028bijl 1.2 Trade Port West Truckparking vastgesteld Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Onderhavig planvoornemen ziet niet toe op het oprichten van één of meerdere geluidgevoelige objecten of terreinen. Onderhavig planvoornemen kan wel leiden tot geluidhinder. Wegens de ligging van onderhavig plangebied binnen een gezoneerd industrieterrein, is de Wet geluidhinder van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek dient daarom aangetoond te worden dat de geluidbelasting ten gevolge van de uitbreiding van de truckparking buiten de geluidszone niet meer dan 50 dB(A) bedraagt. Gezien het feit dat in het kader van de haalbaarheid van het vigerend bestemmingsplan de geluidbelasting is getoetst aan de hand van een oppervlaktebron overeenkomend met een categorie VI-inrichting en onderhavig bestemmingsplan voorziet in het behoud van de huidige planologische mogelijkheden (inrichtingen tot milieucategorie VI), wordt redelijkerwijs verwacht dat het planvoornemen akoestisch inpasbaar is. Het akoestisch onderzoek wordt daarom later, in het kader van de melding Activiteitenbesluit, voorgelegd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld. Gezien de ligging van het plangebied binnen bedrijventerrein Trade Port West, is in de omgeving van het plangebied relatief zware bedrijvigheid aanwezig.
Het geluid wat de omliggende bedrijven produceren kan tot overlast leiden en derhalve het een vermindering van het verblijfsklimaat. Naar verwachting is de geluidbelasting ten gevolge van omliggende bedrijven gedurende de dagperiode, wanneer de meeste bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd, het hoogst. Conform het planvoornemen zullen in de toekomst personen binnen het plangebied overnachten. Vaak is dit voor een enkele nacht. Gedurende de nachtperiode is de geluidbelasting ten gevolge van omliggende bedrijvigheid aanzienlijk lager dan overdag. Redelijkerwijs wordt verwacht dat er niet een zodanige geluidbelasting op de parkeerplaats is dat een gebruik van de parkeerplaats voor een enkele overnachting in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
J201960.003/LGE, pagina 18 van 41
4.4 Geur 4.4.1 Geurhinder industrie Het plangebied is gelegen in de nabijheid van bedrijven die geuroverlast veroorzaken, waaronder afvalverwerkings- en recyclebedrijven. Op basis van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor deze bedrijven een aan te houden richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies. Dit is enerzijds om het woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies te waarborgen en anderzijds om hinderveroorzakende bedrijven niet in hun duurzame bedrijfsvoering te schaden. Zoals reeds besproken in paragraaf 4.2 betreft onderhavig planvoornemen geen milieugevoelige functie. Derhalve is toetsing aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG publicatie niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld of ter plaatse sprake is van een goed verblijfsklimaat. Ook in dit kader geldt dat de parking is beoogd voor kortdurend verblijf, zijnde een enkele overnachting. Redelijkerwijs wordt verwacht dat er niet een zodanige geuroverlast op de parkeerplaats is dat een gebruik van de parkeerplaats voor een enkele overnachting in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2 Wet geurhinder en veehouderij Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden.
Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon en/of leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een geurgevoelig object gedefinieerd als een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het parkeren van de vrachtwagens is op zich niet geurgevoelig, maar de op te richten horecavoorziening en detailhandelsfunctie worden wel als geurgevoelig object aangemerkt. Het plangebied is geheel buiten de contouren van omringende agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is op circa 2 kilometer afstand gelegen. Dit bedrijf is op een dermate grote afstand gelegen dat van geurhinder geen sprake is.
4.5 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de
J201960.003/LGE, pagina 19 van 41
luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. Door Tritium Advies is een luchtkwaliteitsonderzoek verricht om te bezien of het plan in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (rapportnr. 2004/166/ROS-03, d.d. 25 juni 2020). De bevindingen en conclusies van het onderzoek zijn in onderstaande overgenomen. De onderzoekrapportage is tevens als bijlage bij onderhavige notitie toegevoegd. De beoogde uitbreiding van de truckparking aan de James Cookweg te Venlo en de te verwachten extra verkeersbewegingen zijn middels de NIBM-tool getoetst (zie onderstaand figuur). De toename van de gehanteerde verkeersbewegingen is gebaseerd op de berekende verkeersgeneratie zoals onderzocht door RA Infra. Worstcase wordt van dit aantal uitgegaan (volledige bezetting).
Uit de toetsing met de NIBM-tool blijkt dat de verkeersbewegingen ten gevolge van de ontwikkelin mogelijk in betekenende mate bijdraagt en een nader onderzoek nodig is. De blootstelling aan luchtverontreiniging dient derhalve in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen.
Input NIBM-tool (bron: Tritium Advies)
J201960.003/LGE, pagina 20 van 41
NSL-Monitoringstool Via de NSL-Monitoringstool (situatie zonder beoogde planontwikkeling) zijn voorts de concentraties voor de jaren 2018, 2020 en 2030 afgelezen. Middels de NSL-Rekentool is de verkeersintensiteit worst-case op de weg nabij de truckparking (Eindhovenseweg) op beide weghelften, overeenkomstig de NIBM-toets, verhoogd met elk 390 zware vrachtverkeerbewegingen per etmaal. De nieuwe situatie is doorgerekend voor de jaren 2020 en 2030. Het jaar 2018 is evenals meegenomen als nulsituatie.
