het Rijk hebben we de wettelijke opgave gekregen om hiervoor een Transitievisie Warmte op te stellen. Daarin schetsen we een beeld van de verwachte warmteoplossing per buurt en onze plannen voor de komende jaren. Sinds het opleveren van de Venlose Transitievisie Gebouwde omgeving 1.0 in 2021 ziet de wereld er heel anders uit. Denk daarbij aan de forse stijging van energieprijzen, maar ook de beperkte beschikbaarheid van materialen zoals zonnepanelen en warmtepompen. En dat juist in een tijd waarin steeds meer inwoners willen verduurzamen. Daarnaast is ook het wettelijk kader waarin we als gemeente bewegen nog steeds in ontwikkeling. Genoeg redenen dus om opnieuw te kijken naar onze plannen en ambities.

In deze Transitievisie hebben we onder andere de volgende punten toegevoegd of geactualiseerd: • We nemen de keuzes voor de warmteoplossing per buurt opnieuw onder de loep; • We geven meer aandacht aan het verbeteren van de woningsituatie van inwoners; • We maken ruimte voor spijtvrije maatregelen en het stapsgewijs maken van keuzes; • We verbreden de wijkaanpak, door deze aan te vullen met een stadsbrede aanpak; • We willen gemeentebreed een passend aanbod doen voor inwoners; • We hebben meer oog voor de realisatiekracht van de gemeente en onze partners. Over het geheel zijn er in de hernieuwde analyse naar de warmteoplossing per buurt geen grote verschillen ten opzichte van de uitkomsten van de vorige transitievisie. Voor de meeste buurten is de warmteoplossing hetzelfde gebleven, maar voor enkele buurten zijn de resultaten afwijkend ten opzichte van de vorige analyse. Dit kan komen door veranderende energieprijzen en investeringskosten, waardoor een andere warmteoplossing de voorkeur heeft gekregen. Zo zien we bijvoorbeeld kansen voor een collectief energiesysteem (warmtenet) op de ontwikkeling van het Kazerne Kwartier. Maar ook zien we dat op een aantal plekken een warmtenet niet meer kansrijk is, doordat de potentie van restwarmte (beschikbare warmtebronnen) minder groot is gebleken.

De uitgangspunten van onze lokale aanpak zijn daarbij als volgt: • We zetten energiebesparing centraal in de aanpak; • We bieden ook perspectief in de buurten waar de warmteoplossing nog onzeker is; • We zijn zichtbaar en aanspreekbaar voor onze inwoners; • We zetten in op het verlagen van drempels, passend bij de doelgroep; • We leren van de wijkaanpak met onze proeftuin Hagerhof-Oost; • We kijken naar sociale en ruimtelijke kansen zoals energiearmoede, klimaatadaptatie en circulariteit; • We kunnen deze transitie alleen samen met onze inwoners en partners realiseren.

4

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

1

INLEIDING

Het Klimaatakkoord uit 2019 beschrijft de Nederlandse doelen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. De gebouwde omgeving is daarbij één van de vijf belangrijkste sectoren om die uitstoot te verminderen. In 2050 moeten namelijk 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn.

DE GEMEENTE ALS REGISSEUR IN DE WARMTETRANSITIE Gemeenten worden in het klimaatakkoord benoemd als regisseurs van de energietransitie in de gebouwde omgeving. Dit betekent dat gemeenten een belangrijke rol hebben in de transitie naar een volledig duurzame warmtevoorziening in 2050. Hoe deze transitie eruit ziet, verschilt per gemeente. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van de mate van verstedelijking in de gemeente. In de Transitievisie Warmte schetst elke gemeente een beeld van de verwachte warmteoplossing per buurt en de plannen om te verduurzamen voor de komende jaren. In de gemeente Venlo noemen we onze Transitievisie: de ‘Transitievisie Gebouwde omgeving’. De warmtetransitie hangt namelijk sterk samen met andere ruimtelijke en sociale opgaven in de gebouwde omgeving. Als gemeente kregen we deze regisseursrol omdat we van alle overheden het dichtst bij jou als inwoner staan. Dat we regisseur zijn, betekent echter niet dat we deze opgave alleen kunnen realiseren. Onder andere de lokale woningcorporaties en de netbeheerder, maar vooral onze inwoners, zijn onmisbaar in deze transitie.

BEWUSTZIJN ONDER INWONERS IS GEGROEID Sinds het opleveren van de Venlose Transitievisie Gebouwde omgeving 1.0 in 2021 ziet de wereld er heel anders uit. Onder andere de oorlog in Oekraïne zorgde voor een forse stijging in de energieprijzen. Hierdoor nam het bewustzijn van veel mensen over de noodzaak om energie te besparen toe. Ook zijn huishoudens steeds vaker bereid om te verduurzamen om zo minder afhankelijk te zijn van (buitenlands) aardgas. Mogelijk neemt dit urgentiebesef ook weer af als de energieprijzen dalen. Daarom is dit juist het moment om een versnelling aan te brengen in het realiseren van onze verduurzamingsopgave. De gemeente Venlo wil graag een betaalbare en duurzame energievoorziening zodat deze voor iedereen toegankelijk is. We herijken met dit document de eerdere Transitievisies om rekening te houden met deze recente veranderingen. We houden in deze visie meer rekening met de betaalbaarheid voor inwoners, bieden meer zekerheid, maar houden tegelijkertijd rekening met de complexiteit en onzekerheid in de warmtetransitie. Daarnaast zien we de warmtetransitie nog meer als een kans. We willen de gezondste regio zijn en zetten ook in op een gezond binnenklimaat.

5

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

REKENING HOUDEN MET ONZEKERHEDEN Naast geopolitieke onzekerheden die van invloed zijn op de uitvoering van de warmtetransitie, spelen er ook landelijke, regionale en lokale onzekerheden en uitdagingen. Neem bijvoorbeeld de stijging in materiaalkosten of de beschikbaarheid van voldoende warmtepompen of zonnepanelen. Daarnaast is het wettelijk kader waarin we als gemeente bewegen nog steeds in ontwikkeling. Met een relatie lage kwaliteit van de woningvoorraad (energielabels) en een lager gemiddeld besteedbaar inkomen dan landelijk gemiddeld, is de opgave in Venlo bovendien groot. Eerste conceptversies van de wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW) en de wet collectieve warmtevoorziening (WCW) zijn inmiddels opgesteld. De definitieve publicaties zijn echter al enkele malen uitgesteld en hebben grote invloed op de rol die gemeenten in (kunnen) nemen bij de ontwikkeling van warmtenetten. Dit is mogelijk van invloed op de Venlose ontwikkeling van het warmtenet in Hagerhof-Oost, maar ook op de realisatie van andere toekomstige warmtenetten in de gemeente Venlo.

ERVARINGEN OPGEDAAN IN DE COLLECTIEVE WIJKAANPAK Hagerhof-Oost is een voorbeeld van hoe de gemeente de afgelopen jaren praktijkervaring op deed bij de uitvoering van de warmtetransitie. We hebben onder andere geleerd dat de ontwikkeling van een warmtenet complex is en veel kennis en kunde vraagt vanuit diverse partijen. Ook communicatie naar en met inwoners is niet altijd gemakkelijk wanneer nog onderzoek wordt gedaan en nog geen (technische) keuzes gemaakt zijn. Daarbij hebben we ook geconstateerd dat het erg lastig is om inwoners perspectief te bieden in de fase waarin we enerzijds plannen aankondigen voor een warmtenet, maar tegelijkertijd op de korte termijn nog geen concrete oplossingen kunnen bieden. Inwoners in buurten waar een warmtenet is gepland, willen ook nú stappen zetten. Door hier geen rekening mee te houden in de aanpak, lopen we het risico dat we vertragen óf dat zij zelf al stappen zetten richting een individuele oplossing, wat de kansen voor de realisatie van een warmtenet beperkt.

