CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

034bijl 3 Bestemmingsplan Aldi Blerick (bijlage 3.1 tm 3.6).pdf

Raadsvergadering 26 april 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 5.8: RV 34 Vaststellen bestemmingsplan Aldi Blerick en onttrekken gedeelte Burgemeester Coenegrachtstraat14.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. In dit geval wordt een uitbreiding van een bestaande supermarkt mogelijk gemaakt. De supermarkt wordt aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Dit betekent dat er getoetst moet worden of er in de nabije omgeving sprake is van risicofactoren in het kader van externe veiligheid. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.

Onderstaand wordt aangegeven in hoeverre er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

3

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen

Hoofdstuk 4

32

De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding globale ligging besluitgebied (rood omcirkeld)

Risicovolle inrichtingen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de inrichting ‘Broekman Logistics’ en het ‘Emplacement Blerick’ gelegen. Aangezien het op een dermate grote afstand is gelegen is enkel het toxisch scenario relevant. Zodoende is een standaard verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk geacht. Daarbij kan tevens worden volstaan met het standaard advies van de veiligheidsregio. Tevens zijn er in de omgeving enkele LPG tankstations gelegen. Vanwege de aanwezigheid van deze LPG-tankstations is getoetst aan de ‘Circulaire effectafstanden voor LPG-tankstations’.

Hoofdstuk 4

33

Figuur 4.2: Uitsnede belemmeringskaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

Circulaire effectafstanden voor LPG-tankstations Op 28 juni 2016 publiceerde de Staatscourant een circulaire over externe veiligheid. Het gaat om "Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid". De circulaire hangt samen met de wijziging "verkleining afstanden voor LPG-tankstations". Deze wijziging verkleint de vaste veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico in het Revi. De circulaire hangt ook samen met een Safety Deal. In deze Safety Deal liggen afspraken tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de LPG sector vast. Het gaat om afspraken over het toepassen van hittewerende bekleding op de LPG-tankwagens die de LPG-tankstations bevoorraden. Als een QRA (Kwantitatieve Risico-analyse) vereist is, is de circulaire niet van toepassing is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een tankwagen zowel LPG als propaan levert. De veiligheidsafstanden van het Revi zijn voor LPG-tankstations met ondergrondse opslag van LPG bedraagt 40 meter. Tevens geldt voor zeer kwetsbare objecten een effectafstand van 160 meter en

Hoofdstuk 4

34

voor overige (beperkt) kwetsbare objecten geldt een effectafstand van 60 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van ruim 500 meter van de dichtstbijzijnde LPG-tankstation gelegen en is het buiten de effectenafstand gelegen. Risicovol transport over het water Het besluitgebied ligt binnen het invloedsgebied van de Maas. Dit invloedsgebied bedraagt 1070 meter (op basis van de stofcategorie GT3 (Toxisch gas)). Vanwege de grote afstand wordt voldaan aan de richtafstanden en is een negatief effect uitgesloten. Risicovol transport over het spoor Het besluitgebied ligt op circa 470 meter ten zuid van de spoorlijn Venlo – Eindhoven, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour van deze spoorlijn is op het spoor zelf gelegen c.q. bedraagt 0 meter. Er is geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen. De maximale zone voor de groepsrisicoplafonds is gelegen op een afstand van 131 meter. Het Basisnet spoor gaat uit van een jaarlijks vervoer van 2.150 (ketel)wagons(equivalenten) met brandbare gassen (A) (traject Venlo-Eindhoven). Hiervoor geldt een invloedsgebied van 460 meter. Daarnaast worden er ook toxische stoffen vervoerd, waaronder de stofcategorie D4 (Zeer toxische vloeistof). Hiervoor geldt een invloedsgebied van 4000 meter. Gezien de grote afstand tot het spoor is enkel het toxisch scenario relevant.