Rekenpunt 77158 concentraties incl. transportbewegingen beoogde ontwikkeling
Rekenpunt 77166 concentraties incl. transportbewegingen beoogde ontwikkeling Uit de tabellen blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 in zowel de bestaande (huidig) situatie als beoogde (toekomstig) situatie de uitgangssituatie niet worden overschreden. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Met deze AMvB wordt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’ in de nabijheid van provinciale wegen en Rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen (truckparking). Samenvattend kan worden gesteld dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen beperkingen oplegt aan het planvoornemen op de locatie James Cookweg 33 te Venlo. Het beoogde planvoornemen betreft de uitbreiding van een momenteel tijdelijk vergunde truckparking.
De NIBM-toets geeft aan dat het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Raadpleging van de NSL-Monitoringstool en berekeningen met AERIUS Lucht laten voorts zien dat de jaargemiddelde grenswaarden voor de jaren 2020 en 2030 worden niet overschreden, en evenmin wordt het daggemiddelde niet vaker overschreden dan toegestaan. Een goed (woon- en) leefklimaat met
J201960.003/LGE, pagina 21 van 41
betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is gewaarborgd. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.6 Externe veiligheid Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd: Plaatsgebonden Risico (PR): de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. Groepsrisico (GR): is de kans dat in een keer een groep mensen van tenminste een bepaalde grootte komt te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen. De norm voor het GR is een oriënterende waarde. Door Tritium Advies is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd, waarmee de risico's en randvoorwaarden voor onderhavig planvoornemen inzichtelijk zijn gemaakt. De bevindingen en cocnlusie van het onderzoek zijn in onderstaande overgenomen. Tevens is de onderzoeksrapportage (rapportnr. 2004/166/ROS-04, d.d. 23 juni 2020) als bijlage bij onderhavige aanmeldnotitie toegevoegd. Inventarisatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de Risicokaart - www.risicokaart.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten).
Hierbij zijn enkel de voor de beoogde ontwikkeling relevante risicobronnen nader onderzocht.
Ligging relevante risicobronnen t.o.v. plangebied (bron: Tritium Advies) De volgende relevante risicobronnen zijn aangetroffen en tevens afgebeeld in bovenstaand figuur. 1. Inrichting aan de Van Heemskerckweg 9;
J201960.003/LGE, pagina 22 van 41
2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Inrichting aan de Colombusweg 55; Inrichting aan de Colombusweg 24; Spoorlijn Eindhoven aansl. – Venlo, trajectnummer 12BN.4; Rijksweg A67: afrit 39 (Sevenim) – Knooppunt Zaarderheiken; Provinciale weg N556; Rijksweg A73: afrit 12 (Grubbenvorst) – Knooppunt Zaarderheiken, wegvak L88; Rijksweg A73: Knooppunt Zaarderheiken – afrit 13 (Venlo West), wegvak L104.
Er wordt nader ingegaan op de genummerde risicobronnen om te bepalen of het groepsrisico berekend dient te worden voor deze risicobronnen, dat er kan worden volstaan met een beperkte of volledige invulling van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico of dat er in navolging van de inventarisatie geen belemmeringen gevonden worden voor het planvoornemen. 1. Van Heemskerckweg 9 Aan de Van Heemskerckweg 9 is een inrichting genaamd 'Scheuten Glasgroep' gelegen. De inrichting heeft een milieuvergunning en heeft twee opslagen ten behoeve van zwavel en waterstof. De opslag heeft een waterinhoud van 600 liter. Voor de opslag geldt een PR 10-6 contour van 35 meter. Het plangebied is op circa 360 meter van de inrichting gelegen. De inrichting vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 2. Colombusweg 55 Aan de Columbusweg 55 is een tankstation (Trade Port West) gelegen. Het tankstation betreft een BEVI inrichting. Het heeft een vergunde jaardoorzet LPG van minder dan 500 m³, en heeft een vulpunt, ondergrondse LPG-reservoir (waterinhoud 40 m³) en een LPG-afleverinstallatie. Deze installaties hebben een PR 10-6 contour van respectievelijk 25, 25 en 15 meter. Voorts geldt voor het vulpunt van het tankstation een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied is op circa 650 meter van het tankstation gelegen.