ADVIES, ONTZORGING EN BESPARING Sinds de vorige Transitievisie hebben we niet stilgezeten. Er zijn veel stappen gezet gericht op advies, ontzorging en besparing voor verschillende doelgroepen. Denk daarbij aan: • Gratis professioneel duurzaamheidsadvies met online woningscan; • Initiatief Goede Buren met gratis energieadvies aan huis van vrijwilligers; • Revolverend fonds voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed; • Gemeentelijk zonnepanelenproject gericht op financiering en ontzorging; • Lokale subsidieregelingen zoals RRE(W), warmtepompen en energiearmoede.

UITGEVOERDE QUICKSCAN: EEN SNEL VERANDERENDE OMGEVING Voorafgaand aan deze herijking hebben we een QuickScan laten uitvoeren naar interne en externe ontwikkelingen (economisch, politiek-juridisch, sociaal-cultureel en technologisch) die invloed hebben op onze aanpak in de warmtetransitie. Dit resulteerde in een substantiële herijking van de Transitievisie met andere accenten. Hieronder volgt een kort overzicht van de meest relevante inzichten. In bijlage 2 is een uitgebreidere samenvatting opgenomen van de opgedane inzichten uit de QuickScan.

6

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

• • • •

Sterk gestegen energieprijzen en betaalbaarheid onder druk; Toegenomen extrinsieke (financiële) motivatie om te verduurzamen; Toegenomen behoefte aan onafhankelijkheid in energievoorziening; Onduidelijkheid over juridische kaders warmtetransitie Rijk (WCW en WGIW).

DE TRANSITIEVISIE 2023: EEN HERIJKING Onze lessen uit de praktijk, maar ook de diverse ontwikkelingen in juridische, politieke en economische context hebben ertoe geleid dat we deze herijking hebben opgesteld. De volgende elementen zijn toegevoegd of geactualiseerd ten opzichte van de vorige versie:

1. We nemen de keuzes voor een duurzame warmteoplossing per buurt opnieuw onder de loep en bekijken hoe gevoelig de keuzes zijn voor grote prijsstijgingen; 2. We geven in de aanpak meer aandacht aan het verbeteren van de huidige woningsituaties en energielasten van inwoners door de hoge energieprijzen; 3. We zorgen voor een adaptieve aanpak die inspeelt op actuele ontwikkelingen, met ruimte voor spijtvrije maatregelen, waarin we stapsgewijs keuzes maken. Met deze aanpak houden we het einddoel van een duurzame warmtevoorziening in Venlo voor ogen, maar behouden we ruimte om desgewenst bij te sturen; 4. We verbreden de wijkaanpak, door deze aan te vullen met een stadsbrede aanpak. We gaan door met de wijkaanpak waar deze effectief is, namelijk in wijken waar er een warmtenet voor ogen is. Ook willen we gemeentebreed een passend aanbod voor inwoners doen, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een warmtepomp of isolatiemateriaal. Daarnaast willen we doelgroepen specifieker ondersteunen, denk aan inwoners met energiearmoede; 5. We hebben oog voor de realisatiekracht van de gemeente en onze partners en de invloed hiervan op de haalbaarheid van de huidige plannen en ambities. Uitvoering van de energietransitie is afhankelijk van mensen en middelen bij de gemeente maar ook van de beschikbaarheid van voldoende technisch personeel.

We zetten onze middelen in waar deze de meeste toegevoegde waarde hebben.

In het vervolg van dit document wordt verder ingegaan op de effecten van bovenstaande elementen, maar over het geheel kunnen we enkele uitgangspunten beschrijven die we als gemeente hanteren bij de transitie richting een duurzame warmtevoorziening. Het gaat daarbij om de volgende uitgangspunten.

7

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

1.1

ONZE UITGANGSPUNTEN IN DE WARMTETRANSITIE

ENERGIEBESPARING CENTRAAL Het uiteindelijke doel ligt vast, namelijk een een aardgasvrije woningvoorraad in 2050. Maar de weg daarnaartoe niet. De snelheid van ontwikkelingen in onder andere techniek, regelgeving en financieringsmogelijkheden vragen om een adaptieve aanpak. Dit houdt in dat we het doel voor ogen houden, maar dat we in de weg daarnaartoe inspelen op actuele ontwikkelingen. De energiecrisis en het toegenomen urgentiebesef onder inwoners maakt dat we nu willen handelen. Energiebesparing centraal stellen in de aanpak levert ons en onze inwoners nu al veel voordelen op, namelijk: • De inwoner realiseert hiermee nu al een hogere besparing op de energierekening; • Als gemeente stoten we nu al minder CO-2 uit; • Én zorgen we stapsgewijs voor een woningvoorraad die eenvoudiger van het aardgas kan doordat woningen al goed zijn geïsoleerd (aardgasvrij-ready). Kortom, deze benadering zorgt voor kostenbesparing, CO2-reductie én een kwalitatief betere woningvoorraad.

PERSPECTIEF VOOR ONZEKERE BUURTEN Hoewel we in veel buurten al een duidelijk beeld hebben van de verwachte warmteoplossing, zijn er ook een aantal buurten waar we dit nog met onvoldoende zekerheid kunnen zeggen. De afweging om te kiezen voor een individuele of collectieve warmteoplossing is namelijk van veel zaken afhankelijk. Naast de maatschappelijke kosten spelen bijvoorbeeld ook de uitvoerbaarheid en de mogelijkheid om als gemeente te sturen op waarden zoals betaalbaarheid en onafhankelijkheid een rol. In de buurten waar de warmteoplossing nog onzeker is, willen we inwoners in de tussentijd wel perspectief bieden. Daarom gaan we in die buurten versneld aan de slag met een wijkaanpak gericht op besparing. Daarbij valt te denken aan spijtvrije maatregelen die ongeacht de warmteoplossing slim zijn om te treffen zoals het plaatsen van zonnepanelen, isoleren (rekening houdend met aanvoertemperatuur van een warmtenet) en tijdelijke concepten zoals een hybride warmtepomp, als een warmtenet voorlopig niet wordt gerealiseerd.

8

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

ZICHTBAAR EN AANSPREEKBAAR We vinden het belangrijk dat inwoners weten waar ze terecht kunnen met vragen. We bieden ze inzicht en perspectief in de mogelijkheden die ze hebben om te verduurzamen. Dat doen we onder andere door onze communicatie over de warmtetransitie toegankelijker te maken. Met een adressentool kunnen inwoners snel en eenvoudig zien welke plannen er zijn in hun wijk en welke stappen slim zijn om te nemen. Een zichtbare en aanspreekbare organisatie vraagt ook om passende maatregelen. Daarom hebben we geïnvesteerd in lokale duurzaamheidsadviseurs die inwoners, bedrijven en verenigingen kunnen helpen met vragen over verduurzaming. Ook faciliteren we wijkbijeenkomsten van inwoners in de hele gemeente.

DREMPELS VERLAGEN Om de warmtetransitie tot een succes te maken, zijn drie pijlers van belang, namelijk: • voldoende financiële middelen; • technische ontwikkelingen; • het meenemen van iedere Venlose inwoner in deze transitie. Als gemeente hebben we relatief weinig invloed op de financiële stimulansen en de technische ontwikkelingen. Wel staan we dicht bij de burger en kunnen we inspelen op diens gedrag en drempels verlagen. Het bieden van perspectief aan de inwoner vraagt niet alleen om duidelijke communicatie, maar ook om instrumenten. Met verschillende maatregelen spelen we daarop in: gratis en laagdrempelig advies van ons vrijwilligersteam, verschillende collectieve inkoopacties, een ontzorgingsproject voor zonnepanelen, ons energieloket met professioneel advies, energievouchers en subsidies. We verkennen of we de bestaande ontzorgingsconcepten kunnen uitbreiden. De woningeigenaar die wil verduurzamen doet dat bovendien op zijn of haar eigen manier. Daarom verkennen we of we specifieke doelgroepen nog beter kunnen ondersteunen zoals: VvE’s, huishoudens met energiearmoede, ondernemers en eigenaren van monumentale panden (bijvoorbeeld in de binnenstad).

