020bijl 1. Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling Kavel Sportlaan 11.pdf
Tekst van het document
Uitsnede Risicokaart met globale ligging plangebied (blauw omcirkeld)
Risicovolle bedrijvigheid Uit de provinciale risicokaart blijkt dat er in de omgeving op een afstand van circa 170 meter van het plangebied een bovengrondse propaantank staat. De plaatsgebonden risicocontour 10 -6 betreft 20 meter. Aangezien de bovengrondse propaantank op circa 170 meter van het plangebied is gelegen, vormt de inrichting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
28
Buisleidingen Volgens de risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de omgeving twee hogedrukgasleidingen. De 1% letaliteitsgrens (het invloedsgebied) van deze leidingen is gelegen op 170 meter. Aangezien het plangebied is gelegen op circa 420 meter van de leidingen, ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. De leidingen leveren dan ook geen beperkingen op voor de realisatie van het plan. Vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor en water Het plangebied ligt op ruim 780 meter ten oosten van de spoorlijn Venlo – Roermond. Daarnaast ligt het plangebied op circa 1.070 meter van de Maas. Het plan ligt daarmee buiten het invloedsgebied van beide transportwegen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 257 meter ligt de autosnelweg A73. Voor deze transportroute geldt dat de PR 10-6 contour niet buiten het object is gelegen. Het plasbrandaandachtsgebied (pag) bedraagt 30 meter vanaf de buitenste rand van de buitenste rijstrook van de weg. Er is dus geen overlap met het plangebied. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de weg. Daarom is op basis van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Aangezien als gevolg van dit bestemmingsplan geen significante invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico, levert de ligging ten opzichte van de autosnelweg geen directe belemmeringen op. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven is voor de snelweg A73 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorberei-
Voor wat betreft de weg bestaan er met name risico’s in verband met
ding van bestrijding en beperking
ongelukken:
van de omvang van een ramp of
- met brandbare vloeistoffen;
zwaar ongeval.
- met brandbaar gas (BLEVE4); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).
4
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).
Hoofdstuk 4
29
Aspect
Verantwoording De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten via de Sportlaan.
De mogelijkheden voor personen
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van
om zich in veiligheid te brengen
belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde
indien zich op de weg een ramp
calamiteiten:
voordoet (zelfredzaamheid).
- met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar.
Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar
Hoofdstuk 4
30
Aspect
Verantwoording binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Tevens is advies5 gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A73. Het perceel ligt op een grotere afstand dan 200 meter van de A73, waardoor er geen verantwoordingplicht is. Er word wel in gegaan op de hulpverlening en zelfredzaamheid. Hulpverlening Aan de Sportlaan 11 is er met een ondergrondse brandkraan binnen 40 meter voldoende bluswater aanwezig. Het perceel is voor de hulpverleningsdiensten vanuit de Broekstraat en Kromme Hook via 2 zijden bereikbaar. De opkomsttijd van de brandweer is vanuit de brandweerpost Belfeld binnen de vereiste normtijd. In de dagsituatie van 8 – 17.00 uur zal deze opkomsttijd met de inzet van het SIV (Snel Interventie Voertuig) nog verder worden teruggebracht. Zelfredzaamheid De bewoners van de woning worden in het algemeen als zelfredzaam beschouwd. Het perceel is vanuit 2 zijden bereikbaar en kan vanaf het perceel kan voldoende van het incident af gevlucht worden. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting of transportroute. Wel is het gelegen binnen het invloedsgebied van de A73. Echter is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen met zich meebrengt en tevens is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Vanuit externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.
5
Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies Externe Veiligheid Sportlaan 11 te Belfeld, kenmerk.: UIT018130, d.d. 19 december 2016
Hoofdstuk 4
31
4.1.6 Geur In de Wet geurhinder en veehouderij zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde ‘omgekeerde werking’). In het kader van de beoogde ontwikkeling is door M-Tech een notitie geschreven voor het aspect geur.6 De volledige notitie is als bijlage bij onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. Hieronder wordt mede aan de hand van voormelde notitie nader ingegaan op de wettelijke uitgangspunten in relatie tot deze ontwikkeling De nabijgelegen manage valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het houden van paarden is geen geuremissiefactor vastgesteld. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de afstandseisen volgens artikel 3.117 lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel stelt het volgende: Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging: a.
Minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of b. Minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Genoemde afstanden worden gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het geurgevoelige object. Het emissiepunt van het dierenverblijf is bij een overdekte stal het punt waar de geur naar buiten gaat (met natuurlijke of mechanische ventilatie). Een buitenbaan of paddock maar ook de weide, zijn in beginsel niet aan te merken als een dierenverblijf. Het begrip ‘’bebouwde kom’’ is zowel in het Activiteitenbesluit milieubeheer als in de Wet geurhinder en veehouderij niet nader omschreven. In de nota van toelichting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij wordt vermeld dat de grens van de bebouwde kom niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. De bebouwde kom heeft overwegend een woon- en verblijffunctie waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Gebieden met verspreid liggende bebouwing worden dan als buiten de bebouwde kom aangemerkt.
M-Tech, ‘Realisering woning Sportlaan te Belfeld – beschouwing aspect geur’, kenmerk: Spo.Bel.18.GO BP-01, d.d. 21 augustus 2018. 6
Hoofdstuk 4
32
De beoogde bouwkavel binnen ligt binnen de stedelijke contour van de gemeente Venlo en bebouwde kom van Belfeld. In beginsel geldt derhalve een afstand van 100 meter. De afstand tussen de beoogde woning en het dichtstbij gelegen emissiepunt (paardenbox achter het horecagedeelte) bedraagt ca. 51 meter. De beschrijving van de omgeving laat het volgende zien. De omgeving met een overwegend woon- en verblijfsfunctie waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen en verblijven bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van de manege. De omgeving binnen 100 meter van de manege hebben qua woon- en verblijfsfuncties deze kenmerken niet. Binnen deze afstand (ook op minder dan 50 meter) bevinden zich enkele verspreid liggende verblijfsfuncties en een woning. Deze vormen een niet zodanige dichte structuur dat sprake is van een aaneengesloten bebouwing waar veel mensen per oppervlakte-eenheid wonen of verblijven. Het toevoegen van deze woonkavel maakt dat niet anders. Verder leent de omgeving van de manege zich niet voor intensieve verdichting van woon- en verblijfsgebieden. De nabije omgeving van de manege heeft de kenmerken van een gebied buiten de bebouwde kom en juist daarom is het voor het aspect geur verdedigbaar uit te gaan van een afstand van 50 meter.
Nu de afstand tussen woning en emissiepunt minimaal 50 meter bedraagt is sprake van een acceptabel woon-en leefklimaat in de woning en wordt de manege voor het aspect geur door het oprichten van deze woning niet beperkt. 4.1.7 M.e.r. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt één woningbouwmogelijkheid toegevoegd op een reeds bestemd woonperceel. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De realisatie van woningen (stedelijk ontwikkelingsproject) valt onder bijlage D, 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. In deze bijlage is opgenomen dat het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2.
een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Hoofdstuk 4
33
In dit geval blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarden, waardoor een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van één woning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
4.2 Natuur en landschap De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen onderdeel van een Natura 2000-gebied binnen Nederland is gelegen op circa 10 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied Swalmdal. Net over de grens in Duitsland bevinden zich op circa 2 kilometer afstand het Vogelrichtlijngebied “Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald Meinweg” en het habitstrichtlijngebied “Waelder und Heiden bei Brueggen-Bracht”. Planologische gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een provinciale natuurzone, onderdeel van de POL 2014 (Natuurnetwerk Limburg). De dichtstbijzijnde natuurzone is gelegen op circa 870 meter ten westen van het plangebied. Het betreft een uitloper van een kleinschalig bosgebied ter hoogte van de spoorzone ten zuiden van Belfeld.
Conclusie Gezien de afstand tot een Natura 2000-gebied, maar vooral de aard van de ingreep, (bouw van een woning), zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg, gelegen op circa 870 meter, is eveneens niet aan de orde.
Hoofdstuk 4
34
4.3 Flora en fauna De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit “bijlage A en B” van de Wet natuurbescherming.
Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de “Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten” van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (“categorie 1-4 soorten”) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (“categorie 5-soorten”). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Voor deze beoordeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.
7 De rapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds 7
BRO, Quickscan flora en fauna Sportlaan 11 te Belfeld, projectnr. 211X09113, d.d. 18 januari 2021
Hoofdstuk 4
35
verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij ten noordoosten van het plangebied te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit beschermde soorten voor de realisatie van onderhavig initiatief. Het initiatief is in overeenstemming met de natuurwetgeving.
4.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Op 10 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast.
Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doe-
Hoofdstuk 4
36
len is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Ook in het waterbeheersplan van Waterschap Limburg speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Grondwater Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt het plangebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebieden of waterwingebieden.
