CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

010bijl 1.1 Toelichting bp uitbreiding Barge Terminal.pdf

Raadsvergadering 23 maart 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: RV 10 Vaststellen bestemmingsplan Uitbreiding Barge Terminal Venlo23.332 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

CroonenBuro5

20

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Ontwikkelingen dragen bij voorkeur bij aan het bereiken van de strategische en ruimtelijke ambities van de gemeente Venlo.

Relevantie Een van de majeure opgaven betreft het verbeteren van de infrastructuur en bereikbaarheid voor personen- en goederenvervoer door robuuste structuren. Onderhavig bestemmingsplan heeft directe invloed op dit beleidsspeerpunt. De bereikbaarheid van Venlo en haar woon- en werklocaties zijn een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor bewoners en bedrijven. De regio profiteert van deze aantrekkingskracht op bedrijven, bezoekers en werkgelegenheid. De belasting van de (boven)lokale infrastructuur zal in de toekomst blijven toenemen, voor zowel weg, water als spoor. In de regio Venlo, waar met logistiek veel geld wordt verdiend, is het noodzakelijk dat de infrastructuur van weg, water en spoor op een nog hoger niveau wordt gebracht. Dit wordt als nationaal belang erkend. Daarom wordt er gestreefd naar een bereikbare, verkeersveilige en toegankelijke stad, zoveel mogelijk op basis van een schoon, duurzaam, stil en veilig mobiliteitssysteem voor personen én voor goederen. Hiervoor is een robuuste, dat wil zeggen een stevige, doch weerbare, infrastructuur onmisbaar en zal water beter moeten worden benut. De uitdaging daarbij is om de belastende effecten van mobiliteit (o.a. geluidshinder, luchtkwaliteit) in balans te houden met de gewenste kwaliteit van leven. Voor het bereiken van deze doelstellingen zijn een aantal onderzoeksopgaven geformuleerd.

Een van deze onderzoeksopgave richt zich concreet op het uitbreiden van de haven in het bijzonder de capaciteit van de bargeterminal, voor het laden en lossen van containers.

Figuur 13. Uitsnede kaartbeeld Robuuste structuren

CroonenBuro5

21

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Het plangebied is op het kaartbeeld van het thema ‘Robuuste structuren’ dan ook aangeduid als zoekgebied voor uitbreiding van de barge terminal. Tevens is het beleid erop gericht om ter plaatse van de barge terminal de ontsluiting van de haven voor vrachtverkeer te verbeteren. Onderhavig bestemmingsplan maakt de gewenste uitbreiding noodzakelijk. In de diverse milieu- en omgevingsonderzoeken wordt aangetoond dat de belastende effecten geen belemmeringen vormen (hoofdstuk 4). Daarnaast kan door de uitbreiding een logische en ontlastende routing van vrachtverkeer van en naar de barge terminal worden gerealiseerd. De ontwikkeling is dus in lijn met de Ruimtelijke structuurvisie.

Havenvisie 2020 In 2020 is de Havenvisie uit 2011 geactualiseerd. Met de vaststelling van de nieuwe Havenvisie Venlo stelt de raad een afwegingskader vast voor de ruimtelijke initiatieven die hier uit voortvloeien. Het vormt een meerjarig en dynamisch ontwikkelplan voor de haven. De visie en de uitvoeringsagenda samen benoemen de zaken die op de korte, middellange en lange termijn aan de orde zijn voor deze ontwikkeling. Het plan geeft daarmee een duidelijke richting en houvast, voor de gemeente en voor de huidige en toekomstige partijen in de haven. Verder laat de visie zien welke maatregelen in de tijd gezien (moeten) worden getroffen en waarom. De ontwikkeling van de haven als motor van de Greenport Venlo vraagt om een aantal strategische keuzes op een aantal thema’s. − multimodaal: in de haven liggen verschillende vervoerstypen (weg, water, spoor) in elkaars nabijheid. Daarom wordt ervoor gekozen om - bij de doorontwikkeling van de haven en de beoordeling van ontwikkelinitiatieven - erop in te zetten dat deze vervoerstypen direct met elkaar worden verbinden.

Dergelijke nieuwe koppelmogelijkheden zijn er bij een uitbreiding van de containerterminal (weg/water) en in het potentiele uitbreidingsgebied aan de noordoever (weg/water/spoor); − groen: het stimuleren van vervoer over water – als vervanging van de vervoersbewegingen over de weg – heeft naast economische voordelen ook voordelen ten aanzien van duurzaamheid en veiligheid. Binnen de scheepvaart is een transitie gaande van fossiele naar alternatieve energiebronnen. Ook in de haven zelf wordt ingezet op vergroening (natuur inclusief ontwerpen van de ruimte) en verduurzaming alsook behoud en versterking van de ecologische verbindingsfunctie in het Maasdal; − economie: in de haven zijn watergebonden bedrijven gevestigd, maar ook bedrijven die dat niet zijn. Kavels aan het water zijn relatief schaars. Daarom is het zaak in te zetten op het maximaal benutten van watergebonden kavels door watergebonden bedrijvigheid. Een duurzame en marktgerichte ontwikkeling van de haven vraagt daarom vooralsnog om het primair inzetten op het optimaliseren van het gebruik van de huidige kavels en het vervolgens, met de marktvraag mee op, ontwikkelen van nieuwe kavels voor watergebonden bedrijvigheid; − hoogwater: in de haven ligt nog een dijkversterkingsopgave om de waterkering te laten voldoen aan de norm.

Uit het huidige gemengde karakter van de bedrijvigheid in de haven volgt de noodzaak van een maatwerk aanpak bij de hoogwaterbeschermingsopgave. Maatwerk is nodig om te bepalen welke hoogwatermaatregelen genomen kunnen/moeten worden. Het gemengde karakter leidt tot een gemengde doelstelling: het bedrijventerrein watergerelateerd houden én beschermen tegen hoogwater. In samenspraak met het Waterschap en de bedrijven wordt de hoogwaterveiligheid geborgd; − infra: Een goede bereikbaarheid en verkeerveiligheid zijn cruciaal voor het goed functioneren van de haven. Zowel voor de dagelijkse logistiek als in geval van een calamiteit voor de hulpdiensten. De Greenportring is een robuuste schakel, zowel in de bereikbaarheid van de industriegebieden als de haven, waarin verder geïnvesteerd moet worden. Ook voor veiligheid en mobiliteit van de werknemers van de bedrijven in de haven moet geïnvesteerd worden in infra (fietspaden) en aantrekkelijke mobiliteitssystemen;

CroonenBuro5

22

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

− veiligheid: in verband met de veiligheid op het water bij de haven is het scheiden van de jachthaven en industriehaven noodzakelijk. Specifiek in verband met veiligheid bij calamiteiten (vanwege de aanwezigheid van bedrijven met gevaarlijke stoffen in de haven) wordt ingezet op de realisatie van een 2e ontsluitingsweg.

