CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

024 bijl01. Toelichting bestemmingsplan 'Genrayweg, Venlo'.pdf

Raadsvergadering 27 maart 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.4: RV024 Bestemmingsplan ‘Genrayweg Venlo’16.892 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De realisatie van één nieuwe woningbouwkavel valt ruimschoots binnen de getalsmatige grenzen uit de Regeling NIBM voor woningbouwlocaties. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b.

Hoofdstuk 5

28

Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM lag de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 beneden de 18 µg/m³, de concentratie fijnstof (PM2,5) beneden de 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) beneden de 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe functie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van een woning mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven.

Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Hoofdstuk 5

29

De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart van het IPO en de belemmeringskaart van de gemeente Venlo zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbij gelegen risicovolle inrichting ligt op circa 670 meter ten oosten van het plangebied en betreft een tankstation met lpg aan de Herungerberg 312. Deze inrichting heeft een invloedsgebied van 150 meter, dat niet tot het plangebied reikt. Verder naar het oosten ligt de BRZO-inrichting N.V. Rotterdam - Rijn Pijpleiding Maatschappij aan de Manegeweg 9. De terreingrens van deze inrichting ligt op circa 870 meter van het plangebied. Bij deze inrichting vindt opslag van ruwe olie plaats. Het invloedsgebied van deze inrichting reikt niet tot het plangebied.

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (groen omcirkeld)

Hoofdstuk 5

30

Buisleidingen Ten noorden en noordoosten van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats door twee RRP-leidingen (Rotterdam-Rijn Pijpleiding) en één DPO-leiding (Defensie Pijpleiding Organisatie). De kortste afstand tussen de DPO-leiding en het plangebied bedraagt circa 460 meter. Deze leiding heeft een uitwendige diameter van 10,75 inch en een maximale werkdruk van 80 bar. De leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter. De RRP-leidingen liggen op een afstand van circa 550 meter tot het plangebied. Eén van de leidingen heeft een uitwendige diameter 36 inch en een maximale werkdruk van 43 bar. De andere leiding heeft een uitwendige diameter van 24 inch en een maximale werkdruk van 62 bar. Volgens het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ hebben deze leidingen een invloedsgebied van 36 tot 43 meter. Dit invloedsgebied reikt bij lange na niet tot het plangebied. Voor beide typen leidingen is bekend dat als de personendichtheid minder is dan 255 personen per hectare er geen sprake is van een groepsrisico. De personendichtheid in de omgeving van het plangebied is beduidend lager. Als gevolg van de voorliggende woningbouw zal deze personendichtheid ook zeker niet worden overschreden. Hierdoor leidt het voorliggende plan ten aanzien van deze leidingen niet tot knelpunten met betrekking tot het groepsrisico.

Vanuit het risicovol transport door buisleidingen bestaan er kortom geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5

31

Uitsnede belemmeringskaart externe veiligheid gemeente Venlo met globale ligging plangebied (groen omcirkeld)

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg In de omgeving van het plangebied zijn enkele wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt, te weten de A67, de Weselseweg en de Klagenfurtlaan. De A67 (wegdeel afrit 41 (Venlo) – Grens Duitsland) ligt op circa 720 meter ten noorden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 27 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Vanwege de ligging ten opzichte van deze weg zijn er hierdoor geen directe belemmeringen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg voor het vervoer van toxische stoffen. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter afstand tot de weg is gelegen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Deze is opgenomen onder het kopje ‘verantwoording groepsrisico.’ Op circa 620 meter ten westen vindt risicovol transport plaats over de Weselseweg. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de orientatiewaarde. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Bovendien is het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg sterk afgenomen sinds de opening van de A74.

Hoofdstuk 5

32

Tot slot ligt de Klagenfurtlaan op circa 540 meter ten zuiden van het plangebied. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 9 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Daarnaast is, eveneens als de Weselseweg, het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg sterk afgenomen sinds de opening van de A74. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoorlijnen of vaarwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De meest dichtbij gelegen spoor- en vaarwegen liggen op meer dan 2,5 kilometer afstand tot het plangebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 is een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende onderwerpen:  De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.  De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

Bij zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Onderstaande tekst kan overgenomen worden bij een ruimtelijk plan dat zich in deze zone bevindt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege:  de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas);  de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:  toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;  kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

Hoofdstuk 5

33

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. De Veiligheidsregio Limburg-Noord hoeft bij toepassing van deze standaard verantwoording niet om advies gevraagd te worden. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, spoorweg of vaarweg. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A67 heeft een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.5 Milieuzonering De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie.

Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woning een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid.

Hoofdstuk 5

34

In de omgeving van het plangebied zijn diverse glastuinbouwbedrijven gelegen. De meest dichtbij gelegen gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ glastuinbouw planologisch mogelijk is, liggen op circa 15 meter ten noordwesten van het plangebied. Feitelijk wordt op deze gronden echter geen glastuinbouw meer gepleegd en zijn de voorheen aanwezige kassen jaren geleden al gesloopt. De hervestiging van een glastuinbouwbedrijf op deze locatie is planologisch weliswaar mogelijk, maar gelet op de incourante omvang van dit perceel en het feit dat in dit gebied (’t Ven Oost) een transformatie is beoogd waarbij de huidige glastuinbouw wordt gesaneerd, is het redelijkerwijs uitgesloten dat deze gronden opnieuw gebruikt zullen worden voor glastuinbouw. Met de milieu-invloed van een potentieel glastuinbouwbedrijf op deze locatie hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden. Het meest dichtbij gelegen glastuinbouwbedrijf dat nog wel in werking is, ligt op circa 80 meter ten oosten van het plangebied. Voor dit type bedrijvigheid (milieucategorie 2) wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd vanwege het aspect geluid. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Op circa 100 meter ten westen van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming. Ter plaatse zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan.

Voor dit type bedrijven wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Direct ten zuiden van de beoogde RvR-woning is een parkeerplaats (maximaal 16 plaatsen) gelegen ten behoeve van de Arenborghoeve. Conform de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt voor een parkeerplaats een richtafstand van 30 meter geadviseerd vanwege het aspect geluid. Maar vanwege de kleinschaligheid van de parkeerplaats en de soort bedrijvigheid in de Arenborghoeve (plastisch chirurg) wordt een lage verkeersintensiteit verwacht. Hierdoor is enige geluidshinder van de parkeerplaats niet te verwachten. Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de omgeving aanwezig waarvan de hindercontouren tot het plangebied reiken. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. In de nieuwe woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat, en omliggende bedrijven worden niet in hun mogelijkheden belemmerd door onderhavig planvoornemen.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;

Hoofdstuk 5

35

Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Door Aeres Milieu is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek6 uitgevoerd. Hieronder wordt een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen van dit bestemmingsplan. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft de (her)ontwikkeling van de locatie ten behoeve van een nieuwbouwwoning. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen nieuwbouw zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Voor de onderkeldering van de nieuwbouwwoning zal een bouwput tot 3,5 meter beneden maaiveld worden uitgegraven. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo (Bijlage 4) in de zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Het westelijk deel van het plangebied ligt in een zone met ‘begrenzing vindplaats’ en een zone met een zeer hoge archeologische verwachting.

Voor de zone die begrenst met een vindplaats geldt een onderzoeksplicht bij elke verstoring diepte dan 40 centimeter beneden maaiveld. Voor de zone met een zeer hoge verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen bij een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld. Voor de zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter beneden maaiveld. De hoogste waarde is leidend. Het plangebied ligt in een zone waar hoge oeverwallen en laaggelegen restgeulen (oude restgeulen van de Maas) elkaar afwisselende. Hierdoor ontstond een geaccidenteerd landschap, dit is ook duidelijk zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand Nederland. Het plangebied ligt op een dalvlakteterras op circa 18 meter ten oosten van een restgeul (verlaten meander van de Maas). Het plangebied ligt op een gradiënt zone. In het laat-Paleolithicum A maakte het plangebied deel uit van de actieve riviervlakte van de Maas, hierdoor was het plangebied geen geschikte bewoningsplaats. Indien er toch bewoning heeft plaatsgevonden zijn de sporen waarschijnlijk door niet meer zichtbaar door erosie van latere rivieractiviteiten. Het plangebied is een aantrekkelijke vestigingslocatie voor jager-verzamelaars.

In de omgeving van het plangebied (circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied) zijn meerdere vuursteenartefacte uit het mesolithicum aangetroffen. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf het mesolithicum.

6

Aeres Milieu, ‘Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Genrayweg (ong.) te Venlo (gemeente Venlo)’, projectnr.: AM23209, d.d. 13 juli 2023.