9

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

LEREN DOOR TE DOEN Het project in Hagerhof-Oost is een proeftuin, wat betekent dat een van de doelstellingen is om te leren van een collectieve wijkaanpak en de realisatie van een warmtenet. Zo doen we inzichten op over de samenwerking met partners, het juiste moment van het betrekken van inwoners en de haalbaarheid van een businesscase voor een warmtenet. Dit alles in een context van grote onzekerheid. Dit komt met name door de voorgenomen wijziging van de Wet Collectieve Warmtevoorziening, waarin uitspraken worden gedaan over de rol van gemeenten bij de aanleg van warmtenetten. Een meer publieke rol in de infrastructuur biedt mogelijk kansen om het publieke belang beter te borgen, maar brengt tegelijkertijd risico’s mee, gelet op de beperkte realisatiekracht van publieke partijen. Deze ontwikkelingen vragen om een rolkeuze van ons als gemeente bij de totstandkoming van warmtenetten. In de afweging van een rolkeuze gaat het daarbij ook over waarden zoals toegankelijkheid, betaalbaarheid en onafhankelijkheid van energie. Er zijn verschillende mogelijkheden om als gemeente te sturen op deze waarden waar de gemeente Venlo belang aan hecht. Ook kijken we zorgvuldig naar de planning en realisatie van toekomstige warmtenetten.

Op korte termijn betekent dit dat we verkennen of het project van Hagerhof-Oost kan worden uitgebreid met de buurt Hagerhof-West, verkennen we of bepaalde complexen die al goed geïsoleerd zijn versneld op een warmtenet kunnen én concluderen we dat in een aantal wijken een warmtenet niet (meer) voor de hand ligt.

BREDERE RUIMTELIJKE EN SOCIALE OPGAVE De Transitievisie Gebouwde Omgeving richt zich op een aardgasvrije woningvoorraad en is daarmee een van de bouwstenen van ons gemeentelijk beleid voor de energietransitie. In ­Venlo vinden we het belangrijk dat we in de warmtetransitie ook de verbinding maken met andere ruimtelijke en sociale opgaven zoals: • • • •

10

Energiearmoede (een betaalbare en rechtvaardige energievoorziening); Klimaatadaptatie (omgaan met de effecten van klimaatverandering); Circulariteit (hergebruik van materialen); Het energiesysteem (de verbinding tussen vraag en aanbod en transport en opslag van verschillende energievormen.

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

SAMEN DOORPAKKEN We willen benadrukken dat we de opgave om van het aardgas af te gaan alleen samen kunnen realiseren. Als gemeente hebben we een regisserende rol en verwachten we snel meer kaders en instrumenten vanuit het Rijk waarmee we aan de slag kunnen. Maar in veel opzichten zijn we ook afhankelijk van onze andere partners zoals woningcorporaties, de netbeheerder en niet op de laatste plaats onze inwoners. • De particuliere woningeigenaar moet uiteindelijk zelf bereid zijn om (met ondersteuning) stappen te zetten in de verduurzaming; • De woningcorporaties moeten flink aan de slag om hun sociale huurwoningen versneld te verduurzamen; • De netbeheerder zorgt voor een infrastructuur die toereikend is voor toenemende duurzame energievoorzieningen (warmtepomp, elektrisch vervoer, zonnepanelen).

11

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

2

WARMTEVISIE

Met de warmtevisie brengen we in beeld wat de verwachte oplossing per buurt is om van het aardgas af te gaan. Op dit moment wordt het grootste deel van de Nederlandse gebouwen verwarmd door middel van een cv-ketel met aardgas. Deze vorm van verwarming willen we vervangen door duurzame alternatieven richting 2050. Daarbij is er niet overal één oplossing het meest aantrekkelijk. Dit is afhankelijk van de plek en type bebouwing. Ook in Venlo ontstaan in de verschillende buurten andere oplossingen. In dit hoofdstuk beschrijven we deze verschillende oplossingen en geven we in een vernieuwde warmtevisie weer waar deze alternatieven het beste passen.

2.1

HOE HERIJKEN WE DE VORIGE WARMTEVISIE?

Door veranderingen van energieprijzen en andere (technische) ontwikkelingen houden we de warmteoplossing en onderliggende techniekkeuze per buurt opnieuw tegen het licht. Hieronder beschrijven we hoe we dit hebben gedaan.

OP WEG NAAR DE EINDSTREEP De gemeente Venlo heeft op grond van het Klimaatakkoord de beleidsopgave om aardgasvrij te zijn voor 2050. Daarbij is het niet mogelijk om alles tegelijk aan te pakken, maar is het wel mogelijk om inzicht te geven in de stappen richting die eindstreep in 2050. Keuzes die we daarbij maken, hebben met name betrekking op de technologie voor de verwarming van woningen en andere gebouwen, de benodigde infrastructuur om deze verwarming mogelijk te maken en het benodigde isolatieniveau van de woningen in het eindbeeld. In dit hoofdstuk schetsen we een beeld van dit eindbeeld voor de gemeente, waarbij we ook inzicht bieden in de invloed van onzekere omgevingsfactoren (zoals energieprijzen) op de stappen die worden gezet.

METHODE De basis voor deze herijking is de Startanalyse voor aardgasvrije buurten van het Planbureau voor de Leefomgeving in 2020. In de Startanalyse worden per buurt verschillende technische alternatieven vergeleken om de gebouwen te verwarmen met duurzame vormen van warmte. Daarbij bevat deze analyse ook informatie over de invloed van bijvoorbeeld stijgende of dalende energieprijzen. De Startanalyse geeft de basis voor de keuze van technische alternatieven binnen de gemeente Venlo. Vervolgens is de analyse verrijkt met lokale informatie, bijvoorbeeld over bestaande initiatieven en plannen.

12

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

OPBOUW HOOFDSTUK WARMTEVISIE Dit hoofdstuk start met een beschrijving van de technieken die een rol kunnen spelen in de warmtetransitie naar een duurzame warmtevoorziening. Daarbij maken we onderscheid in technieken die als eindoplossing worden gezien en technieken die meer als tussenoplossing worden gezien. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 een overzicht gegeven van de verdeling van technieken in 2050 voor de gemeente Venlo. Daarbij wordt een indicatie gegeven van de mate van waarschijnlijkheid dat een bepaalde warmteoplossing in een buurt ook wordt gerealiseerd. Paragraaf 2.4 beschrijft het verschil in resultaten met de vorige versie van de Transitievisie, waarna in paragraaf 2.5 wordt ingegaan op enkele overige overwegingen in relatie tot de warmtetransitie. Hierbij gaat het met name om een beschrijving van invloeden zoals hybride warmtepompen, energieprijzen en waterstof.

2.2

OVERZICHT VAN DUURZAME WARMTEOPLOSSINGEN

In de hernieuwde analyse nemen we de volgende technische opties mee: • Individuele all-electric warmtepompen; • Lage temperatuur (LT)-warmtenet; • Midden temperatuur (MT)-warmtenet; • Hybride warmtepompen (met groen gas) als tussenoplossing richting een duurzame warmtevoorziening, maar niet als eindoplossing. Deze vier technieken liggen op dit moment het meest voor de hand als duurzaam alternatief voor het verwarmen van een woning. We beschrijven de technieken in onderstaande tekstboxen. Van deze vier alternatieven zien wij de bovenste drie als eindoplossingen. De hybride warmtepomp kan worden ingezet als goede tussenoplossing, bijvoorbeeld wanneer een warmtenet niet binnen nu en tien jaar wordt aangelegd. De mogelijkheid om gebouwen met waterstof te verwarmen valt buiten deze analyse. In paragraaf 2.5 Overige overwegingen gaan we hier verder op in.

