CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

015 RV Bijl01 Inkoopstrategie Jeugd 2026 Noord-Limburg.pdf

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 7.1: 015 RC Inkoopstrategie Jeugd 202615.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Jeugdhulpregio Noord-Limburg

Inkoopstrategie 2026 Segmenten 2, 3 en 4

Projectgroep Inkoop Jeugd 2026 14-10-2024

Inhoud 1.

Inleiding............................................................................................................................................................3

2.

Doel Inkoopstrategie ........................................................................................................................................5

3.

Afbakening .......................................................................................................................................................6

4.

Kaders en ontwikkelingen ................................................................................................................................8

4.1.

Regionaal Beleidsplan Jeugd 2022 en verder .............................................................................................8

4.2.

Hervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ......................................8

4.3.

Robuuste regio’s en Taskforce Continuïteit Zorglandschap Jeugd .............................................................9

4.4.

AMvB reële prijzen Jeugdwet ....................................................................................................................10

5.

Visie en doelen ..............................................................................................................................................11

5.1.

Visie en uitgangspunten jeugdbeleid .........................................................................................................11

5.2.

Strategische doelen ...................................................................................................................................12

5.3.

Strategische inkoopdoelen ........................................................................................................................12

5.4.

Visie op jeugdhulpplicht .............................................................................................................................13

5.5.

Visie op opdrachtgeverschap en partnerschap .........................................................................................13

6.

Verbeterpunten ..............................................................................................................................................16

7.

Zorglandschap jeugd .....................................................................................................................................18

7.1.

Marktanalyse .............................................................................................................................................18

7.2.

Indeling zorglandschap – categorieën aanbieders ....................................................................................19

7.3.

Indeling zorglandschap – hulpvormen en producten .................................................................................21

7.3.1.

Ambulante hulp ......................................................................................................................................24

7.3.2.

Dagbesteding en dagbehandeling .........................................................................................................26

7.3.3.

Onderwijs-zorg .......................................................................................................................................28

8.

Transformatieopgave en stuuropdracht .........................................................................................................30

9.

Bekostiging ....................................................................................................................................................31

10.

Contracten .................................................................................................................................................33

10.1.

Contractvorm .........................................................................................................................................33

10.2.

Contractduur, flexibiliteit en verlengingsopties ......................................................................................34

11.

Inkoopprocedure ........................................................................................................................................35

12.

Algemene eisen SROI en MVI ...................................................................................................................37

13.

Relatie met andere stuurelementen ..........................................................................................................38

13.1.

Toegangsmanagement ..........................................................................................................................38

13.2.

Contractmanagement ............................................................................................................................38

14.

Overige thema’s .........................................................................................................................................39

14.1.

Vervoer ..................................................................................................................................................39 1

15.

Financiën ...................................................................................................................................................40

16.

Randvoorwaarden en risico’s ....................................................................................................................41

17.

Vervolg .......................................................................................................................................................42

2

1. Inleiding In de periode 2019 – 2022 heeft de regio Noord-Limburg met het Programma Sturing en Inkoop (S&I) een stevig fundament gelegd voor de herinrichting, over de hele breedte, van het regionaal zorglandschap en voor de samenwerking met jeugdhulpaanbieders. Voor de domeinen Wmo, Participatie en de Jeugdhulp zijn maatwerkvoorzieningen op basis van een nieuwe visie en strategie opnieuw ingericht, gesegmenteerd en gecontracteerd. Gericht uitgewerkte en ingevulde sturingsinstrumenten toegang, contractmanagement, bekostiging en contractvormen vormden het uitgangspunt voor nieuwe (huidige) overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders die op 1 januari 2022 ingingen. Deze overeenkomsten hebben een looptijd tot en met 31 december 2025 en kunnen verlengd worden met tweemaal drie jaar. Evaluatie huidige overeenkomsten Jeugdhulp Om tijdig te kunnen besluiten of een verlenging of nieuwe contractering aan de orde is, heeft er een evaluatie plaatsgevonden van de raamovereenkomsten segment 2, 3 en 4 1. Dit betreft de volgende segmenten:

Segment 2 Segment 3

Wonen Dagbesteding/ Dagbehandeling

Segment 4

Ambulant

Bij de evaluatie zijn aanbieders, rechtstreekse verwijzers, de MGR (contract- en datamanagement) en gemeenten (beleid, toegang, backoffice) betrokken. De input bij de evaluatie en de ervaringen in de praktijk laten zien dat er verbeteringen door te voeren zijn in de raamovereenkomsten en de uitvoering daarvan. De evaluatie laat zien dat de samenwerking tussen aanbieders, MGR en gemeenten in het algemeen goed gaat, dat het contractmanagement goed is vormgegeven en dat het datamanagement goed staat waardoor we (ook als regio) veel meer inzicht hebben. De evaluatie laat ook zien dat er vraagstukken zijn en verbeteringen mogelijk zijn, bijvoorbeeld: • Hoe verhouden de gestelde kwaliteitseisen zich tot de krapte op de arbeidsmarkt? • Hoe kunnen we makkelijker jeugdhulp over de (sub)segmenten heen inzetten? • Er zijn verbeteringen mogelijk als het gaat om de administratieve lasten, bijvoorbeeld rond hoofd- en onderaannemerschap en verschillende bekostigingssystematieken. • Aanbieders en gemeenten ervaren bepaalde leemten in het zorglandschap, zowel qua specialistisch aanbod als geografische dekking. • De raamovereenkomsten kennen weinig flexibiliteit als we gezamenlijk wijzigingen willen doorvoeren. • Er zijn bij sommige vormen van jeugdhulp lange wachtlijsten waarbij het lastig is om goede overbruggingszorg in te zetten.

Als we deze vraagstukken willen aanpakken vereist dat wijzigingen die niet in de huidige raamovereenkomsten kunnen worden doorgevoerd. Het gaat dan om wezenlijke wijzigingen die vragen om een nieuwe contractering. Een nieuwe contractering kan ook mogelijkheden bieden in het kader van het eenvoudiger maken en verminderen van de administratieve lasten voor aanbieders en gemeenten. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie heeft het dagelijks bestuur van de MGR, na bespreking van de evaluatie en het advies in het Portefeuillehouderoverleg Vitaal en Gezond (PHO V&G), eind april 2024 besloten: • Een nieuwe inkoop en contractering voor te bereiden voor Segment 3 en 4 Maatwerkdiensten Jeugd, met uitzondering van Dyslexie.

1 Er heeft ook een evaluatie plaatsgevonden van de segmenten 1 en 5 maar die vallen buiten de scope van dit project.

3

•

De mogelijkheid te behouden om vaktherapie in te zetten als onderdeel van behandeltrajecten, maar niet als losstaand product in te kopen. • De raamovereenkomsten voor Segment 2 Maatwerkdiensten Jeugd en Dyslexie, al dan niet met wijzigingen, te verlengen. Met de toevoeging dat we voorstellen kunnen doen voor een andere invulling van het besluit als we tijdens de uitwerking merken dat het beter of efficiënter kan. Als bijvoorbeeld blijkt dat de voorgestelde veranderingen alsnog binnen de raamovereenkomsten kunnen worden doorgevoerd, kunnen we deze verlengen. Andersom is ook voorstelbaar: de wijzigingen blijken niet binnen de raamovereenkomsten te kunnen worden doorgevoerd of er is een andere reden waarom opnieuw contracteren nodig of beter is. Na dit besluit is het project inkoop jeugd 2026 gestart om de nieuwe contractering vorm te geven. Het eerste resultaat van het project ligt nu voor u: de inkoopstrategie. Met deze inkoopstrategie vervangen we de vorige inkoopstrategie op de onderdelen bekostiging, contractmanagement, contract en inkoop voor de delen van jeugdhulp die we opnieuw contracteren.

