031bijl 1.1 BP Ginkelstraat 3 vaststelling Toelichting.pdf
Tekst van het document
26
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
verlenen. Vanuit de gemeente wordt niet actief gestuurd op een eventuele verandering van het programma of een andere fasering. Bijstelling van het programma in kwantitatieve en kwalitatieve zin of fasering is mogelijk na overleg. Categorie 2. In voorbereiding (SOK/ROK) Bij deze plannen bestaat een mate van gebondenheid. Er liggen overeenkomsten aan ten grondslag, bekrachtigd door tenminste een B&W besluit. Per plan kan de mate van gebondenheid verschillen en dit bepaalt de vrijheid die de gemeente heeft nog te sturen in programma en fasering. Voor deze plannen staat onderling gesprek centraal, om te komen tot een kwantitatieve en kwalitatieve bijstelling en/of aanpassing van de fasering op basis van de actuele marktsituatie. Categorie 3. Ontwikkellocatie (geen afspraken) Dit zijn initiatieven waar nog geen afsprakenkader onder ligt. Gemeente is hier niet gebonden aan het plan en heeft dus nog de vrijheid om te beslissen over eventuele medewerking, het programma en fasering. De dynamische woningbouwprogrammering biedt de gemeente Venlo handvaten om haar aanwezige plancapaciteit in verhouding te brengen tot de kwantitatieve woningbehoefte. Toepassing planvoornemen Voor onderhavig plangebied worden nu nieuwe ruimtelijke kaders gesteld.
De gemeente Venlo is - vooralsnog - eigenaar van de betreffende gronden en er is ook geen sprake is van een overeenkomst met een ontwikkelaar of een andere partij. Het planvoornemen is daarom aan te merken als een plan van categorie 3. Op de behoefte aan het planvoornemen en op de aansluiting op de Visie Stedelijk Centrum 2022 is in voorgaande paragrafen reeds ingegaan. De ontwikkeling past voor wat betreft programmering binnen de (her)programmering voor Q4 als vastgesteld in 2017, met welke aantallen ook rekening is gehouden in de DWP en welke aantallen ook passen binnen de woningbouwopgave als recent vastgelegd in de nieuwe woonvisie.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
27
28
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
4.2
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. 4.2.1 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, waarvan de breedte afhankelijk is van het aantal rijstroken. Wanneer een bestemmingsplan binnen die zone nieuwe geluidgevoelige bebouwing - zoals woningen - mogelijk maakt, dient te worden onderzocht of op de gevels van die bebouwing kan worden voldaan aan de geldende voorkeursgrenswaarde. Voor een weg bestaande uit maximaal twee rijstroken is die zone 200 meter aan weerszijde van die weg. Voor wegen waarvoor de maximumsnelheid 30 km/uur bedraagt geldt overigens géén zone. Ook woonerven kennen geen zone. Het plangebied is gelegen aan een eenrichtingsstraat, nabij de hoek met de Bolwaterstraat. Voor de Bolwaterstraat en ook voor de nabij gelegen Maaskade geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur.