Het plangebied ligt derhalve buiten de PR-contour, alsmede buiten het invloedsgebied van het tankstation. De inrichting vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 3. Colombusweg 24 Aan de Columbusweg 24 is de inrichting 'GEODIS Nutritional Netherlands B.V.' gelegen. Dit betreft een BEVI-inrichting waarbij verbrandingsproducten en zeer toxische onverbrandbare stoffen vrijkomen bij een ramp. De opslag (categorie C) heeft een gemiddelde hoeveelheid stoffen van 5.660.000 kilogram en 200.000 kilogram vergunde zeer giftige stoffen. De opslag betreft AFR klasse 4, en heeft een hoog beschermingsniveau. Er geldt hiervoor een invloedsgebied van 300 meter. Het plangebied is circa 610 meter van de inrichting verwijderd en ligt daarmee buiten het invloedsgebied. De inrichting vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
J201960.003/LGE, pagina 23 van 41
4. Spoorlijn Eindhoven aansl. – Venlo, trajectnummer 12BN.4 De dichtstbijzijnde grens van het plangebied is op circa 490 meter van het hart van de spoorlijn gelegen. De spoorlijn heeft geen PR-plafond, geen GR-plafond en een GR-plafond 10-8 van 112 meter. Er is geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Van de spoorlijn (trajectnummer 12BN.4) zijn de volgende gegevens bekend:
Tabel gegevens transportroute spoorlijntrajectnummer 12BN.4 op basis van Basisnet spoor Er wordt over de spoorlijn enkel brandbaar gas vervoerd. Het plangebied is gelegen buiten de maximale effectafstand van stofcategorie A. Daarmee vormt onderhavige spoorlijn in principe geen belemmering voor het planvoornemen ten aanzien van deze stofcategorie. Echter is het vervoer van toxische stoffen niet uitgesloten in het Basisnet; dit betreffen echter geen significante aantallen waardoor een incident met een dergelijk tankwagen verwaarloosbaar is. Desondanks dient wel gedacht te worden aan een dergelijk scenario. 5. Rijksweg A67: afrit 39 (Sevenim) – Knooppunt Zaarderheiken Het hart van de Rijksweg is gelegen op circa 310 meter van het plangebied. De Rijksweg heeft een PR 10-6 contour van 22 meter en kent een plasbrandaandachtsgebied (30 meter). Het plangebied is gelegen buiten dit plasbrandaandachtsgebied. Van de Rijksweg A67 (wegvak L89) zijn de volgende gegevens bekend:
Tabel gegevens transportroute A67 op basis van telgegevens Rijkswaterstaat
J201960.003/LGE, pagina 24 van 41
Het plangebied is (deels) gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A73 als gevolg van de maximale effectafstand van over deze weg vervoerde stoffen GF3, LT1, LT2, LT3 en GT3. Het plangebied is geheel buiten 200 meter van de Rijksweg A67 gelegen. Conform artikel 7 van het Bevt dient derhalve te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg voordoet (beperkte verantwoording). 6. Provinciale weg N556 Het hart van de provinciale weg (N566) is gelegen op circa 30 meter van het plangebied. De provinciale weg heeft geen PR 10-6 contour en conform de risicokaart is de overschrijdingsfactor oriëntatiewaarde minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Van de provinciale weg N556 zijn de volgende gegevens bekend:
Tabel gegevens transportroute N566 op basis van de risicokaart Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N566 ten gevolge van de maximale effectafstand van over deze weg vervoerde stoffen GF3, LF1, LF2, LT1, LT2 en GT3. Het plangebied is geheel binnen 200 meter van de provinciale weg gelegen. De provinciale weg betreft geen (hoofd)basisnetroute. Een analyse van het groepsrisico horende bij rijkswegen kan derhalve worden uitgevoerd aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART, januari 2017). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen zijn in de handleiding vuistregels opgenomen. De provinciale weg betreft de routetype 'weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur)'. Aan de hand van vuistregels is bepaald dat voldaan wordt aan de eisen gesteld aan de oriëntatiewaarde en 10% van de oriëntatiewaarde. Wel is het plangebied gelegen binnen de maximale effectafstanden als gevolg van diverse brandbare en toxische vloeistoffen en gassen. Hier dient derhalve wel aandacht aan te worden besteed bij de beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 van het Bevt.
J201960.003/LGE, pagina 25 van 41
7. Rijksweg A73: afrit 12 (Grubbenvorst) – Knooppunt Zaarderheiken, wegvak L88 Het hart van de Rijksweg A73 is gelegen op circa 1,72 kilometer van het plangebied. De weg heeft een PR 10-6 contour van 11 meter en kent een plasbrandaandachtsgebied (30 meter). Het plangebied is hier buiten gelegen. Van de Rijksweg A73 (wegvak L88) zijn de volgende gegevens bekend:
Tabel gegevens transportroute A73 (wegvak L88) op basis van digitale telling Rijkswaterstaat Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A73, wegvak L88, als gevolg van de maximale effectafstand van over deze weg vervoerde stoffen GT4 en GT5. Wel is het plangebied op ruime afstand van de Rijksweg A73 gelegen (meer dan 200 meter). Conform artikel 7 van het Bevt ingegaan dient derhalve te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg voordoet (beperkte verantwoording). 8. Rijksweg A73: Knooppunt Zaarderheiken – afrit 13 (Venlo West), wegvak L104 Het hart van de Rijksweg A73 is gelegen op circa 1,48 kilometer van het plangebied. De weg heeft geen PR 10-6 contour, een GR-plafond van 72 meter en kent geen plasbrandaandachtsgebied. Van de Rijksweg A73 (wegvak L104) zijn de volgende gegevens bekend:
J201960.003/LGE, pagina 26 van 41
Tabel gegevens transportroute A73 (wegvak L104) op basis van digitale telling Rijkswaterstaat Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de Rijksweg A73, wegvak L104. De transportroute vormt hiermee geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
Conclusie quickscan Uit de uitgevoerde inventarisatie is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van de in de buurt liggende inrichtingen. Voorts kan met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over de diverse transportmodaliteiten het volgende worden vastgesteld in relatie tot het planvoornemen: het plangebied is gelegen binnen 200 meter van de provinciale weg N566. De provinciale weg betreft geen (hoofd)basisnetroute. Derhalve zijn de vuistregels van het HART van toepassing om te bepalen of een berekening van het groepsrisico noodzakelijk is. Aan de hand van de vuistregels is bepaald dat voldaan wordt aan de eisen gesteld aan de oriëntatiewaarde en 10% van de oriëntatiewaarde. Wel is het plangebied gelegen binnen de maximale effectafstanden als gevolg van diverse brandbare en toxische vloeistoffen en gassen. Hier dient derhalve aandacht aan te worden besteed bij de beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 van het Bevt; het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied ten gevolge van de maximale effectenafstand van enkele stoffen die vervoerd worden over twee verschillende transportroutes, namelijk de A67 (wegvak L89) en de A73 (wegvak L88).