13

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

INDIVIDUELE ALL-ELECTRIC WARMTEPOMPEN

Met een warmtepomp wordt de warmte van een bron (buitenlucht of bodemwater) gebruikt voor de verwarming van een gebouw. Deze warmte wordt opgewaardeerd om te komen tot het gewenste temperatuur­ niveau in het gebouw. Een warmte­pomp werkt daarbij het

14

effectiefst wanneer deze relatief lage temperaturen levert (+/- 50°C). Om gebouwen wel goed te kunnen verwarmen moeten gebouwen goed worden geïsoleerd en is het aan te raden de huidige radiatoren te vervangen door vloerverwarming of lagetemperatuur radiatoren. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het mogelijk is om het gebouw voldoende te verwarmen. Zonder deze maatregelen werkt de warmtepomp minder effectief met een hoger elektriciteitsverbruik

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

als gevolg. Binnen het gebouw wordt dus een warmtepomp en een afgiftesysteem voor lage temperatuur warmte geplaatst. Daarnaast wordt de schil van het gebouw geïsoleerd. Tot slot wordt, indien nodig, een elektrische kookplaat geplaatst. Buiten het gebouw moet het elektriciteitsnet mogelijk verzwaard worden, omdat het elektriciteitsverbruik omhoog gaat als gebouwen overgaan op een all-electric warmtepomp. Tegelijkertijd kan het gasnet hierdoor wel afgesloten worden.

LAGE TEMPERATUUR (LT)-WARMTENET (30 - 50°C) het opwaardeert naar het gewenste temperatuurniveau. Deze warmte wordt vervolgens verdeeld over de gebouwen die aangesloten zijn op het warmtenet. Een LT-warmtenet heeft dezelfde basis als de individuele all-electric warmtepomp, alleen wordt hier uitgegaan van een grote, collectieve warmtepomp met niet alleen de buitenlucht en bodemwater als warmtebron. Hier kan ook gebruik worden gemaakt van restwarmte met een relatief lage temperatuur (+/- 20-30°C), bijvoorbeeld van zwembaden, datacenters, koel- en vrieshuizen, rivierwater en diverse andere voorbeelden. Deze LT-warmtebron wordt gebruikt als bron voor de (collectieve) warmtepomp, die

Deze LT-warmtenetten zijn vaak relatief klein van schaal, variërend van tientallen tot enkele honderden gebouwen. Daarbij is de bron vaak dicht bij de gebouwen die het afnemen, omdat het niet effectief is om deze warmte over lange afstanden te vervoeren. Verder is het mogelijk de warmte tot verschillende niveaus op te waarderen met de collectieve warmtepomp, waarbij het mogelijk is om zowel goed geïsoleerde als redelijk geïsoleerde woningen te verwarmen. Daarbij is het ook mogelijk

om bij sommige warmtebronnen ook koude te leveren. Wel is het zo dat het warmteverbruik bij redelijk geïsoleerde gebouwen hoger ligt dan bij goed geïsoleerde gebouw, maar aan de andere kant hoeft er minder geïnvesteerd te worden in energiebesparing. Dit levert een groot aantal combinaties van isolatieniveaus van gebouwen met aanlevertemperaturen op. In deze analyse worden al deze verschillende varianten met elkaar vergeleken en de variant met de laagste kosten wordt meegenomen. Daarnaast worden de gebouwen afgesloten van het gasnet, waardoor het ook niet meer mogelijk is om te koken met gas en moet mogelijk het elektriciteitsnet verzwaard worden.

In de warmteoplossingen van deze Transitievisie is het LT-warmtenet niet als afzonderlijke warmteoplossing meegenomen. Dit komt omdat een LT-warmtenet in de praktijk vaak slechts een klein gedeelte van een buurt van warmte kan voorzien. De oplossing LT-warmtenet, zegt daarom weinig over de warmteoplossing van een hele buurt. In het cluster Hagerhof zijn plannen om gebruik te maken van een lage temperatuur warmtebron, namelijk met de warmte uit de Maas. Echter wordt deze warmte opgewaardeerd met een collectieve warmtepomp en op een hogere aanvoertemperatuur naar de woningen gebracht. De warmteoplossing voor de buurten van dit geplande warmtenet wordt daarmee beschouwd als een HT-warmtenet.

15

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

MIDDEN TEMPERATUUR (MT)- WARMTENET (≥ 70°C)

Bij een MT-warmtenet wordt een groot aantal gebouwen op één centraal warmtenet aangesloten. Hierbij gaat het veelal om meer dan duizend woningen die worden aangesloten op

een warmtenet. Dit warmtenet wordt gevoed door één centrale warmtebron met restwarmte (vaak vanuit de industrie) die warmte over heeft met hogere temperaturen. Vervolgens wordt de warmte via een uitgebreid leidingenstelsel verspreid naar de verschillende gebouwen waar de warmte direct ingezet kan worden om de gebouwen te verwarmen. Door de hogere temperaturen van de

warmte is het voldoende om de woningen redelijk goed te isoleren. Natuurlijk betekent een hoger isolatieniveau wel een lager warmteverbruik en daarmee een lagere energierekening, dus ook hier kan verdere energiebesparing nuttig zijn. Verder worden ook hier de woningen van het gasnet afgehaald en moet dus worden overgestapt op elektrisch koken.

werkt in de basis hetzelfde als de all-electric warmtepomp, alleen bij lage buiten temperaturen (≤ circa 2°C) en voor warm tapwater schakelt de cv-ketel in. Op deze manier wordt de ketel alleen ingezet wanneer de warmtepomp minder efficiënt is en wordt voor de rest het gebouw verwarmd met de meer effectieve warmtepomp. Hierdoor kan op korte termijn al relatief veel gas bespaard worden. Met een hybride

warmtepomp wordt nu nog gebruik gemaakt van aardgas voor de cv-ketel, welke in een duurzame toekomst kan worden vervangen door groen gas. Groengas heeft dezelfde kenmerken als aardgas, alleen deze wordt duurzaam geproduceerd (op basis van biomassa). We zien de hybride-warmtepomp in Venlo met name als tussenoplossing. In paragraaf 2.5 gaan we hier verder op in.

HYBRIDE WARMTEPOMP

Naast een complete all-electric warmtepomp is het ook mogelijk om een combinatie te maken van een cv-ketel en een warmtepomp, deze combinatie wordt een hybride warmtepomp genoemd. De warmtepomp

16

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

DE WARMTEPOMP EN CIRCULARITEIT In februari 2023 kwam in het nieuws dat de warmtepomp minder duurzaam blijkt dan gedacht. Het is goed om te benoemen dat dit niet gaat over het gebruik van de warmtepomp, maar over de productie en de benodigde materialen. Onder andere de benodigde elektronica en het koudemiddel zijn nog niet volledig duurzaam, net zoals bij veel andere gangbare producten. Als we de productie- en gebruiksfase integraal bekijken, heeft de warmtepomp nog altijd de voorkeur. In de verduurzaming van veel nieuwe en bestaande woningen blijft een warmtepomp dus een slimme optie. Dit betekent natuurlijk niet dat we niet moeten nadenken over ons materiaalgebruik. Dat wordt gelukkig door de sector ook al volop gedaan. Een warmtepomp gaat circa 15 jaar mee. De verwachting is dat de volgende warmtepomp die je als consument aanschaft weer een stukje duurzamer is. Het is zonde als inwoners investeren in een hybride oplossing, terwijl zij kort daarna kiezen voor een volledig elektrische oplossing. Daarom zijn er tegenwoordig ook producenten van warmtepompen die werken met een ‘all-electric-ready’ concept. Men levert in dit geval een hybride warmtepomp mét de optie van een ombouwset. Op die manier kan de cv-ketel op een later moment worden ontkoppeld en kan de hybride warmtepomp op termijn worden omgebouwd naar een volledig elektrisch warmteconcept.