Relevantie Met voorliggende ontwikkeling wordt de barge terminal uitbreidt. De uitbreiding van de barge terminal wordt in de Havenvisie als project op korte termijn genoemd, om de groei van het vervoer over water op te vangen. Met de uitbreiding van de barge terminal is sprake van een uitbreiding van watergebonden bedrijvigheid op een kavel gelegen aan het water. Hiermee is de ontwikkeling passend binnen het kader van de Havenvisie. Bij de uitbreiding van de barge terminal wordt tevens ingezet op het behoud en versterking van de ecologische waarden. Er worden preventief mitigerende maatregelen genomen ten behoeve van beschermde soorten. Een deel van de groene laan met bomen langs de Tjalkkade verdwijnt. De bomen die verdwijnen, worden gecompenseerd binnen het betreffende bedrijventerrein. De gemeente Venlo verzorgt de aanleg van de kade en de verharding. In overleg met Openbare Werken wordt bekeken waar compensatie plaats kan vinden.

Economisch Uitvoeringsprogramma 2019 In 2019 is het Economisch Uitvoeringsprogramma 2019 – 2022 van de gemeente Venlo vastgesteld met als doel: − een concrete uitvoering van maatregelen en projecten, waarbij toegewerkt wordt naar een duidelijke rolverdeling tussen gemeente en andere partners; − een verbinding te maken met parallel lopende trajecten, zoals de ontwikkeling van de nieuwe Regionale Investeringsagenda en de inhoudelijke prioriteiten en werkwijzen die Crossroads Limburg wil gaan hanteren; − inspelen op belangrijke beleidsthema’s en bijbehorende instrumenten en middelen van EU (o.a. grote maatschappelijke opgaven als food, slimme en duurzame logistiek, energietransitie en circulaire economie), Rijk (o.a. topsectoren- en missiegedreven innovatiebeleid, klimaatbeleid) en Provincie (o.a. Brightlands Campussen- en arbeidsmarktbeleid, energietransitie). Als logistiek knooppunt tussen Randstad/Antwerpen en Ruhrgebied heeft Venlo veel belang bij een goede (inter)nationale bereikbaarheid per weg, water en spoor. In de nieuwe mobiliteitsvisie van Venlo en de regio (Trendsportal) is het verbeteren van de Ruimtelijke Economische bereikbaarheid dan ook als een van de vijf hoofddoelen opgenomen.

Op allerlei fronten wordt gewerkt om de strategische hoofdinfrastructuur verder te verbeteren (onderzoek en investeringen in weg- en spoorinfrastructuur, spoor- en barge terminals, en truckparkeren. Daarbij ligt er een grote opgave om de CO2 uitstoot als gevolg van deze logistieke / vervoersactiviteiten te beperken.

Relevantie In het Economisch Uitvoeringsprogramma wordt de uitbreiding van de barge terminal als belangrijke voorwaarde genoemd naar een duurzame vervoer over spoor en water. De ontwikkeling past hiermee binnen het kader van het uitvoeringsprogramma.

Conclusie Het gemeentelijk beleid is er op gericht de bestaande krachten beter te benutten. De logistieke sector op het bedrijventerrein Venlo Trade Port is een van deze bestaande krachten. In de verschillende beleidsdocumenten wordt ingezet op het verder versterken van de bovenregionale logistieke positie van het bedrijventerrein Venlo Trade Port in zijn algemeenheid en de barge terminal

CroonenBuro5

23

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

in het bijzonder. Onderhavig bestemmingsplan maakt de uitbreiding van de barge terminal mogelijk en is daardoor in overeenstemming met het beleid van de gemeente.

CroonenBuro5

24

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

4

Gemeente Venlo

Milieuhygiënische en planologische verantwoording Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten.

4.1

Vormvrije m.e.r. Algemeen Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) dient voor categorieën die zijn genoemd in het besluit een milieueffectrapportage worden opgesteld indien op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze aspecten dienen dan in de toelichting van het bestemmingsplan te worden behandeld.

Toetsing Het project vindt plaats op een bestaand bedrijventerrein en de ontwikkelingslocatie heeft een oppervlakte van in totaal circa 3 ha. Hierdoor blijft de ontwikkeling onder de aangegeven grenzen van de EEG-richtlijn. Derhalve geldt geen directe m.e.r. beoordelingsplicht, maar is een vormvrij m.e.r.-beoordeling aan de orde. Deze beoordeling is uitgevoerd door DGMR (d.d. 12 april 2021). Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan, hieronder worden de conclusies besproken. In het kader van het bestemmingsplan zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de verschillende paragrafen in dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van deze onderzoeken. Op basis van de conclusies uit deze onderzoeken is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De locatie en de omgeving hebben geen kenmerken waarop de effecten van het project belangrijke nadelige gevolgen vanuit het perspectief van milieu zullen hebben. Waar nodig worden maatregelen getroffen om effecten te voorkomen of als dat niet kan zoveel mogelijk te beperken. Door het voorkomen en zoveel mogelijk beperken zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van de uitbreiding van de binnenvaart terminal uitgesloten. Er geldt geen m.e.r-(beoordelings)plicht voor het project.

Conclusie Voor milieuaspecten geldt dat er nauwelijks effecten optreden. Geconcludeerd kan worden dat er geen verplichting is tot het opstellen van een m.e.r. voor onderhavig bestemmingsplan.

4.2

Bodem Algemeen De bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Bij een bestemmingswijziging wordt bodemonderzoek noodzakelijk geacht, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een ‘strengere’ bodemgebruiksvorm inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, wordt de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet noodzakelijk geacht.

CroonenBuro5

25

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Toetsing Voor de omgevingsvergunning is inzicht in de bodemkwaliteit wel een vereiste. In dit kader is door DGMR een bodem risico analyse (d.d. 18 februari 2021) uitgevoerd. Deze analyse is als bijlage toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan, de conclusies worden hieronder kort besproken. Alle voorkomende werkzaamheden en activiteiten bij Venlo Trade Port die in beginsel bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, zijn volgens de systematiek van de Nederlandse richtlijn bodembescherming 2012 nader uitgewerkt. Uit de nadere uitwerking is gebleken dat voor alle aspecten sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.3

Flora en Fauna Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de actuele natuurwetgeving. Om een goed beeld te krijgen van de aanwezige waarden en de eventuele gevolgen hierop voor onderhavig bestemmingsplan is door het bureau Els & Linde een quickscan ecologie verricht (d.d. 9 februari 2021). Deze quickscan is als bijlage toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan, de conclusies worden hieronder kort besproken.

