034bijl 3 Bestemmingsplan Aldi Blerick (bijlage 3.1 tm 3.6).pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Aldi, Blerick” Gemeente Venlo
Bestemmingsplan “Aldi, Blerick” Gemeente Venlo
Identificatienummer:
NL.IMRO.0983.BP202206ALDIBURGC-VA01
Rapportnummer BRO:
P05166
Datum:
maart 2023
Projectteam BRO:
ROs, SSh en DAd
Ontwerp:
november 2022
Vaststelling:
2023
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, supermarkt, herontwikkeling, gemeente Venlo
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Toelichting ten behoeve van het bestemmingsplan voor de herontwikkeling van de supermarkt gelegen aan de Burgemeester Coenegrachtstraat en de Alblerickstraat te Blerick.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 4 5 6
2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
7 7 8 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
11 12 13 13 17 18
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid
18 19 20
3.3.1 Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid
20 22
3.4.1 Strategische visie Venlo 2040 3.4.2 Ruimtelijke structuurvisie 2014 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan – ‘Stadsdeel Blerick’
22 22 25
4. ONDERZOEK 4.1 Milieu
28 28
4.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 4.1.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.2 Archeologie en cultuurhistorie
Inhoudsopgave
28 28 29 31 38 39
1
4.3 Leidingen en infrastructuur 4.4 Ecologie 4.5 Verkeerskundige aspecten
39 40 41
4.5.1 Verkeer 4.5.2 Parkeren 4.6 Waterhuishouding
41 42 42
5. HANDHAVING
45
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Omgevingsdialoog 6.4 Zienswijzen
46 46 46 47 47
7. JURIDISCHE PLANOPZET 7.1 Planonderdelen 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de planregels
48 48 48 48
7.3.1 Inleidende regels 7.3.2 Bestemmingsregels 7.3.3 Algemene regels 7.3.4 Overgangs- en slotregels
49 49 50 51
8. PROCEDURE
52
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4.
Ruimtelijk-functionele effectenanalyse Aldi Blerick Stikstofdepositieberekening Quickscan flora en fauna Zienswijzennota
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Aldi heeft het voornemen om het bestaande winkelpand op de hoek van de Drie Decembersingel en Burgemeester Coenegrachtstraat te Blerick te vergroten ten behoeve van een supermarktvestiging. Nadat het laatstgenoemde pand enige tijd leeg heeft gestaan, heeft Aldi dit pand eind 2020/begin 2021 na verlening van de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan (kruimel-procedure) in gebruik genomen als magazijn. De aanleiding voor verplaatsing van de Aldi is dat de huidige indeling en grootte van de winkel verouderd is en niet meer aansluit op de wensen van de huidige consument. De voorziene verplaatsing van de supermarkt is niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’, zoals dit op 25 september 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo. Middels onderhavige bestemmingswijziging wordt de verplaatsing van de supermarkt juridisch-planologisch permanent geregeld door middel van het wegbestemmen van de supermarktbestemming op de huidige vestigingslocatie en die vervolgens op de nieuwe locatie van toepassing te verklaren (inclusief de vergroting van de winkel). De overige bepalingen in het vigerende bestemmingsplan met betrekking tot andere toegestane functies worden onverkort gehandhaafd.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging besluitgebied (blauwe pijl)
Hoofdstuk 1
3
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Burgemeester Coenegrachtstraat in het noordwesten van de kern van Blerick, gemeente Venlo. De supermarkt is gevestigd op de percelen kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie M, nummers 3748 en 3916. Daarnaast wordt ten behoeve van de nieuwe supermarkt ook het openbare gebied ten oosten van de supermarkt opnieuw ingericht. De begrenzing van de beoogde ontwikkeling is navolgend op een kadastrale ondergrond weergegeven.
Figuur 1.2: Uitsnede topografische kaart met ligging uitbreidingslocatie (rood omlijnd) en aanpassingen openbaar gebied (blauw omlijnd)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’, zoals dat is vastgesteld op 25 september 2013. Binnen dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied deels de bestemming ‘Gemengd’, deels ‘Maatschappelijk’ en deels ‘Verkeer’. De verplaatsing van de supermarkt is niet toegestaan, omdat er geen aanduiding ‘supermarkt’ ter plaatse van de nieuwe locatie van toepassing is. Tevens valt de beoogde supermarkt ook deels op gronden met de bestemming ‘Verkeer’. Naast de verplaatsing van de supermarkt wordt ook het openbaar gebied ten oosten van de supermarkt aangepast. Het parkeerterrein ten noorden wordt uitgebreid richting het zuiden en het voetbalveld wordt verplaatst naar een nog nader te bepalen plek in de buurt van de huidige plaats. De Burgemeester Coenegrachtstraat komt te vervallen en wordt heringericht voor langzaamverkeer. Er wordt ter plaatse enkel een ontsluiting voor de bevoorradingsvrachtwagen mogelijk gemaakt.
Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ met beoogde aanpassingen supermarkt (rood omlijnd) en aanpassingen aan openbaar gebied (blauw omlijnd)
Middels voorliggende bestemmingsplan wordt de bestemming ‘Gemengd’ uitgebreid en de aanduiding ‘supermarkt’ wordt van de oorspronkelijke plaats verwijderd en toegevoegd aan de nieuwe supermarktlocatie.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken: In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 is weergegeven hoe de gemeente Venlo omgaat met handhaving van de regels in dit bestemmingsplan. Uit hoofdstuk 6 volgt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 7 wordt de juridische planopzet besproken. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
6
2.
GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL
2.1 Gebiedsprofiel De huidige supermarkt (rood omlijnd) is gelegen aan de Burgemeester Coenegrachtstraat in Blerick en heeft momenteel een totaal oppervlak van circa 975 m2 bruto vloeroppervlak (bvo), waarvan circa 799 m2 winkelvloeroppervlak (wvo). Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal als gemeente Venlo, sectie M, nummers 3478 en 3916. De bestaande supermarkt zal naar de percelen kadastraal bestemd als gemeente Venlo, sectie M, nummers 3916, 4370 en 8521 (gedeeltelijk) worden verplaatst. Het overige gedeelte van de huidige supermarkt (ter plaatse van perceel 3478) wordt heringericht tot een reguliere detailhandelsvestiging (niet zijnde supermarkt). Door de verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt zal het beoogde brutovloeroppervlak circa 1.523 m2 bedragen, met een winkelvloeroppervlak van circa 1.063 m2. Dit is een toename van circa 264 m 2 wvo en circa 548 m2 bvo. Door de verplaatsing kan de bestaande winkelruimte optimaler in gebruik worden genomen en wordt er een moderniseringsslag gemaakt. Een deel van de functiewijziging voor het bestaande pand is, zoals eerder opgemerkt, reeds vergund in de vorm van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan qua gebruik als magazijn voor een supermarkt (kruimelprocedure).
Figuur: 2.1: Luchtfoto met ligging besluitgebied
Hoofdstuk 2
7
2.2 Besluitprofiel De gewenste ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van de reeds bestaande supermarkt juridisch-planologisch te regelen in een bestemmingsplan. Door de uitbreiding is de supermarktvestiging geoptimaliseerd en toekomstbestendig gemaakt. De voorgaande indeling van de winkel was verouderd en sloot niet aan op de wensen van de huidige consument. Er kan nu worden voorzien in het beter kunnen uitstallen van het huidige, hedendaagse assortiment. De winkelruimte kan beter worden ingedeeld en tevens toekomstbestendiger zijn. De supermarkt vervult op deze locatie een belangrijke verzorgende functie richting diverse wijken en een deel van het omliggende gebied. Het winkeloppervlak van de supermarkt zal toenemen met 264 m2. Het totale winkelvloeroppervlak komt hiermee op circa 1.063 m2. Het totale brutovloeroppervlak van de supermarkt komt door de uitbreiding uit op 1.523 m2. In onderhavig bestemmingsplan worden de percelen waar de uitbreiding is voorzien bestemd tot supermarkt en komt de detailhandelsbestemming te vervallen. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe indeling van het gebouw weergegeven; de nieuwe supermarkt (blauw gearceerd) en het nieuwe gedeelte voor een reguliere detailhandelsfunctie (rood gearceerd).
Figuur 2.2: Inrichtingstekening
Hoofdstuk 2
8
Naast de verplaatsing van de supermarkt wordt ook het openbaar gebied ten oosten van de supermarkt aangepast. Het parkeerterrein ten noorden wordt uitgebreid richting het zuiden en het voetbalveld wordt verplaatst naar een nog nader te bepalen plek in de buurt van de huidige plaats. De Burgemeester Coenegrachtstraat komt te vervallen en wordt heringericht voor langzaamverkeer. Er wordt ter plaatse enkel een ontsluiting voor de bevoorradingsvrachtwagen mogelijk gemaakt.