Oppervlaktewater Aan de noordzijde van het plangebied is een greppel aanwezig waarin oppervlaktewater kan ontstaan. Voor het overige is er in of nabij het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst zal hier ook niet in voorzien worden. Afval- en hemelwater De wijze waarop binnen het plangebied wordt omgegaan met het afval- en het hemelwater wordt nader uitgewerkt in de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Voor wat betreft het hemelwater zal worden voorzien in infiltratievoorzieningen, overeenkomstig de uitgangspunten van de Afkoppel beslisboom. Middels het voorliggend bestemmingsplan wordt slechts een kader gecreëerd voor het gewenste bouwplan. De exacte uitwerking van de infiltratievoorziening zal plaatsvinden in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De afvoer van afvalwater zal aan de achterzijde van het perceel (sportpark) plaatsvinden aangezien aan de Sportlaan geen gemeentelijke riolering aanwezig is. Overleg waterbeheerder Aangezien de toename van de hoeveelheid oppervlakteverharding niet meer zal bedragen dan 2000 m² en er geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet aan Waterschap Limburg te worden voorgelegd voor het verkrijgen van een wateradvies.
Hoofdstuk 4
37
Conclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling bestaan naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.
4.5 Verkeerskundige aspecten Verkeer De woning zal worden ontsloten middels een oprit vanaf de Sportlaan. Gezien het profiel van de weg, zal deze de zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. Parkeren Conform de CROW dienen er voor een vrijstaande woning in de schil centrum (weinig stedelijk) 2,1 parkeerplaatsen gereserveerd te worden. Het is niet gewenst dat langs de weg geparkeerd wordt (in de berm) Daarnaast is een parkeerverbod van toepassing, waar bezoekers rekening mee moeten houden. Gezien de omvang van het perceel is er voldoende ruimte om aan de geldende parkeernorm te kunnen voldoen. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zal dit nader worden uitgewerkt en zal tevens een uitritvergunning worden aangevraagd. Conclusie Gezien het bovenstaande is de realisatie van de woning niet bezwaarlijk in het kader van de verkeerskundige aspecten.
4.6 Leidingen en infrastructuur Er zijn op of in de directe omgeving van het plangebied op basis van de kaarten van de Gasunie en de risicokaart van de provincie Limburg, geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven, dat zij voorzien dienen te zijn van een bestemmingsplanplichtige beschermingszone. Hiermee hoeft dan ook geen rekening gehouden te worden.
4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.7.1 Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken.
Hoofdstuk 4
38
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Gedeeltelijk geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’.
Uitsnede archeologische beleidskaart 2015
Het plangebied ligt op basis van de vastgestelde gemeentelijke Archeologische Beleidskaart 2015 (ABK) in een gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De beleidslijn voor dergelijke gebieden is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Er geldt een onderzoeksplicht bij plangebieden vanaf 500 m 2 en bij verstoringen vanaf 40 centimeter -mv. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’ wordt overgenomen in de regels van het voorliggend bestemmingsplan. De woning heeft ingevolge de regels een maximale breedte van 10 meter en een maximale diepte van 15 meter. De totale oppervlakte van de woning bedraagt 150 m2. Zelfs met het realiseren van een al dan niet vergunningplichtig bijgebouw wordt de drempelwaarde van 500 m2 niet overschreden. Nader onderzoek voor wat betreft archeologie is dan ook niet vereist.
Hoofdstuk 4
39
De meldingsplicht conform paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet (1 juli 2016) blijft echter wel van kracht. Mochten bij graafwerkzaamheden op de onderzoekslocatie alsnog archeologische resten en/of sporen worden aangetroffen, dient dit direct te worden gemeld aan de bevoegde overheid. 4.7.2 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Venlo
Binnen of direct buiten het besluitgebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Sportlaan’ wel aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze wegen niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze weg. Daarnaast blijkt uit de cultuurhistorische inventarisatiekaart (2015) dat er geen cultuurhistorische landschapselementen zijn gelegen in of nabij het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen het landschapstype ‘droge kampontginning: velden, Rkda’. Belangrijke kenmerken van dit landschapstype zijn
Hoofdstuk 4
40
de openheid, het gebruik van het land als akker, en het meestentijds ontbreken van historisch groen en de situering van bebouwing langs de randen. In de huidige situatie is het plangebied reeds in gebruik als tuin en omzoomd met een haag. De toekomstige ontwikkeling zal zodoende geen verder afbreuk doen aan dit landschapstype. Conclusie Vanuit de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
4.8 Economische uitvoerbaarheid In de Grex-wet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Het voorliggende initiatief heeft betrekking op één nieuwbouwwoning. In het voorliggende geval betreffen de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van het bouwperceel op de bestaande openbare weg en nutsvoorzieningen. Het perceel is reeds gelegen aan de openbare weg, er hoeft uitsluitend een inrit en rioolaansluiting gerealiseerd te worden. Hierdoor geldt volgens artikel 6.2.1a aanhef en onder c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geen verplichting tot kostenverhaal. Wel zal er een planschadeverhaalsovereenkomst worden afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Venlo.