Hoofdstuk 5

36

Ook in de opvolgende periodes van het neolithicum tot de vroege middeleeuwen werden de hogere terrasvlaktes geprefereerd voor nederzettingen. Daarnaast zal de restgeul ten westen van het plangebied tot in ieder geval de late middeleeuwen watervoerend zijn geweest. Er geldt daarom ook een middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de neolithicum tot de vroege middeleeuwen. Het noordelijk deel van plangebied is op historische kaarten in gebruik geweest als bouwland en het zuidelijke deel als boomgaard(/tuin). Direct ten noordoosten van het plangebied ligt de historische hoeve Genraay uit de 18e eeuw. De boomgaard binnen het plangebied maakte mogelijk deel uit van deze hoeve. Het plangebied bleef onbebouwd tot 1970, toen werd er in het noordoosten van het plangebied een schuur gebouwd. Binnen de rest van het plangebied kwamen kassen te staan. Vanaf 1988 werd het plangebied als weiland gebruikt, de schuur staat er nog steeds. Binnen het plangebied worden leek- of woudeerdgronden in zware zavel verwacht. Wegens de verwachte aanwezigheid van een afdekkende eerdlaag, zijn archeologische resten mogelijk beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen.

Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Bij deze eerdgronden kunnen de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed zijn vanwege de relatief lage grondwaterstand (GWT V), hetgeen zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten. Organische resten kunnen vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat de bodem in het plangebied bestaat uit oever- en/of beddingafzettingen afgedekt door komafzettingen. Vervolgens zijn op de komafzettingen een (dik) antropogeen ophoogpakket opgebracht. Op basis van de boringen blijkt dat het plangebied in een natte omgeving ligt en daarmee niet aantrekkelijk was voor bewoning. Op basis van de landschappelijke ligging (natte omstandigheden) worden er geen archeologische sporen meer verwacht in het plangebied. Om deze reden wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten laag geacht en zullen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging vormen voor het archeologisch bodemarchief. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

Het advies in het rapport over het verkennende archeologische vooronderzoek (Aeres Milieu rapport 23209, concept 1, 13-7-2023) om het plangebied vrij te geven wordt door de gemeente overgenomen als selectiebesluit. Dit aangezien het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied oorspronkelijk te laaggelegen en nat was om aantrekkelijk te zijn voor menselijke bewoning of ander gebruik in het verleden. Het aspect archeologie speelt daarom geen rol meer bij dit plan.

Hoofdstuk 5

37

Cultuurhistorie Het gebied ’t Ven Oost, waar het plangebied deel van uitmaakt, betreft een cultuurhistorisch waardevol landschap. ’t Ven Oost is aan de oostzijde begrensd door een 20 meter hoge beboste steilrand en drassige kwelzones. De natste gebieden liggen aan de voet van de steilrand en in een laagte van een voormalige Maasgeul. In die laagten ontstonden moerasbossen, die grotendeel zijn ontgonnen tot graslanden. Tussen de drassige zones liggen zandruggen, waarop wegen met open lintbebouwing en akkers zijn gesitueerd. De verkaveling kent globaal twee patronen. Dwars op de voet van de steilrand ligt een strokenverkaveling die haaks aansluit op een landweg. De kavels worden gescheiden door kwelsloten. Op hogere gronden ligt een overwegend onregelmatige blokverkaveling van akkers en weilanden. De wegen op de hogere delen hebben een bochtig verloop en vormen een onregelmatig netwerk. In de laagten van de oude Maasgeul en de kwelzones, zijn de wegen recht en dwars op de lengterichting van de zones aangelegd. Bij enkele landgoederen zijn als onderdeel van de architectuur enkele rechte wegen aangelegd. De huidige ontwatering van ’t Ven oost is geheel door mensenhand gemaakt. Ondanks dat de meeste sloten rechtlijnig zijn, volgen ze de laagten en de glooiingen. Een uitzondering vormt de Rijnbeek die op eigenzinnige wijze in een rechte lijn het gebied doorsnijdt.

Het is een deel van het onvoltooid kanaalplan ‘Fossa Eugenia’ uit de Spaanse tijd. Het plangebied is gelegen aan de Genrayweg, op het hogere deel van het gebied ’t Ven Oost en ligt aan het bebouwingslint dat zich in noord-zuidrichting uitstrekt langs de Koelderstraat en de Oude Rijnstraat. De realisatie van de Ruimte voor Ruimte kavel heeft geen significante wijziging in de bestaande verkaveling tot gevolg. De woonkavel is hierdoor goed inpasbaar in het cultuurhistorisch waardevolle landschap en heeft geen onevenredige afbreuk van de aanwezige waarden tot gevolg. Volgens de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Venlo met ligging planmaakte het plangebied deel uit van gebied (zwart omlijnd) een oude buitenplaats of landgoed (aangeduid als ‘oud buiten’). De Arenborghoeve, die is gelegen aan de Genrayweg 49, op circa 20 meter ten zuidwesten van het plangebied, is aangewezen als rijksmonument. Gezien deze afstand tot het monument en de aard van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geen negatieve invloed op dit monument uitgeoefend. Daarnaast zijn de Oude Rijnstraat en Genrayweg ter hoogte van het plangebied aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’ op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