Zodoende kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid (Risicovol transport over spoorwegen) Voorliggende ontwikkeling ligt met een afstand van circa 470 meter conform het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012- 2015 in zone III (> 200 meter van de risicovolle transportas). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor brandbare gassen. Er gelden binnen deze zone in principe geen beperkingen voor het gebruik. Bij de verantwoording van het ruimtelijk plan kan volstaan worden met de beperkte verantwoording groepsrisico, hetgeen aan het eind van deze paragraaf plaatsvindt. Risicovolle buisleidingen Het besluitgebied buiten het invloedsgebied en plaatsgebonden risicocontour van de buisleidingen gelegen. Risicovol transport over wegen Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van circa 1.170 meter van het plangebied de A73, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de A73 bedraagt 880 meter. Hierdoor is het plangebied buiten het invloedsgebied gelegen. Standaard verantwoording groepsrisico Voor de volgende risicobronnen is getoetst aan het groepsrisico:  Basisnetroute spoor (Eindhoven-Venlo); Op ongeveer 470 meter van het plangebied ligt het spoor, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Hierover vindt onder andere vervoer van toxische gassen (D4) plaats.

Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (1%-letaliteitszone van 4000 meter) van het spoor.

Hoofdstuk 4

35

BEVI-inrichting (Emplacement Blerick); Op ongeveer 470 meter van het plangebied bevindt zich een emplacement. Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het Bevi en kent een invloedsgebied van 4000 meter (op basis van stofcategorie D4). Het plangebied valt hier binnen. BEVI-Broekman Logistics Op ongeveer 2 kilometer van het plangebied bevindt zich de inrichting Broekman Logistics. Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het Bevi en kent een invloedsgebied van 2,4 kilometer. Het plangebied valt hier binnen.

Op grond van artikel 6 en 7 uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en op grond van artikel 13 uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) dient het groepsrisico verantwoord te worden. Ontwikkeling groepsrisico Transportroute spoor Indien een ruimtelijk plan op meer dan 200 meter van de transportroutes ligt zal het groepsrisico niet significant toenemen, vanwege:  de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas);  de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Emplacement Blerick Gezien de afstand tot het emplacement, zal er geen zichtbare toename zijn van het groepsrisico met het planvoornemen. In het kader van de milieuvergunning voor spooremplacement Blerick, rapporteert ProRail jaarlijks de resultaten van een screening naar de hoogte van het groepsrisico, op basis van het aantal behandelde wagons met gevaarlijke stoffen. In de meest recente rapportage ligt het aldus berekende groepsrisico ruim onder (circa 0,7% van) de oriëntatiewaarde. De fN-curve van het groepsrisico is in de figuur hiernaast weergegeven. In de toekomst kan het groepsrisico toenemen, als het emplacement intensiever gebruikt gaat worden voor rangeeractiviteiten met gevaarlijke stoffen.

De beheersing van het groepsrisico van het spooremplacement is opgenomen in de voorschriften voor de vergunning. Overschrijding van de risicoruimte is alleen toegestaan als daarvoor een nieuwe vergunning wordt aangevraagd. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is echter bezig met het ontwikkelen van standaard voorschriften voor spooremplacementen ter beheersing van de risico’s. Het doel is om alle spooremplacementen te voorzien van dezelfde eisen aan preventieve en repressieve voorzieningen, afhankelijk van het risiconiveau.

Hoofdstuk 4

36

Zodra deze algemene regels in werking zijn, is regulering van de hoogte van het groepsrisico in de omgevingsvergunning niet meer mogelijk. Het groepsrisico kan ook toe- of afnemen als gevolg van een intensivering c.q. extensivering van de populatiedichtheid. De populatiedichtheid in Blerick ligt tussen 50 en 100 personen/ha (cbsinuwbuurt.nl). Het is niet de verwachting dat de populatiedichtheid in Venlo sterk zal toenemen, zie de tabel hiernaast (venlo.incijfers.nl). Het is daarom niet de verwachting dat het groepsrisico stijgt door ruimtelijke ontwikkelingen.

Jaar

Venlo

2015

101.059

2020

101.035

2025

100.870

2030

100.324

2035

99.043

2040

97.225

2045

94.480

2050 91.454 Broekman Logistics Het groepsrisico van Broekman Logistics ligt onder de oriëntatiewaarde. Tevens neemt het groepsrisico van de ruimtelijke ontwikkeling niet toe omdat het plan op grote afstand van het bedrijf ligt. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico Transportroute spoor De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:  toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;  kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. Emplacement Blerick en Broekman Logistics Het voorliggende plan draagt niet significant bij aan het groepsrisico omdat deze op grote afstand van de inrichtingen ligt. Het is dan ook niet nodig om voor dit plan maatregelen te treffen ter verlaging van het groepsrisico. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobronnen speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Hoofdstuk 4

37

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er dan ook geen belemmeringen. 4.1.5

Milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing De supermarkt zelf betreft geen milieugevoelige functies. In dit geval hoeft daarom alleen bekeken te worden of het goede woon- en leefklimaat van de milieugevoelige functies in de omgeving gewaarborgd kan blijven.