De verkeersintensiteiten zijn beperkt, aangezien verder richting het centrum alle straten autovrij dan wel autoluw zijn. De Bolwaterstraat is vanaf de Maaskade net voorbij de Ginkelstraat ook fysiek afgesloten voor autoverkeer. Voor deze wegen is daarom geen akoestisch onderzoek noodzakelijk op grond van en Wet geluidhinder en gezien het voorgaande is er ook geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van omstandigheden die gelet op een goede ruimtelijke ordening aanleiding geven om alsnog onderzoek te doen naar dan wel te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan op dit punt. De meest nabijgelegen weg met een onderzoekszone op basis van de Wet geluidhinder is de Puteanusstraat, die is gelegen op circa 75 meter afstand van de planlocatie. De Ginkelstraat is haaks op die straat gelegen en is relatief smal. Bovendien is de afstand tussen de aan weerszijden van die weg gelegen aaneengesloten bebouwing bestaande uit 2 à 3 bouwlagen relatief klein (circa 10-12 meter). Gelet op de afstand tussen de Puteanusstraat, de relatief smalle straat en de reeds aanwezige bebouwing mag redelijkerwijs worden aangenomen dat op de gevels van de beoogde woningen - die bovendien haaks op de Puteanusstraat staan geen geluidsbelasting te verwachten is die de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
29
4.2.2 Spoorweglawaai Ten zuiden van het plangebied ligt het spoortraject Nijmegen-Roermond, een spoortraject waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld. De afstand van deze spoorlijn tot de locatie Ginkelstraat 3 bedraagt circa 620 meter. Gelet op de systematiek van de geluidproductieplafonds, waarbij de maximale geluidproductie van het spoor op referentiepunten op 50 meter afstand van het spoor is vastgelegd c.q. beperkt en de grote afstand tussen het spoor en de locatie Ginkelstraat hoeven redelijkerwijs geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB te worden verwacht. Dit wordt ook bevestigd door de informatie die over de spoorlijn beschikbaar is in de vorm van de geluidsbelastingskaart (zie uitsnede PDOK), die laat zien dat de geluidbelasting op de locatie Ginkelstraat 3 niet boven de 50 dB uitkomt (buitenste gele schil heeft betrekking op een belasting van 49,5 tot 54,5 dB). Ook het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uitsnede geluidsbelastingkaart spoor (bron: PDOK) 4.2.3 Industrielawaai Ook bedrijventerreinen waarop specifieke bedrijfsactiviteiten worden toegelaten kennen op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) een geluidzone. In de Wet geluidhinder wordt voor dergelijke terreinen het begrip 'industrieterrein' gehanteerd, in de praktijk worden deze terreinen vaak aangeduid als een gezoneerd industrieterrein. Gezien het voorgaande kennen niet alle bedrijventerreinen c.q. industrieterreinen een zone. De meest nabijgelegen gezoneerde industrieterreinen zijn Venlo Trade Port aan de overzijde van de Maas en de Centrale Verwerkingsinstallatie Raaieinde direct ten noorden daarvan (noordzijde A67). Voor beide terreinen geldt dat de geluidzones van die terreinen niet reiken tot aan het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, waardoor er op dat punt geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen.
30
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
4.3
Bodem
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Locatie Ginkelstraat Voor het perceel Ginkelstraat 3 is door Geonius een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 25 januari 2022, nr MA190987.013.R01.V1.2) dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd. Daaruit blijkt dat: het perceel onderdeel uitmaakt van een gebied waarbinnen sprake is van een plaatselijk aanwezige heterogeen verontreinigde ophooglaag (perceelsoverschrijdend geval van ernstige bodemverontreiniging); de bovengrond (0-0,5 m-mv) licht tot matig verontreinigd is met PAK en licht verontreinigd is met zware metalen, minerale olie en PCB.
Na uitsplitsing van het mengmonster BG002 blijkt dat de bovengrond ter plaatse van de boringen 001 en 002 maximaal licht verontreinigd is met PAK en de bovengrond ter plaatse van de boring 003 matig verontreinigd is met PAK; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) plaatselijk licht tot sterk verontreinigd is met PAK en licht verontreinigd is met zware metalen, minerale olie en PCB. Na uitsplitsing van het mengmonster OG001 blijkt dat de ondergrond ter plaatse van boring 3 (1,5-2,0 m-mv) sterk verontreinigd is met PAK; tijdens de veldwerkzaamheden is geconstateerd dat binnen 5,0 m-mv geen grondwater aanwezig is en om die reden geen onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater heeft plaatsgevonden; uit een indicatieve toetsing van de resultaten aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit volgt dat de kwaliteit varieert van indicatief “industrie” tot “niet toepasbaar”; op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit de hypothese “verdacht” dient te worden aanvaard; op basis van de uitgevoerde inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond de hypothese “verdacht” voor asbest dient te worden verworpen, hetgeen geen consequenties heeft voor de gevolgde onderzoeksstrategie. met voldoende betrouwbaarheid is vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is en op dat punt geen vervolgonderzoek en maatregelen noodzakelijk zijn.