Toetsing Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt en vastgelegd in de ruimtelijke verordening. Ruimtelijke plannen moeten hieraan worden getoetst. Op 190 meter van het plangebied ligt een uitloper van de Maasoever die als NNN-gebied is aangewezen. Een mogelijk negatief effect op het NNN is mogelijk verstoring door toenemende (nachtelijke) verlichting. Om deze effecten vanwege toenemende nachtelijke lichtuitstraling te beperken wordt een lichtplan opgesteld dat voldoet aan de Richtlijn Lichthinder van NSVV. Dit lichtplan is waarschijnlijk niet gereed voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein – 4’ is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het doen van een lichtonderzoek wat voldoet aan de hiervoor genoemde richtlijn. Hiermee worden directe gevolgen voor het NNN-gebied voorkomen. Natura 2000 gebieden Natura 2000-gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en wetlands zijn beschermd via de Wet natuurbescherming en hebben derhalve een wettelijke status. In of in de nabijheid van het NNN en Natuurbeschermingswetgebieden geldt het ‘Nee, tenzij’- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als deze ontwikkelingen de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.

CroonenBuro5

26

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Het Natura 2000 gebied Maasduinen ligt ten noorden van Venlo op ruim vier kilometer van het plangebied. Vlak over de grens met Duitsland ligt het Natura 2000 gebied ‘Natte Platte mit Grenswald u. Meinweg’, dat op ongeveer 5 kilometer van het plangebied is gelegen. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is, is aanwezig. De invloed van stikstofdepositie wordt nader behandeld in paragraaf 4.4. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Soortenbescherming Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat er aanwezigheid van vleermuizen in de betreffende bedrijfspanden en populieren op locatie op voorhand niet is uit te sluiten. De aanwezigheid van gierzwaluwen in het pand aan Tjalklade 25-27 is eveneens niet op voorhand uitgesloten. Een onderzoek naar deze soorten wordt geadviseerd. Er is mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de begroeiing, de bomen en langs de oevers op en direct rond de locatie. Ook is het mogelijk voor een aantal soorten om te nestelen op de platte daken van de panden op locatie. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. Daarnaast is geschikt oppervlaktewater aanwezig voor watergebonden organismen in de directe omgeving van locatie. Er mogelijkheid voor aanwezigheid van vissen aan de oevers en tussen de oevervegetatie.

Er moet rekening gehouden worden met de kwetsbare voorplantingsperiode van vissen voor en tijdens de werkzaamheden. In de haven kunnen algemeen voorkomende vissen verwacht worden. Bij de planning en bij de werkzaamheden aan de kade moet hiermee rekening worden gehouden. Voor de kade wordt gewerkt conform de gedragscode van Rijkswaterstaat. Het nadere onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluwen wordt in het voorjaar tot het najaar van 2021 (medio september) uitgevoerd. Dit onderzoek is naar verwachting bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet afgerond. Verstoring van beschermde soorten als gevolg van de ontwikkeling is echter pas aan de orde vanaf het moment dat de sloopwerkzaamheden van de loodsen en het kappen van bomen plaatsvinden. Deze werkzaamheden zijn vanaf medio 2022 voorzien. Het nader onderzoek dient met de sloopmelding voor de sloopwerkzaamheden, het kappen van de bomen en een eventuele Wnb-ontheffing ingediend te worden. Om die reden is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het slopen en bebouwen van de gronden binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein – 4’. Hiermee worden directe gevolgen voor beschermde soorten voorkomen. Gelijktijdig met het uitvoeren van het nader onderzoek, worden preventief mitigerende maatregelen genomen.

De mitigerende maatregelen kunnen noodzakelijk zijn, indien er sprake is van verblijfplaatsen of geschikt leefgebied van beschermde soorten. De uiteindelijk noodzaak van de maatregelen hangt af van de resultaten van het nader onderzoek. Door deze mitigerende maatregelen preventief te nemen, wordt ingespeeld op de situatie dat tijdens het nader onderzoek in het plangebied verblijfplaatsen en/of geschikt leefgebied van beschermde soorten worden aangetroffen. Deze mitigerende maatregelen zijn in dat geval noodzakelijk voor het verkrijgen van de Wnbontheffing. Door het preventief nemen van de maatregelen, wordt aangetoond dat de Wnb-vergunning verleenbaar is. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een Wnb-ontheffing niet noodzakelijk is, vormen de preventief genomen maatregelen een plus voor de ecologie. De mitigerende maatregelen worden, ruim voordat de eventuele aanvraag van de Wnb-ontheffing en hiermee de sloop- en kapwerkzaamheden gerealiseerd. Hiermee wordt aangetoond dat de vergunning voor de sloop- en kapwerkzaamheden en een eventuele Wnb-vergunning verleenbaar is en vormt de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluwen en algemeen voorkomende broedvogels geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

CroonenBuro5

27

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Conclusie De invloed van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt in paragraaf 4.4 nader toegelicht. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland zijn uit te sluiten. Door het preventief uitvoeren van de mitigerende maatregelen en het opvolgen van bovengenoemde aanbevelingen (rekening houden met broedseizoen van algemeen voorkomende broedvogels en kwetsbare voorplantingsperiode van vissen) heeft de ontwikkeling geen negatief effect op beschermde soorten. Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan.

4.4

Stikstofuitstoot Algemeen De bescherming van belangrijke natuurgebieden is verankerd in de Wet Natuurbescherming. De volgende gebieden vallen onder de werking van deze wet: − Natura-2000 gebieden. − Beschermde natuurmonumenten. − Gebieden die de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere verplichtingen. Voor de Natura-2000 gebieden die vallen onder de Wet Natuurbescherming zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld. In deze aanwijzingsbesluiten staat de exacte begrenzing van het gebied weergegeven, voor welke soorten en habitats het betreffende gebied is aangewezen (de gekwalificeerde soorten en habitats) en welke instandhoudingsdoelstellingen er gelden voor deze soorten en habitats. Voor projecten en andere handelingen (binnen en buiten Natura-2000 gebieden) waarvan niet op voorhand zeker is dat ze geen gevaar voor de instandhoudingsdoelstellingen vormen, geldt een vergunningsplicht. Eén van de belangrijkste aspecten bij de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming vormt het aspect stikstofdepositie (NOx en NH3). De depositie van stikstof vormt voor Nederland één van de belangrijkste uitdagingen om de Europese doelstellingen te halen. Stikstofdepositie ten gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling kan ook leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Uit de uitspraak over het PAS (Programma Aanpak Stikstof) van de Raad van State van 29 mei 2019 volgt dat het PAS niet langer als basis voor toestemming voor plannen of projecten mag worden gebruikt. Concreet betekent de uitspraak dat voor elk plan met mogelijk significante gevolgen voor een Natura-2000 gebied weer een afzonderlijke passende beoordeling moet worden uitgevoerd. Of er vervolgens toestemming voor het plan kan worden verleend, is afhankelijk van de uitkomst van de passende beoordeling (kan met zekerheid worden gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast door het betreffende plan?). Voor nieuwe procedures waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie (elke toename boven de 0,00 mol/ha/jaar) ten opzichte van de referentiesituatie zal dan ook moeten worden gezocht naar een oplossingsrichting op grond waarvan voornoemde zekerheid wordt verkregen. Het verschilt per procedure of er een oplossingsrichting mogelijk is en hoe deze er uit ziet.