De directe omgeving van het besluitgebied wordt, gelet op de functiemenging aangeduid als gemengd gebied. In gemengd gebied bedraagt de richtafstand voor detailhandel, (in dit geval een supermarkt, milieucategorie 1) 0 meter. In beginsel wordt daarmee altijd aan de richtafstand voldaan. Bovendien was ter plaatse van de beoogde verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt al sprake van gelijkwaardige functies, zijnde detailhandel.

Hoofdstuk 4

38

Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart geldt er voor het besluitgebied een middelhoge verwachtingswaarde. Voor deze gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van meer dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm. Het planvoornemen voorziet in de sloop van een deel van de bestaande bebouwing en de uitbreiding van de bebouwing. Dit omvat meer dan de onderzoekplicht van 500 m 2. Zodoende zal in het bestemmingsplan de archeologische verwachtingswaarde worden gehandhaafd. In het kader van de omgevingsvergunning zal een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Cultuurhistorie In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten of andere vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevolle objecten. Het besluitgebied ligt ook niet binnen een beschermd dorpsgezicht of ander vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol gebied. Conclusie In het besluitgebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie en archeologie.

4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan, de Risicokaart Nederland en de belemmeringskaart Externe Veiligheid van de gemeente Venlo in het besluitgebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een (planologische) beschermingszone. Echter vindt er een uitbreiding van de bebouwing plaats op een gebied wat momenteel openbaar gebied betreft. Het is mogelijk dat er leidingen / kabels liggen. Deze dienen mogelijk te worden verlegd. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormt in beginsel geen belemmering. Indien er noodzaak is om leidingen / kabels te verleggen, zal dit in het vervolg traject worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 4

39

4.4 Ecologie Beleidskader De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren. Toetsing Gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming is het van belang dat geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen kunnen veroorzaken. Het besluitgebied ligt niet in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. De meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebieden, 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' (Duitsland), ‘Maasduinen‘ en ‘Hangmoor Damerbruch’ (Duitsland), liggen respectievelijk op circa 5,5 kilometer ten oosten, circa 6,9 kilometer ten noorden en circa 7,4 kilometer ten noordoosten van het plangebied.

Gezien deze afstand en de aard van de voorgenomen ontwikkeling, zijn negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening noodzakelijk. De negatieve effecten van een dergelijk kleine ontwikkeling zijn niet uit te sluiten. Zodoende is voor zowel de

Hoofdstuk 4

40

aanlegfase als gebruiksfase een berekening4 uitgevoerd. Uit de berekening is gebleken dat er geen overschrijdingen plaatsvinden op stikstofgevoelige habitattypen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Soortbescherming Het planvoornemen voorziet in de sloop van een deel van de bebouwing en voor het planvoornemen zullen er bomen worden verwijderd. Voor deze bomen zal een kapvergunning worden aangevraagd. Daarnaast heeft BRO voor de werkzaamheden voor de supermarkt en parkeerplaats een quickscan flora en fauna5 uitgevoerd. Onderstaand is de conclusie uit dit rapport weergegeven, het volledige rapport is toegevoegd als bijlage bij onderhavige toelichting. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: 

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het kappen van bomen en het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Conclusie Vanuit het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen.

4.5 Verkeerskundige aspecten 4.5.1

Verkeer

Uitgaande van CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren ‘381’ leidt het gewijzigd gebruik binnen het besluitgebied voor een supermarkt op een gemiddelde weekdag worstcase tot een verkeersaantrekkende werking van 886 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hierbij is uitgegaan van een fullservice supermarkt met een laag/middellaag prijsniveau, met een brutovloeroppervlak (bvo) van 548 m2 (omvang uitbreiding) in de rest van de bebouwde kom van de gemeente Venlo. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat feitelijk sprake is van een reeds bestaande supermarkt ter plaatse. De optimalisering en beperkte uitbreiding van het aantal vierkante meters van de supermarkt (548 m2 bvo) zal in de praktijk niet leiden tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Er is namelijk slecht sprake van een beperkte toename in het bvo voor de winkel om te voldoen aan de hedendaagse eisen van