Hiermee wordt vastgelegd dat eventuele tegemoetkomingen in planschade aan derden, toegebracht door een planologische wijziging, door de gemeente verhaald kunnen worden op initiatiefnemer van het plan.
Hoofdstuk 4
41
5.
PLANSTUKKEN
5.1 Planstukken Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en deze toelichting.
5.2 Toelichting op de analoge verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven, zoals de maximum goot- en bouwhoogte.
5.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de regels werd uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012 (SVBP2012), het handboek van de gemeente Venlo en het vigerende bestemmingsplan. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de bestemming aan te geven. 5.3.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Hoofdstuk 5
42
Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Op de verbeelding zijn bouwgrenzen opgenomen die een bouwvlak voor gebouwen vormen. Tevens is een aanduiding voor de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. In het onderstaande zijn de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht.
Artikel 3 Wonen De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen in de vorm van een grondgebonden woning, en waaronder begrepen kamerbewoning tot max. 4 personen per woning. De gronden zijn naast wonen ook bestemd voor aan huis gebonden beroepen, aan huis gebonden bedrijven, kleinschalige bedrijfsactiviteiten, tuinen, erven en onbebouwde erven, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Hoofdgebouwen zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw toegestaan’.
Hoofdstuk 5
43
Artikel 4 Waarde – Archeologie middelhoog De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 5.3.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In artikel 5 zijn de Algemene bouwregels opgenomen. In artikel 6 zijn de Algemene aanduidingsregels weergegeven. In artikel 7 en 8 zijn respectievelijk de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels opgenomen. Deze verschaffen het college van burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. Tot slot zijn in artikel 9 de Algemene procedureregels opgenomen. 5.3.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.
Tot slot is in de Slotregel aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
44
6.
INSPRAAK, OVERLEG EN ZIENSWIJZEN
6.1 Inspraak Voordat het plan op grond van artikel 3.8 Wro in procedure wordt gebracht, kan een inspraakprocedure worden doorlopen en moet het plan ter advies aan verschillende instanties aangeboden worden. Gezien de geringe impact van de ruimtelijke activiteit, wordt er geen inspraak verleend en zal het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage worden gelegd. Gedurende de terinzagelegging hebben burgers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.
6.2 Vooroverleg Overleg met de rijksoverheid is niet noodzakelijk, omdat het project geen nationaal belang betreft. Vanwege de ligging binnen stedelijk gebied is ook vooroverleg met de provincie Limburg niet noodzakelijk. Tot slot kan van vooroverleg van Waterschap Limburg worden afgezien omdat geen sprake is van een toename van de hoeveelheid oppervlakteverharding.
6.3 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn geen zienswijzen ontvangen.
Hoofdstuk 6
45
7.
PROCEDURE
De procedure voor een bestemmingsplan staat beschreven in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die in werking is getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met de kennisgeving ex artikel 1.3.1 van het Bro. De volledige bestemmingsplanprocedure vanaf ontwerp-bestemmingsplan ziet er vervolgens als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg.
Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, zoals bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen als bedoeld in artikel 3.8, lid 1 sub b Wro, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
46
BIJLAGEN
Hoofdstuk 7
47
Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ingevolge de Wet geluidhinder in het kader van een planologische procedure voor het bouwplan aan de Sportlaan te Belfeld 4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingevolge de Wet geluidhinder in het kader van een planologische procedure voor het bouwplan aan de Sportlaan te Belfeld
opdrachtgever
rapportnummer Spo.Bel.21.AO BP-02 projectleider H. Neelen
:
BRO t.a.v. H. Lellieveld Industriestraat 94 5931 PK Tegelen
datum
4 oktober 2021 auteur P. Rovers
status definitief
M-tech Nederland BV Produktieweg 1 g 6045 JC ROERMOND telefoon: +31 (0) 475 420 191 E-mail : info@m-tech-nederland.nl
Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
Inhoudsopgave 1
Inleiding
1
2
Uitgangspunten
2
3
Wettelijk kader
3
3.1 3.2 3.3
3 3 4
4
algemeen wegverkeerslawaai onderhavige situatie
Rekenmodel
5
4.1 4.2 4.3 4.4
5 5 5 5
plangebied reken- en meetvoorschrift gegevens wegverkeer immissiepunten
5
Resultaten
6
6
Samenvatting en conclusie
7
Bijlage 1, grafische weergave rekenmodel
8
Bijlage 2, overzicht gegevens wegverkeer
9
Bijlage 3, invoergegevens rekenmodel
10
Bijlage 4, rekenresultaten wegverkeer
11
Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
1
Inleiding
In opdracht van BRO is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar het nieuwbouwplan de Sportlaan ong. te Belfeld. Men is voornemens op het voormalige (tuin) perceel van Sportlaan 11 een nieuwbouwwoning te realiseren. In het kader van een omgevingsvergunning is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. In dit rapport is de gevelbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens de Standaard Rekenmethode 2 zoals opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Middels voorliggende rapportage wordt verslag gedaan van de uitgangspunten en bevindingen van het uitgevoerde akoestisch onderzoek.