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De supermarkt heeft een belangrijke functie in de consumentenverzorging in de wijk. Om de belangrijke wijkverzorgende functie van de supermarkt te behouden is een toekomstbestendige supermarkt noodzakelijk en gewenst. Dit is bewerkstelligd door de verplaatsing van de voorgaande supermarkt en een uitbreiding van de bestaande bebouwing. Het totale brutovloeroppervlak van de supermarkt komt door de uitbreiding op 1.523 m2. Deze ontwikkeling is passend binnen de wijk. Aangezien hiermee de belangrijke wijkverzorgende functie van de supermarkt voor het voorzieningenniveau in stand blijft en zelfs wordt versterkt. Daarbij zullen er tevens stedenbouwkundige wijzigingen plaatsvinden, daar waar de bestaande, enigszins verouderde, bebouwing deels gesloopt zal worden en er nieuwbouw voor in de plaats komt. Stedenbouwkundig zal er zelfs sprake zijn van een beter functionerende winkelvoorziening inclusief het omliggende gebied (herinrichting openbaar gebeid met groenstroken en parkeerplaatsen aan de overzijde van de nieuwe supermarkt). In figuur 2.3 (navolgende pagina) is de mogelijk beoogde herinrichting van het openbare gebied weergegeven.
De bestaande Burgemeester Coenegrachtstraat komt te vervallen en dit wordt heringericht als verblijfsgebied en zal enkel toegankelijk zijn voor langzaamverkeer (met uitzondering van de bevoorradingsvrachtwagen en de toegangsweg voor de nieuwe parkeerplaats). Verder wordt het hele gebied heringericht ten behoeve van parkeervoorzieningen. Het bestaande grasveld (momenteel ten zuiden van de bestaande parkeerplaats) krijgt een nieuwe plaats in het openbare gebied. De inrit van de nieuwe parkeerplaats wordt verbreed ten behoeve van de draaicirkel van de vrachtwagen. De herinrichting van de het openbaar gebied wordt nog nader uitgewerkt en de nu opgenomen figuur 2.3 zal op enkele onderdelen nog wijzigen. Conclusie De ontwikkeling zal in positieve zin bijdragen aan het beter functioneren van de winkelvoorzieningen ter plaatse en zal door de upgrading van de gevels tevens bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en er kan dan ook gesteld worden dat sprake is van positieve ruimtelijke effecten.
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.3. Herinrichting openbaar gebied (CONCEPT)(bron: RA+ ingenieurs)
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;
Hoofdstuk 3
11
9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO 2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorzieningen en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn.
De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor juridisch-planologisch vastleggen van de supermarkt.
Hoofdstuk 3
12
3.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)
De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Initiatiefnemer is voornemens om de supermarkt binnen het wijkcentrum te verplaatsen en uit te breiden tot een moderne maatvoering van circa 1.063 m 2 wvo en circa 1.523 m 2 bvo. Dit is een toename van circa 264 m2 wvo en circa 548 m2 bvo. De beoogde ontwikkeling is niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij is het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 bro) verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, als bedoeld in art. 1.1.1. van het Bro.
Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Volgens de systematiek van de ‘ladder’ is een ruimtelijk-functionele effectenanalyse noodzakelijk, waarin de behoefte aan de ontwikkeling wordt aangetoond en de effecten hiervan op de detailhandelsstructuur, de consumentenverzorging en in het verlengde daarvan het
1
O.a. ABRS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 en ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442.
Hoofdstuk 3
13
woon-, leef-, en ondernemersklimaat inzichtelijk worden gemaakt. BRO heeft een ruimtelijk-functionele effectenanalyse2 uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling. In deze analyse is gekeken naar de behoefte van de uitbreiding. Voor de hele analyse wordt verwezen naar de separate bijlage bij onderhavige toelichting. Vigerend beleid Het beoogde initiatief van Aldi sluit aan bij het provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.
Het initiatief past binnen de provinciale beleidsuitgangspunten aangezien het (kwalitatieve) versterking van een bestaand winkelgebied betreft. Uitbreiding en modernisering van een bestaande supermarkten draagt bovendien bij aan de gewenste kwaliteitsimpuls.
Regionaal wordt het van belang geacht om adequaat in te spelen op trends in de markt, voor de instandhouding van een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat. Uitbreiding en modernisering van Aldi speelt nadrukkelijk in op de hedendaagse consumentenbehoefte en draagt bij aan de toekomstbestendigheid van de supermarkt.
De ontwikkeling draagt bij aan een kwantitatief en kwaliteit zo compleet, gevarieerd en attractief mogelijk winkelaanbod.
In de Ruimtelijke Structuurvisie is de beoogde locatie aangewezen als boodschappencentrum en onderdeel van de bestaande én gewenste structuur. De beoogde ontwikkeling is bovendien in lijn met het lokale detailhandelsbeleid. Het planinitiatief past binnen het beleid van behouden en versterken van de (bestaande) detailhandelsstructuur in de gemeente Venlo en specifiek het stadsdeel Blerick.
De ontwikkeling past bij het beoogde koopgedrag van wijkcentrum Vastenavondkampstraat (dagelijks en aanvullend niet-dagelijks) en de ontwikkelrichting (versterking) van het wijkcentrum. Daarbij is specifiek benoemd dat modernisering van supermarkten mogelijk is.