Conform artikel 7 van het Bevt ingegaan dient derhalve te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg voordoet (beperkte verantwoording); het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Eindhoven aansl. – Venlo en de Rijksweg A73 (weglak L104) vormen geen belemmering voor het planvoornemen; de inrichtingen aan de Van Heemskerckweg 9, de Colombusweg 55 en de Colombusweg 24 vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
J201960.003/LGE, pagina 27 van 41
Verantwoording groepsrisico De quickscan externe veiligheid is voorgelegd aan de gemeente Venlo en de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het advies van de Veiligheidsregio is vervolgens besproken en verwerkt in de beperkte verantwoording van het groepsrisico van de quickscan. De beperkte verantwoording van het groepsrisico is in onderstaande overgenomen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De uitbreiding van de truckparking leidt tot een toename van de personendichtheid. Het groepsrisico neemt niet significant toe vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van de effecten (blootstelling aan een giftig gas). Er zijn in het bestemmingsplan daarom geen maatregelen mogelijk en nodig om het groepsrisico te beperken. Mogelijkheden voor bestrijding of beperking van de effecten Eventuele ongevalslocaties op de weg zijn goed bereikbaar en het plangebied is bereikbaar binnen de wettelijke opkomsttijd. De huidige truckparking is voorzien van gesloten poorten en slagbomen en voor politie en ambulance niet zonder toelating van beheer bereikbaar. De exploitant zal in het vervolg de toegang voor hulpdiensten garanderen door toepassing van het zogenaamde Nedapsysteem. Voor brandbestrijding in het plangebied, zijn aan de James Cookweg twee brandkranen en een geboorde put aanwezig. De bluswatervoorzieningen hebben een opbrengst boven 60 m³ /uur.
Voor een effectieve inzet aan de achterzijde van de parking (zijde Eindhovenseweg) zijn de afstanden tot de aanwezige bluswatervoorzieningen te groot. In overleg met de gemeente is besloten, om een geboorde put te realiseren op het terrein, om ook incidenten op het parkeerterrein adequaat te kunnen bestrijden. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid De zelfredzaamheidstrategie is afhankelijk van de afstand tot het gevaar. Personen moeten de gevaren herkennen, dan wel snel geïnformeerd worden over de gevaren en het handelingsperspectief. Snel reageren is bevorderlijk voor de zelfredzaamheid. Alarmering NL-Alert is het alarmmiddel van de overheid voor alarmering via de mobiele telefoon. In het bericht staat wat er aan de hand is en wat men het beste kan doen. NL-Alert wordt ingezet bij levens- of gezondheidsbedreigende situaties, zoals een grote brand waarbij giftige rook vrijkomt, bij explosiegevaar of bij een overstroming. De bezoekers van de truckparking beheersen niet allen de Nederlandse taal. Om ervoor te zorgen, dat ook deze mensen snel op de hoogte worden gebracht bij een (dreigende) calamiteit, zorgt de beheerder voor communicatie over risico's, in de vorm van instructies en voorzieningen bij calamiteiten (aanduiding verzamelplaats, alarmnummer en dergelijke).
Het terrein is beveiligd en daardoor is er permanent toezicht aanwezig, zodat een snelle respons en optreden van de bedrijfshulpverlening mogelijk is. Dit zal als verplichting in de erfpachtovereenkomst tussen de gemeente en de exploitant worden opgenomen. Schuilen of vluchten Het handelingsperspectief bestaat uit naar binnen gaan en schuilen in een gebouw, dat goed afgesloten is voor binnendringende lucht.
J201960.003/LGE, pagina 28 van 41
Om schuilgelegenheid te bieden, zal de exploitant ervoor zorgen dat de verblijfsfuncties op het terrein (horeca en eventueel andere verblijfsfuncties) goed afsluitbaar zijn voor binnendringende lucht en dat eventuele mechanische ventilatie snel is uit te schakelen. Om eventuele slaapcabines te realiseren is in de regels bepaald, dat deze de functie 'logies' krijgen, opdat de brandveiligheid voor dit gebruik wordt gewaarborgd. Onduidelijk is of de vrachtautocabines voldoende luchtdicht zijn te maken. De zelfredzaamheid voor personen die in de vrachtwagen verblijven is beperkt, omdat de vrachtwagen geen bescherming biedt tegen een gifwolk. Voor personen buiten is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten dwars op de wind. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.7 Kabels en leidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas of brandstof gelegen die van invloed zijn op de realisatie van het planvoornemen. In het straatprofiel van de James Cookweg zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie. Ten zuiden van het plangebied, op ca. 55 meter afstand, is een hoogspanningsleiding gelegen. Op basis van de Netkaart wordt geconcludeerd dat de hoogspanningsleiding een 150 kV-lijn betreft (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede Netkaart Voor de hoogspanningsleiding geldt een beschermingszone van 20 meter aan weerszijden van de leiding. Het plangebied is niet binnen deze beschermingszone gelegen. Wel is het plangebied binnen de indicatieve zone voor de 150 kV-lijn, zijnde 105 meter aan weerszijden van de leiding, gelegen. Het beleidsadvies van VROM luidt dat bij ruimtelijke plannen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen, binnen de indicatieve zone, zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder
J201960.003/LGE, pagina 29 van 41
bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is, dan wel in de toekomst hoger kan worden dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Onderhavig planvoornemen ziet toe op de uitbreiding van een beveiligde vrachtwagenparkeerplaats binnen de indicatieve zone. Gezien de aard van het planvoornemen wordt geconcludeerd dat er geen langdurig verblijf van kinderen binnen het plangebied plaats zal vinden. In dit kader is het dan ook niet aan de orde om de specifieke magneetzone in beeld te brengen. De ligging van het plangebied nabij de hoogspanningsleiding vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet.
Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.
Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo met plangebied bij rode contour De gemeente Venlo beschikt over een archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart van de gemeente laat zien dat binnen het plangebied de archeologische verwachtingswaarde niet aanwezig is (wit gebied). Binnen het plangebied liggen ook geen archeologische monumenten. Er gelden dan ook geen restricties ten aanzien van planvorming. Er is
J201960.003/LGE, pagina 30 van 41
geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 4.8.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Gemeente Venlo heeft haar beleid omtrent cultuurhistorie vastgelegd in de Erfgoednota 'Venlo maakt van erfgoed erfgoud!' en heeft informatie over cultuurhistorische elementen opgenomen in de cultuurhistorische inventarisatiekaart.
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo met plangebied bij rode contour Voor wat betreft onderhavig plangebied geldt dat het terrein onbebouwd is. Op basis van de cultuurhistorische inventarisatiekaart wordt geconcludeerd dat er zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied bevinden. Het aspect 'Cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9 Natuur Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Tritium Advies (rapportnr. 2004/166/ROS-01, d.d. 24 juni 2020) een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Tevens is in de quickscan beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-
J201960.003/LGE, pagina 31 van 41
gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het rapport is bijgevoegd als bijlage. Tevens zijn conclusies van het rapport in onderstaande opgenomen.
4.9.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Limburg hanteert geen externe werking als het gaat om NNN. In dit geval is er tussen het plangebied en het NNN-gebied voldoende ruimte gelegen en ziet het plan toe op een beperkte ingreep (rooien van bomen en uitbereiding van bestaande truckparking), waardoor er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNN-gebied geen sprake is. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 6,9 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de korte afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Een berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen is derhalve noodzakelijk.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: Tritium Advies) Een beoordeling ten aanzien van het aspect stikstof ten gevolge van de uitbreiding van de beveiligde vrachtwagenparkeerplaats is uitgevoerd door Pouderoyen Tonnaer (projectnr. J201960.002, d.d. 8 december 2020). Het rapport is als bijlage bij onderhavige notitie toegevoegd. De in het rapport gehanteerde uitgangspunten zijn gebaseerd op een eerste ontwerp van de truckparking. Inmiddels is het ontwerp op een aantal punten gewijzigd. Zo is er geen sprake meer van de oprichting van een
J201960.003/LGE, pagina 32 van 41
detailhandelsfunctie en wordt de truckparking met 31.602 m2 uitgebreid in plaats van 31.470 m2. De in het rapport gehanteerde uitgangspunt wijken echter in dermate kleine mate af van het daadwerkelijke planvoornemen, dat het rapport alsnog een representatieve beoordeling van het aspect stikstof ten gevolge van het huidige planvoornemen bevat. Uit de beoordeling ten aanzien van het aspect stikstof is gebleken dat het bouwplan (de tijdelijke realisatiefase en de gebruiksfase) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Opgemerkt dient te worden dat de beoordeling stikstof uitgaat van het bouwplan in het kader van de uitbreiding van de beveiligde vrachtwagenparkeerplaats. Echter, onderhavig bestemmingsplan voorziet tevens in het behoud van de huidige planologische mogelijkheden ten aanzien van de bedrijfsmatige activiteiten. Gezien het bestemmingsplan een dusdanig breed scala aan bedrijfsactiviteiten toelaat is het niet mogelijk hier op voorhand, zonder kennis te hebben over enige specifieke invulling, een beoordeling ten aanzien van het aspect stikstof voor uit te voeren.
Om deze reden is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat nieuwe gebouwen ten behoeve van de bedrijven zijn toegestaan, indien vooraf is aangetoond dat er geen sprake is van een significante toename van de depositie van NH3 en NOx in een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
4.9.2 Soortenbescherming Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.
Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.
J201960.003/LGE, pagina 33 van 41
Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de kap- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen voor in het plangebied.
Indien er volgens de voormalige inrichtingstekening (d.d. 15 mei 2020) wordt gehandeld, valt een negatief effect op beschermde amfibieën niet te verwachten. Indien er volgens de meest recente inrichtingstekening (d.d. 26 augustus 2020) wordt gehandeld is nader onderzoek naar de alpenwatersalamander noodzakelijk. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen kap- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; Indien er volgens de voormalige inrichtingstekening (d.d. 15 mei 2020) wordt gehandeld, valt
J201960.003/LGE, pagina 34 van 41
een negatief effect op beschermde amfibieën niet te verwachten. Indien er volgens de meest recente inrichtingstekening (d.d. 26 augustus 2020) wordt gehandeld is nader onderzoek naar de alpenwatersalamander noodzakelijk; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
Tot slot wordt geadviseerd, indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren.
4.9.3 Natuurcompensatie Een deel van de gronden waar de uitbreiding van de parking is voorzien (ca. 9.500 m2), is nu bestemd als 'Natuur'. De gronden zijn niet binnen de bronsgroene landschapszone, zilvergroene natuurzone of goudgroene natuurzone gelegen. Derhalve geldt formeel geen compensatieplicht. Echter, conform de gemeentelijke ambitie, wordt het verlies aan groen wel elders gecompenseerd. De compensatie vindt plaats binnen de gemeente Venlo, ter plaatse van een locatie aan de Beckersweg. Het betreft een deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie F, nummer 4199. De locatie sluit aan op gronden die reeds voor natuurcompensatie zijn bestemd ten behoeve van de plannen 'Nieuw Manresa' en 'Droompark Maasduinen'. De inrichting van de natuurcompensatielocatie wordt nog uitgewerkt. Het op te stellen bestemmingsplan voorziet ter plaatse wel al in de wijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden' naar de bestemming 'Natuur'.