1 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
2
Uitgangspunten
De projectlocatie is gesitueerd aan de Sportlaan (ong.) te Belfeld op het gedeeltelijke tuin ingedeelde perceel naast Sportlaan 11. Men is voornemens op het perceel een nieuwbouwwoning te realiseren. Hiervoor is een ruimtelijke procedure noodzakelijk. Met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai bevindt de projectlocatie zich binnen het regime van A73, de Beekweg en de Sportlaan is een 30km-weg. Het perceel is binnen de bebouwde komgrens gelegen. Onderstaande figuur 1 geeft de geografische ligging van de projectlocatie met betreffende percelen (rood kader).
Figuur 1: projectlocatie
2 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
3
Wettelijk kader
3.1
algemeen
Hoofdstuk 6 van de Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijk kader voor de toegestane geluidbelasting vanwege een weg bij geluidgevoelige bestemmingen, waaronder woningen. Indien een geluidgevoelige bestemming binnen de geluidzone van een weg of spoorlijn wordt geprojecteerd, moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidbelasting. De Wet geluidhinder is slechts van toepassing voor zover het gaat om geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een weg of spoorlijn. Binnen deze zone wordt de geluidbelasting berekend. 3.1.1 geluidgevoelige bestemmingen Geluidgevoelige bestemmingen in de zin van de Wet geluidhinder zijn: woningen; scholen; ziekenhuizen, verpleeghuizen; overige gezondheidszorggebouwen; terreinen bij gezondheidszorggebouwen; woonwagenterreinen. 3.1.2 geluidbelasting De geluidbelasting (Lden-waarde) wordt bepaald middels onderstaande formule. 𝐿𝑑𝑒𝑛 = 10 ∗ log
𝐿𝑑𝑎𝑦 𝐿𝑒𝑣𝑒𝑛𝑖𝑛𝑔 +5 𝐿𝑛𝑖𝑔ℎ𝑡 +10 1 10 + 8 ∗ 10 10 ) (12 ∗ 10 10 + 4 ∗ 10 24
waarbij geldt: Ld: het equivalente geluidniveau over de dagperiode (07.00 - 19.00 uur); Le: het equivalente geluidniveau over de avondperiode (19.00 - 23.00 uur); Ln: het equivalente geluidniveau over de nachtperiode (23.00 - 07.00 uur). 3.1.3 dove gevels Een zogeheten dove gevel is geen gevel in de zin van de Wet geluidhinder, maar voldoet aan de voorwaarden uit artikel 1b vijfde lid van de Wet geluidhinder: een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A); een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. Aangezien een dove gevel geen gevel is in de zin van de Wgh, worden de geluidniveaus ter plaatse van deze gevels niet berekend en getoetst. Afhankelijk van het gemeentelijk beleid zijn in een dove gevel wel of geen suskasten toegestaan. 3.2
wegverkeerslawaai
3.2.1 grenswaarden wegverkeerslawaai De hoogst toelaatbare geluidbelasting (voorkeursgrenswaarde) voor de geluidbelasting afkomstig van wegverkeer voor nieuwe woningen bedraagt 48 dB. In bepaalde gevallen kan door het bevoegd gezag een hogere waarde worden toegekend middels een zogeheten hogere waarden procedure. De maximaal toegestane hogere waarde bedraagt 63 dB voor binnenstedelijke situaties/wegen. 3.2.2 aftrek op de berekende resultaten Volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder wordt de berekende geluidbelasting als gevolg van wegverkeer verminderd met een zekere waarde. In het Reken- en meetvoorschrift geluid 3 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
2012 (RMG)1 zijn in de artikelen 3.4 en 3.5 voorschriften opgenomen voor de aftrek van de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/uur of meer bedraagt de aftrek:
3 dB wanneer de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 56 dB is; 4 dB wanneer de geluidsbelasting vanwege de weg zonder toepassing van artikel 110g van de Wet geluidhinder 57 dB is; 2 dB wanneer de geluidsbelasting afwijkt van bovengenoemde waarden.
