CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

020bijl 1. Toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling Kavel Sportlaan 11.pdf

Raadsvergadering 20 april 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.3: RV 20 Vaststellen bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Kavel Sportlaan 11.29.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan “Herontwikkeling Kavel Sportlaan 11’’ Gemeente Venlo Vastgesteld

Bestemmingsplan “Herontwikkeling Kavel Sportlaan 11’’ Gemeente Venlo Vastgesteld

IDN:

NL.IMRO.0983.BP202106SPORTLN-VA01

Rapportnummer BRO:

211x09113

Datum concept:

21 januari 2021

Datum ontwerp:

16 november 2021

Datum definitief:

20 april 2022

Contactpersoon opdrachtgever:

Dhr. M.M.F.M. Janssen

Projectteam BRO:

SSh en HLe

Trefwoorden:

Gemeente Venlo, Belfeld, kavel Sportlaan 11, nieuwbouwwoning

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van één nieuwbouwwoning aan de Sportlaan 11 in Belfeld, gemeente Venlo.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING

3

2. GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Beschrijving plangebied 2.2 Beschrijving project 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

5 5 6 6

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

7 7

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid

7 8 9 9 10 10

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Afweging beleidskader

10 12 12 16 21

4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten

22 22

4.1.1 Geluid 4.1.2 Bodem 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Milieuzonering 4.1.5 Externe veiligheid 4.1.6 Geur 4.1.7 M.e.r. 4.2 Natuur en landschap 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterhuishouding 4.5 Verkeerskundige aspecten 4.6 Leidingen en infrastructuur 4.7 Archeologie en cultuurhistorie

22 23 24 25 27 32 33 34 35 36 38 38 38

4.7.1 Archeologie

Inhoudsopgave

38

1

4.7.2 Cultuurhistorie 4.8 Economische uitvoerbaarheid

40 41

5. PLANSTUKKEN 5.1 Planstukken 5.2 Toelichting op de analoge verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

42 42 42 42

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

42 43 44 44

6. INSPRAAK, OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 6.1 Inspraak 6.2 Vooroverleg 6.3 Zienswijzenprocedure

45 45 45 45

7. PROCEDURE

46

BIJLAGEN: Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 2: Realisering woning Sportlaan te Belfeld beschouwing aspect geur Bijlage 3: Advies Externe Veiligheid Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

Initiatiefnemer is voornemens om het perceel aan de Sportlaan 11 te Belfeld te splitsen ten behoeve van het realiseren van één extra woningbouwkavel. Het perceel is kadastraal bekend als Belfeld, sectie F, nummer 879.

Topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omcirkeld) en omgeving

De locatie is gelegen in het bestemmingsplan “Kern Belfeld”. Dit bestemmingsplan is op 19 december 2012 door de gemeenteraad van Venlo vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming “Wonen”. Echter ontbreekt binnen het plangebied de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw’. Derhalve is het niet rechtstreeks binnen de regels van het bestemmingsplan mogelijk om ter plaatse een extra woningbouwkavel te realiseren. Op verzoek van de initiatiefnemer heeft de gemeente Venlo aangegeven medewerking te willen verlenen aan een bestemmingswijziging met de mogelijkheid om ter plaatse een nieuwbouwwoning te realiseren. In voorliggend bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting, waarin onder andere een verantwoording van de inpasbaarheid van de nieuwe woning op het betreffende perceel wordt gegeven, vergezelt het plan.

Hoofdstuk 1

3

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie beschreven en komt tevens de toekomstige ontwikkeling aan bod. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de uitgangspunten verwoord uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op het initiatief. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op deze locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op overleg en inspraak. Tenslotte is in hoofdstuk 8 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen.

Hoofdstuk 1

4

2.

GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING

In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project.

2.1 Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen aan de Sportlaan 11 te Belfeld. Het betreffende perceel, waarop het beoogde initiatief plaats zal vinden, is kadastraal bekend als gemeente Belfeld, sectie F, nummer 879. Het perceel is thans in gebruik als burgerwoning met tuin. Echter, als in de voorliggende toelichting wordt gesproken over het plangebied betreft het slechts het deel dat in gebruik is als tuin. Dit is namelijk het gedeelte dat zal worden gebruikt ten behoeve van de nieuwbouwwoning en is daarmee strijdig met het vigerend bestemmingsplan. Het perceel is qua locatie en grootte geschikt voor een extra woningbouwkavel.