Er is gezien het voorgaande sprake van een heterogeen verontreinigde ophooglaag. De aangetoonde lichte tot sterke verontreiniging behoort tot het geval van ernstige bodemverontreiniging. Verdere afperking van de sterke verontreiniging wordt derhalve niet zinvol geacht, om de reden dat het geval van ernstige bodemverontreiniging perceelsoverschrijdend is. Gelet op het voorgaande is de locatie niet zonder meer geschikt voor de beoogde functie (wonen). Zolang de huidige bebouwing en verharding aanwezig blijft, zijn er geen risico's te verwachten voor de huidige of toekomstige gebruikers. Op de locatie wordt echter nieuwbouw na sloop beoogd. Daarom zullen sanerende maatregelen moeten worden getroffen (BUS-melding). Vervolgens zal in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde woningen moeten worden aangetoond dat de bodemkwaliteit na sanering geschikt is voor de beoogde woonfunctie. Gelet op de aard en omvang van het perceel en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is geen aanleiding om aan te nemen dat gezien deze conclusies het plan financieel niet uitvoerbaar is. Daarmee vormt de bodemkwaliteit en de te treffen sanerende maatregelen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
31
4.4
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm Woningen (maximaal) 1.500 Getalsmatige grenzen Regeling NIBM
minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Voorliggend bestemmingsplan heeft voor beide locaties betrekking op maximaal 4 woningen en blijft daarmee ruimschoots beneden de aantallen, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’ (< 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg). De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarbij kent Venlo geen knelpunten voor wat betreft de heersende achtergrondconcentraties (NO2, PM10 en PM2,5). Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook gewaarborgd.
32
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Toetsing Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Planvoornemen: kwetsbare objecten Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 4 woningen. Deze woningen zijn aan te merken als kwetsbare objecten. Daarom wordt hierna getoetst op de externe veiligheidsrisico's voor het plangebied. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven, op basis van gegevens in het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).
Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
33
Uitsnede Risicokaart, aanduiding planlocaties met zwarte pijl
Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van de locaties waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt, met uitzondering van het spoorwegemplacement. Dat emplacement heeft een invloedsgebied van circa 3 kilometer (toxisch scenario), maar de plaatsgebonden risicocontour dient op basis van de voor de betreffende activiteiten verleende vergunning binnen de grens van het emplacement c.q. de inrichting te blijven. Het groepsrisico is blijkens eerder uitgevoerde QRA's erg laag en er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, zo blijkt uit het gemeentelijk Beleidsplan Externe Veiligheid. Conform dit beleidsplan wordt voorzien in een standaard verantwoording groepsrisico. Risicovol transport over de weg / het spoor Binnen 200 meter afstand van het plangebied liggen geen transportassen (weg of spoor) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op meer dan 500 meter afstand van het plangebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Ook over de Rijkswegen A67 en A73/A74 (>2,5 km afstand) vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op deze afstanden vormen plaatsgebonden risicocontouren of plasbrandaandachtsgebieden voor onderhavig planvoornemen geen belemmering.