Voor wegen met een representatief te achten snelheid van minder dan 70 km/uur bedraagt de aftrek 5 dB. 3.2.3 omvang geluidzones wegen In artikel 74 van de Wet geluidhinder zijn de geluidzones gedefinieerd. De geluidzones zijn te beschouwen als aandachtsgebieden of onderzoeksgebieden. tabel 3: zonebreedtes aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
breedte van de geluidzone buitenstedelijk gebied binnenstedelijk gebied 250 m 200 m 400 m 350 m 600 m 350 m
In artikel 1 Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: stedelijk: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; buitenstedelijk: het gebied buiten de bebouwde kom met inbegrip van het gebied binnen de bebouwde kom gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. Wegen die geen zone hebben en waarop de Wet geluidhinder dus niet van toepassing is, zijn: wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt; wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied. 3.3
onderhavige situatie
De beoogde nieuwbouwwoning is in binnenstedelijk gebied gelegen, binnen de geluidzone van de A73 en de Beekweg. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB met een maximale ontheffing tot 53 dB (vanwege Rijksweg A73). De correctie conform artikel 110g Wgh bedraagt 2 dB bij een rijsnelheid van >70 km/uur. De wegvakken binnen de 30km/u-zone vallen buiten toetsing. De Sportlaan in de nabijheid van het plangebied is een 30 km/uur en valt derhalve buiten de toetsing van de Wet Geluidhinder. Echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening en mogelijke geluidbelasting rondom het nieuwbouwplan is deze weg toch meegenomen in de bepaling van de gecumuleerde geluidbelasting van alle relevante wegen.
1
Regeling van de Staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 12 juni 2012, nr. IENM/BSK-2012/37333, houdende vaststelling van regels voor het berekenen en meten van de geluidbelasting en de geluidproductie ingevolge de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer
4 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
4
Rekenmodel
4.1
plangebied
De projectlocatie ligt binnen de geluidzone van de A73 en de Beekweg, binnen de bebouwde kom. Alle overige wegen zijn vanwege afstand, tussenliggende bebouwing en/of lage intensiteiten voor dit plan niet relevant. 4.2
reken- en meetvoorschrift
De berekeningen van de geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer zijn uitgevoerd met het softwareprogramma Geomilieu, V2020 (module RMW-2012). Deze rekenprogrammatuur is gebaseerd op standaardrekenmethode II van het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012, hoofdstuk 3 (voorschriften voor wegen). In de berekening wordt met alle factoren die van belang zijn rekening gehouden, zoals hoogteverschillen, afstandsreducties, reflecties, afschermingen, bodem- en luchtdemping. De relevante wegen worden als akoestisch hard (bodemfactor 0,0) gemodelleerd. Voor de overige bodemgebieden wordt gerekend met bodemfactor 0,8 vanwege de overwegend landelijk gebied. De rekenmodellen zijn ingevoerd ten opzichte van het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel. Grafische weergaven van het rekenmodel aangaande de gebouwen, bodemgebieden en wegen zijn ondergebracht in bijlage 1. De invoergegevens van het rekenmodel zijn terug te vinden in bijlage 3. 4.3
gegevens wegverkeer
De gehanteerde gegevens voor het wegverkeer zijn ontleend aan het gegevens van de Gemeente Venlo. De verkeersgegevens zijn afkomstig van verkeersmodel voor het peiljaar 2030 van de Sportlaan/ Beekweg. Het wegdektype betreft referentiewegdek. Voor de voertuigverdeling per categorie en periode is conform opgave uitgegaan van de aangeleverde gegevens. (zie bijlage 2). De gegevens van de A73 zijn direct geïmporteerd vanuit het Geluidregister weg. Onderstaande tabel 4 geeft de intensiteiten voor 2030. Een overzicht van de intensiteiten is te vinden in bijlage 2. tabel 4: voertuigintensiteiten 2030 etmaalWeg / snelheid intensite it 2030 Sportlaan 30 km/u Beekweg 50 km/u
4.4
500 500
Voertuig verdeling intensiteiten per periode in percentage Dag 6,6 u% Avond 3,3 u% Nacht 2,0 u% 99 99 99 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50
periode Licht Middel Zwaar
immissiepunten
De immissiepunten worden gekozen ter plaatse van de relevante gevels van de beoogde woning. De immissiehoogtes bedragen 1,5, 4,5 en 7,5 meter. Bijlage 1 geeft de situering van de immissiepunten. Bijlage 3 geeft de invoergegevens van het rekenmodel.