Kadastrale kaart met plangebied (blauw omlijnd)

Hoofdstuk 2

5

2.2 Beschrijving project Het voornemen bestaat om op een gedeelte van het betreffende perceel van circa 2.200 m2 één vrijstaande burgerwoning te realiseren met bijgebouwen. Door de voorgenomen splitsing van het perceel ontstaan twee percelen die qua oppervlakte en vorm gelijk zijn. De woning zal op de Sportlaan georienteerd zijn. Op de verbeelding is de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw toegestaan’ opgenomen, waarbinnen een woning met een maximale breedte van 10 meter en een maximale diepte van 15 meter kan worden gerealiseerd. Na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zal een concreet bouwplan worden uitgewerkt ten behoeve van de aan te vragen omgevingsvergunning. Voor bijgebouwen bestaat de voorkeur deze in het vlak aan de linker zijkant en achterzijde van de woning toe te staan, zodat aan de zijde van de rechts gelegen ontsluitingsweg geen nieuwe volumes ontstaan behoudens het hoofdvolume dat hier het beeld zal bepalen. Derhalve is in de regels opgenomen dat geen bebouwing mag worden opgericht binnen de gebiedsaanduiding ‘overige zone – geen hoofdgebouw toegestaan i.v.m. ligging jeugdhonk’. Hiermee is gewaarborgd dat er voldoende afstand is tussen ontsluitingsweg en bijgebouwen.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijk en functioneel gezien past de beoogde vrijstaande woning goed in de omgeving, er wordt namelijk ingezet op de realisatie van een in het straatbeeld passende woning. Door in het plangebied de woning te realiseren, wordt een open plek in de bebouwingsstructuur van de Sportlaan opgevuld en wordt de bebouwingsstructuur van de kern Belfeld versterkt. Qua maat en schaal wordt met de ontwikkeling aangesloten op de reeds bestaande woning op het perceel aan de Sportlaan 11. Verder wordt qua bouw- en gebruiksregels aangesloten bij de woningen in de omgeving en zal ook qua situering van de woning in grote mate worden aangesloten bij de omliggende woningen. Daarnaast is het bouwvlak van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat rekening wordt gehouden met de richtafstanden die van toepassing zijn voor diverse omliggende niet-woonfuncties. In hoofdstuk 4.1.4 wordt dit nader toegelicht. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten.

Hoofdstuk 2

6

3.

BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk zal ingegaan worden op het rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:    

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Hoofdstuk 3

7

3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19.

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.

Hoofdstuk 3

8

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, het IJsselmeergebied en de Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de voorgenomen ontwikkeling in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Natuurnetwerk gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Afweging Het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel beslaat ook de gemeente Venlo. De maximaal toegestane bouwhoogte voor windturbines in dit gebied bedraagt 114 meter ten opzichte van NAP. Aangezien het bouwplan geen windturbines bevat, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) In de ‘Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)’ is de ‘’Ladder voor duurzame verstedelijking’’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied.

Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Vraaggerichte programmering en realisering van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beiden te bereiken is de kaderstellende ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient volgens deze nieuwe versie van de ladder een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan

Hoofdstuk 3

9

die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient een motivering te worden gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In het voorliggende geval is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat in lijn met de uitspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2013, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Het initiatief hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ‘’Ladder voor duurzame verstedelijking’’. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.1.8.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg).

1

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18-12-2013, Zaaknummer 201302867/1/R.

Hoofdstuk 3

10

De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 juli 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd.

Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Hoofdstuk 3

11

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning op gronden die reeds een woonbestemming hebben.

Daarnaast wordt een kwalitatieve hoogwaardige woning toegevoegd aan de woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de transformatie van de woningmarkt. Vanuit regionaal en gemeentelijk beleid (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3 en 3.4) blijkt dat het voorziene woningtype aansluit op de toekomstige kwalitatieve woningbehoefte binnen de regio Noord-Limburg en in het bijzonder de gemeente Venlo. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Ontwerp Provinciale omgevingsvisie’. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de “Omgevingsverordening Limburg 2014” en op 30 december 2016 een geconsolideerde versie hiervan vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen aandachtsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Afweging De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd door of heeft geen negatieve invloed op aandachts- of beschermingsgebieden zoals genoemd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.