De beoogde omvang, 1.063 m 2 wvo, past bovendien uitstekend binnen de maatvoering die in het beleid is opgenomen.
Daarbij is bovendien van belang dat er geen onaanvaardbare negatieve effecten zijn voor de bestaande structuur en specifiek het centrum van Blerick. De uitkomsten van voorliggende behoefte- en effectenanalyse geven hierover uitsluitsel.
De beoogde uitbreiding is kleiner dan 1.000 m 2 bvo. Dit betekent dat geen regionale instemming vereist is.
Conform dynamisch voorraadbeheer dient op enige wijze saldering plaats te vinden. De bestaande supermarktmeters op de bestaande locatie worden gesaldeerd.
Kwantitatieve behoefte Tabel 5 uit de effectenanalyse toont de indicatieve berekeningen van het economisch functioneren van de dagelijkse sector in de gemeente Venlo en specifiek Blerick. In de huidige situatie functioneert het dagelijks aanbod binnen de gemeente Venlo op een vloerproductiviteit van circa € 7.325 per m2 wvo, circa 5% beneden het landelijk (gewogen)
2
BRO, ‘Ruimtelijk-functionele effectenanalyse Aldi Blerick’, projectnr.: P05166, d.d. 7 maart 2023.
Hoofdstuk 3
14
vijfjaarsgemiddelde. Dit biedt in kwantitatieve zin geen directe aanleiding om het dagelijks winkelaanbod uit te breiden. Verwacht wordt dat het huidige aanbod op een gezond niveau functioneert. In Limburg is het normaal dat supermarkten iets onder het landelijk gemiddelde functioneren. De omzet ligt lager, maar ook de lasten (met name huurprijs). Als gevolg van bevolkingsgroei en een optimalisering van de binding (tot 90% a 95%), nemen de totale bestedingen in de gemeente Venlo fors toe. Hierdoor is de uitbreiding van supermarktmeters ook kwantitatief verantwoorden. Het dagelijks aanbod in Blerick functioneert op een vloerproductiviteit van circa € 7.775 per m2 wvo, nagenoeg gelijk aan het landelijk (gewogen) vijfjaarsgemiddelde. Dit biedt eveneens geen directe aanleiding om het dagelijks winkelaanbod in kwantitatieve zin uit te breiden. Ook hier geldt echter de nuance ten aanzien van het functioneren en de aanvaardbare afwijking ten opzichte van de landelijk norm. De bevolking in Blerick neemt de komende jaren eveneens beperkt toe. Dit geldt ook voor de binding en toevloeiing. Hierdoor nemen ook de bestedingen in Blerick toe. Na de beoogde ontwikkeling van Aldi (en het foodconcept van Jumbo) komt de vloerproductiviteit van dagelijkse winkels in Blerick hooguit 10 à13% ten opzichte van het landelijk gemiddelde te liggen.
Daarbij geldt wederom de nuance dat dagelijkse winkels in Limburg met een lagere vloerproductiviteit (ten opzichte van het landelijk gemiddelde) stabiel gezond kunnen functioneren. Op basis van deze uitkomsten is geen verdringing of leegstand te verwachten.
Kwalitatieve behoefte Het beoogde initiatief van Aldi draagt nadrukkelijk bij aan de consumentenverzorging binnen de gemeente Venlo en specifiek Blerick en Blerick-Noord. Aldi is in de huidige vorm te klein en niet toekomstbestendig. Uitbreiding, cq. modernisering is van belang om invulling te kunnen geven aan de hedendaagse consumentenbehoeften (ten aanzien van assortiment, gemak, winkelbeleving- en comfort, etc.). De behoefte aan grotere supermarkten heeft bovendien een extra dimensie gekregen vanwege de coronacrisis (en consumenten die meer bewust omgaan met afstand houden). Inwoners van Blerick-Noord krijgen de beschikking over een aantrekkelijke discountsupermarkt met moderne maatvoering op een centrale en goed bereikbare plek in de wijk. Het initiatief sluit hiermee aan op de behoeften van de consument, die gebaat is bij een modern, comfortabel en goed bereikbaar supermarktaanbod. De huidige locatie biedt onvoldoende ruimtelijk-fysieke mogelijkheden voor de beoogde uitbreiding. Tegelijkertijd is uitbreiding binnen het huidige winkelgebied beleidsmatig wel wenselijk. Verplaatsing van Aldi biedt mogelijkheden om de beleidsmatige gewenste uitbreiding te faciliteren. Versterking van wijkcentrum Vastenavondkampstraat betekent versterking van de beleidsmatige hoofdstructuur.
Aldi krijgt een aantrekkelijke moderne maatvoering, waar het wijkcentrum als geheel van profiteert. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de vitaliteit en toekomstbestendigheid van het wijkcentrum en behoud van de fijnmazige boodschappenstructuur in Blerick.