Dit sluit goed aan op onze ambities op het gebied van circulariteit, namelijk het duurzaam en slim (her)gebruik van materialen.

17

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

VENLOSE CONTEXT WARMTETRANSITIE De warmtetransitie is maatwerk. Iedere gemeente heeft andere kenmerken en daarmee ook andere uitdagingen om de warmtetransitie te realiseren. In Venlo hebben onder andere de beschikbaarheid van bronnen, de dichtheid van bebouwing en de kwaliteit van de woningvoorraad invloed op de verschillende mogelijkheden voor het realiseren van een duurzame warmteoplossing, en de mogelijkheden om daarop te sturen. Beschikbaarheid bronnen - Voor een warmtenet moet er een duurzame warmtebron in de buurt van de warmtevragers zijn die ook op lange termijn beschikbaar blijft. Venlo heeft relatief weinig beschikbare duurzame warmtebronnen door het ontbreken van grootschalige (industriële) restwarmte én door belemmeringen in de bodem voor het gebruik van geothermie (aardwarmte). Dichtheid bebouwing - Omdat een warmtenet relatief duur is en een grote investering vraagt, is een warmtenet vooral geschikt op plaatsen waar er veel vraag naar warmte is op een klein oppervlak. De meeste warmtenetten vind je dan ook in steden. In relatie tot andere steden kent Venlo buiten de stedelijke centra met name dorpen en een landelijk gebied met een overwegend minder geconcentreerde bebouwing. Dit maakt dat een groot deel van de woningvoorraad minder aantrekkelijk is voor het realiseren van een warmtenet-infrastructuur, ten opzichte van een dichtbebouwde stad met veel hoogbouw.

Kwaliteit woningvoorraad en sociale structuur - Venlo heeft een relatief oude woningvoorraad en daarmee in bouwkundig opzicht een complexere verduurzamingsopgave ten opzichte van steden met recent gerealiseerde grootschalige nieuwbouw en omvangrijke uitbreidingsgebieden. Daarbij kent Venlo een sociale structuur waarin grotere groepen woningeigenaren minder gemakkelijk op eigen kracht kunnen investeren in verduurzamingsmaatregelen. Deze kenmerken maken dat ontzorging (wegnemen van financiële/administratieve drempels) relatief veel aandacht behoeft.

2.3

WARMTEOPLOSSING PER BUURT

Figuur 1 brengt de verwachte warmteoplossing per buurt in beeld, met daarbij ook een waarschijnlijkheid dat dit alternatief er komt. De warmteoplossingen die in de kaart zijn opgenomen zijn een warmtevoorziening op basis van elektriciteit, zoals een warmtepomp, en een MT-warmtenet. Beide alternatieven worden hieronder verder toegelicht. Voor een aantal buurten kunnen we nog met onvoldoende zekerheid zeggen wat de verwachte warmteoplossing is. Deze buurten zijn daarom aangemerkt als ‘’geen voorkeur op basis van kosten’’. Dit betekent dat we nog onvoldoende in beeld hebben welke eindoplossing (individueel of collectief) maatschappelijk het meest efficiënt is om te realiseren en de minste kosten oplevert voor de gemeente en de eindgebruiker (huurder/eigenaar). In p ­ aragraaf 1.1 lichten we toe hoe we onze aanpak in deze buurten vormgeven.

18

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

Transitievisie Gebouwde omgeving Warmteoplossing per buurt

Voorkeur oplossing Verwachte Zeer waarschijnlijk - Warmtevoorziening o.b.v. elektriciteit Waarschijnlijk - Warmtevoorziening o.b.v. elektriciteit Zeer waarschijnlijk - MT-Warmtenet Waarschijnlijk - MT-Warmtenet Geen voorkeur op basis van kosten Beperkte data beschikbaar

Figuur 1: Overzicht van geschikte technieken per buurt in 2050

19

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

TYPE WARMTEOPLOSSING PER BUURT In figuur 1 wordt weergegeven welke warmteoplossing per buurt is voorzien (individueel op basis van elektriciteit, of collectief middels een warmtenet). Per warmteoplossing wordt ook de mate van waarschijnlijkheid weergegeven dat die warmteoplossing er komt. Deze waarschijnlijkheid is vastgesteld door de kosten tussen beide vormen te vergelijken. Als er een groot verschil in kosten is (meer dan 25% verschil) dan wordt aangenomen dat het zeer waarschijnlijk is dat een bepaalde warmteoplossing wordt gerealiseerd. Bij een redelijk verschil in kosten (tussen de 15 en 25%) wordt aangenomen dat het waarschijnlijk is dat een bepaalde warmteoplossing wordt gerealiseerd.

VERDIEPING OP BUURTNIVEAU Figuur 1 geeft een algemeen beeld van de warmtevisie in Venlo, maar er is meer informatie beschikbaar. Hiervoor worden in bijlage 1 meer gedetailleerde kaarten van de vier stadsdelen weergegeven, met daarbij ook een tabel met de resultaten op buurtniveau.

2.3.1

WARMTEVOORZIENING OP BASIS VAN ELEKTRICITEIT

Dit houdt in dat de gebouwen in deze buurten worden verwarmd met een individuele warmtepomp, eventueel met een LT-warmtenet als aanvulling. In figuur 1 komt duidelijk naar voren dat voor het grootste gedeelte van de buurten in de gemeente Venlo het zeer waarschijnlijk (66 buurten) of waarschijnlijk (12 buurten) is dat de warmtevoorziening in de toekomst wordt ingevuld door middel van elektriciteit. Daarbij is het afhankelijk van de dichtheid van de bebouwing in een buurt (en de beschikbaarheid over een LT-warmtebron in de nabije omgeving) mogelijk dat een gedeelte van de warmtevraag wordt ingevuld met een collectieve warmtepomp. Voor al deze buurten geldt dat het waarschijnlijk is dat het elektriciteitsnet verzwaard moet worden.

2.3.2

WARMTEVOORZIENING OP BASIS VAN WARMTENET

Dit houdt in dat de gebouwen in deze buurten worden verwarmd door middel van midden-temperatuur warmtenet. Deze warmtenetten worden gevoed door warmtebronnen met midden- of hoge temperatuur warmte (≥70°C), zoals bijvoorbeeld restwarmte uit de industrie. Ook kan er sprake zijn van warmtewinning uit de Maas (aquathermie), waarbij de bron wordt opgewaardeerd met een collectieve warmtepomp (zie Hagerhof-Oost). De buurten die worden aangesloten op het warmtenet zijn met name buurten met relatief veel appartementen, flatgebouwen en rijtjeswoningen. Dit betekent namelijk dat er relatief weinig afstand hoeft te worden overbrugd om een groot aantal gebouwen aan te sluiten en dit maakt een MT-warmtenet een gunstig technisch alternatief. In figuur 1 wordt onderscheid gemaakt tussen buurten waar het zeer waarschijnlijk (7 buurten) is dat er MT-warmtenetten komen en waar het waarschijnlijk (6 buurten) is.