3.3 Regionaal beleid Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de be-

Hoofdstuk 3

12

staande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: - Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.

- Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. - Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. - Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit.

Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:

Hoofdstuk 3

13

-

De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; - Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Hoofdstuk 3

14

Afweging Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één nieuwbouwwoning op een perceel, waarop reeds een woonbestemming is gelegen. De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Dit sluit aan bij het regionale uitgangspunt dat het toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen dient plaats te vinden. Daarnaast zorgt het toevoegen van de woning niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Het type toe te voegen woning (koop grondgebonden in het middensegment) is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. Voor reguliere grondgebonden koopwoningen ontstaat vooral overschot in de grotere oppervlakteklassen en duurdere woningen. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Woningbehoefte Noord-Limburg 2015-2025 In 2015 is in Noord-Limburg regionaal woonwensenonderzoek uitgevoerd, waarbij per gemeenten onder meer onderzoek is gedaan naar de behoefte aan type woningen en woonmilieus 2.

De onderstaande afbeelding toont dat er in de regio behoefte is aan huurwoningen (zowel een- als meergezins), maar ook koopwoningen (meergezins). Ten aanzien van woonmilieus valt meteen de behoefte aan dorps wonen op. Onderhavig besluitgebied is gelegen in de nabijheid van de kern Belfeld (dorpsmilieu).

Woningbehoefte naar woningtype en woonmilieu

Afweging In de gemeente Venlo is sprake van een significante behoefte aan huurwoningen, zowel een- als meergezins. Opvallend is het overschot aan eengezins koopwoningen. Uit nadere analyse blijkt dat dit vooral te maken heeft met een enorm overschot aan rijwoningen (tussen- /hoekwoningen, zoals ook blijkt uit het onderstaande figuur.

2

SAMR & Fakton (2016), Woningbehoefte Noord-Limburg 2015-2025

Verschil gewenste en aanwezige woningtypes

Hoofdstuk 3

15

Echter uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat er wel degelijk behoefte is aan tweekappers en vrijstaande woningen (14%). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning in een dorpsmilieu, waardoor wordt aangesloten bij de gesignaleerde woningbehoefte conform de ‘Woningbehoefte Noord-Limburg 2015-2025’.

3.4 Gemeentelijk beleid Strategische Visie Venlo 2030 Met de Strategische Visie Venlo 2030 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de Visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2030 zal moeten ontwikkelen. Er zijn vijf thema’s gekozen waarvoor een analyse voor het jaar 2010 is uitgevoerd en waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn geformuleerd. Het betreft de volgende thema’s:  Stad van actieve mensen  Innovatieve en excellente stad  Venlo internationaal  Centrum van Euregio: hoofdstad en vitaal hart  Veelzijdige stad in het groen De geschetste thema’s en ambities zijn samengetrokken tot een drietal scenario’s waarin duidelijk herkenbare accenten worden gezet. Tijdens het besluitvormingsproces over de strategische visie in de gemeenteraad is een aantal elementen uit deze drie scenario’s samengevoegd tot een samengesteld scenario: Venlo Kansenstad (Je maakt het in Venlo). Dit is het scenario waarvoor de gemeenteraad zich raadsbreed heeft uitgesproken. Individuele ontplooiing en participatie, innovatiekracht en een aantrekkelijk woonklimaat zijn de belangrijkste karakteristieken van dit door de gemeenteraad gekozen samengesteld toekomstscenario.

Afweging Onderhavig bouwplan draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat binnen de gemeente Venlo, waarbij nieuwbouw plaatsvindt in een bestaande woonstraat in Venlo, aansluitend aan een bestaande woning. Daarnaast heeft de gemeente Venlo de ambitie gesteld om in 2030 op het gebied van wonen te voorzien in alle treden van de woonladder, zodat iedereen een huis naar behoefte en mogelijkheden beschikbaar heeft. Iedere wijk moet daarnaast beschikken over voldoende goede betaalbare woningen. Daarnaast moet in 2030 sprake zijn van een gedifferentieerde samenstelling naar inkomen, leeftijd en etniciteit van iedere kern en wijk. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van één kwalitatief hoogwaardige vrijstaande woning en draagt hiermee bij aan de doorstroming binnen de woonladder. Het project is dan ook niet in strijd met de Strategische Visie Venlo 2030.