Hoofdstuk 5

38

Middels de voorliggende ontwikkeling wordt echter geen invloed uitgeoefend op het verloop en profiel van deze weg. Voor het overige zijn er binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of overige gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid waarop het voorliggende plan een negatieve invloed kan uitoefenen. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op omliggende cultuurhistorische waarden. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014).

De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Hoofdstuk 5

39

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna7 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’, bevindt zich op circa 1,3 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling, is mogelijk sprake van een toename aan stikstofuitstoot. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Vanaf juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de sloop-, bouw- en aanlegfase van een ruimtelijk initiatief. Uit het wetsvoorstel volgt dat een stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase niet meer noodzakelijk is. Een stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is echter wel noodzakelijk. Daarom is een AERIUS-berekening8 uitgevoerd voor enkel de gebruiksfase. Uit de berekening van blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn van 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen.

Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 215 meter ten oosten van het plangebied. Ge-

7 8

BRO, Quickscan flora en fauna Oude Rijnstraat 36 te Venlo, projectnummer P03851, 14 december 2020 BRO, AERIUS-berekening Oude Rijnstraat, Venlo, projectnummer P03851, 4 februari 2022

Hoofdstuk 5

40

zien de aard van de voorgenomen ontwikkeling zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Het plangebied bevat geen vaste nest- of verblijfsplaatsen of essentieel leefgebied van een beschermde soort. Nader onderzoek naar beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij parallel met de Genrayweg te worden vermeden, zowel tijdens werkzaamheden als in de toekomstige situatie;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde natuurgebieden zijn op basis van de onderzoeksresultaten uitgesloten. Wat betreft soortenbescherming zijn er met in acht neming van de bovenstaande maatregelen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Leidingen en infrastructuur Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

5.5 Verkeerskundige aspecten De woningbouwkavel zal worden ontsloten door op de Genrayweg. De woning krijgt een eigen inrit op deze weg, ter plaatse van de huidige inrit naar de schuur. De toevoeging van één woning zal een zeer

Hoofdstuk 5

41

geringe toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben, die is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). In de berekening voor de verkeersgeneratie is voor wat betreft het woningtype uitgegaan van ‘koop, huis, vrijstaand’. Wat betreft het omgevingstype is uitgegaan van de rest van de bebouwde kom in een sterk stedelijke gemeente. De verkeersgeneratie voor de woningbouwkavel ligt op basis van deze uitgangspunten tussen de 7,8 en 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Genrayweg, Oude Rijnstraat en omliggende wegen kunnen deze zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie zonder problemen verwerken. Wat betreft parkeren hanteert de gemeente Venlo de parkeernormen volgens de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). Net als bij de bovenstaande berekening van de verkeersgeneratie is voor de woningbouwkavel uitgaan van de categorie woningtype ‘koop, huis, vrijstaand’ en een ligging in de rest van de bebouwde kom in een sterk stedelijke gemeente. Op basis van deze uitgangspunten bedraagt de gemiddelde parkeerbehoefte van de woning op het maatgevende moment (zijnde een werkdagnacht) 2,1 parkeerplaatsen. Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein.

Gezien de omvang van kavel is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein.

5.6 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren:  De energiebehoefte van het gebouw.  Het primair fossiele energiegebruik.  Het aandeel hernieuwbare energie. De woning binnen het plangebied zal aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen.

Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.

Hoofdstuk 5

42

Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.

5.7 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater.

Grondwater Op basis van POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden:  een boorput te maken of te hebben;  de grond te roeren;  een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben;  werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten;  een aardwarmtesysteem te maken of te hebben;  het is verboden in de Venloschol ten behoeve van een bodemenergiesysteem grondwater in een ander watervoerend pakket te infiltreren dan waaruit het wordt onttrokken.