4

2. Doel Inkoopstrategie Het meest tastbare resultaat van de nieuwe contractering is nieuwe contracten met jeugdhulpaanbieders voor (delen van de) jeugdhulp per 1 januari 2026. We willen contracten die zowel jeugdhulpaanbieders als gemeenten en andere verwijzers in staat stellen jeugdigen en hun gezinnen op een goede manier te ondersteunen en die ons gezamenlijk in staat stellen knelpunten in de uitvoering op te lossen en verbeteringen door te voeren die we met de evaluatie hebben vastgesteld. Als we vanuit het tastbare resultaat ‘nieuwe contracten’ terug redeneren, onderscheiden we een aantal fasen en stappen. Zo willen we de nieuwe contracten voor 1 juli 2025 hebben gesloten, zodat alle betrokkenen in de tweede helft van 2025 voldoende tijd hebben voor een zorgvuldige implementatie en voorbereiding. Dat betekent dat in het eerste kwartaal van 2025 de fase van contractering start en dat we begin 2025 alle inkoopdocumenten gereed dienen te hebben. In die inkoopdocumenten leggen we vast welke vormen van jeugdhulp we vragen, hoe die eruit zien en ingedeeld zijn, voor wie deze bedoeld zijn, wat de (kwaliteits)eisen zijn die we stellen, welke bekostigingsvorm daarbij past en wat een passend tarief is. Om tot een passend tarief te komen, voeren we in 2024 ook een tariefonderzoek uit waarbij jeugdhulpaanbieders worden betrokken.

Voorafgaand aan de concrete uitwerking in de inkoopdocumenten stellen we deze inkoopstrategie vast. Daarin staan de belangrijkste keuzes om de geconstateerde knelpunten op te lossen en de verbeteringen te bereiken. Het gaat dan om keuzes op hoofdlijnen die we de komende periode richting tariefonderzoek en inkoopdocumenten in meer detail uitwerken. Het gaat nu om keuzes zoals: • Wat is onze visie op jeugdhulp en wat zijn onze strategische doelen? • Hoe zien we het jeugdhulpstelsel en hoe delen we vormen van jeugdhulp in? • Hoe zorgen we voor een dekkend zorgaanbod voor alle soorten zorgvragen en alle gemeenten in NoordLimburg • Hoe zien we de relatie tussen gemeenten en zorgaanbieders en hoe houden we rekening met verschillen tussen aanbieders? • Wat zijn onze strategische inkoopdoelen en hoe kunnen we daar met de contractering aan bijdragen? • Hoe willen en kunnen we sturen op de inzet van jeugdhulp? • Wat is/zijn passende bekostigingsvormen? • Hoe houden we het eenduidig, overzichtelijk en zo eenvoudig mogelijk zonder onnodige administratieve lasten? In de komende hoofdstukken lichten we die keuzes toe. Eerst beschrijven we de (wettelijke) kaders voor de inkoopstrategie en onze algemene visie en strategische doelen met betrekking tot (jeugd)hulp.

5

3. Afbakening De huidige raamovereenkomsten jeugd zijn voortgekomen uit het Programma Sturing & Inkoop. Dat programma ging over zowel Wmo en Participatiewet als Jeugdwet en richtte zich op het in samenhang vormgeven van de vier stuurelementen (contractvorm, bekostigingsvorm, toegangsmanagement en contractmanagement). Het huidige project inkoop jeugd 2026 heeft een beperktere scope. Zo is het project, conform het besluit van het PHO V&G, AB en DB van de MGR en de vastgestelde inkoopopdracht, afgebakend tot de segmenten 3 en 4. Aanhaking van andere segmenten is alleen aan de orde als dat overduidelijke voordelen biedt voor ofwel jeugdigen en gezinnen ofwel aanbieders en gemeenten of beiden. De focus ligt binnen het project op contractvorm en bekostigingsvorm, simpelweg omdat aan het eind van het project nieuwe contracten met jeugdhulpaanbieders moeten zijn gesloten en geïmplementeerd. Het project richt zich dus niet op het (opnieuw) vormgeven van het toegangsmanagement of contractmanagement. Tegelijkertijd komen er tijdens de uitvoering van het project inkoop allerlei zaken aan bod die het toegangs- of contractmanagement raken. Die zaken geleiden we door naar de juiste plek om verder opgepakt te worden. Het gaat dan om respectievelijk de regionale werkgroep toegang (toegangsmanagement) en de MGR (contractmanagement).

Tot slot bouwen we voort op de basis die met het Programma Sturing & Inkoop is gelegd en richten we ons vooral op de verbeterpunten die uit de evaluatie naar voren zijn gekomen. Daarbij houden we wel rekening met de context en veranderende omstandigheden zoals de toegenomen tekorten op de arbeidsmarkt, het Regionaal Beleidsplan Jeugd 2022 en verder, landelijke opgaven zoals de Hervormingsagenda Jeugd en continuïteitsproblemen bij enkele (jeugdhulp)aanbieders (zie hoofdstuk 4 ‘kaders en ontwikkelingen’). Tegen deze achtergrond focussen we in het project vooral op de aandachts- en verbeterpunten uit de evaluatie en de gesprekken met aanbieders, andere verwijzers en de diverse disciplines binnen MGR en gemeenten. Aanhaking Segment 2 Segment 2 heeft betrekking op wonen. Daarbinnen zijn er de woonvormen: pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonleefgroepen, zelfstandig wonen training en logeren. Conform de inkoopopdracht is het project afgebakend tot de segmenten 3 en 4 van jeugd. Op basis van de evaluatie van de raamovereenkomsten is besloten om de raamovereenkomsten van segment 2 te verlengen omdat we bij deze zorgvormen geen grote wijzigingen willen aanbrengen. Vanuit de marktanalyse, de sessies met aanbieders en de uitwerking van het stuurelement ‘contractvorm’ zien we echter mogelijkheden om de raamovereenkomsten voor segmenten 2, 3 en 4 eenvoudiger in te richten.

Veel aanbieders hebben namelijk meer dan één raamovereenkomst binnen de genoemde segmenten. Deze raamovereenkomsten zijn nu apart gesloten en worden apart gevolgd. Een nieuwe contractering biedt de kans om dit eenvoudiger binnen één raamovereenkomst per aanbieder te regelen. Als we kijken naar segment 2 zien we dat de totale uitgaven in onze regio 8,4 miljoen euro bedragen en dat deze zijn verdeeld over 22 aanbieders en 26 contracten. Van die 22 aanbieders hebben er 16 ook een contract voor segment 3 en/of 4. Deze 16 aanbieders vertegenwoordigen 90% van de uitgaven in segment 2 en worden dus sowieso geconfronteerd met een contractering voor die segmenten. Voor deze aanbieders wordt het makkelijker als we segment 2 meteen onderdeel laten uitmaken van die nieuwe overeenkomst. Bij de overige 6 aanbieders zijn er qua bestedingen in dit segment 2 grotere en 4 kleinere (samen nog geen 0,5% van de bestedingen in segment 2). Als we de stap naar één raamovereenkomst willen zetten, kunnen de bestaande raamovereenkomsten voor segment 2 niet verlengd worden. Zoals hierboven toegelicht, hebben de meeste aanbieders in segment 2 6

sowieso al te maken met de nieuwe contractering. Verder is het huidige beeld dat aan de inhoud en de zorgproducten die een jeugdhulpaanbieder in segment 2 levert weinig tot niets hoeft te veranderen. Als de contracten op inhoud gelijk blijven, kunnen we dat administratief zo licht mogelijk inrichten. Mogelijk hoeven aanbieders alleen opnieuw in te schrijven. Gezien de voordelen van de stap naar één raamovereenkomst per aanbieder (zie hiervoor ook paragraaf 7.5.1 contractvorm) en de geringe consequenties voor de aanbieders in segment 2 doen we het voorstel om segment 2 mee te nemen in de nieuwe contractering gericht op 2026. Daarmee omvat het project de volgende segmenten2: Segment 2

Wonen

1. Pleegzorg 2. Gezinshuizen 3. Zelfstandig wonen training 4. Kleinschalige woongroepen 5. Logeren

Segment 3

Dagbesteding/ Dagbehandeling

1. Ernstig meervoudige beperkingen en jonge kind 2. Terug naar school 3. Duurzame daginvulling

Segment 4

Ambulant

1. Perspectief 1 & 2 en Duurzaam 2. GGZ Jeugd 3. Dyslexie

2 Dit is de indeling zoals opgenomen in de huidige raamovereenkomsten en die we voor de nieuwe

contractering opnieuw tegen het licht houden. 7

4. Kaders en ontwikkelingen Uiteraard gelden ten aanzien van de nieuwe contractering en de uitvoering van de raamovereenkomsten alle wettelijke kaders (Jeugdwet, Besluit Jeugdwet, Regeling Jeugdwet, etc.). In dit hoofdstuk gaan we alleen in op belangrijke, recente wijzigingen en ontwikkelingen. De onderstaande beschrijving is daarmee per definitie niet volledig.