Hoofdstuk 3

16

Ruimtelijke Structuurvisie Venlo Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de “Ruimtelijke Structuurvisie Venlo” vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde “majeure opgaven”. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de “basisprincipes”. De majeure opgaven zijn als volgt: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4.

Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze majeure opgaven wordt er uitgegaan van drie basisprincipes/aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:  het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert;  de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen;  het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies.

Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan.

Hoofdstuk 3

17

De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging Het plangebied is op de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’ gelegen binnen een gebied met de aanduiding ‘buitensport-complex’ (en binnen de contour stedelijk / dorpsgebied). Binnen dit gebied ligt het accent in principe niet op woonfuncties.

Echter wil de gemeente binnen de stedelijke contour flexibel omgaan met de menging van functies en functieveranderingen. Daarnaast wordt binnen de structuurvisie aangegeven dat door middel van het toevoegen van woningen binnen de bestaande stedelijke structuur (verdichten) het draagvlak behouden kan worden voor wijk- en buurtvoorzieningen. Dit is nodig om toekomstbestendige en leefbare kernen en wijken te creëren. De gemeente Venlo wil ‘nee’ zeggen tegen ontwikkelingen die slechts leiden tot een uitbreiding van het stedelijk gebied in plaats van tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied (gelegen binnen de ‘contour stedelijk gebied’). Daarnaast zijn de gronden binnen het plangebied reeds bestemd voor woondoeleinden. Onderhavig initiatief draagt hiermee bij aan het intensiever benutten van de bestaande ruimte in het stedelijk gebied. Dehalve is er in het kader van de onderhavige ontwikkeling sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Ruimtelijke Structuurvisie 2014’. Woonvisie 2021-2026 Op 29 september 2021 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2021-2026 vastgesteld. In de woonvisie worden randvoorwaarden geschept om te komen tot een toekomstbestendige woningvoorraad.

Om dit te bewerkstelligen worden in de woonvisie drie hoofdthema’s nader uitgewerkt: Een robuuste woningvoorraad Hiermee wordt een toekomstbestendige woningvoorraad bedoeld, met aandacht voor de bestaande woningvoorraad en nieuwbouw. De opgaven om te verduurzamen wordt gekoppeld aan de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Met woningbouw kan een bijdrage worden geleverd aan de aanpak van plekken die transformatie behoeven in Venlo. Hierbij wordt positief gekeken naar wooninitia-

Hoofdstuk 3

18

tieven vanuit de samenleving, wordt ingezet op het pakken van kansen als het gaat om het aantrekken van inwoners van buiten de regio. En wordt ingezet op diverse wijken en dorpen om de leefbaarheid hier te borgen. Beschikbaarheid en betaalbaarheid Een belangrijke opgave is het beschikbaar en betaalbaar houden van de woningvoorraad. In tijden van een krappe woningmarkt staan beide onder druk. Naast de regulier woningzoekenden en nieuwe doelgroepen die we aan Venlo willen binden, is er aandacht voor doelgroepen voor wie het minder vanzelfsprekend is een plek te vinden op de Venlose woningmarkt. Wonen en zorg In de woonvisie wordt de koers uitgezet als het gaat om wonen en zorg. Hierbij is oog voor de verschillende doelgroepen en de opgave voor de komende jaren een passend woningaanbod te (blijven) bieden. Ordenende principes Bij deze hoofdthema’s zijn doelinstellingen op hoofdlijnen geformuleerd. Dit geeft enerzijds flexibiliteit en ruimte om in te spelen op ontwikkelingen die nu nog niet zijn voorzien of op goede ideeën vanuit de samenleving en de markt. Anderzijds geeft deze visie voldoende duidelijkheid en richting.