20

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

GEEN DUIDELIJKE VOORKEUR OP BASIS VAN KOSTEN Naast buurten met een (zeer) waarschijnlijke duurzame eindoplossing in beeld, zoals een MT-warmtenet of een warmtevoorziening op basis van elektriciteit, zijn er ook twintig buurten waarin uit de technische analyse geen directe voorkeur blijkt op basis van maatschappelijke kosten. Daarbij gaat het over de kosten en investeringen die nodig zijn voor de gemeente, maar ook bij de eindgebruiker om een bepaalde warmteoplossing mogelijk te maken. In deze buurten is het mogelijk om op basis van andere overwegingen een voorkeur te geven voor één van de technische alternatieven. Denk daarbij aan factoren zoals de uitvoerbaarheid van een bepaalde warmteoplossing, maar ook de mogelijkheden om te sturen op betaalbaarheid en onafhankelijkheid voor de inwoner. Hier hopen we de komende twee jaar meer inzicht in te krijgen, waardoor we ook in deze buurten meer duidelijkheid kunnen geven. In de buurten waar we op dit moment nog onvoldoende zekerheid kunnen geven over de verwachte warmteoplossing staat een MT-warmtenet op korte termijn in ieder geval niet op de planning. Daarbij is het niet uit te sluiten dat inwoners in die buurten zelf al maatregelen nemen, door bijvoorbeeld een warmtepomp (individuele oplossing) aan te schaffen.

KANSRIJKE BUURTEN KORTE- EN MIDDELLANGE TERMIJN Er zijn een aantal buurten waar al concrete plannen zijn, of waarbij op basis van andere informatie al meer inzicht is in de verwachte warmteoplossing. Het gaat om de volgende buurten die hieronder kort worden toegelicht:

• De wijk Kazernekwartier Hier wordt verkend of er een warmtenet op basis van aquathermie kan worden gerealiseerd bij een nieuwe stadswijk. • Hagerhof-West We verkennen om het warmtenet in Hagerhof-Oost uit te breiden naar Hagerhof-West. Ook wordt verkend of het initiële plangebied kan worden verruimd met de buurten Sinselveld en Krekelveld en wat kansen zijn voor aansluiting van Viecuri, het veilingterrein en Fontys Venlo. Hiermee is geborgd dat aangrenzende wijken, maar ook kleinere ontwikkelingen, mogelijk kunnen aansluiten op het warmtenet, zonder de noodzaak van een nieuwe aanbesteding. Met een groter plangebied kan het project mogelijk efficiënter worden uitgevoerd. • Molenbossen In deze buurt is een groot aandeel van de woningen in bezit van een woningcorporatie. In deze buurt zal daarom gezamenlijk met deze woningcorporatie verder worden verkend wat de mogelijkheden zijn voor de aansluiting op een warmtenet. • De Postflat Woonwenz start in 2023 met de renovatie van de Postflat aan de Postweg, met als doel een volledig gasloos complex te realiseren met een collectief systeem.

21

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

2.4

VERSCHILLEN MET DE VORIGE TRANSITIEVISIE

Over het geheel zijn er geen grote verschillen tussen de uitkomsten van de hernieuwde analyse ten opzichte van de uitkomsten van de vorige transitievisie. Voor de meeste buurten is het technische alternatief hetzelfde gebleven, maar voor enkele buurten wijken de resultaten af van de vorige analyse. Dit kan komen door: • Veranderende energieprijzen en investeringskosten. Hierdoor kan zijn het zijn dat andere technische alternatieven de voorkeur krijgen; • Minder kansrijke warmtebronnen. Uit nader onderzoek is gebleken dat de beschikbare restwarmte van sommige bronnen minder groot is dan verwacht. Dit heeft gevolgen voor het viertal clusters dat in de vorige transitievisie kansrijk werd geacht voor een warmtenet. Per cluster betekent dit het volgende: • Hagerhof-Oost, Krekelveld, Sinselveld, Hagerhof-West en Spoorsingel. Voor de wijk Hagerhof-Oost worden de mogelijkheden voor een warmtenet verder onderzocht, waarbij we verkennen of de plannen voor dit warmtenet kunnen worden uitgebreid met de aansluiting van Hagerhof-West. Ook voor de andere buurten in dit cluster blijkt uit deze hernieuwde analyse dat een warmtenet nog altijd kansrijk is. • ’t Zand, Withuis en Craneveld. In deze buurten is de realisatie van een warmtenet op korte termijn (voor 2030) geen reële optie.

Op basis van de hernieuwde analyse komt naar voren dat de maatschappelijke kosten (investeringen voor de gemeente en eindgebruiker) van een collectieve oplossing op dit moment beduidend hoger uitvallen in deze buurten. • Molenbossen. De aanleg van een warmtenet is in deze buurt nog altijd kansrijk. In deze buurt staan opgeknapte flats van een woningcorporatie die relatief snel van het gas af zou kunnen. Hierbij is het wel de vraag op welke termijn dit warmtenet ontwikkeld gaat worden, aangezien dit een bepaalde realisatiekracht vraagt. • Tegelen-centrum, Bosserhof, Lage Heide en Op de Heide. In deze buurten werd in de vorige Transitievisie uitgegaan van beschikbare restwarmte als warmtebron voor een warmtenet. De potentie van deze restwarmte is echter minder groot dan gedacht, waardoor een warmtenet in deze buurten geen reële optie meer is.

2.5

OVERIGE OVERWEGINGEN

Het bovenstaande beeld over de warmtevoorziening van gebouwen is op de lange termijn relatief stabiel voor de gemeente Venlo, maar er zijn diverse ontwikkelingen die dit lange termijn beeld kunnen beïnvloeden. Hieronder beschrijven we drie van die ontwikkelingen: de invloed van veranderende energieprijzen en investeringskosten, de invloed van hybride warmtepompen op de uitkomsten en de rol van waterstof.

22

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

VERANDERENDE ENERGIEPRIJZEN EN INVESTERINGSKOSTEN In het afgelopen jaar zijn zowel de energieprijzen als investeringskosten (door stijgende kosten van materialen) fors gestegen. Dit roept de vraag op in welke mate deze stijgingen de uitkomsten van de technische analyse beïnvloeden. Om deze reden zijn er diverse analyses gedaan waarin de energieprijzen en investeringskosten stijgen. In deze analyses stijgen de totale kosten voor energie wel, maar het heeft nauwelijks effect op de voorkeur voor technische alternatieven. Een stijging van de energieprijzen en investeringskosten leidt op dit moment dus niet tot andere voorkeuren voor technische alternatieven.

MOMENTOPNAME IN EEN DYNAMISCHE TRANSITIE De oplossingen en scenario’s in deze Transitievisie zijn geen vaststaand gegeven, maar een momentopname op basis van de kennis die we op dit moment hebben. Twee jaar na de vaststelling van deze visie, bekijken we de oplossingen, scenario’s en technische mogelijkheden opnieuw vanuit de kennis die we dan hebben.

HYBRIDE WARMTEPOMPEN ALS TUSSENOPLOSSING Met een hybride warmtepomp gaat een gebouw niet helemaal van het (aard)gas af, maar de toepassing leidt wel tot een behoorlijke daling in het aardgasverbruik en de daarbij behorende kosten. De toepassing van hybride warmtepompen op de lange termijn is echter zeer onzeker, door de beperkte beschikbaarheid van duurzame bronnen zoals groengas. Daarom zien we de hybride warmtepomp met name als tussenoplossing. De hybride warmtepomp is in bijna alle buurten het goedkoopste alternatief. Het is daarmee dus een gunstige tussenoplossing voor buurten die op de lange termijn op een warmtenet worden aangesloten of als tussenstap naar een all-electric warmtepomp. In de buurten waar we op dit moment nog onvoldoende zekerheid kunnen bieden over de verwachte eindoplossing (MT warmtenet of all-electric) biedt een hybride tussenoplossing op de kortere termijn veel kansen voor energiebesparing. Dit leidt namelijk al tot gemiddeld 60% besparing op het gasverbruik (dat resulteert wel tot een hogere elektriciteitsvraag, waardoor de aanschaf van zonnepanelen ook van belang is in een duurzame woning). Indien deze nu nog onzekere buurten de komende jaren toch kansrijk blijken voor een collectieve oplossing, komen eventuele plannen voor een warmtenet in ieder geval niet op korte termijn tot uitvoering.