4.1. Regionaal Beleidsplan Jeugd 2022 en verder Het Regionaal Beleidsplan Jeugd 2022 en verder is eind 2021 vastgesteld door de gemeenteraden in NoordLimburg. Daarin hebben we onze visie in drie punten verwoord die in het beleidsplan verder zijn uitgewerkt: 1. We richten ons op álle jeugd, waarbij de focus ligt op positieve gezondheid. Het gezin is de basis en ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en het welzijn van hun jeugdigen. We leggen de nadruk op preventie, vroegsignalering en een sterke omgeving. 2. Passende en tijdige hulp en bescherming voor jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben. Hulp en bescherming vinden bij voorkeur in de eigen omgeving van de jeugdige plaats en hebben (zoveel mogelijk) een tijdelijk en duurzaam karakter en zijn er op gericht om inwoners zo veel mogelijk zelf en met hun omgeving in staat te stellen om het gewone leven (weer) op te pakken. 3. We zijn een lerende jeugdhulpregio. We investeren in het ophalen en ontsluiten van kennis, het evalueren van beleid en uitvoering en de bijstelling en verbetering hiervan. We delen ervaringen en leren van elkaar: van jeugdigen en ouders (gezinnen), van gemeenschappen, van cliënten(raden), van professionals, van andere partners en sectoren en van andere gemeenten en regio’s.

Voor 2024 en 2025 hebben we de volgende vier rode draden als (bestuurlijke) prioriteit benoemd waar we ook in het project inkoop jeugd 2026 verder aan bouwen: 1. 2. 3. 4.

Verdere samenwerking tussen de gemeentelijke toegangen Samenwerking met Midden-Limburg Preventie, vroegsignalering en een sterke omgeving. Doorontwikkeling zorglandschap jeugd

Hier bouwen we ook met het project inkoop jeugd 2026 verder aan, waarbij de nadruk ligt op punt 4: doorontwikkeling zorglandschap jeugd.

4.2. Hervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming Op 20 juni 2023 is de Hervormingsagenda Jeugd vastgesteld door de vertegenwoordigers van de Vijfhoek: Rijk, gemeenten, zorgaanbieders, professionals en cliëntenvertegenwoordigers. De rode draden uit 4.1 komen overeen met de thema’s in de Hervormingsagenda waar gemeenten primair zelf voor aan de lat staan, zoals ook is opgenomen in het landelijke Implementatieplan Hervormingsagenda Jeugd. De hoofddoelen van de Hervormingsagenda zijn tweeledig: • Betere en tijdige hulp en ondersteuning voor jeugdigen en gezinnen, op de juiste plek en wanneer dit nodig is. • Hulp en ondersteuning worden aangeboden binnen een beheersbaar en daarmee duurzaam financieel stelsel. Er ligt daarmee een landelijke opdracht voor aanbieders, gemeenten en andere partners om de jeugdzorg om te bouwen naar een jeugdhulpstelsel dat kwalitatief op orde is, maar ook beheersbaar en betaalbaar is en blijft. De 8

Hervormingsagenda Jeugd gaat gepaard met een financiële taakstelling die oploopt tot € 1,1 miljard landelijk (structureel vanaf 2028), waarvoor aanbieders, gemeenten en andere partners samen verantwoordelijk zijn. De Hervormingsagenda vraagt een forse en structurele inspanning van alle betrokkenen in het jeugdhulpstelsel. Hieronder staan de hoofdthema’s uit de Hervormingsagenda op een rij. • Reikwijdte: jeugdhulpplicht voor de meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen. • Jeugdhulp steviger verbinden aan aanpalende domeinen zoals onderwijs, volwassenen-ggz en bestaanszekerheid. • Stevige lokale teams en toegang. • Terugdringen residentiële jeugdhulp: zo thuis mogelijk. • Kwaliteitsverbetering en blijvend leren. • Verbeteren van de organisatie van inkoop van specialistische jeugdzorg. • Eenvoudigere uitvoering van inkoop, minder administratieve lasten en aanpak negatieve effecten marktwerking. • Verbeteren inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel met data en monitoring. Het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is een landelijk programma dat erop gericht is om de beschermingsketen rondom gezinnen en huishoudens die met onveiligheid en geweld te maken hebben, effectiever te laten werken.

Het Toekomstscenario beschrijft een aantal leidende principes die vervolgens op regionale schaal door gemeenten (en lokale teams) samen met kernpartners VT/GI/Raad vd Kinderbescherming worden ingevuld met (nieuwe) manieren van samenwerken. Dat is de kern van wat er gevraagd wordt: • Werk gezins/systeemgericht, van 0-100 en met een vast gezicht binnen het lokaal team. • Zorg dat expertises o.g.v. zorg en veiligheid (GI, VT, maar ook GGZ) aan de voorkant beschikbaar is voor analyse, advies, ook in de uitvoering van de casus: geen estafettemodel meer waarin inwoners aan ketenpartner worden overgedragen maar een netwerksamenwerking waarin expertise om het gezin/huishouden heen beschikbaar is. Het landelijk scenario gaat uit van nieuw op te richten regionale veiligheidsteams die samenwerken met de wijkteams hierin. • Organiseer dit eenvoudig en transparant voor gezinnen en huishoudens: geen dubbelingen in rollen, taken, informatie meer; helder voor inwoner wie wat doet en vanuit welk kader, meer rechtsbeschermend. De Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming hebben invloed op de nieuwe inkoop 2026, bijvoorbeeld als het gaat om het verbeteren van de mogelijkheden tot samenwerken rond casuïstiek, kwaliteitsverbetering, verbeteren van het inzicht, leren en ontwikkelen, en minder administratieve lasten.

Gemeenten en aanbieders staan samen met partners in het jeugddomein, zoals voorliggend veld en onderwijs, aan de lat om gezamenlijk de opgaven te realiseren uit onder andere de Hervormingsagenda Jeugd.

4.3. Robuuste regio’s en Taskforce Continuïteit Zorglandschap Jeugd In de Hervormingsagenda Jeugd is als uitgangspunt genomen dat de specialistische jeugdzorg op de juiste schaalgrootte wordt gecontracteerd. In opdracht van het ministerie van VWS is het traject robuuste regio’s doorlopen, waarbij de bestaande jeugdzorgregio’s zijn getoetst op hun ‘robuustheid’. Begin juli 2024 heeft het ministerie van VWS geoordeeld dat Noord-Limburg voldoende robuust is met de onderbouwing dat we de basis op orde hebben en een aantal belangrijke zaken goed geregeld hebben (MGR, Regiovisie etc.) en dat de manier waarop we onze huidige samenwerking versterken positief is. VWS is ook positief over de solide samenwerking met Midden-Limburg (als geheel) en beveelt aan deze voort te zetten. 9

Vanwege de situatie bij een aantal grote zorgaanbieders staat de continuïteit van het zorglandschap Jeugd in de regio Noord-Limburg en de rest van Limburg onder druk. Vanuit het ministerie van VWS is aan de jeugdzorgregio’s in Limburg de toezegging gedaan van de inrichting van een taskforce. Deze taskforce heeft de opdracht om te kijken naar de invulling van een duurzaam zorglandschap. Afhankelijk van de (tussentijdse) resultaten van dit traject beoordelen we of dit gevolgen heeft voor en meegenomen kan worden in de voorbereiding op een nieuwe inkoop 2026. Op het moment van het opstellen van deze inkoopstrategie is het beeld dat het advies van de Taskforce zich richt op andere delen van de jeugdhulp dan het project inkoop 2026.