Bij de doelstellingen wordt uitgegaan van drie ordenende principes:  Versnellen Waar mogelijk worden kansen gepakt om opgaven versneld op te pakken  Verbinden Wonen staat niet op zichzelf, daarom wordt de verbinding met andere beleidsterreinen gezocht, maar ook met andere opgaven en vraagstukken. Wonen kan hierin een deel van de oplossing vormen.  Vernieuwen Hiermee wordt bedoelt dat de gemeente open staat voor nieuwe initiatieven, woonvormen en instrumenten om knelpunten binnen het wonen op te lossen Afweging Het initiatief ziet op één kwalitatief goede vrijstaande burgerwoning in Belfeld. Deze woning sluit aan bij de behoefte van de initiatiefnemer. Er wordt daarnaast ingezet op de realisatie van een in het straatbeeld passende woning. Door in het plangebied de woning te realiseren, wordt een open plek in de bebouwingsstructuur van de Sportlaan opgevuld en wordt de bebouwingsstructuur van de kern Belfeld versterkt. Dit is in lijn met de Woonvisie 2021-2026. Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De “Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering” zijn op 26 april 2011 vastgesteld en vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd. Alle woningbouwinitiatieven worden aan de “Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering” getoetst.

Hoofdstuk 3

19

Afweging Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een particulier initiatief voor het toevoegen van een één woning op een inbreidingslocatie binnen de stedelijke contour. Dit is een ontwikkeling met een zeer beperkte omvang. Met voorliggend initiatief wordt bijgedragen aan de lokale behoefte in de kern Belfeld. Er zijn daarmee geen belemmeringen vanuit de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering voor de voorgenomen ontwikkeling. Vigerend bestemmingsplan “Kern Belfeld” Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Kern Belfeld”, zoals dit op 19 december 2012 door de gemeenteraad van Venlo is vastgesteld. De gronden binnen het plangebied zijn bestemd als “Wonen”. Daarnaast geldt grotendeels voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, in de vorm van grondgebonden woningen, boven- en benedenwoningen en waaronder tevens begrepen kamerbewoning (maximaal 4 personen). Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouwen’. Daarnaast geldt dat gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak, buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouw’ worden gebouwd.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Kern Belfeld' met aanduiding plangebied (blauw omlijnd)

Hoofdstuk 3

20

Afweging vigerend bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het vigerend bestemmingsplan, omdat het realiseren van een extra burgerwoning, door het ontbreken van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoofdgebouw’ ter plaatse, volgens de regels niet is toegestaan.

3.5 Afweging beleidskader Concluderend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet afwijkt van het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied. Omdat de gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het voorliggend initiatief, wordt middels het voorliggende bestemmingsplan de mogelijkheid voor het realiseren van een nieuwbouwwoning juridisch-planologisch geregeld.

Hoofdstuk 3

21

4.

ONDERZOEK

In dit hoofdstuk worden de noodzakelijke onderzoeksaspecten behandeld welke in het kader van de realisatie van de nieuwe (milieugevoelige) bestemming nader onderzocht dienen te worden.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidsgevoelig object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de woning. De nieuwbouwwoning ligt binnen de onderzoekszone van de A73, derhalve dient onderzocht te worden of er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat gelet op de ligging nabij de A73. De Sportlaan is een 30 km/u weg, en heeft formeel geen onderzoekszone. Gelet op het voorgaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. 3 Onderstaand zijn de conclusies hiervan weergegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage toegevoegd. Conclusie Op grond van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek noodzakelijk voor de omgevingsvergunning. Betreffend bouwplan bevindt zich binnen de invloedssfeer van de A73 en Beekweg.

De geluidbelasting vanwege de A73 bedraagt ten hoogste 49 dB inclusief aftrek ter plaatse van de voorgevel op de eventuele 2e verdieping/zolder van de nieuwbouwwoning, indien hier geluidgevoelige verblijfsruimten zijn gesitueerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee met maximaal 1 dB overschreden. De maximale toelaatbare waarde van 53 dB wordt gerespecteerd. Alle overige gevels en verdiepingen van de voor-, rechterzij-, en achtergevel van de begane grond zijn niet geluidbelast ten gevolge van de A73. Ten gevolge van de Beekweg is de woning niet geluidbelast. Gelet op de kleinschaligheid van het project en de praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren gepaard gaande met dergelijke geluidreducerende maatregelen, zullen hogere grenswaarden aangevraagd worden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder. Het bevoegd gezag wordt 3

M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingevolge de Wet geluidhinder in het kader van een planologische procedure voor het bouwplan aan de Sportlaan te Belfeld, rapportr: Spo.Bel.21.AO BP-02, d.d. 4 oktober 2021.