Toetsing Door DGMR is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving van de inrichting. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de rapportage ‘Onderzoek stikstofdepositie’ d.d. 30 maart 2021. De rapportage is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Hieronder komen de conclusies aan bod.

CroonenBuro5

28

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

In het onderzoek is naar de volgende situaties gekeken: − De toekomstige gebruiksfase (2025) − Een bron externe salderen met gekochte emissierechten van een veehouderij in Lomm. − Een vergelijking tussen de toekomstige situatie (2025) en de bron extern salderen. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De beoogde ontwikkeling van Venlo Trade Port B.V. zorgt voor een significante stikstofdepositie (maximaal 0,03 mol/ha/jaar) op het Natura 2000-gebied Maasduinen. In overleg met het bevoegd gezag heeft VTP gekozen voor het compenseren van deze depositie door middel van extern salderen. Hiervoor heeft VTP een deel van de NH 3 emissierechten opgekocht van een veehouderij in Lomm. Venlo Trade Port koopt 60 kg NH3 emissierechten van een veehouderij in Lomm. Hiervan mag maximaal 70% worden ingezet voor extern salderen. De bron extern salderen betreft een emissie van 42 kg NH3 met een relevante stikstofdepositie van maximaal 1,71 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Maasduinen. Uit de verschilberekening tussen de toekomstige berekening en de bron extern salderen blijkt dat de door VTP gekochte emissierechten voldoende zijn om de stikstofdepositie van de toekomstige situatie volledig te compenseren. Op geen hexagoon is sprake van een restdepositie. De resterende emissierechten zijn door Greenport Venlo overgenomen.

De vergunning van de veehouderij is actief ingetrokken en de emissierechten zijn overgegaan naar VTP en Greenport Venlo. De gekochte emissierechten zet VTP in voor extern salderen. Hiermee compenseert VTP de eigen stikstofdepositie. Op basis van extern salderen heeft Venlo Trade Port B.V. een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd.

Conclusie Door middel van extern salderen wordt de stikstofdepositie die met het voornemen wordt veroorzaakt gecompenseerd. Na het verlenen van de Wnb-vergunning zijn er vanuit het aspect stikstofuitstoot geen belemmeringen voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

4.5

Akoestiek Industrielawaai In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor bedrijventerreinen waar geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn gevestigd of zijn toegestaan, een geluidzone moet worden vastgesteld. De geluidzone is het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting die wordt geproduceerd door alle bedrijven die op het industrieterrein liggen, niet hoger zijn dan 50 dB(A)-etmaalwaarde. Hierbij worden niet alleen de geluidzoneringsplichtige inrichtingen betrokken, maar wordt ook de geluidproductie beschouwd van de niet zoneringsplichtige inrichtingen die op het industrieterrein zijn gevestigd. Binnen de 50 dB(A)-contour zijn geen nieuwe geluidgevoelige functies (objecten en terreinen) toegestaan, tenzij een hogere waarde is verleend. Het doel van het vastleggen van een geluidzone is tweeledig. Enerzijds worden geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen en scholen) beschermd tegen een te hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai. Anderzijds wordt door het vastleggen van een geluidzone akoestische ruimte gecreëerd waarover de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein maximaal kunnen beschikken.

Gezien de koppeling tussen de Wet geluidhinder, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer moet zowel bij ruimtelijke plannen als bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting rekening worden gehouden met de vastgestelde geluidzone rond een industrieterrein.

CroonenBuro5

29

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

De gemeente Venlo is bevoegd gezag voor het geluidzonebeheer voor industrieterrein Venlo Trade Port (VTP). Uit akoestische berekeningen is gebleken dat vanwege recente ontwikkelingen van aldaar gevestigde bedrijven én door de uitbreiding van de bestaande bargeterminal de 50 dB(A)contour wordt overschreden. Omdat het treffen van maatregelen binnen alle redelijkheid niet mogelijk is, heeft de gemeente het voornemen om de zone conform artikel 41 van de Wet geluidhinder (Wgh) te verruimen en wel zoals in figuur 14 is weergegeven.

Figuur 14. Bestaande en nieuwe zonegrens Industrieterrein VTP Bij een aanpassing van de zone dienen de akoestische gevolgen voor de geluidsgevoelige objecten in kaart te worden gebracht (artikel 42 Wgh). Daarnaast dient voor eventuele nieuwe geluidgevoelige objecten die zijn gelegen binnen de nieuw vast te stellen zone een hogere waarde te worden vastgesteld. Eventueel dient voor objecten binnen de bestaande zone een verhoging van de bestaande hogere waarde te worden vastgesteld. In artikel 55 Wgh wordt voor bestaande geluidzones geregeld dat de hogere waarden voor woningen binnen de (nieuwe) zone kunnen worden verhoogd. Als voorwaarden gelden dan: − dat de verhoging maximaal 5 dB(A) mag bedragen; − dat degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging financiële middelen ter beschikking stelt om te zorgen dat voor bestaande woningen aan de eisen voor de binnenwaarde kan worden voldaan; − de waarde van wat ten tijde van de eerste zonevaststelling geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de eerste zonevaststelling aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan. De nieuwe zone dient in de omliggende bestemmingsplannen verankerd te worden.

CroonenBuro5

30

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Met name aan de zuidzijde van het industrieterrein, in de wijk Ubroek, ligt een aantal woningen tussen de zone van het industrieterrein maar buiten de grens van het industrieterrein. Voor een groot aantal van deze woningen is in 2013 een gemeenschappelijke maximaal toegestane geluidbelasting (MTG) vastgesteld van 55 dB(A) en voor een enkele woning 56 dB(A). Daarnaast liggen er enkele woningen op het industrieterrein, maar niet binnen de akoestische invloedssfeer van de bargeterminal. De wijziging leidt niet tot geluidbelastingen hoger dan de reeds eerder vastgestelde maximaal toegestane geluidniveaus (MTG’s) ter plaatse van woningen binnen de zone, met uitzondering van de woning aan de Ubroekweg 51 waarvoor de hogere waarde met een Besluit hogere geluidgrenswaarde wordt verhoogd van 55 naar 56 dB(A). Er komen ook geen nieuwe, bestaande woningen binnen de nieuwe zone te liggen. Er is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. Een onderzoek naar en het treffen van maatregelen is niet noodzakelijk. Om de zonewijziging te formaliseren wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld waarin de nieuwe geluidzone wordt vastgelegd. Een deel van de zone ligt binnen de gemeente Horst aan de Maas. De gemeente Horst aan de Maas dient dat deel van de nieuwe zone dat op haar grondgebied ligt, in het bestemmingsplan op te nemen.