4.4. AMvB reële prijzen Jeugdwet Op 1 juli 2024 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële prijzen Jeugdwet in werking getreden. Deze AMvB is bedoeld om gemeenten en aanbieders te helpen om bij het opstellen of verlengen van een contract tot een reële prijs te komen. De AMvB bepaalt de kostprijselementen die gemeenten minimaal moeten betrekken bij het bepalen van hun prijs. Zo bevat de AMvB randvoorwaarden voor een reële prijs. Ook moeten aanbieders transparant zijn over de opbouw van kostprijzen om tot een reële prijs te komen en zelf ook een reële prijs betalen als zij derden inschakelen voor hun diensten. De AMvB bepaalt niet de hoogte van de prijzen zelf, dat blijft de verantwoordelijkheid van de gemeente. Een reële prijs kan geografisch verschillen vanwege uiteenlopende prijzen van bijvoorbeeld grondprijzen, schaarste aan professionals, verschillende visies op behandeling en verschillen in complexiteit en zorgzwaarte in lokale populaties. Tijdens het project inkoop jeugd 2026 betrekken we de AMvB bij het uitvoeren van het tariefonderzoek dat in dat kader plaatsvindt.

10

5. Visie en doelen 5.1. Visie en uitgangspunten jeugdbeleid We richten ons op álle jeugd waarbij de focus ligt op het normale opgroeien en opvoeden. Elke jeugdige is uniek en ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. We bieden een positieve en stimulerende basis waarin jeugdigen zich optimaal ontwikkelen en hun talenten ontplooien (positief jeugdbeleid). De jeugdige staat centraal, maar wel in de context van de eigen opvoedomgeving. Het gezin is de basis en ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en het welzijn van hun jeugdigen. Zij worden daarop aangesproken. Dat betekent ook dat zij altijd betrokken worden bij zaken die spelen rond hun jeugdigen. Ondersteuning, hulp en advies zijn gericht op het versterken van de eigen kracht van gezinnen en werken aan het herstel van het gewone leven. Zij worden zo ondersteund en begeleid dat zij zo veel mogelijk zelf (en met hun omgeving) in staat zijn om met opvoedingsgerelateerde problemen om te gaan. Ouders stellen hun hulpvraag in eerste instantie binnen de eigen sociale omgeving. Het gaat om het ondersteunen van de opvoeding en niet om het overnemen daarvan. Het sociaal netwerk is ondersteunend aan en waar nodig aanvullend op de rol van de ouders. De nadruk ligt op vroegtijdig signaleren en preventief aanpakken: hoe kunnen zaken gesignaleerd worden en direct in de eigen omgeving worden aangepakt.

Informele opvoeders en professionals moeten daarvoor toegerust zijn en daartoe de ruimte krijgen (ruimte voor professionals). Buiten kijf staat dat bij gevaar of (ernstige) bedreiging snel en slagvaardig specialistische hulp geboden moet worden, eventueel onder dwang. Dus specifieke zwaardere hulp en zorg alleen bieden waar nodig, maar wel direct en zonder lange procedures. Ook deze hulp/zorg is gericht op de jeugdige, het versterken van de kracht van de ouders/het gezin en de sociale omgeving en moet (zoveel mogelijk) een tijdelijk karakter hebben. De uitvoering daarvan vindt bij voorkeur ook in de eigen omgeving van de jeugdige plaats, maar er zijn natuurlijk gevallen waarbij dat niet mogelijk is. In die gevallen is evengoed het streven om de jeugdige zo snel mogelijk te laten terugkeren in de eigen omgeving. Tot slot wordt, daar waar ondersteuning, hulp, advies of zorg geboden wordt, gewerkt via het principe 1Gezin, 1Plan, 1Regisseur (1G,1P,1R). Bovenstaande visie hebben de gemeenten in Noord-Limburg samengevat in acht uitgangspunten. Uitgangspunten jeugdbeleid: 1. Alle jeugd telt. Het jeugdbeleid richt zich nadrukkelijk op alle jeugd. De focus ligt niet op problemen, maar op het normale opgroeien en opvoeden. Wij willen bijdragen aan een positief opvoedklimaat door middel van een positief jeugdbeleid (stimuleren en kansen bieden). 2.

De jeugdige en de directe omgeving centraal. De jeugdige en de directe opvoedomgeving staan centraal. 3. Gezin is de basis. Het gezin is de basis en ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de eigen opvoeding van hun jeugdige(n). Zij kunnen daarop aangesproken worden, maar dit betekent ook dat zij in principe altijd betrokken worden bij zaken die spelen rond hun jeugdige(n). Er wordt gewerkt volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur. 4. Versterken eigen kracht. Het jeugdbeleid draagt bij aan het ondersteunen van ouders/verzorgers/opvoeders bij de opvoeding gericht op het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en de opvoedomgeving. Het gaat daarbij nadrukkelijk om het versterken van de opvoeding, niet om het overnemen daarvan. 5. Nadruk op vroegtijdig signaleren en preventief aanpakken in de eigen omgeving. Het jeugdbeleid draagt bij aan het verbeteren van de mogelijkheden tot vroegsignaleren en aanpakken van (beginnende) problemen in de directe leefomgeving van de jeugdige.

11

6. Normaliseren en demedicaliseren. Opgroeien en opvoeden gaat gepaard met uitdagingen. Dat is normaal, van alle tijden en vraagt niet altijd direct om professionele ondersteuning. Daarom zetten we in op normaliseren en demedicaliseren. 7. Sociaal netwerk is complementair. Naast de ouders/verzorgers zijn er veel mensen die een invloed (kunnen) hebben op de opvoeding van jeugdigen. Zij maken deel uit van de directe opvoedomgeving. Bij de uitwerking van het jeugdbeleid wordt rekening gehouden met deze informele sociale netwerken en wordt gekeken hoe deze aanvullend en ondersteunend kunnen zijn aan de opvoeding door de ouders/verzorgers. 8. Indien nodig snelle en slagvaardige specialistische hulp. Bij zwaardere problemen moet snel en slagvaardig specialistische hulp en advies ingezet worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de uitvoering daarvan bij voorkeur ook in de directe leefomgeving van de jeugdige plaatsvindt. Het gaat hierbij om het organiseren van integrale zorg rondom het gezin volgens het principe één gezin, één plan en één regisseur.

5.2. Strategische doelen We hebben de strategische doelen uit de marktanalyse van Sturing en inkoop 2019 als uitgangspunt genomen en geactualiseerd naar de huidige situatie. Onze strategische doelen zijn: •

•

•

We bevorderen zelfredzaamheid, eigen kracht en positieve gezondheid. • Elke inwoner telt en kan meedoen (inwoners dragen bij op eigen niveau, kunnen hun talenten ontwikkelen en voelen zich daardoor van betekenis voor de samenleving). • Inwoners zijn in staat zoveel mogelijk voor zichzelf en elkaar te zorgen en eigen beslissingen te nemen. • We ondersteunen het idee van positieve gezondheid, waarbij we kijken naar de mogelijkheden van inwoners en gemeenschappen, in plaats van naar de beperkingen. • Voor jeugd specifiek: kansrijk opgroeien staat centraal. Wij willen dat onze jeugdigen gezond en veilig kunnen opgroeien en zich optimaal kunnen ontwikkelen. Vitale gemeenschappen vormen de basis van onze samenleving. • We stimuleren de ontwikkeling van gemeenschappen tot krachtige sociale verbanden van de leef-, woon- en werkomgeving. Iedereen heeft daarin een plek, met eigen identiteit. Daarnaast faciliteren we mogelijkheden voor collectieven, die onder regie en opdrachtgeverschap van de gemeenschap staan en/of ontwikkeld worden. Op deze manier herontdekken we in onze regio de kracht van het normale: het omzien en zorgen voor elkaar in de eigen leef-, woon- en werkomgeving. We bieden snelle en passende hulp en ondersteuning aan inwoners die het op eigen kracht niet redden. Deze hulp en ondersteuning geven we samen met de inwoner, zijn omgeving en onze partners vorm.