4 5

BRO, ‘AERIUS stikstofdepositieberekening Aldi Blerick’, projectnr.: P05166, d.d. 22 februari 2023 BRO, ‘Quickscan flora en fauna Aldi Blerick’, projectnr.: P05166, d.d. 24 februari 2023

Hoofdstuk 4

41

een supermarkt. Er zal geen sprake zijn van een uitbreiding van het assortiment of extra verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het initiatief is daarmee vanuit verkeerskundig oogpunt goed inpasbaar. 4.5.2

Parkeren

Momenteel zijn er 71 parkeerplaatsen in de directe omgeving van de supermarkt. 66 parkeerplaatsen zijn gelegen ter plaatse van de parkeerplaats aan de overzijde van de weg en nog eens vijf langsparkeerplaatsen aan de wegzijde van de supermarkt. De langsparkeerplaatsen komen te vervallen en het gebied (bestaande parkeerplaats en speelveld) worden heringericht ten behoeve van een nieuw parkeerterrein. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te berekenen dient de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ gehanteerd te worden. Op basis van de publicatie geldt voor supermarkten in ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Venlo (sterk stedelijke gemeente’ een maximale parkeernorm van 6,4 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlak. De supermarkt wordt uitgebreid met 548 m 2 en krijgt daarmee een oppervlakte van 1.523 m 2. In totaal dient voor de nieuwe supermarkt te worden voorzien in (1.523 / 100) = 15,23 x 6,4 = 97 parkeerplaatsen. Het nieuwe parkeerterrein krijgt 107 parkeerplaatsen. Zodoende voorziet de beoogde ontwikkeling in voldoende parkeerplaatsen. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Waterhuishouding Deze paragraaf beschrijft hoe in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem geeft inzicht in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Hoofdstuk 4

42

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater en waterkwaliteit Uit de kaarten van de Omgevingsverordening Limburg 2021, blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Oppervlaktewater In het besluitgebied en de omgeving is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Hemel- en afvalwater Aangezien er geen sprake is van een toename van het verhard oppervlak, bestaan er vanuit waterhuishoudkundige belangen geen belemmeringen. Daarentegen is er wel sprake van een toename van het dakoppervlak. Zodoende is toetsing aan de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo verplicht. Toetsing afkoppel beslisboom In het kader van onderhavig plan wordt de bestaande supermarkt verplaatst en wordt ten behoeve van de verplaatsing de bebouwing uitgebreid. Conform de ‘Afkoppel beslisboom Gemeente Venlo’ is geen sprake van een toename in verhard oppervlak. Zodoende dient de eis te worden berekend voor het overlappende gedeelte (uitbreiding supermarkt). De uitbreiding van de bebouwing betreft circa 548 m 2.

Hierdoor is Bergingseis 2 op pagina E (Toename van 100 m 2 tot 2.000 m2) van toepassing. Hierbij geldt een bergingseis van 20 mm (20 liter per m 2 verharding per 1 uur) die op eigen terrein moet worden geborgen en/of geïnfiltreerd. Het oppervlak is in totaal 548 m 2, hetgeen een bergingsvermogen van minimaal 10,96 m3 vereist. Deze bergingseis wordt geïmplementeerd binnen onderhavige ontwikkeling en daartoe zal afdoende bergingscapaciteit gerealiseerd worden en/of een alternatieve wijze van infiltratie met gelijke bergingscapaciteit volgens HWA-beslisboom Gemeente Venlo. Naast de uitbreiding van de supermarkt vindt er ook een herindeling van het parkeerterrein plaats. Een deel van het bestaande groen wordt heringericht voor de nieuwe parkeerplaats en de bestaande parkeerplaats wordt deel opnieuw ingericht ten behoeve van groen. Er vindt weliswaar een toename van verhard oppervlak plaats, maar er vindt ter plekke ook een compensatie plaats. Om alsnog het toenemende verhard oppervlak te compenseren worden er 23 parkeerplaatsen uitgevoerd met grasbetontegels en wordt het nieuwe asfalt uitgevoerd met ZOAB (zeer open asfalt beton). ZOAB heeft een goede waterdoorlatendheid, waardoor het water niet op de weg blijft liggen. Tot slot wordt het nieuwe groen verlaagd aangebracht, waardoor er een overloop ontstaat en bij hevige regenval onderwater kan komen te staan.