4.10 Water Het doel van de waterparagraaf is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De waterparagraaf vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de waterparagraaf gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen. Tritium Advies (rapportnr. 2004/166/ROS-03, d.d. 20 november 2020) heeft voor onderhavig planvoornemen een waterparagraaf opgesteld. De huidige situatie en de waterbergingsopgave als beschreven in de waterparagraaf zijn in onderstaande overgenomen. De volledige waterparagraaf, inclusief uitvoerige beschrijving van het waterbeleid, is als bijlage bij onderhavige aanmeldnotitie toegevoegd.
4.10.1 Situatie plangebied Grondwater Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die direct invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is niet bekend. Oppervlaktewateren Ten noorden van het plangebied is een vrij uitgebreid stelsel van oppervlaktewater aanwezig. Langs het plangebied loopt de watergang 'Kraaielse Beek'. De Kraaielse Beek wordt in de Legger van waterschap Limburg aangeduid als primair oppervlaktewater. Primaire oppervlaktewateren zijn van
J201960.003/LGE, pagina 35 van 41
groot belang voor het (functioneren van het) watersysteem.
Leggerkaart waterschap Limburg, plangebied aangeduid met zwarte punt
Bodem Het plangebied heeft een globale hoogteligging van circa 28,81 m+ NAP. Dit is af te leiden uit het Actueel Hoogtebestand Nederland.
Actueel hoogtebestand Nederland viewer, plangebied aangeduid met zwarte punt (bron: Tritium Advies) Aelmans B.V. heeft voor het plangebied een bodem- en infiltratieonderzoek uitgevoerd
J201960.003/LGE, pagina 36 van 41
(E202291.007.R1/HWO, d.d. 5 november 2020). Middels veldtesten vindt de afleiding plaats van de doorlaatfactor voor infiltratie. Op de projectlocatie zijn, op vier aangewezen plaatsen, op einddiepte, in-situ doorlatendheidsproeven uitgevoerd. Het grondwater bevond zich in de vier boringen op meer dan 4 m – mv. Uit de eerste boring bleek tot op 3 m-mv de grondsoort te bestaan uit fijn siltig zand (doorlaatfactor van 0,66 meter per dag), uit de tweede boring bleek tot op 3 m-mv de grondsoort te bestaan uit fijn tot grof grindig zand (doorlaatfactor van 10,76 meter per dag), uit de derde boring bleek de grondsoort tot op 3 m – mv te bestaan uit fijn tot grof grindig zand (doorlaatfactor 15,81 meter per dag) en tot slot bleek uit de vierde boring de grondsoort tot op 3 m – mv te bestaan uit fijn tot grof grindig zand (doorlaatfactor van 22,69 meter per dag). De doorlaatfactor van de geteste lagen op de locatie is conform de classificatie van het Cultuurtechnisch Vademecum en de Hooghoudt-uitwerking vrij goed tot zeer goed. De doorlaatfactoren komen overeen met de waarden van k voor zeer fijn zand (k = 1 – 0,1 m/d) en van k voor grof zand (k = 100-10 m/d). Over het algemeen wordt gesteld dat infiltratie van neerslagwater interessant is indien: De doorlatendheid groter is dan circa 0,3 meter per dag.
Infiltratie van neerslagwater behoort bij lagere doorlatendheden ook tot de mogelijkheden mits hiervoor voldoende ruimte gereserveerd wordt om de geringe doorlatendheid te compenseren. Bij lagere doorlatendheden zal een voorziening voornamelijk als buffer dienen; Het grondwater dieper dan 0,5 à 0,7 meter minus maaiveld aanwezig is; Het in te leiden neerslagwater niet is verontreinigd. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de gestelde eisen. De bodem is geclassificeerd en de doorlatendheid is groter dan 0,3 meter per dag. Het grondwater bevindt zich op een diepte van 4 m – mv. Voorts kan aan de derde eis worden voldaan door enkel schoon regenwater te infiltreren. Derhalve kan gesteld worden dat plaatse van het plangebied geïnfiltreerd kan worden.
4.10.2 Waterbergingsopgave Het planvoornemen behelst de uitbreiding van een truckparking. Het uit te breiden oppervlak bedraagt 31.602 m2. De bestaande horecavoorziening met was- en douchegelegenheid wordt binnen de parking verplaatst. Hiervoor wordt een nieuw gebouw gerealiseerd met een totale oppervlakte van 600 m2. Van het plan zijn derhalve gegevens bekend zoals weergegeven in navolgende tabel.
Gegevens oppervlakten totale plangebied (bron: Tritium Advies) Uit de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de totale verharding maximaal toeneemt met circa 31.602 m². De gemeente Venlo verlangt dat elke ontwikkeling waterneutraal wordt gerealiseerd. Voor het plan en de aansluiting op de riolering geldt normaliter de beslisboom
J201960.003/LGE, pagina 37 van 41
afkoppelen regenwater. Aangezien de eis van het waterschap hoger is dan de eis van de gemeente Venlo volgende de beslisboom, is de eis van het waterschap Limburg leidend. Rekening dient gehouden te worden dat het waterschap Limburg de eis stelt dat een bui van 100 mm in 24 uur geborgen / geïnfiltreerd dient te worden. Het beleid van het waterschap is om te proberen 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. De k-waarde is in onderhavige situatie bekend; infiltratie binnen het gebied wordt mogelijk geacht. Afvoer hemelwater Conform het beleid van de gemeente Venlo dient de uitbreiding van het verhard oppervlak hydrologisch neutraal te zijn. Op basis van de beslisboom van de gemeente Venlo kan worden geconcludeerd dat voor het plangebied een bergingseis van 50 mm (50 liter per m2) geldt. Vanuit het waterschap Limburg geldt echter sinds 1 april 2019 een bergingseis van 100 mm. Immers dient een bui van 100 mm in 24 uur geborgen / geïnfiltreerd te worden.