• We organiseren, samen met partners, een vangnet/trampoline. • Passende hulp en ondersteuning is: o Zo licht, normaal, thuis, dichtbij en kort mogelijk (en zo zwaar als nodig). o Tijdelijk, tenzij. o Gericht op verbetering, behalve waar dit niet mogelijk is. Dan gericht op stabiliseren.

5.3. Strategische inkoopdoelen Onze visie, uitgangspunten jeugdbeleid en de strategische doelen hebben we vervolgens vertaald naar strategische inkoopdoelen voor de nieuwe inkoop. Deze zijn (in volgorde van belangrijkheid): 1. Nabije en passende zorg voor jeugdige en/of het gezin, van goede kwaliteit, die flexibel ingezet kan worden. 12

2. Effectieve samenwerking met partners in een dekkend zorglandschap, vanuit professioneel opdrachtgeveren opdrachtnemerschap. 3. Duurzame contracten met ruimte voor het realiseren van ambities & transformatie en aanpassen aan veranderende omstandigheden. 4. Meer inzicht in, en grip en sturing op inzet, effectiviteit en doelmatigheid van jeugdhulp. 5. Zicht en handelingsperspectief op de ontwikkeling van kosten. 6. Met inachtneming van bovenstaande punten, hebben we aandacht voor het beperken van administratieve lasten voor aanbieders en gemeenten.

5.4. Visie op jeugdhulpplicht Het aantal jeugdigen en gezinnen dat een beroep op jeugdhulp doet, groeit al jarenlang, óók in de periode voor de decentralisatie van de jeugdhulp naar de gemeenten. De gedachte bij de decentralisatie van de jeugdhulp was dat gemeenten als lokale overheid beter in staat zouden zijn om de groei af te remmen of zelfs om te buigen. De groei zet echter nog steeds door: het aantal jeugdigen en gezinnen dat enige vorm van jeugdhulp gebruikt stijgt verder. Daarbij speelt mee dat gemeenten op basis van de Jeugdwet een jeugdhulpplicht hebben: zij zouden in principe alle jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben van passende jeugdhulp moeten voorzien. Ook speelt mee dat (ook voor de decentralisatie) slechts een deel van de jeugdigen goed in beeld is: er zijn meer jeugdigen die een bepaalde vorm van jeugdhulp nodig hebben dan bij gemeenten en hun partners bekend is. Tot slot speelt mee dat de budgetten die gemeenten voor jeugdhulp ontvangen te laag zijn én er te weinig gekwalificeerd personeel is om al die (potentiële) jeugdigen te helpen. Er zijn nu al forse wachtlijsten en de arbeidsmarktproblematiek neemt de komende jaren nog verder toe.

De conclusie hiervan is dat gemeenten het begrip ‘jeugdhulpplicht’ niet kunnen invullen zoals het misschien bedoeld is: “passende jeugdhulp bieden aan alle jeugdigen die dat nodig hebben.” We geven daarom een andere invulling aan het begrip ‘jeugdhulpplicht’, namelijk als ‘opdracht om vanuit het maatschappelijk belang af te wegen welke groepen van jeugdigen (doelgroepen) met welke problematieken prioriteit hebben bij de verdeling van de schaarse middelen en schaarse arbeidskrachten’. Het komt er op neer dat we het begrip “alle jeugdigen die dat nodig hebben” smaller gaan invullen passend bij de opgave vanuit de Hervormingsagenda Jeugd om te normaliseren. Dat betekent ook dat de ondersteuningsvragen van bepaalde groepen jeugdigen en gezinnen op een andere manier opgelost moeten worden dan via de inzet van jeugdhulp: niet elke vraag is een probleem en niet elk probleem vraagt om de inzet van jeugdhulp. Dat past bij de wens om te normaliseren en demedicaliseren. Deze visie op jeugdhulpplicht en normaliseren bepaalt mede hoe we aankijken tegen de contractering van jeugdhulp, de toegang tot jeugdhulp en de uitvoering van de jeugdhulp.

5.5. Visie op opdrachtgeverschap en partnerschap Gemeenten hebben de wettelijke taak om jeugdhulp te organiseren voor hun jeugdigen en gezinnen, maar voeren deze voor het overgrote deel niet zelf uit. De gemeenten van Noord-Limburg kiezen ervoor om deze gezamenlijk in te kopen. Gemeenten hebben daarmee per definitie een opdrachtgevende rol ten opzichte van de zorgaanbieders bij wie de gemeenten deze hulp inkopen. Tegelijkertijd hebben gemeenten een complexe ontwikkel- en transformatieopdracht als het gaat om jeugdhulp en aanpalende terreinen. Gemeenten worden namelijk geacht om uitdagingen op het gebied van opgroeien en opvoeden te normaliseren, de eigen kracht van jeugdigen en hun gezinnen te versterken, te bouwen aan een sterke, sociale en pedagogische basis en oplossingen te organiseren in de eigen omgeving van de jeugdige en het gezin (het ‘voorliggend veld’). Deze transformatieopdracht is landelijk ook vertaald naar het financiële kader van de Hervormingsagenda Jeugd: gemeenten moeten met steeds minder financiële middelen en stijgende tarieven zorgen dat steeds meer jeugdigen en gezinnen met steeds complexere hulpvragen snel en goed 13

ondersteuning krijgen. Bij zo’n grote transformatie is de gemeente maar één speler en moet zij met alle partners die daarbij een rol hebben samen optrekken en samenwerken. Dat vraagt om een andere rol, namelijk partnerschap. Vaak is er het beeld dat beide rollen (opdrachtgeverschap en partnerschap) tegengesteld aan elkaar zijn en niet kunnen samengaan. Wij zijn van mening dat dat niet zo is. Vanuit het organiseren en inkopen van jeugdhulp zijn gemeenten per definitie opdrachtgever van aanbieders die deze jeugdhulp als opdrachtnemers voor hen uitvoeren. Daarbij helpt het beide partijen als er helderheid is en concrete afspraken over rollen, kaders, condities en resultaten. De rollen opdrachtgever/opdrachtnemer zijn ook per definitie geen gelijkwaardige rollen, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is voor volledig partnerschap. Is er dus daarmee geen sprake van partnerschap? Jawel, ook binnen de rollen opdrachtgever/opdrachtnemer is er nog steeds sprake van samenwerken en duurzame relaties. Wij kiezen daarom heel bewust voor ‘effectief opdrachtgeverschap’3. Voor ons betekent dit dat we: • Een goed opdrachtgever willen zijn: - een heldere, ondubbelzinnige opdracht; - houden aan en handhaven van eisen en afspraken, en; - zelf ook doen wat we van de ander vragen. • Werken vanuit een basishouding van vertrouwen.

• Ons richten op lange(re) termijn doelstelling en het bewerkstelligen van resultaten. • Opdrachten zoveel mogelijk formuleren in de te bereiken maatschappelijke en financiële effecten. De opdrachtgever beschrijft het ‘wat’, de opdrachtnemer bepaalt het ‘hoe’. • Willen werken vanuit gedeelde visie en waarden. • Goede opdrachtnemers nodig hebben omdat zij taken uitvoeren die we niet zelf kunnen en zij vanuit die uitvoering partners zijn in de opgave om te komen tot een duurzaam toekomstig jeugdhulplandschap. • Oog hebben voor de doelstellingen van de opdrachtgever en opdrachtnemer en daar ruimte voor bieden. • Professioneel respect voor elkaar hebben. Niet meer vastleggen en vragen dan nodig. Door te kiezen voor effectief opdrachtgeverschap en bovenstaande punten in de praktijk toe te passen, kunnen we jeugdhulp op een goede en houdbare manier contracteren, oplossingen bieden voor de geconstateerde verbeterpunten, bouwen aan langdurige relaties en samenwerkingen en ruimte bieden om verder te vernieuwen, verbeteren en transformeren. Als opdrachtgever hebben we rekening te houden met de verschillende belangen die er spelen. Het belang van jeugdigen en gezinnen om zo snel mogelijk de beste (passende) hulp te krijgen.