Wel wordt voorzien in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Risicovol transport over het water Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen het definitief ontwerp Basisnet Water is de Maas aangewezen als een categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (categorieën LF1, LF2,LT1, GF3, GT3). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) reikt niet tot buiten de oeverlijn van de Maas. Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat, gelet op de relevante stofcategorieën, de grootste 1%-letaliteitsgrens (GT3) op 1.070 meter afstand van de Maas ligt. Daarmee ligt het plangebied binnen deze contour. Langs de Maas is nog veel ruimte voor de groei van transport van gevaarlijke stoffen voordat er een
34
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
externe veiligheidsknelpunt ontstaat. Dit betekent dat er nu en in de toekomst (tot 2030) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkeling langs de vaarwegen nauwelijks beperkingen zijn. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een nadere berekening van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Risicovolle buisleidingen Er liggen in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen waarvan de de 1%-letaliteitsgrens reikt tot aan het plangebied. De meest nabij gelegen buisleiding ligt aan de overzijde van Maas op meer dan 400 meter afstand van het plangebied. Het betreft een hoge druk aardgasleiding van de Gasunie met een diameter van circa 12 inch en een ontwerpdruk van 40 bar, waarvan de de 1%-letaliteitsgrens op 140 meter afstand ligt. Gevolg planvoornemen Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een 1%-letaliteitsgrens van een buisleiding of binnen 200 meter van een transportas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Voor de Maas(corridor) geldt dat het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde bedraagt. Nader onderzoek en/of het berekenen en het vervolgens 'volledig' verantwoorden van het groepsrisico (op basis van een QRA) is daarom niet aan de orde.
Wel wordt hierna conform het Besluit externe veiligheid transportroutes en op basis van het gemeentelijke Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 voorzien in een (standaard) verantwoording van het groepsrisico. 4.5.2 Verantwoording groepsrisico Indien een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied, maar op een afstand van meer dan 200 meter van de betreffende transportas tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: 1. de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; 2. de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); 3. de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks.
De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
35
te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Advies veiligheidsregio Uit het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord volgt dat kan worden volstaan met het (standaard)advies van de veiligheidsregio. Dit advies is verwerkt in deze verantwoording van het groepsrisico.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.
Werking handreiking op hoofdlijnen: functiescheiding of functiemenging? In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucateogrie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De hiervoor beschreven methode gaat echter uit van functiescheiding. De opgenomen richtafstanden gelden tussen tussen een gebied met milieubelastende acticviteiten enerzijds en voor milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken, anderszijds. Deze methode is echter niet geschikt voor gebied waarin deze functies samen komen. Voor die gebieden introduceert de handreiking een andere systematiek, uitgaande van een drietal categorieën activiteiten: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen (vrijstaand van);
36
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Bij deze systematiek hoort ook een andere bedrijvenlijst dan wordt gehanteerd bij functiescheiding. Gevolgen planvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden om woningen te realiseren op het perceel Ginkelstraat 3. De omgeving van deze locatie kan worden aangemerkt als een gebied waarin functiemenging plaatsvindt, hetgeen blijkens de Visie Stedelijk Centrum 2022 ook wordt nagestreefd. Hoewel de Ginkelstraat zelf overwegend een woonfunctie heeft, ligt het perceel tegen het blok Bolwaterstraat en heeft het perceel zelf ook altijd een invulling met niet-woonfuncties gehad. De Bolwaterstraat is duidelijk een straat waarin een diversiteit een (gemengde) functies is gehuisvest.
Voor onderhavig plangebied is daarom de systematiek van functiemenging het meest geschikt om te beoordelen wat de invloed van de ontwikkeling op de in de omgeving gelegen bedrijven en functies is en vice versa: wat is de invloed van de omgeving op het woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woningen? Gelet op de in die directe omgeving van beide locaties aanwezige en planologisch toegelaten functies, betreft het geen functies die - uitgaande van de indeling van categorie tot en met C en de bedrijvenlijst die als bijlage 4 is opgenomen bij de VNG-uitgave - niet te verenigen zijn met de beoogde woningen (o.a. detailhandel, dienstverlening, relatief lichte horeca). Bovendien zijn direct grenzend aan de locatie ook al woningen aanwezig, waardoor de realisatie van de beoogde woningen ook geen (nieuwe) beperkingen zal opleveren voor de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied. Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat op de beoogde locatie geen dusdanige gevolgen voor het woon- en leefklimaat te verwachten zijn, dat het plan daarom niet uitvoerbaar is.