Derhalve wordt de volgende rekenregel aangehouden: 31.602 m2 x 0,1 = 3160,20 m³ Op basis van de bovenstaande rekenregel kan worden geconcludeerd dat de minimale bergingseis conform de aannames omtrent de toename van het verhard oppervlak 3.160,2 m³ bedraagt. De waterkwaliteitstrits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. Uit de beslisboom van de gemeente Venlo is af te leiden dat het dimensioneren van een bergings- en leegloopvoorziening noodzakelijk is. Hierbij geldt dat het bergen/infiltreren op eigen terrein plaatsvindt. Voor het realiseren van een bergingsvoorziening gelden de onderstaande uitgangspunten: leegloopvoorziening max. 1 liter/seconde/hectare naar gemeentelijk stelsel; noodoverlaat aansluiten op gemeentelijk stelsel; noodoverlaat bovengronds aanbrengen, tenzij hier gemotiveerd van mag worden afgeweken; noodoverlaat voorzien van terugslagklep en overstortmuur. Over de (aanvullende) eisen o.a. berging en aansluiting dient te worden overlegd met de beheerder van het oppervlaktewater. Het hemelwater dient na berging te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Er liggen voldoende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de bergingseis. De voorkeur vanuit de gemeente Venlo is om altijd bovengronds te bergen waar mogelijk.
Aan de volgende mogelijke opties kan worden gedacht om de benodigde waterberging vorm te geven binnen het plangebied: Toepassing van een vegetatiedak bij de horecavoorziening met was- en douchegelegenheid, hierbij zal aanvullende berging nodig zijn. Het platte dak kan worden uitgevoerd als groen/sedum (vegetatie) dak. Jaarlijks kan een vegetatie dak wel 40 tot 60 procent van het gevallen hemelwater absorberen en weer verdampen; Bergingsvoorziening onder de nieuwe parkeerplaatsen. Voorbeelden van voorzieningen die onder parkeerplaatsen aangebracht kunnen worden zijn onder andere bergingskratten, waterblock of een aquablock. Per waterpasserende verharding kan afhankelijk van de fundatiedikte tot circa 15 tot 140 mm water (0, 015 tot 0,14 m³ per m2) in de fundering worden geborgen bij toepassing van aquaflow. Bij het toepassen van waterblock met een hoogte van 1
J201960.003/LGE, pagina 38 van 41
m heeft dit een inhoud van circa 0,913 m³ per m2; In de directe omgeving van het plangebied is een watergang gelegen. Het is eventueel mogelijk om het hemelwater afkomstig van het plangebied in deze watergang te bergen. Hierover dient overleg te worden gepleegd met de oppervlaktewater beheerder.
In onderhavig geval is voorts vastgesteld dat infiltratie mogelijk is. Aelmans B.V. (zie Bijlage 4) heeft de volgende infiltratiemogelijkheden gegeven: 1. Oppervlakkige infiltratie via doorlatende verharde oppervlakten. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met een geroerde toplaag. Deze zal moeten worden verwijderd en vervangen door goed doorlatend materiaal. Oppervlakkige infiltratie is sterk onderhoudsgevoelig en over het algemeen geen economisch aantrekkelijke optie. Uitzondering hierop betreft een zogenaamde waterbergende weg (Aquaflow); 2. Infiltratie in de ondiepe ondergrond. Hierbij valt te denken aan infiltratie via een greppel (wadi) infiltratiekoffers, putten en of infiltratieriool. Dit behoort tot de mogelijkheden, de doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is ter hoogte van de verschillende testen meer dan voldoende; 3. Infiltratie naar de diepere ondergrond. Dit kan middels grindpalen etc. naar diepere zand-/ grindlagen. Dit behoort zeker tot de mogelijkheden, zelfs beneden de grondwaterspiegel. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is vrij goed tot goed. Het infiltreren zou direct in de ondergrond moeten kunnen plaatsvinden middels bijvoorbeeld een wadi en / of grindkoffers. Rekening dient gehouden te worden dat het Waterschap Limburg de eis stelt dat een bui van 100 mm in 24 uur geborgen / geïnfiltreerd dient te worden.
Aandachtspunten Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van de nieuwe verblijfsaccommodatie te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve dan niet meteen tot natte voeten leiden. Het is daarnaast van belang dat de hemelwatervoorziening een vertraagde afvoer of minstens een noodoverloop heeft richting bestaande watergangen. Materiaalgebruik De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bebouwing geen materialen gebruikt mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen.
Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijk stankoverlast wordt voorkomen.
J201960.003/LGE, pagina 39 van 41
4.10.3 Conclusie Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij het verzamelen van regenwater geldt dat schone en vuile waterstromen van elkaar worden gescheiden. De voorkeursvolgorde van hydrologisch neutraal ontwikkelen wordt aangehouden door de gemeente Venlo: Vasthouden – bergen – afvoeren. Uit het vorenstaande blijkt dat voor onderhavig plangebied conform de aannames omtrent de toename van het verhard oppervlak sprake is van een minimale bergingseis van 3.160,2 m³. Aan deze bergingsopgave kan conform de waterkwaliteitstrits op verschillende manieren invulling worden gegeven. Er liggen voldoende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de bergingseis. De voorkeur vanuit de gemeente Venlo is om altijd bovengronds te bergen waar mogelijk. In onderhavig geval is voorts vastgesteld dat infiltratie mogelijk is. Aelmans B.V. heeft de volgende infiltratiemogelijkheden gegeven: 1. Oppervlakkige infiltratie via doorlatende verharde oppervlakten. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met een geroerde toplaag. Deze zal moeten worden verwijderd en vervangen door goed doorlatend materiaal. Oppervlakkige infiltratie is sterk onderhoudsgevoelig en over het algemeen geen economisch aantrekkelijke optie. Uitzondering hierop betreft een zogenaamde waterbergende weg (Aquaflow); 2. Infiltratie in de ondiepe ondergrond.