Het belang en de ethiek van de hulpverlener om mensen te helpen, de beste zorg van goede kwaliteit voor de eigen cliënten te bieden en een goede relatie op te bouwen met de eigen cliënten. Het belang en de ethiek van de aanbieder loopt hier grotendeels gelijk mee, maar een aanbieder kijkt ook naar de eigen continuïteit (voortbestaan) en zekerheid. Vanuit de ethiek van de hulpverlener (de wens om een relatie met de cliënt op te bouwen en het beste te doen voor de eigen cliënten) wegen de eigen cliënten voor de hulpverlener zwaarder dan (nog) onbekende jeugdigen die ook jeugdhulp nodig hebben en daar misschien al langer op wachten (wachtlijsten). Dat is begrijpelijk, maar er hoort nog een ander perspectief naast, namelijk het perspectief van het maatschappelijk belang. Zoals in paragraaf 5.4 ‘visie op jeugdhulpplicht’ is toegelicht, zien we het als onze opdracht als gemeentelijke overheid om vanuit het maatschappelijk belang af te wegen welke groepen van jeugdigen (doelgroepen) met welke problematieken prioriteit hebben bij de verdeling van de schaarse middelen en schaarse arbeidskrachten. Met andere woorden: we dienen oog te hebben voor de jeugdigen die een vorm van jeugdhulp nodig hebben of ze 3 Segment, Effectief Opdrachtgeverschap, januari 2020.

14

nu al in beeld zijn of niet. En we weten dat er voor elke jeugdige met jeugdhulp velen zijn die dringend op jeugdhulp wachten. Op basis daarvan dienen we te bepalen hoe we de schaarse middelen en arbeidskrachten inzetten en willen we daarop ook sturen. Het maatschappelijk belang weegt zwaarder dan het belang van ‘allerbeste voor die ene cliënt’. Daarom sturen we erop om de schaarse middelen en arbeidskrachten te verdelen over zoveel mogelijk groepen van jeugdigen (doelgroepen) die prioriteit hebben. En dat kan alleen als we dit doortrekken van visie naar uitvoering. Daarom vertalen we dit naar onze visie en strategische doelen en komt het tot uiting in afspraken met aanbieders en met andere verwijzers naar jeugdhulp en partners in het sociaal domein. Denk hierbij aan: sturen op de juiste doelgroepen (vooral ook de moeilijke casussen) en sturen op afschalen en afsluiten (‘een zes is immers ook een voldoende’). Ook komt dit terug in de wijze van financieren en de afspraken over innovatie en transformatie. De kernboodschap van dit hoofdstuk is in het kort: 1. De regio Noord-Limburg wil de transformatie van jeugdhulp stimuleren en de beweging om te normaliseren versterken met als doel om jeugdhulp van goede kwaliteit te bieden aan de groep jeugdigen en gezinnen die dit gezien hun problematiek en hulpvragen niet zonder jeugdhulp kunnen oplossen. 2.

De regio Noord-Limburg verwacht dat aanbieders een bijdrage leveren in de maatschappelijke en landelijke opgaven zoals verwoord in o.a. Hervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. 3. De regio Noord-Limburg maakt op basis hiervan keuzes over de invulling van het begrip ‘jeugdhulpplicht’ en de inrichting van en sturing op het zorglandschap en komt samen met aanbieders tot afspraken hoe de visie en doelen concreet kunnen worden gerealiseerd. We verwachten dus van onze opdrachtnemers dat zij hierin hun verantwoordelijkheid nemen en een actieve rol vervullen.

15

6. Verbeterpunten Het doel van het inkoop is via contractering en bekostiging verbetering in de toeleiding naar, inzet van en afschaling van jeugdhulp te realiseren, zodat: • Jeugdigen en gezinnen die dat nodig hebben zo snel mogelijk passende, kwalitatief goede en effectieve jeugdhulp ontvangen; • Jeugdhulpaanbieders zo eenvoudig, efficiënt en snel mogelijk jeugdhulp kunnen inzetten, waar nodig elkaar en andere partners kunnen inschakelen en voor hun inzet een reële vergoeding ontvangen; • Gemeenten zicht hebben op de behoefte aan en inzet en kosten van jeugdhulp, samen met aanbieders, andere verwijzers en andere partners verbindingen kunnen leggen met het voorliggend veld en andere relevante beleidsterreinen en uitkomen met de middelen die gemeenten hiervoor van het rijk ontvangen. Op grond hiervan kunnen we (niet uitputtend) benoemen wat ons te doen staat. Daarbij maken we onderscheid tussen meer algemene, overstijgende onderwerpen en meer inhoudelijke, aan de segmenten gekoppelde onderwerpen.

Overstijgende onderwerpen Hoe kunnen we: • De discussie tussen toegang en aanbieder over juiste zorginzet verminderen? • De samenwerking tussen aanbieders rond casussen vergemakkelijken? • De mogelijkheden voor de inzet van jeugdhulp over de (sub)segmenten heen vergroten? • Leemten in de dekkendheid van het jeugdhulplandschap opvullen, zowel wat betreft specifiek / specialistisch aanbod als qua geografische dekking? • Flexibiliteit in de raamovereenkomsten vergroten, waardoor deze eenvoudiger kunnen worden aangepast? • De overgang naar andere wettelijke regimes vergemakkelijken, bijvoorbeeld rond 18-/18+? • Zorgen voor meer oog voor effectiviteit en kostenbewustzijn bij de inzet en uitvoering van jeugdhulp? • Meerwerk, maatwerk en niet-gecontracteerd-aanbod beter vormgeven als uitzonderingen op het ingekochte jeugdhulpaanbod? • Komen tot reële tarieven voor het uitvoeren van de verschillende vormen van jeugdhulp, rekening houdend met verschillen in omvang, specialisme en functie van aanbieders? • Een stevige opdracht formuleren om gezamenlijk met aanbieders en andere partners te werken aan een meer doelmatige inzet van beschikbare middelen? • De administratieve lasten voor aanbieders en gemeenten terugdringen? • Knelpunten oplossen rond kwaliteitseisen en krapte op de arbeidsmarkt (kan ook bij inhoudelijke onderwerpen)? • Goede KPI's aan de voorkant vaststellen, met een

onderliggend meetplan zodat we daar beter op kunnen sturen? Inhoudelijke onderwerpen • Hoe zorgen we voor een oplossing voor de onduidelijkheid met betrekking tot het onderscheid tussen perspectief 2 en jeugd-GGZ? • Hoe kan zorg binnen het onderwijs efficiënter ingekocht en ingezet worden? • Oplossingen zijn er voor knelpunten in vraag/aanbod en problemen rond in- en uitstroom? • Wat is nodig om op onderdelen de productinhoud te verduidelijken? • Hoe zorgen we voor de beweging naar voorliggend veld? • Hoe dringen we de instroom in de jeugdhulp terug en zorgen we voor een betere uitstroom? • Hoe geven we handen en voeten aan normaliseren?

16

• • •

•

Hoe borgen we dat de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp hoog blijft in relatie tot arbeidsmarktproblematiek? Hoe komen we tot een betere sturing op de effectiviteit van de jeugdhulp? Hoe geven we invulling aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een toekomstbestendig en duurzaam jeugdhulpstelsel binnen het (landelijk) gestelde financiële kader (met andere woorden hoe houden we grip op de kosten)? Hoe zorgen we voor meer samenhang tussen de verschillende segmenten?