4.7
Kabels en leidingen
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en elektra. De aanwezigheid van deze leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig planvoornemen.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen dient in de toelichting te worden voorzien in een beschrijving van de wijze waarop rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. 4.8.2 Archeologie De gemeente Venlo beschikt over een archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart van de gemeente laat zien dat voor het plangebied rekening moet worden gehouden met een archeologische (verwachtings)waarde.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
37
Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart
Voor het perceel Ginkelstraat 3 geldt een zeer hoge verwachting. Dat houdt in dat archeologische onderzoek nodig is wanneer bodemingrepen plaatsvinden dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een oppervlakte van meer dan 100m2 . Aangezien op het perceel nog bebouwing en verharding aanwezig is ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan is destructief onderzoek in dit stadium niet wenselijk. Om die reden is ook geen archeologisch (voor)onderzoek door middel van boringen en/of proefsleuven uitgevoerd. Hetzelfde speelt voor de eerder in deze toelichting aangehaalde ontwikkeling 'Truuj Bolwater'. Voor die ontwikkeling is een Programma van Eisen opgesteld voor archeologische begeleiding van de sloop van de bestaande bebouwing (zie ). Uit bodemonderzoeken blijkt binnen dit blok sprake is van een ophogingslaag van vermoedelijk 1,5 meter. Gelet op de situering van dit perceel ten opzichte van de voormalige vestingwerken / middeleeuwse stadsmuur, is de archeologische verwachting specifiek en heeft betrekking op die vestingwerken. Het doel van de archeologische begeleiding bij sloop is het beoordelen of inderdaad sprake is van een ophogingslaag van 1,5 meter, door het graven van kijkgaten. De bevindingen van de waarnemingen dienen vervolgens bondig in een briefrapport te worden gerapporteerd.
De hoofdmoot van het briefrapport zal bestaan uit een beschrijving en interpretatie van de gedane waarnemingen in relatie tot de beantwoording van de in hoofdstuk 4 genoemde vraag. Omdat de verstoringsdiepte door planrealisatie (nieuwbouw na sloop) relatief gering is, blijft de archeologische verwachtingswaarde (voor de diepere ondergrond) gehandhaafd. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan voorzien in een dubbelbestemming (Waarde - Archeologie 2), waarmee wordt geborgd dat bij bodemingrepen die voornoemde drempels overschrijden alsnog archeologisch onderzoek plaatsvindt. Toepassing planvoornemen Gelet op het voorgaande wordt afdoende rekening gehouden met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied en zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
38
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
4.8.3 Cultuurhistorie De gemeente Venlo beschikt over een cultuurhistorische inventarisatiekaart. Daarvan kan worden opgemaakt dat beide planlocaties - net als de rest van de historische binnenstad - zijn gelegen binnen de begrenzing van een voormalig vestigingwerk / fort. In de directe omgeving zijn diverse monumenten gelegen, net als panden die zijn opgenomen in de inventarisatie van het Monumenten Inventaristie Project (MIP), maar die niet daadwerkelijk als monument zijn aangewezen.
