CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

025 Bijl01 Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: RV025 Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat – Albert Verweystraat, Blerick19.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd Industrielawaai en railverkeerslawaai is niet van toepassing aangezien het plangebied niet gelegen is binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein en geen spoorlijn in de directe omgeving van het plangebied is gelegen.

4.3

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënischekwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Omdat ter plekke nieuwe woningen worden gerealiseerd ter vervanging van de verouderde ouderenwoningen, is in dat kader een milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) (Aelmans, rapportnummer E224055.004/ROE, 7 juni 2023, Bijlage 2) uitgevoerd. Uit dit bodemonderzoek is het volgende gebleken: Grond: de hypothese 'diffuus verdacht' voor de bovengrond en 'onverdacht voor de ondergrond' wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Echter de lichte verontreinigingen zijn van dien aard, dat ze geen belemmeringen veroorzaken voor de toekomstige nieuwbouw. Asbest: op basis van de bevindingen van het zintuiglijk bodemonderzoek en het analytish asbestonderzoek, kan de hypothese 'onverdacht' met betrekking tot asbest worden bevestigd. Resumerend kan gesteld worden, dat ondanks de licht verhoogde concentraties in de bovengrond, dit vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik. Voor wat betreft het plangebied, is er geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Een deel van het plangebied is niet meegenomen in voorgaand verkennend bodemonderzoek.

Daarom is aanvullend bodemonderzoek (Aelmans, kenmerk E224055.001.002/ROE, d.d. 7 november 2023, Bijlage 3) uitgevoerd. Uit deze aanvulling is gebleken het volgende gebleken: Grond: de hypothese "diffuus verdacht" voor de bovengrond wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd, maar de hypothese "onverdacht" voor de ondergrond wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Echter de lichte tot matige verontreinigingen zijn van dien aard, dat ze geen belemmeringen voor de toekomstige nieuwbouw veroorzaken. Asbest: op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek, kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.

30

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

Naar aanleiding van onderhavig onderzoek kan er geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen en/of beperkingen verbonden zijn aan het voorgenomen gebruik ter plaatse van het resterende deel van het plangebied. De resultaten van dit aanvullende onderzoek liggen op dezelfde lijn als de resultaten van het eerder uitgevoerd onderzoek. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

4.4

Bedrijven e milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functies) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Invloed planvoornemen op de omgeving De beoogde (vervangende) woningbouw vormt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', uitgeven door de Vereniging van Nerderlandse Gemeente (VNG) 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van een woongebouw c.q. appartementencomplex met 36 appartementen is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimat in de woning/appartement gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuw woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Invloed omgeving op planvoornemen De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen echter is gelegen aan een druk kruispunt/rotonde en de doorgaande weg Burgemeester Gommansstraat. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een rustige woonwijk en kan het aangemerkt worden als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstand met één stap verkleind kan worden. Ten oosten van het plangebied is een bedrijfsbestemming gelegen. Binnen deze bedrijfsbestemming zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan met een richtafstand van respectievelijk 10 en 30 meter. Doordat het plangebied aan te merken is als gemengd gebied kan deze afstand verkleind worden naar respectievelijk 0 en 10 meter.

De afstand tussen het bouwvlak van nieuwe woningen en de grens van de bedrijfbestemming bedraagt meer dan 10 meter. Derhalve is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt in de nieuwe situatie de afstand tussen de woonbestemming en bedrijfsbestemming vergroot waardoor sprake is van een kwaliteitsverbetering ten opzichte van de huidige woningen die op kortere afstand zijn gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming met de aanduiding woning in het meest noordelijke deel van deze bestemming. Ter plaatse staat een woongebouw c.q. appartementencomplex met appartementen. Deze vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

31

Tot slot is aan de noordzijde, op de hoek Vastenavondkampstraat/Da Costastraat de bestemming 'Dienstverlening' gelegen. Hier is een apotheek gevestigd. Een apotheek wordt aangemerkt als milieucategorie 1 (artsenpraktijk) met een richtafstand van 10 meter. Deze kan verkleind worden naar 0 meter gezien het plangebied aan te merken is als gemengd gebied. De afstand van het plangebied en de apotheek is meer dan 10 meter. Derhalve vormt deze apotheek gezien de afstand geen belemmering voor het planvoornemen. Omgekeerd vormt het nieuwe woongebouw c.q. appartementencomplex geen belemmering voor deze functies, in het bijzonder de nabij gelegen bedrijfsbestemming aanzien voldaan wordt aan de richafstand, andere woningen op kortere afstand zijn gelegen en het vervangende woningbouw betreft waarbij de afstand wordt vergroot tussen de woningen en de bedrijfsbestemming.