Ten noorden van het industrieterrein VTP is, op het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas het terrein C.V.I. gelegen. Ook dit terrein is krachtens de Wet geluidhinder voorzien van een zone. De woningen Raaiend 3 en Venloseweg 79 te Grubbenvorst zijn weliswaar eigendom van CVI, maar hebben de status van een normale woning. Deze woningen liggen zowel binnen de geluidzone van VTP als binnen de geluidzone van CVI. Bij het tot stand komen van deze zone is indertijd een berekening gemaakt van de cumulatieve geluidbelasting (geluidrapport ‘CVI Haven Raaiende te Grubbenvorst Geluidonderzoek aanvulling op het MER en bijlage van de aanvraag omgevingsvergunning’, met kenmerk R085053ad.00002.rvw_02_001 van 21 februari 2013). Omdat de nu voorliggende zone-uitbreiding van het industrieterrein VTP niet leidt tot een toename van de vergunde geluidbelastingen te plaatse van deze woningen, wijzigen ook de gecumuleerde geluidbelastingen van deze woningen niet. Voor het industrieterrein Venlo Trade Port is op 25 september 2013 een Nota industriegeluid vastgesteld en als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan ‘Venlo Trade Port’ opgenomen. Nu er een herzonering plaatsvindt, wordt ook de huidige Nota industriegeluid aangepast. De aangepaste Nota Industriegeluid is toegevoegd als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan.

DGMR heeft op 4 februari 2021 een akoestisch onderzoek (onderzoek van TCT Venlo B.V., Tjalkkade te Venlo, 4 februari 2021 met het kenmerk M.2019.0668.12.R001, versie 003) uitgevoerd naar de bij de activiteiten behorende geluidemissie van de bargeterminal (van de gehele inrichting na de uitbreiding). Het volledige onderzoek is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. De gemeente heeft met het bij dit onderzoek behorende digitale rekenmodel een zonetoets uitgevoerd. Deze heeft uitgewezen dat de inrichting, na de uitbreiding, akoestische inpasbaar is binnen de nieuw vast te stellen zone.

Wegverkeerlawaai Aangezien binnen het plangebied geen nieuwe (bedrijfs)woningen of andere geluidsgevoelige functies worden toegelaten en geen nieuwe wegen worden aangelegd, is geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai vereist op grond van de Wet geluidhinder.

CroonenBuro5

31

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Conclusie Het rekenmodel is beschikbaar gesteld aan het Bevoegd Gezag ter toetsing van de inpasbaarheid van Venlo Trade Port binnen de geluidszone en Hogere Waarden. Hierna kan pas een definitieve uitspraak over een mogelijke zone-overschrijding (van de nieuwe geluidzone) worden gedaan.

4.6

Externe Veiligheid Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving rondom externe veiligheid is gericht op de beperking en beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen als op het transport ervan. Het uitgangspunt is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron, waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde die bij de verantwoording moet worden betrokken. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Toetsing Door DGMR is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd met betrekking tot de relevante aspecten omtrent externe veiligheid (d.d. 18 maart 2021). In dit onderzoek is rekening gehouden met o.a. de activiteiten die plaats zullen vinden in de toekomstige situatie en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op het perceel in relatie tot de omgeving. De resultaten hiervan worden hieronder beknopt besproken, het complete onderzoek is als bijlage toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. De risicoanalyse betreft een bestaande inrichting, bestemd voor overslagactiviteiten. De risico’s als gevolg van het overslaan van gevaarlijke stoffen moeten zowel voor vergunningverlening als bij vaststelling van het bestemmingsplan voldoen aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

CroonenBuro5

32

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Toetsingskader Voor kwetsbare objecten noemt het Bevi een grenswaarde voor het PR (plaatsgebonden risico) van 10-6/jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6/jaar een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag kan afwijken en is 10-5/jaar de grenswaarde. Bij inrichtingen die zelf onder het Bevi vallen, hoeft niet te worden getoetst. Voor het groepsrisico geldt de richtwaarde. Het bevoegd gezag dient bij een ruimtelijke besluit en bij vergunningverlening een verandering van het groepsrisico te verantwoorden. Plaatsgebonden risico Onderstaand figuur toont de PR-contouren volgens de berekening. De 10-6 contour (rode lijn) is de wettelijke grenswaarde en ligt buiten de inrichting. De naastgelegen panden van de Container Trucking Venlo en Scheurs Extra liggen enkele meters buiten deze contour. Aan andere zijden liggen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten ruim buiten de 10 -6 PR-contour, zodat wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.

Figuur 15. Weergave PR-contour na uitbreiding barge terminal, bron: DGMR

Voor de risk ranking points (blauwe punten in bovenstaande figuur), is de bijdrage per bron bepaal. Het punt aan de oostzijde is ook representatief voor de 10-6 PR-contour. Uit de risk ranking points volgt dat de grootste bijdrage ter hoogte van de risk ranking point wordt veroorzaakt door de overslag van LT1 en boxcontainers GT3. Dicht bij de risicobronnen, zoals het punt aan de oostzijde, spelen brandbare gassen en het kleine lekscenario nog een rol, op grotere afstand, zoals het punt aan de noordzijde worden de scenario’s met grotere effectafstanden (GT3, LT2 en groot lek LT1) belangrijker. Groepsrisico

CroonenBuro5

33

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

De onderstaande figuur toont de toename van het groepsrisico (fN-curve) conform de beschreven toekomstige situatie (planontwikkeling). De kans op tien slachtoffers is 5,8 * 10-8, het maximum aantal slachtoffers (bij een kans op 10-9) is 135. De curve is maximaal 0,026 keer de oriëntatiewaarde (zwarte stippellijn) met een kans van 1,2 * 10-7 bij 90 slachtoffers. De omvang van het groepsrisico wordt voornamelijk (circa 75%) bepaald door GT3, gevolgd door GF3 (22%) en voor de rest door LT2 (3%). Het bevoegd gezag moet het groepsrisico in het kader van vergunningverlening en de herziening van het bestemmingsplan verantwoorden.