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart
Q4 algemeen De huidige stedenbouwkundige structuur in Q4 is op te delen in drie zones: de middeleeuwse zone binnen de voormalige vestingmuren; de uitbreidingszone van 1876 van de stad Venlo (stadsplan 1872); de overgangszone tussen de bovengenoemde gebieden. Door de grootschalige ingrepen in het bouwbestand zijn de historische zones niet goed meer van elkaar te onderscheiden. De bebouwingsstructuur binnen Q4 is te karakteriseren door de typische blokkenstructuur. De bebouwing is divers qua schaal en karakteristiek. Sommige blokken hebben het van oorsprong kleinschalige karakter behouden. Bij andere blokken is dit karakter geheel verdwenen en overheerst het grootschalige karakter. In enkele delen is de historische stedelijke bebouwing nog herkenbaar of door transformatie versterkt. De belangrijkste kenmerken van dit soort bebouwing zijn de diepe percelen en de individualiteit en kleinschaligheid van de bebouwing. Cultuurhistorie is steeds een belangrijk aandachtspunt geweest bij de herontwikkeling van Q4. Het Helpoortkwartier had tot circa 1951 nog grotendeels een middeleeuws karakter. Het gebied was beperkt aangetast door het oorlogsgeweld, maar leed voornamelijk aan verkrotting. Vanaf de jaren '50 van de
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
39
twintigste eeuw werd de bebouwing van de Steenstraat, de Peperstraat en het Maas- en Helschriksel vrijwel volledig gesaneerd. Dit proces werd voltooid rond 1970, toen het laatste grote middeleeuwse pand aan het Helschriksel, huisnummer 20-22, werd gesloopt. Locatie Ginkelstraat 3 Het huidige pand Ginkelstraat 3 heeft geen monumentale of cultuurhistorische waarde. Dat geldt wel voor de aangrenzende bebouwing aan de Bolwaterstraat. Met de herinvulling van de locatie Ginkelstraat 3 wordt daaraan geen afbreuk gedaan, maar de kwaliteitsimpuls die de locatie krijgt zorgt juist een een ruimtelijke kwaliteitsverbetering voor de locatie, zeker in samenhang met de overige voorziene ontwikkelingen binnen dit Bastion Lichtenberg. Ondergronds is van belang dat mogelijk nog restanten van de voormalige vestingwerken aanwezig zijn, zoals reeds vermeld in de paragraaf archeologie (4.8.2). Toepassing planvoornemen Gelet op het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan aan eventuele cultuurhistorische waarden. Met de herinvulling van beide locaties wordt juist voorzien een in ruimtelijke kwaliteitsimpuls, met aandacht voor herstel van cultuurhistorische waarden.
4.9
Flora en Fauna
4.9.1 Inleiding In de Wet natuurbescherming is de soortbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). 4.9.2 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen hoofdzakelijk binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied.
Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.
40
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Aanduiding ligging en begrenzing Natura2000-gebieden rondom Venlo
De meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden zijn: Gebied
Afstand tot het plangebied
(1) Maasduinen
> 6,7 kilometer
(2) Hangmoor Damerbruch
> 5,8 kilometer
(3)(5) Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg
> 3,5 kilometer
(4) Krickenbecker Seen - De Witt-See
> 5,4 kilometer
Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit daarom een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, redelijkerwijs niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Om deze reden zijn middels een Aeriusberekening de effecten van stikstofdepositie door het planvoornemen op Natura 2000-gebieden door Pouderoyen Tonnaer onderzocht, voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. De berekening en toelichting hierop zijn toegevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting (d.d. 3 februari 2023, kenmerk J210717).
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
41
Uit de berekening blijkt dat het realiseren van het planvoornemen niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet vereist en er zijn op dit punt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.9.3 Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen.
Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. Onderzoek Om eventuele belemmeringen voor het uitvoerbaarheid van het plan vanwege strijdigheden met de Wet natuurbescherming te kunnen uitsluiten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa, die als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 21 maart 2022, kenmerk N221428). Daaruit blijkt dat het plangebied momenteel maar een zeer beperkte natuurwaarde heeft, vanwege het feit dat het perceel geheel bebouwd en verhard is.
Vanwege goed aansluitende pannen, dichtgemetselde gevelranden langs de dakranden, goed aansluitende betimmering rond de dakkapel en het ontbreken van open stootvoegen, is het pand ook niet toegankelijk voor gebouwbewonende soorten. Uitzondering is een enkel gat in in het voegwerk. Echter, door het ontbreken van enig spoor van gebruik van de opening door vleermuizen of andere soorten, is het niet aannemelijk dat de opening wordt gebruikt. Daarbij is er tot 2018 sprake geweest van lichtverstoring door gevellampen. Gelet op het voorgaande zijn als gevolg van het planvoornemen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te verwachten in relatie tot de verbodsbepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming. NB zoals eerder opgemerkt had voorliggend bestemmingsplan aanvankelijk ook betrekking op een locatie op de hoek Helschiksel/Kwietheuvel. Die locatie is geen onderdeel meer van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, maar is eerder wel meegenomen in de quickscan.