4.5

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM1 0 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Aangezien voorliggend planvoornemen een tranformatie/herstructurering betreft waarbij een oud woongebouw c.q. appartementencomplex met 36 appartementen vervangen wordt door een nieuwe woongebouw c.q. appartementencomplex met eveneens 36 appartementen bijft het aantal woningen ongewijzigd. Er is geen sprake van toename van het aantal woningen. Dit is per saldo 0. Hiermee wordt

32

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

ruimschoots gebleven onder de aantallen, zoals genomed in de 'Regeling niet in betekenende mate' (< 1.500 woningen). De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er ook gelet te worden op de fijnstof concentraties ter plaatse. Hiervoor is de Atlas leefomgeving geraadpleegd. De fijnstof concentratie ter plaatse van het plangebied is beoordeeld. Uit de kaart luchtkwaliteit van de Atlas blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden NO2 , PM1 0 ( (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (20 µg/m3 ) ter plaatse van het plangebied niet wordt overschreden. De waarden betreffen respectievelijk 16,21, 16,34 en 9,50 µg/m3 . De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect fijnstof vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Venlo heeft in het Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 een toetsingskader opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van transportassen. Ondanks het verstrijken van de termijn van het beleidsplan, is het toetsingskader bruikbaar bij voorliggende planvoornemen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

33

objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Echter neemt het aantal woningen niet toe met onderhavig planvoornemen.

Uitsnede kaart veilige omgeving Atlas leefomgeving Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico in te vullen als het plangebied buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Ligt het plangebied buiten een zone van 200 meter maar nog wel binnen het invloedsgebied dan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een weg waarover veelvuldig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtsbijzijnde weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de A73. Deze weg heeft ter hoogte van het plangebied een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter en een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied is op ongeveer 1.150 meter gelegen. Dit betekent dat het plangebied niet gelegen is binnen de plaatsgebonden risicocontour dan wel invloedsgebied van deze weg. Dit houdt in dat op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Tot slot zijn er routes die niet zijn aangewezen als een basisnetroute. Het transport van gevaarlijke stoffen vindt onder andere plaats over provinciale wegen, waaronder de N273.

Het gaat om stofcategorie GF3 met een

34

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

invloedsgebied van 355 meter. Er gelden geen belemmeringen omdat er binnen een straal van 355 meter van het plangebied geen relevante wegen zijn met GF3-transporten. Transport van gevaarlijke stoffen over het water Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter ten westen van de Maas, maar wel in het invloedsgebied van deze vaarweg. Het PR-plafond van de Maas ligt op de oeverlijn, waardoor het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van de Maas. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied, zijnde 1.070 meter. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel a van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In dit kader dient, net als bij transport van gevaarlijke stoffen over de weg, alleen rekening te worden gebouden met de effecten van een toxische gaswolk. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Aan de noordzijde van het plangebied ligt de spoorlijn Eindhoven-Venlo. Deze spoorlijn heeft een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter en geen plasbrandaandachtgebied. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn.

Dit betekent ook dat op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt in verband met de ligging binnen het invloedsgebied wel een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel a van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In dit kader dient, net als bij transport van gevaarlijke stoffen over de weg en water, alleen rekening te worden gebouden met de effecten van een toxische gaswolk. Buisleidingen Ten westen, noorden en oosten van het plangebied loopt een hogedruk gastransportleiding van de Gasunie. Een dergelijk leiding heeft een maximale invloedssfeer van 600 meter. Het plangebied is op grotere afstand gelegen waardoor het invloedsgebied van deze leiding niet van invloed is. Risicovolle inrichtingen Op ongeveer 780 meter van het plangebied bevindt zich het emplacement Blerick. Deze risicovolle inrichting kent een invloedsgebied van 995 meter, op basis van stofcategorie B2. Gezien de ligging binnen het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Ten noordwesten, noordoosten en zuiden zijn een drietal risicovolle inrichtingen gelegen. Dit betreffen tankstations met LPG installaties. Dergelijke installaties hebben een invloedsgebied van 160 meter.