Hoofdstuk 3
15
Effecten aanvaardbaar Naar verwachting zal de beoogde ontwikkeling van Aldi niet resulteren in onaanvaardbare omzet- en leegstandseffecten. Hoewel Aldi in omvang toeneemt, betreft het nadrukkelijk de uitbreiding van een bestaande supermarkt die al meerdere jaren een plek heeft binnen de gemeentelijke detailhandelsstructuur. De totale uitbreiding bedraagt per saldo circa 264 m2 wvo. Indien 264 m2 wvo wordt toegevoegd, dan is het omzeteffect op gemeenteniveau naar verwachting nihil. Op het niveau van Blerick is het omzeteffect naar verwachting circa 3%. Dit is eveneens zeer beperkt. Geconcludeerd wordt dat ook indien wordt ingezoomd op de lokale effecten, nog steeds sprake is van een aanvaardbaar omzeteffect dat moet worden beschouwd als ondernemersrisico. Naar oordeel van BRO komt het economisch functioneren van het bestaande dagelijkse aanbod in de gemeente Venlo en specifiek Blerick niet in gevaar. Verdringing wordt niet verwacht. Tegelijkertijd vinden er binnen de gemeente Venlo diverse andere supermarktontwikkelingen plaats. Al deze ontwikkelingen hebben effect op het economisch functioneren van de dagelijkse sector in de gemeente Venlo. Zoals eerder aangegeven is de daling van de gemiddelde vloerproductiviteit op gemeenteniveau aanvaardbaar. Dit is ondernemersrisico en leidt niet tot verdringing van andere supermarkten.
Alle ontwikkelingen hebben een duidelijk eigen verzorgingsgebied (Blerick, Tegelen, VenloOost). De effecten vinden dan ook vooral plaats in de betreffende stadsdelen of wijken. Het effect van de ontwikkeling op Trefcenter spreidt zich over een groot gebied (regionaal). Het supermarktaanbod wordt op diverse plekken gemoderniseerd om invulling te geven aan de consumentenbehoefte en om toekomstbestendig te blijven. Dit is positief voor zowel de consumentenverzorging als de detailhandelsstructuur. Conclusie Onaanvaardbare effecten op het woon-, leef- en ondernemersklimaat zijn niet te verwachten. Per saldo draagt het initiatief juist positief bij aan het woon- en leefklimaat, omdat het voorzieningenaanbod ten aanzien van dagelijkse artikelen voor de inwoners van Blerick en specifiek Blerick- Noord versterkt wordt. Ook het ondernemersklimaat neemt per saldo niet af, omdat niet verwacht wordt dat er zaken zullen verdwijnen als gevolg van het de beoogde ontwikkeling van Aldi.
Hoofdstuk 3
16
3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. Afweging Met de verplaatsing van de supermarkt en de sloop en nieuwbouw voor een deel van de nieuwe supermarkt vindt er geen activiteit plaats die valt onder de activiteiten in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Een m.e.r.-beoordeling is daardoor niet noodzakelijk. Vanuit de Wet milieubeheer bestaan geen belemmeringen.
Hoofdstuk 3
17
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (POVI). Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven aan hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). Deze omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Op 1 oktober 2021 is de POVI vastgesteld en deze is op 25 oktober 2021 in werking getreden. In de POVI Limburg is een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd.
Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. De POVI Limburg bestaat uit twee delen; Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Werklocaties Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten. Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan onze economische structuur.
Hoofdstuk 3
18
Winkelgebieden De Limburgse detailhandelsector is een belangrijke sociaaleconomische sector, met €7,3 miljard consumentenbestedingen, (50.000 banen en 5.960 winkels met een totale oppervlakte van 1.997.000 m² winkelverkoopvloeroppervlak). Limburg heeft echter teveel winkels. De verwachting is dat het aantal winkels de komende jaren flink reduceert. De centrale opgave is dan ook een groei in kwaliteit bij een afnemende kwantiteit. E-commerce is de grootste drijver van groei. De toekomst van online retailers is onzeker door de hoge logistieke kosten, die vaak niet worden verhaald op de klant. Veel grote spelers zijn dan ook bezig met een herinrichting van hun logistieke proces. Er zijn veel manieren waarop dat kan en hiervoor is steeds maatwerk vereist. Limburg moet rekening houden met een verdere afname van winkelaanbod in alle lagen van de detailhandelstructuur. Daar ligt een opgave voor zowel de overheid als voor vastgoedeigenaren, beleggers en ondernemers. De uitkomsten van het Koopstromenonderzoek Limburg (KSOL) kunnen daarbij helpen. Afweging Onderhavige ontwikkeling voorziet in de uitbreiding, herontwikkeling en het toekomstbestendig maken van een bestaande supermarkt. Zodoende is er sprake van een kwalitatieve ontwikkeling. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI). 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2021
Op 17 december 2021 heeft het college van Gedeputeerde State de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsverordening zal pas op 1 juli 2022 in werking treden, tegelijkertijd met de nieuwe Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied in zijn geheel binnen het gebied ‘Stedelijk gebied’. Binnen het ‘stedelijk gebied’ zijn de gronden onder andere bestemd detailhandel.