Dit betekent dat er, rekening houdend met de economische levensduur van hybride warmtepompen (circa 15 jaar) in die buurten op dit moment voldoende perspectief is voor een hybride tussenoplossing. In de buurten waar wel op de korte termijn plannen zijn voor een MT-warmtenet, raden we een individuele oplossing af. In buurten waar voldoende duidelijk is dat all-electric duidelijk de eindoplossing wordt, willen we bewoners juist stimuleren om direct te kiezen voor de gasloze variant (all-electric).

23

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

WARMTEBRONNEN VOOR WARMTENET De potentie van een warmtenet als eindoplossing wordt bepaald door onder andere de dichtheid van de bebouwing in een bepaald gebied. Een belangrijke randvoorwaarde is ook de beschikbaarheid van een duurzame warmtebron. Een warmtenet moet namelijk worden gevoed met een duurzame warmtebron. Een warmtebron is daarmee onderdeel van een systeem om op grotere schaal woningen duurzaam te verwarmen. Over het algemeen grootschalig toepasbare warmtebronnen- en technieken zijn aquathermie, geothermie en restwarmte. De kansrijkheid van deze bronnen in Venlo wordt hieronder nader toegelicht.

AQUATHERMIE Aquathermie is het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater. De warmte uit het water wordt als dat nodig is opgeslagen in de bodem en daarna opgewaardeerd met een warmtepomp. Dat kan centraal met een collectieve warmtepomp, of met een warmtepomp per gebouw. Er is een warmtenet nodig dat koud, lauw of warm water naar de gebouwen transporteert. In Venlo is aquathermie, waarbij warmte uit oppervlaktewater (in dit geval de Maas) wordt gewonnen, een kansrijke warmtebron in een aantal buurten die dichtbij de Maas liggen en waar ook overige factoren zoals dichtheid van bebouwing en een hoge warmtevraag gunstig uitvallen. Ondanks de beschikbaarheid van deze duurzame warmtebron, zijn er ook veel buurten waar een warmtenet geen haalbare oplossing is, omdat de kosten voor de gemeente en de eindgebruiker niet in verhouding staan.

GEOTHERMIE Geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van warmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter en dieper voor het verwarmen van huizen, gebouwen, kassen en lichte industrie. Of geothermie mogelijk is hangt af van de bodemgesteldheid en -samenstelling. Op dit moment is het gebruik van deze vorm van warmtewinning in Noord-Limburg complex. Eerdere projecten rondom de winning van aardwarmte in de regio zijn vanuit de Rijksoverheid stilgelegd, wegens seismische onzekerheden. Dit terwijl aardwarmte landelijk gezien geldt als een potentieel grote duurzame warmtebron en een substantiële bijdrage kan leveren aan de verduurzamingsopgave, ook in de gebouwde omgeving. Als lokale overheid pleiten we dan ook voor vervolgonderzoek naar de mogelijkheden voor aardwarmtewinning in onze regio.

RESTWARMTE Restwarmte komt vrij bij een productieproces, wordt getransporteerd via een bestaand of nieuw warmtenet en wordt gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en tapwater. Restwarmte is warmte die over is en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt. Beschikbaarheid van bronnen, de temperatuur en de afstand tot een (bestaand) warmtenet zijn belangrijke parameters voor de haalbaarheid van een restwarmteproject. Daarnaast is langdurige beschikbaarheid van deze bronnen van belang om toekomstige levering te waarborgen. In Venlo is, in tegenstelling tot de eerdere Transitievisies gebleken dat de potentie van restwarmte minder groot is dan gedacht, en daarmee niet geschikt is om op grote schaal in te zetten als warmtebron.

24

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

OVERIGE ONTWIKKELINGEN Ook andere energiebronnen zoals kernenergie hebben op dit moment geen rol in de Venlose warmtetransitie van de gebouwde omgeving. Kernenergie is een potentiële bron om elektriciteit op te wekken voor het gebruik van een lucht- of bodemwarmtepomp als individuele oplossing. Hierbij is het wenselijk dat het gaat om groene (duurzame) stroom. De Transitievisie van de gemeente doet geen uitspraken of kernenergie een duurzame bron is of niet. Afwegingen tussen verschillende vormen van energieopwek (als mogelijke warmtebron) worden gemaakt in de Regionale Energiestrategie, en op provinciaal niveau. Zo onderzoekt de provincie Limburg bijvoorbeeld de technische en financiële haalbaarheid van kleine kernreactoren.

ROL VAN WATERSTOF Waterstof is een energiedrager (geen energiebron) met soortgelijke karakteristieken als (aard)gas en gaat een belangrijke rol spelen binnen de energietransitie. We verwachten dat de inzet van waterstof voornamelijk binnen de industrie, in het zware wegverkeer en mogelijk enkele niches binnen de gebouwde omgeving wordt toegepast, zoals ook beschreven in de waterstofladder. Waterstof zal daarom op de korte- en middellange termijn (richting 2030) geen rol gaan spelen in de directe warmtevoorziening van de gebouwde omgeving. Waterstof heeft voor- en nadelen. De voordelen van waterstof zijn dat het beter aansluit op de huidige gasinfrastructuur, ook al heeft dat ook nog aanpassingen nodig voordat het overal helemaal geschikt is voor waterstof. Het zou een uitkomst kunnen zijn in een dichtbebouwd gebied, zoals een historische binnenstad, waar weinig ruimte is voor installaties en nieuwe leidingen. Het is echter de vraag of dit ook gaat gebeuren. In het land zijn enkele pilots gestart waarbij de toepasbaarheid van waterstof in de gebouwde omgeving verder wordt onderzocht. Samen met onze partners zoals de netbeheerder volgen we dergelijke pilots en wisselen we kennis en ervaringen uit • Ten eerste is voor de productie van groene waterstof veel elektriciteit nodig.

Het is efficiënter om de elektriciteit direct te gebruiken voor verwarmen dan om het eerst om te zetten in waterstof. Waterstof zal daarom in de toekomst schaars zijn en met de waterstofladder in het achterhoofd is het zeer de vraag of de directe inzet van waterstof een grote rol gaat spelen in de warmtevoorziening van gebouwen. • Het tweede punt betreft de benodigde infrastructuur. Op dit moment is er een uitgebreid gasnetwerk, maar door de energietransitie zal het aantal aansluitingen op dit gasnetwerk snel afnemen. Nu zijn de kosten (vastrecht) voor het onderhoud van dit netwerk dus nog verdeeld over een groot aantal afnemers, maar met de afname van het aantal afnemers zullen de kosten per afnemer toenemen om het netwerk in stand te houden. Dit kan resulteren in zeer hoge kosten, per afnemer, voor het behoud van het gasnetwerk. Tegelijkertijd zal er ook moeten worden geïnvesteerd in het elektriciteitsnetwerk bij een direct elektrisch alternatief. Het is wel mogelijk dat in de toekomst industriële bedrijven binnen Venlo waterstof gaan inzetten in hun productieproces en dat de restwarmte uit dit proces ingezet kan worden in de gebouwde omgeving. Dit is op de lange termijn een mogelijkheid, maar dit is wel sterk afhankelijk van een groot aantal (onzekere) ontwikkelingen.

Ondanks dat we waterstof op dit moment geen kansrijke optie achten als warmtebron voor de gebouwde omgeving, blijven we de ontwikkelingen op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau wel volgen.