Gezien de afstand tussen het plangebied en de betreffende inrichtingen van meer dan 500 meter zijn deze niet van invloed op het plangebied. Kaart extern veiligheid beleid gemeente Venlo

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

35

Kaart extern veiligheidsbeleid gemeente Venlo De kaart extern veiligheidsbeleid gemeente Venlo laat hetzelfde beeld qua risico bronnen zien als de kaart veilige omgeving Atlas leefomgeving. Beperkte verantwoording groepsrisico Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Echter in onderhavige situatie is geen sprake van toename van de personendichtheid aangezien het aantal woningen gelijk blijft. De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:

36

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een weg, vaarweg, spoor, buisleiding of risicovolle inrichting. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de A73, Maas, spoorlijn Eindhoven-Venlo en het emplacement Blerick. Echter is aangetoond dat het voorgenomen planvoornemen geen nadelige gevolgen met zich meebrengt en tevens is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op het gebied van externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is enkel een toxisch scenario relevant. Maatregelen gericht op explosies en brand zijn dus niet van toepassing. Er dienen maatregelen te worden genomen die een toegevoegde waarde hebben voor de mate van zelfredzaamheid bij een toxische scenario, deze zijn te vinden in de standaard verantwoording groepsrisico.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

37

In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. Conform beleid zijn aan deze verwachtingswaarde een oppervlakte- en dieptenorm gekoppeld van respectievelijk 500 m² en 40 cm. Aangezien er vooralsnog sprake is van een verwachting dient deze in het kader van dit plan eerst te worden getoetst. Dat betekent dat archeologisch onderzoek vereist is door middel van een bureauonderzoek en verkennende boringen. Op basis van de resultaten van dit archeologisch onderzoek neemt de gemeente als bevoegd gezag een besluit over nut en noodzaak van vervolgonderzoek.

Bij dit (selectie) besluit wordt ook de bodemverstoring door de werkzaamheden ten behoeve van planrealisatie meegewogen. Opgemerkt moet worden dat bij de sloop van de bestaande bebouwing de bodem ter plaatse van de bebouwing niet meer dan strikt noodzakelijk voor de sloop mag worden verstoord. Dit aangezien ook de locatie van de bestaande bebouwing bij het archeologisch onderzoek moet worden betrokken. Bij voorkeur vindt de sloop in eerste instantie plaats tot op maaiveldniveau.

Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo, plangebied groen omcirkeld In dit kader is een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek met verkennend booronderzoek (Econsultancy, rapportnummer 22221.001 d.d. 19 juli 2023, Bijlage 4) uitgevoerd. Uit dit archeologisch onderzoek is het volgende gebleken. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het plangebied een lage

38

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

archeologische verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum en een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat de bovengrond binnen het plangebied tot 65-70 centimeter onder het maaiveld is verstoord. Deze verstoringen hangen vermoedelijk samen met de bouw van de huidige woonblokken in 1956. Onder de verstoringen zijn rivierafzettingen van de Maas aangetroffen. In vier van de vijf boringen bestaan deze uit een restant van een Bw-horizont, met daaronder de C-horizont op 80-120 centimeter onder het maaiveld. In de vijfde boring bevindt de C-horizont zich direct onder de verstoringen, op 85 centimeter onder het maaiveld. Door de ondiepe ligging van de C-horizont in vergelijking met de overige boringen, is de top hier vermoedelijk slechts gering verstoord. Mogelijk is de Bw-horizont hier opgenomen in het bovenliggende verstoorde pakket, of heeft op deze locatie geen verbruining plaatsgevonden. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, blijft door het booronderzoek behouden. Binnen de onbebouwde delen van het plangebied kunnen archeologische waarden onder de verstoringen, vanaf 65-70 centimeter onder het maaiveld, nog intact aanwezig zijn.

Onder de huidige bebouwing, welke volledig is onderkelderd tot 98 centimeter onder het maaiveld, zal een deel van de oorspronkelijke bodemopbouw zijn verstoord. De top van de C-horizont, en diepere archeologische sporen zoals kuilen of waterputten, kunnen onder de kelders echter nog intact aanwezig zijn. Ondanks de diepgaande ver-storingen kunnen ook hier nog archeologische waarden in situ verwacht worden. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Door het onderzoeksbureau wordt geadviseerd om het proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen de onbebouwde delen van het plan-gebied, aangezien daar de kans het hoogst is om archeologische waarden in situ aan te treffen.

Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek binnen het onbebouwde deel kan inzichtelijk gemaakt worden of onder de huidige bebouwing nog archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, en of hier nog een archeolo-gisch vervolgonderzoek plaats dient te vinden. Gemeentelijke besluit ten aanzien van archeologie Het uitgevoerde archeolgisch onderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Venlo. De gemeente neemt het advies om vervolgonderzoek niet over. De gemeente is van mening dat de verstoring door de bestaande bebouwing zeker een rol speelt binnen het plangebied. Verder worden de boorprofielen anders geïnterpreteerd door de gemeente dan de onderzoekers. De vermeende gaafheid van de bodem wordt dan ook niet gedeeld. Het plangebied word dan ook archeologisch vrij gegeven en de archeologische dubbelbestemming komt te vervallen. Cultuurhistorie In de directe omgeving en binnen het plangebied zijn geen rijks-, gemeentelijke monumenten dan wel beeldbepalende panden met cultuurhistorische waarden gelegen. De bebouwing dateert uit de jaren '60/'70 van de vorige eeuw en heeft geen enkele cultuurhistorische waarden. Deze bebouwing is verder niet behoudens waardig en leidt dan ook niet tot problemen met het slopen er van. Hierbij gaan geen

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

39

cultuurhistorische waarden verloren. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen objecten, zoals historische laanbeplanting, monumentale bomen dan wel kapelletjes of kruisbeelden, aanwezig die enige cultuurhistorische waarden hebben.

4.8

Flora en fauna

4.8.1 Inleiding Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.8.2 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura2000-gebieden. Onderhavig plangebied valt vanwege de ligging binnen bebouwd gebied niet binnen één van de Natura2000-gebieden. Het plangebied ligt wel op ca.

5 km afstand van de Duitse Natura 2000 gebieden 'Hangmoor Damerbruch', ‘Krickenbecker Seen – L. De Witt-See’, ‘Vogelschutzgebied ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ en ‘Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht’ gelegen. Daarnaast liggen de Natura 2000 gebieden ‘Maasduinen op ca. 7,2 km afstand en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ op ca. 14,5 km afstand.

40

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

Ligging plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden Gezien de ligging binnen het stedelijk gebied, de kleinschaligheid van het planvoornemen en de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden is de invloed van het planvoornemen op de omliggende Natura 2000-gebieden niet in betekenende mate. Er is geen sprake van externe effecten in de vorm van licht, geluid en trilling. Gebiedsbescherming vormt hierom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Het plangebied is evenmin gelegen binnen provinciale beleidscategorieën, die betrekking hebben op natuur of landschapswaarden. Door de ligging binnen de bebouwde kom en de afstand is derhalve geen sprake van mogelijke beïnvloeding van het nationaal of provinciaal natuurnetwerk. 4.8.3 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk.

Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn Gedeputeerde Staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing F&F op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. In dit kader is een quickscan flora/fauna en vleermuizenonderzoek (FF advies, rapportnummer R202218-A,

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

41

d.d. 4 januari 2023/2 november 2023, Bijlage 5) uitgevoerd. Op basis van de quickscan wordt vastgesteld dat het plangebied potentieel geschikte verblijfplaatsen biedt voor gebouwbewonende vleermuizen, met name de gewone dwergvleermuis en in mindere mate ook de laatvlieger. Indien woningen gesloopt worden, zullen de potentiële verblijfplaatsen komen te vervallen. Aangezien er in de directe omgeving ook geschikte gebouwen staan, zal er geen sprake zijn van een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis, ook indien de potentiële verblijfplaatsen in gebruik blijken te zijn. Maar pas na nader onderzoek kan deze inschatting nader worden onderbouwd. Daarnaast is binnen het plangebied foerageergebied voor vleermuizen aanwezig, vanwege de aanwezige bomen en grasveldjes, waardoor er insecten beschikbaar zijn. Er kan door het initiatief een gering verlies optreden, maar het gaat om slechts een zeer geringe oppervlakte en rond de nieuwbouw in de toekomst zal ook weer groen aanwezig zijn. Omdat er in de directe omgeving voldoende alternatieven zijn, is de gunstige staat van instandhouding zeker niet in het geding. Omdat werkzaamheden niet in de nacht plaatsvinden, is er geen sprake van verstoring van foeragerende dieren. De functie vliegroute is niet aanwezig, er zijn geen bomen- of struikenrijen aanwezig.