Overige onderwerpen We willen met de nieuwe contractering een aantal andere relevante onderwerpen adresseren en oplossen: • Hoe gaan we om met eisen rond SROI*, MVI* en cliënttevredenheid? • Hoe kijken we naar contractuele eisen in het kader van controles op kwaliteit en rechtmatigheid? • Hoe kunnen we een oplossing bieden voor discussies op het gebied van medicijncontrole (GGZ)? • Hoe gaan we om met iets als een ‘waakvlamcontact’? • Wat doen we met overige jeugdcontracten (Dwang, Veilige Start, Leervoorziening Vorster Hand, etc.)? • Hoe organiseren en contracteren we het vervoer gekoppeld aan jeugdhulp efficiënt en passend? • Hoe borgen we de functie ‘consultatie en advies’ beter? • Hoe kijken we met de huidige ervaringen aan tegen hoofdaannemerschap/onderaannemerschap? • Hoe kunnen we beter sturen op ontwikkelopdrachten en tot concrete stappen komen? • Hoe regelen we zak- en kleedgeld goed in op basis van de nieuwe landelijke handreiking (nemen we mee bij tariefonderzoek)? Bij diverse van deze onderwerpen is het de vraag of deze apart opgepakt worden of meelopen in de uitwerking bij de segmenten (medicijncontrole, waakvlamcontact, consultatie en advies) of de bekostiging en contractvorm (onderaannemerschap).

17

7. Zorglandschap jeugd 7.1. Marktanalyse In deze paragraaf zetten we op een rij hoeveel jeugdigen de afgelopen jaren jeugdhulp vanuit segment 2, 3 en 4 hebben ontvangen en welke budgetten daarmee gemoeid waren. Dit betreft alle verstrekte maatwerkvoorzieningen (inclusief meerwerk, maatwerk en niet-gecontracteerd-aanbod (NGA)). Dat geeft het volgende beeld (waarbij de tarieven voor 2023 met circa 4,74% zijn geïndexeerd ten opzichte van 2022): Inkoopvolume segment 2 Segment 2

2022 # cliënten

Beesel Bergen Gennep Horst aan de Maas Peel en Maas Venlo Venray Totaal

2023

€

# cliënten

€

26 25 21 45 52 257 67 493

€ 447.412 € 420.254 € 409.363 € 562.097 € 716.235 € 4.575.808 € 1.408.830 € 8.539.999

25 20 21 42 43 264 63 478

€ 736.847 € 439.564 € 420.988 € 1.005.716 € 742.074 € 5.916.358 € 1.672.058 € 10.933.605

# cliënten 42 27 42 79 96 320 130 736

2022 € € 312.451 € 311.119 € 298.445 € 593.148 € 966.876 € 3.835.948 € 1.573.961 € 7.891.948

# cliënten 43 32 47 75 81 331 134 741

2023 € € 408.011 € 395.171 € 425.928 € 696.862 € 1.052.812 € 3.963.565 € 1.880.854 € 8.823.202

# cliënten 318 261 400 919 762 2144 906 5704

2022 € € 1.651.473 € 1.204.098 € 1.768.543 € 3.912.122 € 3.858.633 € 11.474.922 € 5.397.138 €29.266.929

# cliënten 326 262 412 871 683 2202 919 5665

2023 € € 1.779.416 € 1.425.026 € 2.397.497 € 4.159.899 € 3.716.973 € 12.762.812 € 5.917.334 € 32.158.958

Inkoopvolume segment 3 Segment 3 Beesel Bergen Gennep Horst aan de Maas Peel en Maas Venlo Venray Totaal

Inkoopvolume segment 4 Segment 4 Beesel Bergen Gennep Horst aan de Maas Peel en Maas Venlo Venray Totaal

18

Los van bovenstaande marktanalyse en de omvang van de segmenten qua aantallen en uitgaven behouden de gemeenten te allen tijde de ruimte om waar zij dat wenselijk en passend vinden de beweging te maken van de inzet van specialistische maatwerkvoorzieningen naar preventieve en voorliggende voorzieningen of om alternatieven te ontwikkelen en in te zetten om de hulpvragen van hun jeugdigen en gezinnen te beantwoorden. Nadere analyse We hebben een analyse gemaakt van de huidige markt: welke aanbieders leveren op dit moment jeugdhulp aan de jeugdigen en gezinnen van Noord-Limburg? Om een goed beeld te krijgen van huidige inzet van de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in Noord-Limburg hebben we een pareto/ABC analyse uitgevoerd. Dit betekent dat we alle betalingen aan een aanbieder bij elkaar optellen en de totale betalingen voor alle segmenten van hoog naar laag zetten. Meestal is de uitkomst dan dat er drie categorieën te onderscheiden zijn:

A: 80% van de uitgaven en in de regel 20% van de aanbieders B: 15% van de uitgaven en in de regel 30% van de aanbieders C: 5% van de uitgaven en in de regel 50% van de aanbieders Voor Noord-Limburg levert dat het volgende inzicht op voor het totaal4 van segment 2, 3 en 4:

In totaal zijn er 77 aanbieders, die we grofweg in drie categorieën kunnen indelen: - Veertien aanbieders (categorie A) leveren ondersteuning aan circa 65% van cliënten van Noord-Limburg en 80% van de uitgaven aan maatwerkvoorzieningen jeugd gaat naar deze aanbieders. Zij hebben daarmee een cruciale rol in zorglandschap jeugd van Noord-Limburg. - De daaropvolgende groep van negentien aanbieders (categorie B) levert ondersteuning aan circa 25% van de cliënten van Noord-Limburg en 16% van de uitgaven aan maatwerkvoorzieningen jeugd gaat naar deze aanbieders. - Categorie A en B samen leveren ondersteuning aan 90% van de cliënten en de gemiddelde kosten per cliënt zijn voor deze twee categorieën behoorlijk vergelijkbaar. - De derde groep (categorie C) kent 44 aanbieders die voornamelijk minder zware zorg lijken te leveren gezien de lagere kosten per cliënt dan in de andere twee categorieën. Zij leveren ondersteuning aan minder dan 10% van de cliënten en de uitgaven aan deze ondersteuning is zo’n 5% van het totaal.

7.2.

Indeling zorglandschap – categorieën aanbieders

Bij de nieuwe contractering 2026 willen we aansluiten bij bovenstaande indeling van de aanbieders in drie categorieën. De drie categorieën sluiten aan bij hoe het landschap van aanbieders er momenteel uitziet, waarbij elke categorie belangrijke onderdelen te bieden heeft, die elkaar vaak aanvullen. We vinden het belangrijk om te benadrukken dat het zorglandschap uit het totaal aan aanbieders bestaat, waarbij alle aanbieders vanuit hun eigen rol en expertise belangrijk zijn en het verschil kunnen maken voor onze jeugdigen en gezinnen. Qua omvang en specialismen zijn er ook belangrijke verschillen die rechtvaardigen dat de relatie & samenwerking met, verwachtingen van en eisen aan niet alle (categorieën van) aanbieders dezelfde zijn.

4 De bedragen in deze tabel wijken af van de tabellen daarboven omdat het hier alleen het gecontracteerd

aanbod betreft. 19

De drie categorieën die we onderscheiden zijn: • De eerste categorie betreft de systeembrede aanbieders, waarmee we maximaal willen inzetten op ontwikkeldoelstellingen en doorontwikkeling van het zorglandschap. Deze systeembrede aanbieders hebben een brede verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld ook rondom opleiding) en leveren zorg in meerdere segmenten. • De tweede categorie betreft de aanbieders die gezamenlijk zorgen voor voldoende dekking binnen het zorglandschap en samen met de systeembrede partijen meewerken aan doorontwikkeling van het zorglandschap. • De derde categorie zijn de aanbieders die zorgen voor het complete zorgaanbod bijvoorbeeld vanwege specifieke expertise en een aanvulling vormen op de eerste en tweede categorie bij onder meer het verkorten van wachttijden. 1. Categorie A • Deze aanbieders bieden een breed pallet aan jeugdhulp over de segmenten heen. • Zij hebben een bepaalde capaciteit beschikbaar en zijn bereid en in staat deze, waar gewenst, te vergroten. • Zij zijn strategische ontwikkelpartners, waarmee we het zorglandschap doorontwikkelen en waarmee we nauw samenwerken. • De financiële gezondheid van deze partijen heeft invloed op de financiële gezondheid van het zorglandschap. Ook uit oogpunt van duurzaamheid en continuïteit van het zorglandschap trekken we deze aanbieders nauwer naar ons toe.