25

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

2.6

GEVOLGEN VOOR DE AANPAK

De uitkomsten van de hernieuwde analyse komen grotendeels overeen met de vorige transitievisie, waarbij er wel een (nog) grotere rol wordt voorzien voor een warmtevoorziening op basis van elektriciteit. Daarmee is de rol van warmtenetten binnen Venlo wel kleiner geworden. Dit heeft met name te maken doordat warmtebronnen minder capaciteit bleken te hebben dan eerder werd aangenomen en veranderingen in energieprijzen en investeringskosten. De kleinere rol van warmtenetten past wel binnen de aanpak van ons als gemeente. In de pilotwijk Hagerhof-Oost is namelijk geleerd dat de ontwikkeling van een warmtenet veel tijd, menskracht en geld kost. De realisatiekracht van de gemeente en haar partners is daarmee een van de knelpunten voor een opschaling van de wijkgerichte aanpak en stimulering van warmtenetten.

26

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

3

STURING EN SAMENWERKING

Met de warmtevisie hebben we in beeld gebracht wat de verwachte warmteoplossing is per buurt. Daarmee vormt de warmtevisie een belangrijk richtinggevend kader voor huidige en toekomstige verduurzamingsplannen. Voor ons als gemeente, maar ook voor de plannen van onze inwoners, woningcorporaties en de netbeheerder. Waar de warmtevisie vooral een technische analyse is van de meest geschikte oplossing, geeft dit nog onvoldoende houvast om die oplossingen ook te realiseren. Dat vraagt namelijk om veel meer dan een technische analyse. Dat betekent ook dat we ons moeten verplaatsen in de kansen en uitdagingen die onze inwoners en andere partners ervaren. De warmtetransitie is daarmee naast een technische uitdaging, zeker ook een sociale opgave.

QUICKSCAN Er hebben zich afgelopen tijd verschillende ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de warmtetransitie. Dit is toegelicht in de warmtevisie en is in een QuickScan nader beschreven (bijlage 2). Ook doen we kennis en ervaring op in de uitvoering, zoals in de proeftuin Hagerhof-oost. Dit heeft tot gevolg dat we meer gaan inzetten op isolatiemaatregelen op de korte termijn. Naast de wijkaanpak zullen we dus ook gemeentebreed met verschillende doelgroepen aan de slag gaan, zoals woningeigenaren, bewoners met energiearmoede, maar ook VvE’s, verenigingen, eigenaren van monumentale panden en bedrijven. In dit hoofdstuk laten we een actualisatie van onze aanpak zien die goed inspeelt op deze ontwikkelingen. De aanpak laat niet alleen zien wat de rol van de gemeente is, maar ook die van de netbeheerder, de woningcorporaties en onze inwoners als belangrijke partners in de warmtetransitie.

INSPELEN OP VERANDERINGEN De afgelopen twee jaar hebben diverse ontwikkelingen invloed gehad op de gemeentelijke aanpak. Dat er de komende tijd weer nieuwe ontwikkelingen gaan komen die moeilijk te voorspellen zijn, is de kern van een transitie. Deze geactualiseerde aanpak speelt in op deze ontwikkelingen en zorgt voor een adaptief beleid wat dat blijft doen in de toekomst. De oplossingen en scenario’s in deze Transitievisie zijn geen vaststaand gegeven, maar een momentopname op basis van de kennis en ervaringen die we op dit moment hebben. Met deze aanpak nemen we maatregelen waarvan we weten dat ze slim zijn om nu te nemen, maar voorkomen we tegelijkertijd dat we verkeerde keuzes maken. Twee jaar na de vaststelling van deze visie, bekijken we de oplossingen en scenario’s opnieuw vanuit de kennis die we dan hebben.

27

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

3.1

ROLVERDELING GEMEENTE, WONINGCORPORATIES EN ENEXIS

De gemeente Venlo wil een duurzame en circulaire hoofdstad zijn en blijven. Hiervoor hebben we iedereen nodig en werken we samen met onze partners aan verschillende opgaven. Twee van die partners hebben een belangrijke taak bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving, namelijk de woningcorporaties en de netbeheerder. Ongeveer dertig procent van de woningen in Venlo is een sociale huurwoning, welke in het bezit is van corporaties. Zij zijn verantwoordelijk voor de verduurzaming van deze woningen. Enexis is als netbeheerder verantwoordelijk voor de gas- en elektriciteitsnetten. De werkzaamheden aan het netwerk zijn van belang voor de planning van de verduurzaming van verschillende buurten. Als er veel bewoners in een wijk overgaan op een elektrische warmtepomp betekent dit vaak ook dat de netbeheerder het elektriciteitsnet lokaal moet verzwaren. Daarnaast is het de bedoeling dat buurten op termijn van het aardgas worden afgekoppeld. Ook hier heeft Enexis een belangrijke rol in omdat zij beheerder is van dit aardgasnet.

3.1.1

ROL GEMEENTE VENLO

Gemeenten hebben de taak gekregen om lokaal de warmtetransitie vorm te geven. De gemeente Venlo heeft als doel een volledig duurzame gebouwde omgeving in 2050. Om handen en voeten te geven aan dit doel, maakten we in 2021 een Transitievisie Gebouwde Omgeving. Dit document is een vervolg op die Transitievisie. Een Transitievisie biedt de basis voor de doelgroepaanpak en buurtaanpak in Venlo. Met wijkuitvoeringsplannen geven we vervolgens per wijk(cluster) aan hoe de gebouwen van het aardgas gaan vóór 2050. De gemeente houdt regie over de voortgang van de verduurzaming van de gebouwde omgeving door te monitoren en te versnellen. Dit doen we op drie manieren. Ten eerste faciliteert de gemeente bestaande en toekomstige initiatieven vanuit bewoners. Dat betekent dat we bestaande netwerken van bewoners, ondernemers of energiecoöperaties ondersteunen met financiering, informatievoorziening en ontzorging. Wanneer verduurzaming daarnaast niet vanzelf of snel genoeg gaat, voelt de gemeente zich verantwoordelijk om dit zelf te stimuleren. Bijvoorbeeld als bepaalde maatregelen te duur zijn of als er specifieke kennis gevraagd wordt. De gemeente neemt in deze gevallen zelf initiatief. Tot slot nemen we het initiatief om met buurgemeenten samen op te trekken als het gaat over diverse (grensoverstijgende) thema’s.

Door samen te werken kunnen er schaalvoordelen optreden door bijvoorbeeld collectief in te kopen of van elkaar te leren. Dit doen we in verschillende verbanden waaronder de Regio Noord-Limburg en de Regionale Energiestrategie Noord- en Midden Limburg (RES NML).

28

TRANSITIEVISIE GEBOUWDE OMGEVING 2.0

3.1.2

ROL WONINGCORPORATIES

Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor de verduurzaming van hun eigen gebouwen. Op landelijk en lokaal niveau worden daarover periodiek prestatieafspraken gemaakt. Eén van die landelijke afspraken is de uitfasering van corporatiewoningen met (de huidige) energielabels E, F en G in 2028. Energiebesparing in slecht geïsoleerde huurwoningen is daarmee een belangrijke taak van de corporaties in de komende jaren. De Venlose corporaties zetten in op een versnelling, bijvoorbeeld door eigen medewerkers op te leiden tot energiecoach of om versneld woningen te isoleren. Enerzijds kunnen de corporaties het bewustzijn van bewoners verhogen over hun eigen energieverbruik en mogelijkheden voor besparing, anderzijds pakken ze ook de kwaliteit van hun woningvoorraad aan. Buurten met veel corporatiebezit zijn vaak geschikt voor een warmtenet. Daarom wordt verkend welke rol de Venlose corporaties willen innemen in de aanleg van toekomstige warmtenetten. Ook trekken we samen op in buurten met veel ‘gespikkeld bezit’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/114/documents/4300