Van de grondgebonden zoogdieren is alleen de steenmarter een relevante soort, aangezien het een gebouwbewonende soort is, welke beschermd is en slechts binnen een bepaalde tijd van het jaar is vrijgesteld (15 augustus tot 1 maart, vergelijk bijlage 1, tabel A). Voor de steenmarter is het plangebied niet of nauwelijks geschikt. Er zijn geen duidelijke openingen aanwezig. Er zijn dan ook geen negatieve gevolgen van het voornemen voor de steenmarter. Er zijn matig geschikte tot geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats, met name de huismus en de gierzwaluw. Door de sloop zullen deze (mogelijke) verblijfplaatsen verloren gaan. Ook voor deze soorten geldt dat er in de directe omgeving geschikte alternatieven zijn, waardoor een significant negatief effect uit te sluiten is. Indien sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen, kunnen broedende vogels gestoord worden. In verband met de geschiktheid van het plangebied voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw is in de (na)zomer van 2022 en het voorjaar van 2023 een nader onderzoek (FF advies, rapportnummer R202218-E, d.d. 26 juli 2023, Bijlage 6 uitgevoerd naar deze soorten. Uit dit aanvullend ecologisch onderzoek is het volgende gebleken.

Huismusonderzoek Er zijn drie nestplaatsen (gierzwaluwkasten) van de huismus aangetroffen aan de noordzijde van het projectgebied. Deze zullen door de voorgenomen sloop van het appartementencomplex verloren gaan. Gierzwaluwonderzoek Er zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld in het projectgebied. Vleermuisonderzoek Er zijn 2 paarplaatsen vastgesteld en 1 zomerverblijfplaats. Door het slopen van de panden zullen deze verblijfplaatsen verloren gaan. Vervolgstappen Voor het vernietigen van de nesten van de huismus en van de paarverblijfplaatsen en zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is een ontheffing nodig ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij de ontheffingsaanvraag dient een onderbouwing te worden geleverd, waarin wordt aangetoond dat er door het treffen van adequate mitigerende en compenserende maatregelen geen significant negatieve gevolgen zijn voor beschermde soorten. Omdat er in de directe omgeving voldoende alternatieve vestigingslocaties zijn en er eenvoudige mitigerende en compenserende maatregelen zijn, zoals het ophangen c.q. verplaatsen van reeds aanwezige kasten naar geschikte woningen in de directe omgeving, is er geen reden aan te nemen dat de ontheffing niet verleend wordt.

42

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

4.8.4 Stikstof Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden. Met de komst van de nieuwe wet is voor woningbouwprojecten is een belangrijke wijziging ingevoerd. Namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector van de natuurvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb. De vrijstelling voor bouwactiviteiten is om twee redenen partieel. Allereerst omdat de vrijstelling alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“Realisatiefase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (“Gebruiksfase”). Voor de structurele uitstoot die een project in de Gebruiksfase uitstoot, blijft de natuurvergunningplicht dus onverkort van toepassing.

De vrijstelling is voorts partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, bijvoorbeeld de verstoring van diersoorten. Voor de onderhavige planvoornemen geldt daarmee dus dat indien er geen significante effecten ten aanzien van de emissie van stikstof zijn te verwachten in de gebruiksfase, de bouwfase buiten beschouwing kan worden gelaten (vrijgesteld) en dat een ontheffing van de Wnb voor het project niet aan de orde is. Derhalve is navolgend gekeken of er een effect in de gebruiksfase is te verwachten ten aanzien van stikstof. In dat kader is een notitie beoordeling stikstof opgesteld en aeriusberekeningen (realisatie- en gebruiksfase) uitgevoerd (Pouderoyen Tonnaer, project J222449, d.d. 9 november 2023, Bijlage 7). Uit de berekening van de realisatiefase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatiefase worden uitgesloten wanneer deze over twee jaar gefaseerd wordt. Uit de berekening voor de gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase worden uitgesloten. Het planvoornemen leidt dan ook niet tot een toename van stikstofdepositie in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.