• We stellen gezamenlijk doelen en stuuropdrachten op met kaders, normen, KPI’s. • We vragen van deze aanbieders dat ze proactief sturen en initiatief en verantwoordelijkheid nemen, ook bij bredere ontwikkelingen in jeugdhulpstelsel zoals voortkomen uit de Hervormingsagenda Jeugd en het financiële kader (taakstelling) die daaraan is gekoppeld. Zie bijvoorbeeld de transformatieopgave zoals toegelicht in hoofdstuk 10. • Met deze aanbieders hebben we nauw contact op basis van frequente contractgesprekken, waarmee we de KPI’s uit de stuuropdrachten volgen. 2. Categorie B • Deze aanbieders bieden specialistisch aanbod dat noodzakelijk is om aan de ondersteuningsvragen van de jeugdigen en gezinnen van Noord-Limburg te kunnen voldoen. • Deze aanbieders zijn te klein (in onze regio) om een systeembrede transformatieopgave en een trekkende rol op te pakken, maar werken wel mee aan de doorontwikkeling van het zorglandschap. Daarmee is hun rol in de doorontwikkeling van het zorglandschap kleiner dan die van categorie A maar groter dan die van categorie C. • Wel verwachten we dat ze proactief sturen op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van jeugdhulp. Daarom willen we gezamenlijk met deze aanbieders stuuropdrachten opstellen met kaders, normen en enkele KPI’s ontwikkelen die passen bij hun rol in het zorglandschap.

• Met deze aanbieders hebben we regelmatig contact op basis van contractgesprekken waarmee we de KPI’s uit de stuuropdrachten volgen. De frequentie van de contractgesprekken is lager dan bij categorie A. 3. Categorie C • Deze aanbieders vormen als het ware een flexibele schil, een aanvulling op het aanbod van de andere twee categorieën. • Deze aanbieders ondersteunen (in onze regio) een beperkter aantal cliënten. • Zij bieden inzet onder meer vanwege het woonplaatsbeginsel, een bepaalde expertise of ter verkorting van wachtlijsten. 20

•

• • • •

•

7.3.

In deze categorie valt ook al het aanbod waar we op dit moment op cliëntbasis een nietgecontracteerde-aanbieder voor inschakelen (de huidige NGA’s en ook eventuele nieuwe NGA’s in de toekomst). Ook willen we in deze categorie nieuwe producten of bijzondere zorgvormen kunnen toevoegen. Bij deze categorie willen we daarom tussentijdse toetreding onder voorwaarden mogelijk maken. We voeren met deze aanbieders geen standaard contractgesprekken, maar doen dat incidenteel op basis van signalen. Voor deze aanbieders vinden we het passend dat ze alleen leverancier van jeugdhulp zijn en verwachten we geen of een beperkte bijdrage leveren aan de doorontwikkeling en transformatie. Desgewenst mogen ze dat uiteraard wel. Als een aanbieder in deze categorie een jaar lang geen omzet heeft gehad vanuit Noord-Limburg beëindigen we het contract. Hiermee houden we het aanbiedersbestand up to date en zorgen we dat er geen onnodige slapende contracten in omloop zijn.

Indeling zorglandschap – hulpvormen en producten

Voor de indeling van het zorglandschap in hulpvormen en zorgproducten hebben we op basis van de evaluatie, de uitwerking in de afgelopen maanden, de gesprekken met aanbieders en andere partners en de marktconsultatie een hoofdlijnenschets ontwikkeld. Die is hieronder opgenomen en wordt in deze paragraaf verder toegelicht. We zijn ons ervan bewust dat we hiermee “hokjes” creëren, maar het creëren van hokjes is onvermijdelijk. Het is vervolgens vooral de vraag hoe we met deze hokjes omgaan en hoe we “eroverheen organiseren”. De schets bevat ook een voorstel voor een ‘analysefase’ die hoort bij het toegangsproces (toegang tot maatwerkvoorziening jeugd). Die lichten we eerst toe waarna we ingaan op de zorgproducten. Toegangsproces

(Proces van) Vraagverheldering •

1 of meer gesprekken door toegang/GI/(huis)arts

•

Hulpvraag jeugdige/gezin in beeld

•

OF: Doelen, indicatie en aanbieder duidelijk

OF: Doelen en indicatie vragen aanvullende analyse Alleen aanbieder duidelijk

Analysefase •

Duidelijke vraagstelling, afgebakende tijd

•

Opleveren aanbevelingen/rapport

Gesprek jeugdige/gezin - aanbieder – toegang/GI •

Gedeeld beeld over vervolg (zorginhoudelijk & doelen (met jeugdige/gezin) en indicatie (zonder jeugdige/gezin))

•

Commitment van jeugdige/gezin/systeem en alle betrokken partijen

21

Analysefase De toegang (gemeentelijke toegang, GI of (huis/jeugd)arts) verheldert de vraag van de jeugdige/gezin. Het is afhankelijk van welke partij het betreft hoeveel tijd en expertise hiervoor beschikbaar is. In de huidige systematiek bestaat de mogelijkheid om consultatie en advies in te zetten, als tijd en/of expertise ontbreekt om de (volledige) vraag helder te krijgen. Hier wordt door sommige gemeenten meer gebruik van gemaakt en er wordt bij sommige aanbieders meer gebruik van gemaakt. Het gebruik blijft echter een uitzondering. Aanbieders geven aan dat zij regelmatig, na hun eigen diepere analyse, tot aanvullende of andere bevindingen en doelen komen dan die de toegang heeft bepaald. Vervolgens vindt de aanbieder de beschikte indicatie onvoldoende, waardoor discussie ontstaat tussen toegang en aanbieder. Om dit te voorkomen willen we de bredere en diepere analyse meer naar de voorkant halen, zodat het probleem aangepakt kan worden, in plaats van symptoombestrijding. Naast de probleemanalyse moet er ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn op normaliseren (in plaats van problematiseren). Dit moet leiden tot een beter passende zorginzet, waardoor de daadwerkelijke hulp effectiever en efficiënter ingezet kan worden. Dit moet de doorlooptijd/doorstroom van de daadwerkelijke hulpverlening verkorten.

Dit is een verschil van visie ten opzichte van de huidige systematiek en past ook binnen de ontwikkelingen van de hervormingsagenda jeugd. Deze analyse(fase) kan uitgevoerd worden door de toegang of door een aanbieder, afhankelijk van onder andere tijd en/of expertise en wordt in principe gedaan vóór de daadwerkelijke hulpverlening. Hierdoor wordt de analyse en daadwerkelijke hulp nadrukkelijker opgeknipt. De analyse(fase) moet wel nadrukkelijk een toegevoegde waarde hebben en geen “vinkje” zijn om af te strepen. Daarom staat in het plaatje de analysefase als een optie beschreven. Welke knelpunten lost dit op? • Knelpunt: Teveel discussie tussen toegang en aanbieder. - Door aan de voorkant een bredere en diepere analyse te doen en dus te zorgen voor goede beeldvorming te hebben, kan vervolgens duidelijker en meer onderbouwd hulp ingezet worden en hier een passende indicatie voor gegeven worden. Dit moet zorgen voor minder discussie tussen toegang en aanbieder. • Knelpunt: Wens voor meer grip en sturing. - Door betere overeenstemming aan de voorkant, kan de toegang beter zijn rol pakken in het volgen van de voortgang en bijsturen wanneer nodig. • Knelpunt: Het onderscheid tussen WAT en HOE wordt als niet passend ervaren. - De rollen, taken en verantwoordelijkheden tussen jeugdige/gezin, toegang en aanbieder worden duidelijker afgebakend, afgestemd op de praktijk en vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/318/documents/20889