Hoofdstuk 3
19
Afweging Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2021 bestaan er geen belemmeringen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg
Het regionale detailhandelsbeleid is vastgelegd in de Detailhandelsvisie Noord-Limburg. Het doel is om adequaat in te spelen op ontwikkelingen en trends in de markt, zodat een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat in stand kan worden gehouden. Dit is van belang voor een compleet en aantrekkelijk voorzieningenniveau voor de consument: consumenten dienen te beschikken over een kwantitatief én kwalitatief zo compleet, gevarieerd en attractief mogelijk winkelaanbod. Vertrekpunt Het vertrekpunt van de regionale detailhandelsvisie is het Provinciaal Ontwikkelingsplan 2014 (POL2014), daarin zijn enkele thematische principes beschreven, namelijk dat: In principe géén nieuwe solitaire c.q. verspreid gelegen winkels en winkelgebieden worden ontwikkeld/gerealiseerd. Winkels niet thuis horen op bedrijventerreinen, behalve als het gaat om verkoop van goederen (volumineus) die zich lenen voor vestiging op zo’n terrein. Nieuwe ontwikkelingen mogen alleen plaatsvinden in, of direct aansluitend aan, bestaande winkelgebieden.
Figuur 3.1: Uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2021 (plangebied zwart omlijnd)
Hoofdstuk 3
20
Daarnaast is het POL2014 opgenomen dat, ondanks dat er geen behoefte is aan kwantitatieve groei, stilstand geen optie is. Blijvende vernieuwing en innovatie mag niet in gevaar komen. Dynamiek is nodig om de omslag naar gewenste kwaliteit te maken. Met andere woorden nieuwe detailhandelsinitiatieven dienen op de goede plek gerealiseerd te worden. Doel Met POL2014 als vertrekpunt kan het doel dat we nastreven met de regionale detailhandelsvisie als volgt worden omschrijven: Adequaat inspelen op ontwikkelingen en trends in de markt zodat we een gezond en gedifferentieerd Winkelklimaat in stand kunnen houden. Belang Het in stand houden van een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat is van belang om bij te dragen aan/ het versterken van: een gezond ondernemersklimaat (economische doelstelling): het creëren van omstandigheden voor de huidige en toekomstige detailhandelsondernemingen waarbij een rendabele exploitatie mogelijk is en perspectief wordt geboden voor de langere termijn. Een ondernemer dient daarbij ook de ruimte te krijgen om te ondernemen. Dit heeft ook een positief effect op de werkgelegenheid. een compleet en aantrekkelijk voorzieningenniveau voor consumenten(sociaal-maatschappelijke functie): de consument dient te beschikken over een in kwantitatief en kwalitatief opzicht zo compleet, gevarieerd en attractief mogelijk pakket aan winkels.
Dit alles op aanvaardbare afstand van de woonomgeving. Dit heeft ook een positief effect op het behoud en de versterking van de leefbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Een aantrekkelijk (winkel)centrum heeft ook een belangrijke toeristische en/of culturele functie. een goede ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik, bijvoorbeeld door het terugdringen van leegstand (ruimtelijke doelstelling). Vertaling naar onderhavige ontwikkeling Regionaal wordt het van belang geacht om adequaat in te spelen op trends in de markt, voor de instandhouding van een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat. Uitbreiding en modernisering van Aldi speelt nadrukkelijk in op de hedendaagse consumentenbehoefte en draagt bij aan de toekomstbestendigheid van de supermarkt. Tevens is er geen regionale instemming vereist omdat de beoogde uitbreiding kleiner is dan 1.000 m 2 bvo. Tot slot dient er conform dynamisch voorraad beheer op enige wijze saldering plaats te vinden. De bestaande supermarktmeters worden met de beoogde ontwikkeling op de bestaande locatie gesaldeerd. Al met al past de gehele ontwikkeling binnen het regionale beleid. Er is namelijk sprake van de realisatie van een toekomst bestendige winkel, de leegstand wordt teruggedrongen en er wordt een aantrekkelijk winkelgebied gecreëerd.