4.10
Milieueffectrapportage
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht).
42
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D: Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de geval definities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Toepassing planvoornemen De beoogde ontwikkeling (de bouw van maximaal 4 woningen op de locatie Ginkelstraat 3) komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor.
Van de categorieën die zijn genoemd in lijst D zou in beginsel wel sprake kunnen zijn van een stedelijk onwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Uit jurisprudentie over dit onderwerp volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject de aard en omvang van de ontwikkeling plaatsvinden, maar ook de regio en de directe omgeving van de planlocatie. In dit geval is sprake van een relatief klein perceel van 117m2 , een beperkt programma van maximaal 4 woningen in een (hoog)stedelijk centrum, geheel omgeven door bestaande bebouwing. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling niet aan te merken aan een stedelijk ontwikkelingsproject en is een m.e.r.(beoordelings)plicht niet aan de orde.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
43
44
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Hoofdstuk 5 5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen.
5.2
Beleid waterschap Limburg
De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: circa 10% van het plangebied reserveren voor water; rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving; uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand; toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden water in de bodem(infiltratie), afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemegd of DWA-riool); toepassen voorkeurstabel afkoppelen; infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur; beheer en onderhoud regelen (denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid); watersysteem verankeren in het bestemmingsplan;
5.3
Huidige waterhuishoudkundige situatie
Binnen het plangebied zijn geen primaire watergangen of andere oppervlaktewateren aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen de zogenoemde buitenbeschermingszone van de waterkering langs de Maas. Gelet op het bepaalde in de Keur van het waterschap en de daarbij behorende uitvoeringsregels zijn er voor het planvoornemen echter geen belemmeringen. Zoals al beschreven in paragraaf 3.2.2 van deze toelichting ligt het plangebied ook binnen de begrenzing van het (niet-stroomvoerende) rivierbed van de Maas, maar levert ook dat geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
45
Uitsnede kaart Legger Waterschap Limburg
5.4
Invloed planvoornemen
Het deelgebied is relatief beperkt van oppervlakte en is gelegen in een sterk verstedelijkte omgeving. Daarmee is er relatief weinig ruimte om binnen het plangebied te voorzien in de opvang en infiltratie van hemelwater. Toch is het uitgangspunt dat dit op eigen terrein gebeurt, conform de afkoppelbeslisboom die de gemeente Venlo hanteert. Dat hier invulling aan wordt gegeven is geborgd in de planregels (artikel 6.3). Die laten overigens ook ruimte om daar gemotiveerd van af te wijken. Het afwijken daarvan is dan onderdeel van een integrale afweging om voor een bepaald bouwplan wel of geen vergunning te verlenen. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om te voorzien in een waterhoudkundige oplossing primair bij de ontwikkelaar c.q. de partij die de percelen gaat bebouwen.
5.5
Conclusie
Gelet op het voorgaande zijn met onderhavig planvoornemen geen waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige belangen in het geding en is geborgd dat bij invulling van beide locaties water als ontwerpprincipe wordt meegenomen.
46
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Hoofdstuk 6 6.1
Planopzet
Inleiding
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
6.2
De verbeelding
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.