4.9

Verkeer en parkeren

De verkeerssituatie blijft ongewijzigd. Net als in de huidige situatie wordt het woongebouw c.q. appartementecomplex ontsloten via de Burgemeester Gommansstraat, Albert Verweystraat, Herman Gorterstraat en Jacob Catsstraat. In de nieuwe situatie wordt voorzien in 33 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie is sprake van 26 parkeerplaatsen waardoor het aantal parkeerplaatsen met 7 stuks toeneemt. Het betreffen allemaal openbare parkeerplaatsen en neemt door de extra parkeerplaatsen de parkeerdruk ter plaatse van het plangebied af. Aangezien het aantal appartementen in de huidige situatie gelijk is aan het aantal appartementen voorzien in het planvoornemen, de locatie van de bebouwing nagenoeg hetzelfde is en opnieuw sprake is van appartementen in hetzelfde segment, kan gesteld worden dat verkeer en parkeren in voldoende mate gewaarborgd is in het planvoornemen.

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

43

4.10

Kabels en leidingen

Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en electra. Deze zijn tevens gelegen binnen het plangebied zelf ten behoeve van het bestaande woongebouw c.q. appartementencomplex. Deze zogenaamde huisaansluitingen zullen verlegd moeten worden ten behoeve van de nieuwe bouwing.

4.11

Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D: Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht.

Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de geval definities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Het planvoornemen (de herbouw van een appartementecomplex van 36 appartementen, waarbij hetzelfde aantal verouderde appartementen komt te vervallen) komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Van de categorieën die zijn genoemd in lijst D zou in beginsel wel sprake kunnen zijn van een stedelijk onwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Uit jurisprudentie over dit onderwerp volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject de aard en omvang van de ontwikkeling plaatsvinden, maar ook de regio en de directe omgeving van de planlocatie. In dit geval is sprake van de transformatie van een appartementencomplex binnen bestaand bebouwd gebied waarbij veroudere appartementen worden vervangen door nieuwe appartementen die aan de wensen en eisen van deze tijd voldoen. Het geheel is

44

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

omgeven door bestaande bebouwing en wordt ingepast in de bestaande ruimtelijke stuctuur. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling niet aan te merken aan een stedelijk ontwikkelingsproject en is een m.e.r.(beoordelings)plicht niet aan de orde.

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

45

46

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.

5.2

Waterbeheerplan 2022-2027

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP). Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur van waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. De komende jaren gaat het waterschap aan de slag om de doelen uit het Waterbeheerprogramma te realiseren. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor het WBP 2022-2027. Zo zijn in het Nationaal Waterprogramma de Delta-beslissingen opgenomen. Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategische grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen en de overige wateren. Het WBP 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. De belangrijkste onderwerpen in het WBP zijn waterbescherming, klimaatadaptatie, ecologische waterkwaliteit en zuiveren.

5.3

De keur en legger

Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende Legger als kaart). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Op 1 april 2019 heeft het Waterschap een nieuwe Keur vastgesteld. Op basis van de Legger van waterschap Limburg valt het plangebied niet binnen een waterschapsbelang.

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

47

Uitsnede van de Legger van Waterschap Limburg, plangebied aangeduid met rode stip Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen of ruimtelijke onderbouwing en Het Waterschap Limburg hanteert sinds 1 april 2019 de volgende uitgangspunten voor haar toetsing met betrekking tot de behartiging van waterhuishoudkundige belangen binnen een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing alsmede voor de toetsing van de waterparagraaf van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing: Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit; schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit; hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool.

Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte infiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord-Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan. De nieuwe bebouwing en verharding zal volledig afgekoppeld worden. Hiervoor zullen de noodzakelijke

48

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

infiltratievoorzieningen, in overleg met de gemeente worden aangelegd, waarbij uitgegaan wordt van de bergingseis van het waterschap, zijnde 100 mm per etmaal.

5.4

Invloed van het planvoornemen

De invloed van het planvoornemen op het watersysteem in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie wordt het plangebied na de transformatie/herstructurering van het woongebouw c.q appartementencomplex met 36 appartementen niet voorzien in oppervlaktewater. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van bestaand bebouwd gebied. Afvalwater Het planvoornemen voorziet in woongelegenheid voor 36 appartementen. Uitgaande van een norm van drie bewoners per woning komt dit neer op 108 bewoners in het plangebied. Conform de richtlijnen wordt er uitgegaan van een waterverbruik van 150 liter per persoon per dag. De totale droogweerafvoer komt daarmee uit op ca 16,2 m3 per dag. Het huishoudelijk afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande reeds aanwezige riolering van de omliggende wegen. De aansluiting op het gemeentelijk riool zal plaatsvinden op grond van de voorwaarden van en in overleg met de rioolbeheerder.