Hoofdstuk 4

22

verzocht middels de hogere grenswaarde procedure een hogere waarde te verlenen op basis van de in hoofdstuk 5 gerapporteerde berekeningsresultaten. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen, dient conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 artikel 3.1 t/m 3.3 een binnenniveau van maximaal 33 dB vanwege wegverkeer behaald te worden. Daarbij dient de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek conform artikel 110g Wgh beschouwd te worden, zijnde maximaal 53 dB ter plaatse van de 2e verdieping van de voorgevel van woning. Dit betekent een minimaal vereiste gevelgeluidwering van maximaal 53 – 33 = 20 dB. Ten behoeve van de eventueel benodigde geluidweringberekening is de gecumuleerde geluidbelasting eveneens opgenomen in bijlage 4 van het onderzoeksrapport. Echter aangezien conform het Bouwbesluit afdeling 3.1 en NEN5077 de minimaal benodigde geluidwering van een buitengevel ten minste 20 dB dient te zijn kan middels de (definitief ontwerp) bouwtekeningen aangetoond worden dat hieraan voldaan wordt met de beoogde bouwkundige opzet. Nader onderzoek naar aanvullende geluidwerende voorzieningen is dan niet nodig. 4.1.2 Bodem Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingsplanwijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van een woning, wat een gevoelige functie is, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Afweging Aangezien op onderhavig perceel reeds een woonbestemming aanwezig is, is er geen sprake van een verschuiving naar een voor bodem gevoeliger gebruik. Ter plaatse wordt binnen de bestemming ‘Wonen’ een nieuwbouwwoning mogelijk gemaakt. Derhalve is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het plangebied niet noodzakelijk. Volgens de Bodemkwaliteitskaart Venlo 2016 voldoet de gemiddelde bodemkwaliteit in het plangebied aan de normen voor woondoeleinden. Bij het ontbreken van bodembedreigende activiteiten kan de BKK Venlo als bewijsmiddel voor bodemgeschiktheid gebruikt worden. De locatie is onverdacht voor de aanwezigheid van een puntbron. Indien bij de bouw grond wordt geroerd, verplaatst en/of van de locatie wordt afgevoerd, dan dient rekening te worden gehouden met de Wet bodembescherming en/of het Besluit bodemkwaliteit. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor het beoogd gebruik ten behoeve van een woonfunctie. Er zijn daarmee vanuit het aspect bodem geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

23

4.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteits-eisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van grenswaarde jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³

Besluit niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriele Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Hoofdstuk 4

24

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

Woningen (maximaal)

1.500

3.000

Kantoren (maximaal)

100.000 m2 bvo

200.000 m2 bvo

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

Uit bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat het toevoegen van één woning niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM-) is de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 in 2020 kleiner dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 in 2020 ter plaatse gelegen tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de toename van een woning aan de Sportlaan niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.1.4 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar.

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” gelden de genoemde richtafstanden tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies voor het omgevingstype “rustig buitengebied”. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” mag de richtafstand met één stap worden teruggebracht. Voor activiteiten in een gemengd gebied met een milieucategorie 2 geldt dan een richtafstand behorend bij milieucategorie 1. Gezien de verscheidenheid aan functies in en rondom het plangebied mag hier worden uitgegaan van een gemengd gebied.

Hoofdstuk 4

25

Een (nieuwbouw)woning is geen milieubelastende functie. Een uitwaartse zonering hoeft dan ook niet te worden bepaald. Voor wat betreft inwaartse zonering zijn er in de nabijheid van het plangebied enkele inrichtingen gelegen, waar rekening mee dient te worden gehouden op basis van de VNG richtlijn. Manege Tegenover het plangebied op een afstand van circa 5 meter is een manege gelegen. Voor deze activiteit wordt een richtafstand geadviseerd van 50 meter gelet op het aspect geur (milieucategorie 3.1). Indien echter in andere wet- en regelgeving situatiespecifieke afstanden zijn opgenomen moeten deze aangehouden worden in plaats van de indicatieve afstanden uit de VNG-brochure. Voor het houden van paarden zijn in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit afstanden opgenomen. Voor wat betreft het onderdeel geur wordt dan ook verwezen naar paragraaf 4.1.6 waarin voormelde wetgeving nader wordt toegelicht. Voor wat betreft de aspecten geluid en stof wordt een richtafstand geadviseerd van 30 meter. Voor de horecavoorziening geldt een richtafstand van 10 tot 30 meter voor wat betreft het aspect geluid. Gezien het feit dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied, mag de richtafstand met één stap worden verlaagd tot 10 meter.