6.3
De regels
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Ginkelstraat 3’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
6.4
Bestemmingen
Wonen Het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen', waarbij de bouwregels en het toegelaten programma zijn afgestemd op het beoogde programma, als beschreven in paragraaf 2.3 van deze toelichting. Waarde - Archeologie 2 Gelet op de archeologische (verwachtings)waarde is voorzien in de archeologische dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2, waarmee wordt geborgd dat bij bodemingrepen die de verstoringsdiepte en de verstoringsoppervlakte - zoals die voortvloeien uit het gemeentelijk archeologiebeleid - overschrijden, archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd en/of voorwaarden kunnen worden verbonden aan voor het plangebied te verlenen omgevingsvergunningen, onder meer ten aanzien van sloop of bouwen onder archeologische begeleiding.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
47
48
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Hoofdstuk 7 7.1
Haalbaarheid
Inleiding
Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. In beginsel gebeurt dit via een exploitatieplan, maar van de vaststelling van een dergelijk plan kan worden afgezien wanneer kostenverhaal 'anderszins is verzekerd'. Dit laatste is veelal de praktijk, bijvoorbeeld door het sluiten van een zogenoemde anterieure privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar c.q. initiatiefnemer. Ook voor dit plan geldt dat kostenverhaal anderszins is verzekerd, waardoor kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. In dit geval is de gemeente namelijk volledig eigenaar van de gronden en neemt de gemeente het initiatief en en de kosten voor o.a. het opstellen van het bestemmingsplan voor haar eigen rekening. Kostenverhaal vindt dan plaats door die kosten te verdisconteren in de verkoopprijs van de planlocatie.
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van een locatie waarop een verouderd pand met achterstallig onderhoud aanwezig is. De beoogde ontwikkeling past binnen de reeds enkele jaren geleden ingezette herstructurering van de wijk Q4 en sluit ook goed aan bij de recent gerealiseerde dan wel in de nabije toekomst voorziene ontwikkelingen in de directe omgeving. Met de ontwikkeling wordt optimaal gebruik gemaakt van beschikbare ruimte binnen het stedelijk weefsel en wordt de ruimtelijke structuur ter plaatse versterkt. Bovendien past de ontwikkeling gezien deze toelichting goed binnen de actuele beleidsmatige kaders van onder meer Rijk, provincie en gemeente. Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
7.4
Conclusie
Het planvoornemen voorziet, zoals blijkt uit deze toelichting, in een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een goede nieuwe invulling van het plangebied.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
49
50
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
Hoofdstuk 8 8.1
De procedure
De te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: a. b. c. d. e.
Voorbereiding: vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, waterschap (watertoets), eventueel buurgemeenten; Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad. Vaststelling: vaststelling door de Raad. Mogelijkheid reactieve aanwijzing. Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn. Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan). Beroep: beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
8.2
Kennisgeving
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van voorliggend bestemmingsplan.
8.3
Vooroverleg/inspraak
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. Met de provincie, het waterschap en overige relevante partijen is vooroverleg gevoerd over het planvoornemen. De provincie Limburg heeft gevraagd om de tekst inzake de Regionale woonvisie Noord-Limburg aan te passen aan de meest recente versie en de Plancapaciteitmonitor in lijn te brengen met het planvoornemen zoals dit nu in dit plan is opgenomen. Daaraan is invulling gegeven. Waterschap Limburg heeft geen advies kenbaar gemaakt binnen de geboden adviestermijn.
8.4
Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 15 december 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan. Wel heeft Rijkswaterstaat verzocht aan deze toelichting een passage toe te voegen over de uitzondering op de mogelijkheid om schadevergoeding te krijgen van het Rijk bij een eventueel hoogwater en het op termijn vervallen van die uitzondering. Dit is verwerkt in paragraaf 3.2.2. Ook is de berekening van de stikstofdepositie op Natura-gebieden die bij het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen geactualiseerd met toepassing van de meest recente Aerius Calculator (2022, verschenen januari 2023). Die geactualiseerde berekening is opgenomen als Bijlage 3 en de resultaten zijn verwerkt in paragraaf 4.9.2 van deze toelichting. De planregels en de verbeelding zijn niet gewijzigd. Het plan is daarom ongewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Ginkelstraat 3
51