Hoofdstuk 4

43

De definitieve uitwerking van het parkeerterrein is nog niet compleet, maar er zal bij de uitwerking gekeken worden naar alle mogelijkheden om, samen met de nieuwe bebouwing, een klimaat adaptief plan te realiseren. Conclusie Als gevolg van de uitbreiding van de winkel treden er geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

Hoofdstuk 4

44

5.

HANDHAVING

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.

Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

45

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In de Grex-wet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de verplaatsing en de uitbreiding van de bestaande supermarkt circa 548 m2. Er is daarmee sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waaraan de planschadeverhaalsovereenkomst wordt gekoppeld.

6.2 Overleg Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de betrokken instanties. De Provincie Limburg heeft aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft het plan eveneens beoordeeld en geeft het volgende advies: Advies Naar aanleiding van de toegestuurde informatie hebben wij geen bijzonderheden geconstateerd en willen we enkel het standaard advies voor het toxisch scenario meegeven ten aanzien van externe veiligheid. Dat wil zeggen dat wij adviseren om: 1. Indien er voor de ventilatie in het gebouw een installatie benodigd is, hiervoor een noodschakelaar op een makkelijk te bereiken plek te installeren om de luchtcirculatie in het bouwwerk uit te kunnen schakelen in geval van een gifwolk of schadelijke rook in de omgeving. Advies om de schakelaar in de meterkast of de nabijheid van de benodigde brandmeldcentrale te plaatsen. 2. Zorg dat de eigenaar en gebruikers van het gebouw bekend zijn met de risico's uit de omgeving, het handelingsperspectief en de daarvoor aanwezige voorzieningen in het gebouw. Bij een giftige wolk: ga naar binnen, sluit ramen en deuren en schakel ventilatie uit.

Hoofdstuk 6

46

3. Neem het EV scenario op in het bedrijfsnoodplan van de winkel, communiceer en beoefen dit met de BHV-organisatie en personeel.

6.3 Omgevingsdialoog Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is er door de Aldi en de gemeente Venlo gesproken met verschillende belanghebbende partijen.

6.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘’Aldi, Blerick’’ heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 22 november 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen in het stadskantoor Venlo en op ruimtelijkeplannen.nl. Eenieder heeft gedurende deze termijn ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan zienswijzen kunnen indienen bij de gemeenteraad. Gedurende deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Voor de inhoudelijke beantwoording van de zienswijze wordt verwezen naar de nota van zienswijzen, welke als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan is gevoegd.

Hoofdstuk 6

47

7.

JURIDISCHE PLANOPZET

7.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven.

7.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;

Hoofdstuk 7

48

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

7.3.1

Inleidende regels

De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 7.3.2

Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik.

De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.

Hoofdstuk 7

49

Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. ‘Gemengd’ Voor de supermarkt is de bestemming ‘Gemengd’ opgenomen. Binnen deze bestemming is het toegestaan om een supermarkt te exploiteren op de begane grond. Uitsluitend op de verdieping(en) is wonen toegestaan. ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ Voor de beoogde parkeerplaats is de bestemming ‘Verkeer - verblijfsgebied’ opgenomen. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. ‘Waarde – archeologie hoog’ De gronden ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoog’ zijn met name bedoeld voor het behoud van de archeologische waarden in het plangebied. 7.3.3

Algemene regels

In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, afwijkingsregels en de overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen en bestaande afstanden. Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan.

Hoofdstuk 7

50

Overige regels Hierin zijn regels omtrent parkeren, regels omtrent de verwijzing naar wettelijke regelingen en de verhouding tussen bestemmingen opgenomen. 7.3.4

Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 7

51

8.

PROCEDURE

De wettelijke procedure volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en start met het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf (d.d.) zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn (PM) ingediend. Voor een weergave van de zienswijze en voor een inhoudelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijze wordt verwezen naar de Nota zienswijzen, welke als bijlage bij het vaststellingsbesluit is gevoegd.

Hoofdstuk 8

52

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 8

2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/112/documents/4046