Figuur 16. Weergave Fn-curve na uitbreiding barge terminal, bron: DGMR

Verantwoording groepsrisico Omdat VTP onder het Bevi valt, is een volledige verantwoording volgens het Bevi vereist. Omvang Risico’s De voorgenomen activiteiten leiden tot een 10-6 PR-contour die net buiten de inrichting ligt over de openbare weg, open water en onbebouwd terrein van naastgelegen bedrijven. Binnen de 10-6 PR-contour liggen geen (beperkt) kwetsbare objecten, zodat aan de grenswaarde wordt voldaan. Het groepsrisico is 0,026 keer de oriëntatiewaarde. De omgeving bestaat uit open water, een bedrijventerrein en verder weg gelegen, aan de overzijde van de haven, een bos en jachthaven. Het bedrijventerrein heeft overdag een lage tot gemiddelde personendichtheid (5 tot 40) personen per hectare en ’s nachts een lage personendichtheid. Het bos heeft altijd een lage personendichtheid en in de jachthaven is dit sterk wisselend per seizoen, per dag en per uur. Maatregelen De uitbreiding van VTP leidt tot een verhoogde doorzet van geklasseerde containers en daarmee tot een toename van het externe risico. Uit de QRA volgt dat het groepsrisico nog steeds laag is. Mogelijk om het risico verder te verlagen zijn: − verlagen van de aangevraagde doorzet. Dit is vanuit bedrijfsredenen geen optie. VTP kan de verwachte doorzet niet exact schatten en heeft de aangevraagde aantallen en marge nodig om binnen de vergunning te kunnen opereren;

CroonenBuro5

34

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

− −

Gemeente Venlo

efficiëntere behandeling van containers met geklasseerde stoffen. Dit is ook vanuit VTP een steven, maar in praktijk vaak niet mogelijk; dedicated stacking: de kans op een warme BLEVE wordt sterk verkleind of zelfs uitgesloten als alle tankcontainers met brandbaar gas apart worden geplaatst. VTP streeft hier wel naar (ook vanwege arbeidsveiligheid), maar kan dit niet altijd garanderen.

Vanwege het beschikbare terrein en de aan de haven gerelateerde activiteiten zijn ruimtelijke alternatieven in dit geval niet mogelijk. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid van een calamiteit bij VTP verandert niet. De doorgezette stofcateforieën worden binnen de huidige operaties op het huidige terrein al doorgezet. De uitbreiding is zeker zo goed bereikbaar als het huidige bedrijf. Brandbestrijdingsmiddelen, zoals bluskranen, worden uitgebreid naar het nieuwe terrein. Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zijn alleen medewerkers van VTP en andere vervoerders aanwezig. Zij zijn geïnstrueerd hoe te reageren bij een calamiteit en om zichzelf en eventueel anderen in veiligheid te brengen. De activiteiten bij VTP kunnen in de vorm van een brand, explosie of gifwolk buiten het plangebied tot een risico leiden. − Het gevaar bij brand is de warmtestraling. Deze reikt tot net buiten de inrichting op de openbare weg en open water. Hier zijn doorgaans geen mensen aanwezig. − Binnen het explosieaandachtsgebied zijn enkel gebouwen aanwezig. De impact wisselt per gebouw, afhankelijk van afstand tot het ongeval, sterkte van de bouwconstructie, inrichting van het gebouw en hoeveelheid en type glas in het gebouw (scherfwerking). Het gebied ontvluchten is bij een dergelijke calamiteit vaak mogelijk: een warme BLEVE treedt alleen op in geval van een grote brand.

Tijdige waarschuwing is daarbij belangrijk. − In geval van een toxische wolk moet men inpandig schuilen. Ook in dit geval is alarmering van belang. De jachthaven is de enige locatie waar inpandig schuilen lastig kan zijn. Alleen bij ongunstige weersomstandigheden zal een toxische wolk tot aan de haven reiken. De combinatie van ongunstige meteo en dat veel personen in de jachthaven aanwezig zijn, is echter klein. De barge terminal VTP voert transporthandelingen uit met containers gevuld met onder andere gevaarlijke stoffen. Het gaat om verschillende stofcategorieën, in hoeveelheden boven de SEVESO III drempelwaarde en daarom valt het bedrijf onder de reikwijdte van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor de uitbreiding van VTP is een wijziging van het bestemmingsplan nodig, dat tegelijk met de beschikking op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bedrijf wordt vastgesteld. Met de uitbreiding wijzigen de risico’s voor de omgeving. Het plangebied valt zelf in het invloedsgebied van risicobronnen buiten het plangebied: het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas, over de A67 en de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen bij het bedrijf Broekman Logistics aan de Grubbenvorsterweg Venlo. Aangezien het plangebied samenvalt met VTP, dat een Bevi-bedrijf is, laat het bestemmingsplan geen (beperkt) kwetsbare objecten toe.

Het is dan ook niet verplicht om het groepsrisico van risicobronnen buiten de plangrens te verantwoorden (Bevi, artikel 13 lid 1 aanhef). De toelichting op het bestemmingsplan moet overeenkomstig artikel 13 van het Bevi ingaan op: 1. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied, voor zover het invloedsgebied ligt binnen het bestemmingsplan, op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld;

CroonenBuro5

35

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

2. het groepsrisico op het tijdstip waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in het bestemmingsplan toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; 3. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door degene die dat risico mede veroorzaakt; 4. indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in het bestemmingsplan zijn opgenomen; 5. voorschriften ter beperking van het groepsrisico die het bevoegd gezag voornemens is te verbinden aan de te verlenen omgevingsvergunning; 6. de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico; 7. de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; 8. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, waarvan de gevolgen zich uitstrekken buiten die inrichting, en; 9. de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt of mede veroorzaakt, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp voordoet.

Advies veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg is het concept ontwerpuitwerkingsplan toegezonden aan de veiligheidsregio Limburg-Noord. De Veiligheidsregio heeft op 24 maart 2021 advies uitgebracht. Hierin staan de mogelijke rampscenario’s en de mogelijke maatregelen om de scenario’s te voorkomen of om de gevolgen te beperken. De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting De omgeving bestaat uit open water, een bedrijventerrein en verder weg gelegen aan de overzijde van de haven een bos en jachthaven. Het bedrijventerrein heeft overdag een lage tot gemiddelde personendichtheid (5 tot 40 pers/ha) en ’s nachts een lage personen dichtheid. Het bos heeft altijd een lage personendichtheid en in de jachthaven is dit sterk wisselend per seizoen, per dag en per uur. De vergelijking van het groepsrisico met de oriëntatiewaarde Het groepsrisico van de barge terminal is 0,026 keer de oriëntatiewaarde. Dit is een robuuste benadering in verband met de hoge aannames voor de bezetting in nabij gelegen bebouwing, die hoger liggen dan het kengetal voor bedrijventerreinen, te weten 40 personen/ha. In de berekening van de hoogte van het groepsrisico is uitgegaan van de maximaal toegelaten bezetting binnen de gebouwen.