5 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
5
Resultaten
In tabel 5 zijn de berekende geluidbelastingen (Lden) op de relevante gevels van de projectlocatie opgenomen. Bijlage 4 geeft een overzicht van de berekende geluidbelastingen.
i.d.
Omsch.
T01_A T02_A T03_A T04_A
Voorgevel Zijgevel Achtergevel Zijgevel
tabel 5: geluidbelasting voor prognosejaar 2030 berekende geluidbelasting Lden [dB] A73* Gecumuleerd** Beekweg* 1e 2e 1e 2e 1e 2e Bg. Bg. Bg. verd. verd. verd. verd. verd. verd. 45 47 49 28 29 30 52 53 53 42 28 47 44 29 48 47 30 50 41 45 43 17 15 16 43 47 46 44 47 47 23 21 22 48 50 50
*inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh ** gecumuleerd incl. 30-km-weg, exclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh
De geluidbelasting vanwege de A73 bedraagt ten hoogste 49 dB inclusief aftrek ter plaatse van de voorgevel op de eventuele 2e verdieping/zolder van de nieuwbouwwoning, indien hier geluidgevoelige verblijfsruimten zijn gesitueerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee met maximaal 1 dB overschreden. De maximale toelaatbare waarde van 53 dB (bij Rijkswegen) wordt gerespecteerd. Alle overige gevels en verdiepingen van de voor-, rechterzij-, en achtergevel van de begane grond zijn niet geluidbelast ten gevolge van de A73. Ten gevolge van de Beekweg is de woning niet geluidbelast. Met betrekking tot de woning geldt dat reductie van de geluidbelasting gerealiseerd zou kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. (bron-, overdracht- of ontvanger aanpak) Afscherming tussen de woning en de betreffende wegen wordt niet realistisch geacht en is ter plaatse van de snelweg reeds aanwezig. Het huidige wegdektype van de snelweg is ZOAB, dit is akoestisch gezien gunstig en het wegdek vervangen zal dan ook niet zorgen voor een reductie van de geluidbelasting. Het verlagen van de snelheid op hoofdwegen wordt niet realistisch geacht en is recentelijk landelijk uitgevoerd en valt buiten alle redelijkheid voor de realisatie van 1 woning.
Daarbij zijn de financieel en praktisch meest haalbare maatregelen reeds toegepast (wegdek en afscherming). Gelet op de kleinschaligheid van het project en de praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren gepaard gaande met dergelijke geluidreducerende maatregelen, zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder. Middels de hogere grenswaarde procedure dient een hogere waarde van 49 te worden verleend door het bevoegd gezag. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, dient conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 artikel 3.1 t/m 3.3 een binnenniveau van maximaal 33 dB vanwege wegverkeer behaald te worden. Daarbij dient de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek conform artikel 110g Wgh beschouwd te worden, zijnde maximaal 53 dB ter plaatse van de 2e verdieping van de voorgevel van woning. Dit betekent een minimaal vereiste gevelgeluidwering van maximaal 53 – 33 = 20 dB. Ten behoeve van de eventueel benodigde geluidweringberekening is de gecumuleerde geluidbelasting eveneens opgenomen in bijlage 4. Echter aangezien conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 en NEN5077 de minimaal benodigde geluidwering van een buitengevel ten minste 20 dB dient te zijn kan middels de (definitief ontwerp) bouwtekeningen aangetoond worden dat hieraan voldaan wordt met de beoogde bouwkundige opzet.
Nader onderzoek naar aanvullende geluidwerende voorzieningen is dan niet nodig. 6 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
6
Samenvatting en conclusie
In opdracht van BRO is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar het nieuwbouwplan de Sportlaan ong. te Belfeld. Men is voornemens op het voormalig tuin perceel gelegen nr. 11 een nieuwbouwwoning te realiseren. Op grond van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek noodzakelijk voor de omgevingsvergunning. Betreffend bouwplan bevindt zich binnen de invloedssfeer van de A73 en Beekweg. De geluidbelasting vanwege de A73 bedraagt ten hoogste 49 dB inclusief aftrek ter plaatse van de voorgevel op de eventuele 2e verdieping/zolder van de nieuwbouwwoning, indien hier geluidgevoelige verblijfsruimten zijn gesitueerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee met maximaal 1 dB overschreden. De maximale toelaatbare waarde van 53 dB wordt gerespecteerd. Alle overige gevels en verdiepingen van de voor-, rechterzij-, en achtergevel van de begane grond zijn niet geluidbelast ten gevolge van de A73. Ten gevolge van de Beekweg is de woning niet geluidbelast. Gelet op de kleinschaligheid van het project en de praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren gepaard gaande met dergelijke geluidreducerende maatregelen, zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder.