Hoofdstuk 5

43

De voorliggende ontwikkeling voorziet in geen van de bovengenoemde werkzaamheden. Vanuit de ligging van het plangebied binnen de boringsvrije zone zijn er daarom geen belemmeringen. Daarnaast ligt het plangebied binnen het grondwaterlichaam Zand Maas en een strategische grondwatervoorraad. De ligging binnen deze zones vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Oppervlaktewater Direct grenzend aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt de Genraaybeek. Dit betreft een primaire watergang die in het beheer is bij het Waterschap Limburg. Ter hoogte van het plangebied is de watergang deels overkluisd en deels open. De waterloop blijft zijn huidige vorm en functie behouden in het kader van de voorliggende ontwikkeling. De ontwikkeling heeft dan ook geen nadelig effect op de Genraaybeek. Voor het overige bevindt zich in de directe omgeving geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing en van verhardingen wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld.

Via daken en dakgoten wordt het hemelwater van de woningen naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Op de woonpercelen is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening met voldoende capaciteit. Overstort van de regenwaterafvoer voorziening wordt aangesloten op de watergang van het waterschap. Hierover zal overleg plaatsvinden met het waterschap. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur. Conform het gemeentelijk beleid, zoals is vastgelegd in de Afkoppel beslisboom, is bergingseis 3 van toepassing. Binnen het plangebied is in de huidige situatie een beperkte hoeveelheid aan bebouwing en verharding aanwezig in de vorm van een schuur en enkele omliggende verhardingen. In de toekomstige situatie wordt deze schuur gesloopt. Ter plaatse wordt één woningbouwkavel ontwikkeld met een oppervlakte 1.000 m2. De oppervlakte aan bebouwing en verhardingen zal hierdoor toenemen. Omdat sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient de gehele nieuwe bebouwing en verhardingen te worden afgekoppeld. Op basis van de Afkoppel beslisboom van de gemeente is bergingseis 3 van toepassing. Dit houdt in dat minimaal 50 mm op eigen terrein geborgen/geïnfiltreerd moet kunnen worden.

Daarnaast mag een bui van 84 mm in 48 uur geen water(schade) in gebouwen tot gevolg hebben. Gezien de oppervlakte van de woningbouwkavels is er voldoende ruimte aanwezig om op eigen terrein een dergelijke voorziening met voldoende capaciteit te kunnen realiseren. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd, is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de

Hoofdstuk 5

44

maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Het voorliggende plangebied heeft een oppervlakte van slechts 1.000 m 2, dat niet geheel zal worden verhard. De toename van de hoeveelheid oppervlakteverharding is dan ook kleiner dan 2.000 m 2. Vanwege de ligging direct aangrenzend aan de Genraaybeek dient het plan te worden voorgelegd aan het waterschap in het kader van het vooroverleg. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 M.e.r.-beoordeling Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woning mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van de woning De beoogde ontwikkeling komt in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van slechts één woning middels de Ruimte voor Ruimte regeling. Blijkens jurisprudentie9 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename van één wooneenheid. Gezien de geringe omvang van dit project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. 9

O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).

Hoofdstuk 5

45

Daarnaast is er geen sprake van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.3 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

Conclusie De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

Hoofdstuk 5

46

6.

PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.

6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012.

Hoofdstuk 6

47

Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor het gehele plangebied.

Op het woonperceel is een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van 500 m 2, waarbinnen het hoofdgebouw gerealiseerd dient te worden. Wat betreft de bouwregels voor de woningen is overwegend aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ en de provinciale standaarden voor wat betreft de maatvoering van de Ruimte voor Ruimte woning. Concreet betekent dit dat de oppervlakte (footprint) van het hoofdgebouw maximaal 150 m2 mag bedragen en de inhoud maximaal 900 m3. Daarnaast zijn de goot- en bouwhoogte gemaximeerd op respectievelijk 6 en 9 meter. Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de

Hoofdstuk 6

48

beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. De algemene bouwregels bevatten een regeling omtrent bestaande afstanden en maten. In de algemene aanduidingsregels is de regeling omtrent de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbescherming venloschol’ en ‘overige zone – robuuste landbouw en natuur’ opgenomen. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

49

7.

UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.12, eerste lid, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De voorgenomen ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte kavel. Voor de nieuwe woning is enkel een huisaansluiting riool en inritvergunning nodig. Dit betreft een kruimelgeval als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder c. Voor deze ontwikkeling geldt daarom geen verplichting tot een anterieure overeenkomst. Tussen de gemeente en de initiatiefnemers is een planschade overeenkomst gesloten.

7.2 Overleg Het concept ontwerp bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg toegestuurd aan belanghebbende instanties.

7.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze op het plan in te dienen. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn geen zienswijzen ontvangen.

Hoofdstuk 7

50

8.

PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden op 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De volledige procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan.  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 8

51

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 8

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/280/documents/7598