De aan- en afvoer van containers via de weg zorgt voor een transportroute voor gevaarlijke stoffen, vooral de Tjalkkade – Groot Bollerweg – Eindhovenseweg tot de oprit van de A67. Het gaat om ongeveer 1770 volle tankcontainers (25 m3), waarvan 1000 uit de categorie brandbare vloeistoffen en een zeer beperkt aantal brandbare gassen. Het is op basis van vuistregels uit de Handreiking risicoanalyse transportroutes aannemelijk, dat dit vervoer niet leidt tot een plaatsgebonden risico dat hoger is dan de grenswaarde of tot een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico van Broekman Logistics, de Maas of de A67. Niet van toepassing: Het groepsrisico van risicobronnen buiten het plangebied hoeft niet te worden meegewogen in het te nemen besluit.

CroonenBuro5

36

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Maatregelen ter beperking van het groepsrisico in het bestemmingsplan VTP is een Bevi-bedrijf en daarom niet beschermd tegen risico’s van derden. Maatregelen zijn niet getroffen. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden Mogelijkheden om het risico verder te verlagen zijn zeer beperkt, aangezien de hoogte van het groepsrisico al laag is. Bepalende factoren voor het verlagen van het groepsrisico zijn: − aard van de gevaarlijke stoffen: er vinden geen handelingen plaats met containers beladen met de gevaarlijkste stofcategorieën explosieve stoffen, zeer toxische vloeistoffen en zeer giftige gassen; − hoeveelheid gevaarlijke stoffen: Verlagen van de aangevraagde doorzet. Dit is vanuit bedrijfsredenen geen optie. TCT kan de verwachte doorzet niet exact schatten en heeft de aangevraagde aantallen en marge nodig om binnen de vergunning te kunnen opereren; − om de risico’s te beheersen bevat de omgevingsvergunning een voorschrift om de doorzet en de handelingen van containers met gevaarlijke stoffen te monitoren. Bij een overschrijding van de berekende risico’s moeten maatregelen worden getroffen en kan de gemeente handhavend optreden; − minder handelingen met containers met gevaarlijke stoffen.

Dit is ook vanuit VTP een streven, maar in praktijk vaak niet mogelijk; − dedicated stacking; de kans op een warme BLEVE wordt sterk verkleind of zelfs uitgesloten als alle tankcontainers met brandbaar gas apart worden geplaatst. VTP streeft hier wel naar (ook vanwege arbeidsveiligheid), maar kan dit niet altijd garanderen; − voorkomen van escalatie van een plasbrand. Het terrein is voorzien van een riolering, voor de opvang van hemelwater. Hierin komen ook bijvoorbeeld gespilde/gelekte vloeistoffen en bluswater terecht. De riolering sluit aan op het gemeentelijk riool, maar is daarvan af te sluiten. Bij een calamiteit beslist de brandweer of dat nodig is. Eventueel in de riolering verzamelde gevaarlijke of schadelijke stoffen kunnen daarna op een verantwoorde manier worden afgevoerd. De omvang van een plasbrand is met deze kenmerken van de afwatering van het terrein niet verder te beperken; − voor het overige zijn de voorschriften uit PGS 15 van toepassing, het document dat voor de opslag van en handelingen van containers met gevaarlijke stoffen de best beschikbare technieken beschrijft. Alternatieve locaties met een lager groepsrisico Voor de barge terminal is geen andere locatie mogelijk, gezien de benodigde verbinding met de Maas. Bovendien is er geen omgeving denkbaar, die minder kwetsbaar is of minder bevolkt.

Beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst Het ligt niet in de verwachting dat het groepsrisico verder toeneemt. Het huidige groepsrisico is laag en hoeft niet verder te worden beperkt. Er zijn daarom geen andere maatregelen nodig. Bestrijdbaarheid De activiteiten bij VTP kunnen in de vorm van een brand, explosie of gifwolk buiten het plangebied slachtoffers en andere schade veroorzaken. − Het gevaar bij brand is de warmtestraling. Deze reikt tot net buiten de inrichting op de openbare weg en open water. Hier zijn doorgaans geen mensen aanwezig. − Binnen de effectafstand van een explosie zijn enkele gebouwen van derden aanwezig. De impact wisselt per gebouw, afhankelijk van afstand tot het ongeval, sterkte van de bouwconstructie, inrichting van het gebouw en hoeveelheid en type glas in het gebouw (scherfwerking). Het gebied ontvluchten is bij een dergelijke calamiteit mogelijk: een explosie treedt alleen op in geval van een grote brand. Tijdige waarschuwing is daarbij belangrijk evenals de mogelijkheden om afzijdig van de calamiteit, in de luwte van gebouwen, te vluchten.

CroonenBuro5

37

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

− In geval van een toxische wolk moet men inpandig schuilen. Ook in dit geval is alarmering van belang. De jachthaven is de enige locatie waar inpandig schuilen lastig kan zijn. Alleen bij ongunstige weersomstandigheden zal een toxische wolk tot aan de haven reiken. De combinatie van ongunstige meteo en dat veel personen in de jachthaven aanwezig zijn, is echter klein. Op de terminal komen nieuwe bluswatervoorzieningen, om ook op het nieuwe deel van de inrichting brandbestrijding mogelijk te maken. De Veiligheidsregio Limburg-Noord is en blijft betrokken bij het ontwerp van pompen, leidingen, hydranten en opstelplaatsen en beoordeelt namens de gemeente of deze voldoen aan: − De voorschriften uit hoofdstuk 10 van de PGS 15, met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel voor voorschrift 10.3.1: het ontwerp van de bluswatervoorzieningen op eigen terrein, aangevuld met brandkranen in het openbaar gebied, waarborgt in voldoende mate de beschikbaarheid van bluswater. − Het regionale beleid voor bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid, zoals vastgesteld door de gemeente Venlo. VTP heeft voor de hulpdiensten te allen tijde een actueel overzicht beschikbaar van de locaties waar containers met gevaarlijke stoffen staan. De BHV-organisatie is getraind en opgeleid voor de eerste respons bij incidenten.