Hierbij valt te denken aan infiltratie via een greppel (wadi) infiltratiekoffers, putten en of infiltratieriool. Dit behoort tot de mogelijkheden, de doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is ter hoogte van de verschillende testen meer dan voldoende; 3. Infiltratie naar de diepere ondergrond. Dit kan middels grindpalen etc. naar diepere zand-/ grindlagen. Dit behoort zeker tot de mogelijkheden, zelfs beneden de grondwaterspiegel. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is vrij goed tot goed. Het infiltreren zou direct in de ondergrond moeten kunnen plaatsvinden middels bijvoorbeeld een wadi en / of grindkoffers. Rekening dient gehouden te worden dat het Waterschap Limburg de eis stelt dat een bui van 100 mm in 24 uur geborgen / geïnfiltreerd dient te worden. Voor alle oplossingsrichtingen geldt dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld. Er dient overleg te worden gevoerd met het Waterschap Limburg.
J201960.003/LGE, pagina 40 van 41
5
Conclusie
Zoals weergegeven in hoofdstuk 1 dient in de m.e.r. aanmeldnotitie aandacht te worden besteed aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De criteria luiden als volgt: kenmerk van de activiteit; plaats van de activiteit; kenmerken van het potentiële effect (in samenhang met bovenstaande omstandigheden). Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding en het permanent bestemmen van een beveiligde vrachtwagensparkeerplaats inclusief bijbehorende faciliteiten aan de James Cookweg 31-33 te Venlo. In het kader van de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt conform de principes van dynamisch voorraadbeheer een bedrijfslocatie ter grootte van ruim. 5.000 m2, gelegen aan de Rijksweg / Vilgert te Velden, gesaldeerd. Daarnaast zal ca. 9.500 m2 aan natuur worden gecompenseerd ter plaatse van een locatie aan de Beckersweg binnen de gemeente Venlo. Uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die is opgenomen in hoofdstuk 4 volgt dat de realisatie van het planvoornemen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen.
Op basis van voorgaande beoordeling wordt geconcludeerd dat het planvoornemen, gezien de kenmerken, plaats en potentiele effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. In het licht van het voorgaande leidt de conclusie derhalve dat voor de ontwikkeling van het plangebied op basis van het beoogde planvoornemen géén milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.
J201960.003/LGE, pagina 41 van 41
6
Bijlagen
- Inrichtingstekening (d.d. 26 augustus 2020) - Onderzoek verkeerseffecten - Verkennend bodem-, asbest- en infiltratieonderzoek - Onderzoek luchtkwaliteit - Quickscan externe veiligheid - Quickscan flora en fauna - Notitie beoordeling stikstof - Waterparagraaf NB zie bijlagen bij bestemmingsplan voor de betreffende bijlagen
Bijlage 4 Verkennend bodem-, asbest- en infiltratieonderzoek
bestemmingsplan Trade Port West Truckparking
63
Verkennend bodem-, asbesten infiltratieonderzoek James Cookweg te Venlo (gemeente Venlo)
Verkennend bodem-, asbesten infiltratieonderzoek James Cookweg te Venlo (gemeente Venlo)
Rapportnummer:
E202291.007.R2/HWO
Datum:
1 december 2020
Naam opdrachtgever:
Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht B.V., mr. T.A.A. Thijssen
Adres opdrachtgever:
Parklaan 21, 5261 LR te VUGHT
Contactpersoon Aelmans Eco B.V.:
De heer ing. H.J.J.G.M. Wolfs
Monstername door:
Stan Ortmans, Cas Ortmans (in opleiding) en Erik Sonnemans
Datum monstername:
2 juli, 3 en 4 augustus 2020 en 14 oktober 2020 (aanvullend onderzoek)
KvK 14048216 BTW NL8022.45.262.B.01 Bankrekening 15.48.06.137 BIC RABONL2U IBAN NL27 RABO 0154 8061 37
Aelmans Eco B.V. Kerkstraat 4 6367 JE Voerendaal T (045) 575 32 55
Kerkstraat 2 6095 BE Baexem T (0475) 459 260
info@aelmans.com
www.aelmans.com
Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Eco B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 1 1.1 Opdrachtverlening .................................................................................................................. 1 1.2 Doel van het onderzoek.......................................................................................................... 2 1.3 Opzet van het onderzoek en de rapportage .......................................................................... 2
2
Vooronderzoek, hypothese en onderzoeksstrategie............................................. 3 2.1 Vooronderzoek ....................................................................................................................... 3 2.2 Onderzoekshypothese ............................................................................................................ 8 2.3 Onderzoeksstrategie .............................................................................................................. 8
3
Opzet veldonderzoek ........................................................................................ 10 3.1 Veldwerkzaamheden ............................................................................................................ 10 3.2 Resultaten veldwerkzaamheden .......................................................................................... 10
4
Resultaten en beoordeling chemische analyse ................................................... 15 4.1 Toetsing van de analyseresultaten ....................................................................................... 15 4.2 Interpretatie van de analyseresultaten ................................................................................ 17