Het bevoegd gezag wordt verzocht middels de hogere grenswaarde procedure een hogere waarde te verlenen op basis van de in hoofdstuk 5 gerapporteerde berekeningsresultaten. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, dient conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 artikel 3.1 t/m 3.3 een binnenniveau van maximaal 33 dB vanwege wegverkeer behaald te worden. Daarbij dient de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek conform artikel 110g Wgh beschouwd te worden, zijnde maximaal 53 dB ter plaatse van de 2e verdieping van de voorgevel van woning. Dit betekent een minimaal vereiste gevelgeluidwering van maximaal 53 – 33 = 20 dB. Ten behoeve van de eventueel benodigde geluidweringberekening is de gecumuleerde geluidbelasting eveneens opgenomen in bijlage 4. Echter aangezien conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 en NEN5077 de minimaal benodigde geluidwering van een buitengevel ten minste 20 dB dient te zijn kan middels de (definitief ontwerp) bouwtekeningen aangetoond worden dat hieraan voldaan wordt met de beoogde bouwkundige opzet. Nader onderzoek naar aanvullende geluidwerende voorzieningen is dan niet nodig.
7 Spo.Bel.21.AO BP-02
4 oktober 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
Bijlage 1, grafische weergave rekenmodel
8 Spo.Bel.21.AO BP-01
15 januari 2021
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
Bijlage 2, overzicht gegevens wegverkeer
9 Spo.Bel.21.AO BP-01
15 januari 2021
Verkeersgegevens
BEEKWEG/ SPORTLAAN
Buiten komgrens etmaal int
dag 500
verdeling in percentage
licht middel zwaar
99,00% 0,50% 0,50%
99,00% 0,50% 0,50%
99,00% 0,50% 0,50%
402
66
80
licht middel zwaar
398 2 2
65 0 0
79 0 0
licht middel zwaar
33,17 0,17 0,17
16,34 0,08 0,08
9,90 0,05 0,05
totaal per periode PER CAT.
PER UUR
Binnen komgrens etmaal int
verdeling in percentage
dag
PER UUR
542,52 2,74 2,74 548,00
som
0,00 0,00 0,00 0,00
som
percentage avond nacht
licht middel zwaar
totaal per periode PER CAT.
percentage avond nacht 80,4% 13,2% 16,0%
0
0
0
licht middel zwaar
0 0 0
0 0 0
0 0 0
licht middel zwaar
0,00 0,00 0,00
0,00 0,00 0,00
0,00 0,00 0,00
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan te Belfeld
Bijlage 3, invoergegevens rekenmodel
10 Spo.Bel.21.AO BP-01
15 januari 2021
M-tech Nederland BV Rapport: Model:
bijlage 3 invoergegevens rekenmodel
Lijst van model eigenschappen wegverkeer
Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode
wegverkeer peter.rovers #2|Wegverkeerslawaai|RMW-2012|
Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met
peter.rovers op 15-1-2021 peter.rovers op 15-1-2021 Geomilieu V2020.1
Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Zoekafstand [m] Max. reflectie afstand tot bron [m] Max. reflectie afstand tot ontvanger [m] Standaard bodemfactor Zichthoek [grd] Maximale reflectiediepte Reflectie in woonwijkschermen Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0
07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 23 4 Groepsresultaten Groepsresultaten ---0,80 2 1 Ja Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50
Geomilieu V2020.1 Licentiehouder: M-Tech Nederland BV - locatie Roermond
15-1-2021 14:44:03
M-tech Nederland BV Model: Groep:
bijlage 3 invoergegevens rekenmodel
wegverkeer versie van Gebied - Gebied (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012
Naam W01 W02 868 933 1863
Omschr. Sportlaan Beekweg 73 / 35,868 / 73 / 34,411 / 73 / 35,604 /
36,212 34,433 35,917
ISO_H 0,00 0,00 ----
ISO M. 23,00 23,00 23,00 23,00 23,00
Hdef. Relatief Relatief Absoluut Absoluut Absoluut
Type Verdeling Verdeling Intensiteit Intensiteit Intensiteit
Cpl False False True True True
Cpl_W 1,5 1,5 1,5 1,5 1,5