In het calamiteitenplan is opgenomen welke noodprocedures van toepassing zijn en welke voorzieningen er zijn voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van de (mensen in de) omgeving kan gesteld is goed. In de nabijheid zijn geen objecten aanwezig die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Binnen het plangebied zijn alleen medewerkers van VTP en chauffeurs aanwezig. De medewerkers zijn geïnstrueerd hoe te reageren bij een calamiteit en om zichzelf en eventueel anderen in veiligheid te brengen. De activiteiten bij VTP kunnen in de vorm van een brand, explosie of gifwolk buiten het plangebied tot een risico leiden. − Het gevaar bij brand is de warmtestraling. Deze reikt tot net buiten de inrichting op de openbare weg en open water. Hier zijn doorgaans geen mensen aanwezig. − Binnen de effectafstand zijn enkele gebouwen aanwezig. De impact wisselt per gebouw, afhankelijk van afstand tot het ongeval, sterkte van de bouwconstructie, inrichting van het gebouw en hoeveelheid en type glas in het gebouw (scherfwerking). Het gebied ontvluchten is bij een dergelijke calamiteit mogelijk: een warme BLEVE treedt alleen op in geval van een grote brand. Tijdige waarschuwing is daarbij belangrijk evenals de mogelijkheden om afzijdig van de calamiteit, in de luwte van gebouwen, te vluchten. − In geval van een toxische wolk moet men inpandig schuilen.

Ook in dit geval is alarmering van belang. De jachthaven is de enige locatie waar inpandig schuilen lastig kan zijn. Alleen bij ongunstige weersomstandigheden zal een toxische wolk tot aan de haven reiken. De combinatie van ongunstige meteo en dat veel personen in de jachthaven aanwezig zijn, is echter klein. Conclusie verantwoording groepsrisico Het groepsrisico van risico’s in de omgeving van het bestemmingsplan is laag en het bestemmingplan draagt daar niet of nauwelijks aan bij. De risico’s die van de activiteiten die het bestemmingplan toelaat zijn zeer gering en aanvaardbaar voor de gemeente Venlo, mede gezien de maatregelen die VTP heeft getroffen ter beheersing van de mogelijke effecten.

CroonenBuro5

38

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Conclusie De 10-6/jaar-contour van het plaatsgebonden risico ligt net buiten de inrichting. Ter plaatse van kwetsbare objecten buiten de inrichting wordt voldaan aan de grenswaarde van 1*10-6/jaar. De aangevraagde situatie leidt tot een groepsrisico van maximaal 0,026 keer de oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag moet dit groepsrisico verantwoorden bij vergunningverlening. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7

Bedrijven- en milieuzonering Algemeen Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van functies en voorzieningen dient te worden geanalyseerd op hun invloed op de ontwikkeling. Indien milieubelastende functies in het projectgebied mogelijk worden gemaakt, dient ook de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De milieuhinder die bedrijven en andere functies veroorzaken kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNGhandreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). In de handreiking is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van vier factoren (geluid, geur, stof en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies (zoals woningen) waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

Toetsing Om de gewenste scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies te waarborgen, wordt in de VNG-brochure een lijst met richtafstanden per milieucategorie aangehouden. Dit betreft de noodzakelijke afstand tussen de grens van de bestemming van de milieubelastende bedrijfsactiviteit, opslag of inrichting en de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in ‘rustige woonwijk’ en een ‘gemengd gebied’. Voorliggend initiatief vindt plaats op een bedrijventerrein, waardoor de richtlijn ‘gemengd gebied’ van toepassing is. Tabel 2.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

CroonenBuro5

39

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

Figuur 17. Afstanden tot de aangrenzende woonbebouwing, bron: vigerend bestemmingsplan Venlo Trade Port

In onderhavig bestemmingsplan worden binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein-4’ bedrijfsmatige activiteiten tot en met milieucategorie 4.2 mogelijk gemaakt. Dit is in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval. De bedrijfsactiviteiten op het perceel van de bestaande barge terminal valt binnen de categorie ‘Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart’ (SBI-code 6311.2), in de VNG-brochure aangeduid als een categorie 4.2 bedrijfsactiviteit. Hierdoor geldt een richtafstand op gevoelige objecten van 200 meter, voornamelijk vanwege geluid. De uitbreiding van de barge terminal vindt plaats in westelijke richting. Hierbij vindt een verdubbeling van de overslagcapaciteit van containers plaats. Deze ontwikkeling wordt ondersteund door het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Binnen een straal van 800 meter van deze inrichting zijn in de toekomstige situatie geen kwetsbare of gevoelige objecten gesitueerd of planologisch mogelijk. Bovendien zijn de voor milieuzonering relevante aspecten geluid, fijnstof en externe veiligheid in voorliggend bestemmingsplan uitgebreid onderzocht. Hierbij zijn geen beperkingen naar voren gekomen. Onderhavig bestemmingsplan heeft zodoende geen negatieve invloed op de woon- en leefomgeving van kwetsbare objecten.

Conclusie Het bestemmingsplan heeft geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van kwetsbare objecten in de omgeving en voldoet hiermee aan de richtlijnen voor bedrijven- en milieuzonering.

4.8

Luchtkwaliteit Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen

CroonenBuro5

40

Bestemmingplan Herziening Venlo Trade Port, uitbreiding Barge Terminal

Gemeente Venlo

bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen: a er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Niet in betekenende mate Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate’. Als regel geldt dat projecten die minder dan 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdragen (3% van 40 µg/m3 oftewel 1,2 µg/m3) als ‘niet in betekenende mate’ kunnen worden aangemerkt. Voor deze projecten kan een toetsing aan de grenswaarden dus achterwege blijven. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt.

In artikel 5 van het besluit ‘Niet in betekenende mate’ is een anticumulatie-beginsel opgenomen: Bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties, locaties voor inrichtingen en locaties voor infrastructuur ten aanzien waarvan redelijkerwijs voorzienbaar is dat deze met toepassing van dit besluit worden of zullen worden gerealiseerd gedurende de periode, waar het programma, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, betrekking op heeft, worden voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen als één locatie beschouwd, voor zover die locaties: • gebruikmaken of zullen maken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur, en • aan elkaar grenzen of zullen grenzen dan wel in elkaars directe nabijheid zijn gelegen of zullen zijn gelegen, tot een afstand van ten hoogste 1.000 meter vanaf de grens van de betreffende locatie of inrichting, met dien verstande dat locaties en inrichtingen buiten beschouwing blijven voor zover de toename van de concentraties ter plaatse niet meer bedraagt dan 0.1 microgram/m3. Het anticumulatie-beginsel voorkomt dat een in betekenende mate project wordt opgesplitst in afzonderlijke niet in betekenende mate onderdelen en op deze wijze ook getoetst kan worden. De periode waaraan gerefereerd wordt, is de NSL-periode ofwel 2010-2015. Inmiddels is deze periode verlengd tot 2017.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/634/documents/17087