Hoofdstuk 3
21
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Strategische visie Venlo 2040
Met de Strategische Visie Venlo 2040 heeft de gemeente Venlo het strategische perspectief, geschetst in de visie van 2030, bijgesteld. In de Strategische Visie Venlo 2040 zijn er vier hoofdlijnen waar de gemeente zich op richt: Gezondste regio; Een (t)huis om van te houden; Ruimte voor ontwikkeling; Werken in Venlo. Voor wat betreft onderhavige ontwikkeling zal voornamelijk ‘Ruimte voor ontwikkeling’ van belang zijn. De binnenstad is groener geworden, historische waterlopen zijn waar mogelijk opnieuw zichtbaar gemaakt. Dat moest ook wel. De klimaatopgave, in de vorm van warmere zomers en hevige en overvloedige regen, maar ook de veranderende functies in dit gebied maakten dat we de versteende omgeving moesten transformeren tot een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied waar oude historische structuren zichtbaar en/of beleefbaar zijn gemaakt Deze ontwikkeling en een veranderende behoefte aan ruimte voor zowel bedrijvigheid als inwoners heeft ertoe geleid dat de gemeente goede afspraken heeft gemaakt over (invulling van) de schaarse ruimte tussen de verschillende, meer centraal gelegen stadsdelen. Venlo kent in 2040 een variëteit aan woonmilieus, passend binnen de stedelijke contouren zoals die in 2020 reeds bestonden.
De beoogde uitbreiding en verplaatsing van de supermarkt draagt bij aan een herontwikkeling, verduurzaming en de toekomstbestendigheid van Blerick en dus ook de gemeente Venlo, doordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats een nieuwe, duurzame en toekomstbestendige supermarkt komt. 3.4.2
Ruimtelijke structuurvisie 2014
Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie 2014 unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2040.
Hoofdstuk 3
22
De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. Majeure opgaven: Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief.
Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Kernopgave Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Stads- en dorpsrandzones worden steeds meer diffuse ‘rommelzones’ waar het stedelijk gebied en het buitengebied in elkaar overgaan. Waar die stadsrand minder herkenbaar is, ligt een stedenbouwkundige en/of landschappelijke opgave om het contrast te verscherpen. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied versterkt. In het stedelijk gebied (inclusief stads- en dorpsranden) is door hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig of te creëren om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Door middel van het toevoegen van woningen in wijken (‘verdichten’) kan draagvlak behouden worden voor wijk- en buurtvoorzieningen, blijft vastgoed langer bruikbaar, worden gebieden veiliger en kan efficiënter worden omgegaan met energie en vervoer.
Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats
Hoofdstuk 3
23
van in elkaar over te gaan. Dit is nodig om toekomstbestendige en leefbare kernen en wijken te creeren. De gemeente wilt ‘nee’ zeggen tegen ontwikkelingen die slechts leiden tot een uitbreiding van het stedelijk gebied in plaats van tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. Hiervoor moeten er alternatieven in de bestaande stad worden aangeboden. Daartoe heeft de gemeente flexibele regels nodig. Met nieuwe initiatieven wilt Gemeente Venlo ruimtelijke knelpunten in bestaand stedelijk gebied oplossen. Hoewel bekend is dat hergebruik, herstructurering en transformatie complexer en vaak kostbaarder is dan nieuwbouw, wordt de groeiende leegstand toch benut voor herontwikkeling.
Figuur 3.2: Begrenzing stedelijke contour Ruimtelijke Structuurvisie 2014 met ligging planlocatie (blauwe pijl)
Afweging Zoals op bovenstaande afbeelding is te zien, is de planlocatie binnen het ‘Woongebied’ en is de locatie aangegeven als een gebied voor ‘verdichten en verdunnen in bestaand stedelijk gebied’. Tevens is onderhavige locatie aangewezen als een belangrijk boodschappencentrum. Het boodschappencentrum, en meer bijzonder de Aldi, vervult een belangrijke rol voor wat betreft de voorzieningenstructuur in dit gebied. De verplaatsing en uitbreiding draagt bij aan het toekomstbestendig maken van deze structuur. Tevens zorgt de uitbreiding en verplaatsing, en dus de opwaardering van de supermarkt ook voor een verduurzaming en het toekomstbestendig maken van de supermarkt. Zodoende kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief past binnen de uitgangspunten van de ‘Ruimtelijke structuurvisie Venlo 2014’.
Hoofdstuk 3
24
3.4.3
Vigerend bestemmingsplan – ‘Stadsdeel Blerick’
Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’, dat op 25 september 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo. Het plangebied is deels bestemd als ‘Gemengd’, deels als ‘Maatschappelijk’ en deels als ‘Verkeer Verblijfsgebied’. Een deel van het plangebied heeft de aanduiding ‘supermarkt’ en het deel ter plaatse van de bestemming ‘Maatschappelijk’ heeft de aanduiding ‘onderwijs’. Enkelbestemming ‘Gemengd’ De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, met uitzondering van supermarkten, bouwmarkten en grootschalige detailhandel en met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', maximaal 30 % van het bedrijfsvloeroppervlak voor detailhandel mag worden gebruikt; b. bedrijven zoals genoemd in de Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven, onder de categorieën 1 en 2; c. maatschappelijk; d. cultuur en ontspanning; e. dienstverlening; f. kantoren, met dien verstande dat maximaal 150 m² brutovloeroppervlakte per vestiging is toegestaan; g. horeca, categorie 1 en 2, met dien verstande dat: 1. maximaal 150 m² brutovloeroppervlakte per vestiging is toegestaan; 2. maximaal twee horecabedrijven per aaneengesloten bestemmingsvlak ' Gemengd ' zijn toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'horeca uitgesloten' geen horeca is toegestaan; h. wonen; i.
waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: j. wegen en paden; k. groenvoorzieningen; l. parkeervoorzieningen; met dien verstande dat: m. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt', een supermarkt. De functieaanduiding ‘supermarkt’ geldt slechts voor een gedeelte van het plangebied. De verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt is derhalve binnen deze bestemming niet direct toegestaan.
Hoofdstuk 3
25
Enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ De voor ' Maatschappelijk ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, met dien verstande dat is toegestaan: 1. ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs', een school; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: c. wegen en paden; d. groenvoorzieningen; e. parkeervoorzieningen. Enkelbestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garagebox', garageboxen; e. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', mede een parkeerterrein; f. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; g. evenementen van categorie 1, 2 en 3; met daaraan ondergeschikt: h. bermen en beplanting; i. straatmeubilair; j. hondenuitlaatpaatsen; k. waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten e.d.); l. voorzieningen van algemeen nut; m. terrassen. De beoogde supermarkt wordt deels over deze bestemming gerealiseerd.
Ter plaatse van deze bestemming is een deze functie niet toegestaan. De verplaatsing en uitbreiding van de supermarkt is derhalve binnen deze bestemming niet direct toegestaan. Tevens wordt het openbare gebied, ten oosten van de supermarkt herontwikkeld. De bestaande parkeerplaats wordt uitgebreid naar het zuiden, de Burgemeester Coenegrachtstraat komt te vervallen en wordt heringericht ten behoeve van langzaamverkeer en het bestaande voetbalveldje wordt verplaats in of nabij het plangebied. Tot slot komt in het noorden van het plangebied een toegangsweg voor de bevoorradingsvrachtwagen.
Hoofdstuk 3
26
Figuur 3.3: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ met beoogde aanpassingen supermarkt (rood omlijnd) en aanpassingen aan openbaar gebied (blauw omlijnd)
Hoofdstuk 3
27
4.
ONDERZOEK Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het besluitgebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieu 4.1.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een voor bodem gevoeligere functie ter plaatse. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en de nieuwe bebouwing wordt op dezelfde plek gerealiseerd. De nieuwe bebouwing is wel beoogd ter plaatse van gronden die momenteel als verblijfsgebied in gebruik zijn. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk in het kader van ‘het handelen in strijd met de ruimtelijke ordening’. Echter is voor ‘het bouwen van een bouwwerk’ een vooronderzoek bodem noodzakelijk geacht. In het kader van de omgevingsvergunning zal een vooronderzoek (NEN5725) worden uitgevoerd. 4.1.2
Geluidhinder wegverkeerslawaai
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) en het daaraan hangende Besluit geluidhinder (Bgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidgevoelige objecten. Een supermarkt
Hoofdstuk 4
28
betreft echter geen geluidgevoelig object, zodat een onderzoek naar weg-, railverkeers- of industrielawaai niet aan de orde is. Inzake de geluidseffecten vanuit verplaatsing van de supermarkt op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 4.1.5 ‘milieuzonering’. Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. 4.1.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in de Regeling NIBM (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties); Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
Hoofdstuk 4
29
Toetsing Zoals in paragraaf 4.5.1 is berekend, zal als gevolg van de supermarktuitbreiding het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde weekdag worstcase toenemen met 886 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Zelfs indien wordt uitgegaan van een aandeel van 5% vrachtverkeer, draagt de ontwikkeling volgens de NIBM-tool niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. In werkelijkheid zal het aandeel vrachtverkeer zelfs ruimschoots minder bedragen, waardoor de effecten op de luchtkwaliteit nog kleiner zullen zijn. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 minder dan 12 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 16 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting alleen maar verder verbeteren. Volgens de monitoringstool van het NSL ligt de concentratie PM 10 vanwege de ligging langs de weg Henriette Roland Holstlaan op minder dan 35 µg/m³, evenals de concentratie NO2. De concentratie PM2,5 bedraagt minder dan 20 µg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse is hiermee voldoende.
Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal slechts in beperkte mate (zie paragraaf 4.5) een extra verkeersaantrekkende
Hoofdstuk 4
30
werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het project niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Hoofdstuk 4
31