Hemelwater Het hemelwater van het dakoppervlak en de verharde buitenruimte wordt in de toekomstige situatie afgekoppeld van het afvalwatersysteem en conform de huidige beleidsinzichten geïnfiltreerd. Door het waterschap wordt gesteld dat infiltratie van hemelwater mogelijk is indien: de doorlatendheid van de bodem groter is dan 0,3 m/dag; de grondwaterstand dieper is dan 0,8 m minus bodem van het infiltratie-element aanwezig is; het in te leiden hemelwater niet is verontreinigd. Om de doorlatendheid van de bodem te bepalen is een infiltratieonderzoek (Aelmans, rapportnummer E224052.002/LOM, d.d. 25 mei 2023, Bijlage 8) uitgevoerd. Uit de gemeten doorlatendheden blijkt, dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Burgemeester Gommansstraat ong. te Blerick. De doorlatendheid van de ondergrond ter plaatse van de testen IP-01 t/m IP-04 is voldoende. Het infiltreren zou dus direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding / afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en / of grindkoffers is opportuun. Op basis van de Keur van het Waterschap Limburg geldt een bergingseis van 100 mm. Deze bergingseis is gehanteerd bij het bepalen van de benodigde bergingscapaciteit voor de opvang van het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak (bebouwing en verharding).

Het plangebied is momenteel reeds ingericht met twee woongebouwen en is gedeeltelijk verhard. Door de transformatie/herstructurering blijft het verhard oppervlak binnen het plangebied ongeveer gelijk. Het nieuwe woongebouw c.q. appartementencomplex als ook de verharding wordt in de nieuwe situatie volledig afgekoppeld. In dat kader is de noodzakelijke bergingscapaciteit bepaald, waarbij uitgegaan is van een bergingseis van 50

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

49

mm voor het gedeelte van Woonwens en een bergingseis van 43 mm voor het openbaar gebied. Dit betekent concreet dat de volgende bergingscapaciteit binnen het plangebied noodzakelijk is: Woonwenz: uitgaande van 1.215 m2 bebouwing en 215 m2 verharding (totaal 1.430 m2) is een bergingscapaciteit van 72 m3 (1.430 m2 x 0,05) noodzakelijk. Openbaargebied: uitgaande van 860 m2 verharding is een bergingscapaciteit van 43 m3 (860 x 0,05) noodzakelijk. Hierin wordt voorzien door de aanleg van infiltratiekratten onder de ontsluiting van de parkeerplaatsen. In de volgende afbeelding is dit inzichtelijk gemaakt.

Infiltratiekratten onder verharding ontsluiting parkeerplaatsen, zowel Woonwenz als openbaar De exacte vormgeving en dimensionering zal in het verdere vervolgtraject in overleg met de gemeente nader worden uitgewerkt. De berekende benodigde capaciteit vormt hierbij het uitgangspunt, te samen met de feitelijke (ruimtelijke) situatie ter plaatse.

5.5

Conclusie

Het verhard oppervlak van de uitgeefbare gronden en verhardingen in de openbare ruimte worden volledig afgekoppeld, waarbij het hemelwater van het woongebouw c.q. appartementencomplex wordt afgevoerd naar de berging- c.q. infiltratievoorziening op eigen terrein. Gezien de gemiddeld hoogste grondwaterstand van meer dan 0,8 m onder maaiveld en de voldoende bodemdoorlatendheid zijn binnen het plangebied ruim voldoende mogelijkheden aanwezig om het hemelwater te laten infiltreren. Er wordt hiervoor de noodzakelijke ondergrondse berging aangelegd door middel van infiltratiekratten. Met de ontwikkeling zal dan ook geen wateroverlast ontstaan op omliggende gronden.

50

bestemmingsplan Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat

Hoofdstuk 6 6.1

Planopzet

Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

6.2

De verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.

6.3

De regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Herstructurering hoek Burg. Gommansstraat - Albert Verweystraat’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels. Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze worden overgenomen. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven. Bestemmingsregels De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming.

Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende toegestane functies direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de bouwregels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/285/documents/7880