De gevel van de nieuw te realiseren woning is gelegen op een afstand van ruim 16 meter tot het perceel van de manege, waarmee reeds voldaan wordt aan de in acht te nemen afstand. Op basis hiervan worden zowel de woning als de manege (inclusief horeca) met betrekking tot de aspecten geluid en stof niet in hun mogelijkheden beperkt. Voor wat betreft het aspect gevaar is geen richtafstand van toepassing. Jeugdhonk Het jeugdhonk kan onder de omschrijving buurt- en clubhuis uit de VNG-publicatie worden geschaard, waarvoor op basis van het omgevingstype ‘’gemengd gebied’’ een richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd voor het aspect geluid. Het plangebied ligt op circa 6,5 meter afstand van de maatschappelijke bestemming. Het hoofdgebouw zal op een afstand van minstens 10 meter tot de maatschappelijke bestemming waarbinnen het jeugdhonk staat wordt gerealiseerd. Het bouwvlak is zodanig ingetekend dat er wordt voldaan aan de afstand van minstens 10 meter. Voor wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar is geen sprake van een richtafstand. Schietsportvereniging Een schietsportbestemming met binnenbanen (de Flint) ligt ten noordoosten van het plangebied. Als richtafstand (met geluid als bepalende factor) op basis van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt 100 meter geadviseerd.

Uitgaande van de bebouwing binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van sport – schietsport’ is de afstand tot de huidige dichtstbijzijnde (maatgevende) woning 52 meter. De nieuw te realiseren woning is gelegen op ongeveer gelijke afstand van de bebouwing binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van sport – schietsport’. Bovendien verandert de bestemming ter plaatse van de beoogde nieuwe bouwkavel niet. Er is hier immers al sprake van een woon-

Hoofdstuk 4

26

bestemming. De schietsportvereniging wordt hiermee door de voorgenomen ontwikkeling niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd en een goed woon-en leefklimaat in de nieuw te realiseren woning is gegarandeerd. Voor de aspecten stof en gevaar wordt een richtafstand geadviseerd van 10 meter die in een gemengd gebied mag worden teruggebracht met één stap. Er is hier dan ook geen sprake van een afstand waar rekening mee moet worden gehouden vanwege deze aspecten. Tenslotte geldt er ook geen richtafstand voor het aspect geur. Sportvelden Op circa 60 meter zijn sportvelden gelegen. De richtafstand voor het onderdeel geluid is 50 meter en mag in een gemengd gebied met één stap verlaagd worden tot 30 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan en daarnaast is relevant dat op kleinere afstand dan de voorgenomen woning al woningen zijn gelegen. Voor de aspecten geur, stof en gevaar gelden geen richtafstanden. Parkeerterrein Aan de achterzijde van het perceel is een kleinschalige parkeergelegenheid gelegen. Voor een parkeerplaats geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur. Binnen een gemengd gebied mogen deze afstanden met één stap verlaagd worden. Voor het onderdeel geluid geldt dan een richtafstand van 10 meter. De woning wordt gerealiseerd op een grotere afstand dan 10 meter, zodat op dit onderdeel ruimschoots aan de VNG-richtafstanden wordt voldaan.

Voor de aspecten gevaar en stof gelden geen richtafstanden. Conclusie Verder zijn er in de directe omgeving geen andere milieubelastende functies aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de diverse functies in de nabije omgeving geen belemmeringen opleveren voor het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen. Daarnaast worden de in de nabije omgeving gelegen functies door de beoogde woningbouw niet beperkt in hun bedrijfsuitoefening. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Hoofdstuk 4

27

(Beperkt) kwetsbare objecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwbouwwoning mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van nieuwe risicovolle activiteiten (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/14/documents/88