CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

009bijl 1.1 toelichting vast bp Colum Raven Paul.pdf

Oordeelsvormende raadsvergadering 18 maart 2021, gemeente VenloBij agendapunt: 3.a: 19.15 - 19.20 uur Vaststellen bestemmingsplan reparatieplan Columbusweg, Ravenvennen en Paul Guillaumestraat (RV 2021-09) - HAMERSTUK19.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie De voorliggende uitbreiding van het bedrijfsperceel leidt niet tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden en heeft hiermee geen invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. De ontwikkeling draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Hoofdstuk 5

36

Ook bij de natuurcompensatie worden geen extra verkeersbewegingen verwacht ten opzichte van de huidige functie als agrarisch perceel. De compensatie draagt hierdoor ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling van één woning aan de Paul Guillaumestraat draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM namelijk de volgende getalsmatige grenzen, waar ruimschoots onder wordt gebleven:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

Daarnaast blijkt uit de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat de luchtkwaliteit in het plangebied goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er hiermee geen belemmeringen. 5.1.3 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Voor een ruimtelijke ontwikkeling waarbij geen sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege verkeers- en industrielawaai op deze gebouwen of terreinen. Bedrijfsgebouwen en –percelen zijn geen geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wgh. Toetsing van het initiatief aan de Wgh is dan ook niet vereist. Op basis van de geldende bestemmingsplannen ligt de gehele bedrijfslocatie binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Trade Port West. Deze geluidzone is middels de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen overgenomen in dit bestemmingsplan. Inzake de invloed van het bedrijf op zijn omgeving wordt verwezen paragraaf 5.1.4 ‘Milieuzonering’.

Het natuurcompensatieperceel betreft evenmin een geluidgevoelig object in de zin van de Wgh, waardoor toetsing aan de Wgh niet nodig is. De beoogde woning aan de Paul Guillaumestraat is wel een geluidgevoelig object in de zin van de Wgh. In het kader van het geldende bestemmingsplan ‘Centrum Tegelen’ is voor deze woning een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai7 uitgevoerd. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Vanuit geluidhinder van wegverkeerslawaai zijn er hiermee geen belemmeringen. Daarnaast wordt opgemerkt dat dit deelgebied niet is gelegen 7

K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek 5 locaties bestemmingsplan Centrum Tegelen, projectnr. M8 257.401, 9 juli 2008

Hoofdstuk 5

37

binnen de geluidzone van een spoorweg of de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Vanuit dit kader zijn er daarom ook geen belemmeringen. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het initiatief. 5.1.4 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Een vrachtwagengaragebedrijf betreft een milieubelastende functie. In de omgeving van het plangebied zijn geen woningen gelegen. De dichtstbijzijnde woningen liggen op ruim 850 meter ten zuiden van het plangebied. Het voorliggende garagebedrijf voor reparatie en onderhoud van vrachtauto’s betreft een bedrijf van milieucategorie 3.2 (categorie ‘handel in vrachtauto’s (incl. import en reparatie)’). Voor deze activiteit wordt een richtafstand van 100 meter geadviseerd voor het aspect geluid en 10 meter voor de aspecten geur, stof en gevaar. Aan deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Het natuurcompensatieperceel is geen milieubelastende en ook geen milieugevoelige functie. Verdere toetsing aan milieuzonering is voor dit perceel dan ook niet vereist. Een woning is een milieugevoelige functie. In de omgeving van deelgebied 3 (herstel woningbouwtitel Paul Guillaumestraat) liggen voornamelijk woningen. Daarnaast ligt een detailhandelsbestemming op de percelen op circa 19 meter ten zuidwesten en circa 33 meter ten noordoosten van het plangebied.

Ter plaatse zijn detailhandelsactiviteiten toegestaan, met uitzondering van supermarkten. Dit betreft activiteiten van milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd. Hieraan wordt voldaan. Bovendien zijn dergelijke lichte bedrijfsactiviteiten in principe inpasbaar binnen een woonomgeving. Voor het overige vinden geen milieubelastende activiteiten plaats in de omgeving van het plangebied.

Hoofdstuk 5

38

Conclusie In de directe omgeving van de beoogde bedrijfslocatie zijn geen woningen gelegen. Er is dus geen sprake van een aantasting van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. 5.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bedrijfsperceel op een bestaand bedrijventerrein, de omzetting van een agrarisch perceel naar een bosperceel (in het kader van natuurcompensatie) en de bouw van één woning mogelijk.

Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is een bedrijfsgebouw een beperkt kwetsbaar object. De woning betreft een kwetsbaar object volgens het Bevi. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van nieuwe risicovolle activiteiten (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. De voorgenomen uitbreiding van het bedrijf aan de Columbusweg vormt geen risicovolle inrichting. Wel is een bedrijfsgebouw een beperkt kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Hierbij dient opgemerkt te worden dat (behoudens ter plaatse van de oostelijke strook) reeds een bedrijf is toegestaan in het plangebied. Het natuurcompensatieperceel is geen (beperkt) kwetsbaar object. Voor dit planonderdeel is toetsing aan externe veiligheid dan ook niet nodig. De woning aan de Paul Guillaumestraat is een kwetsbaar object. Voor dit planonderdeel is toetsing aan externe veiligheid nodig.

Toetsing bedrijfslocatie Columbusweg Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations en-

Hoofdstuk 5

39

zovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op gemeentelijk niveau dient te worden getoetst aan het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012-2015 en de Belemmeringskaart van de gemeente Venlo.

Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauw omcirkeld)

Risicovolle inrichtingen De meest dichtbij gelegen risicovolle inrichting betreft een inrichting waar ammoniak wordt verwerkt. Deze is gelegen aan de Newtonweg 13, op ruim 800 meter ten zuidoosten van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze inrichting bedraagt 0 meter. Het plangebied ligt, gezien de grote afstand, niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Op circa 1.200 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een BRZO-inrichting aan de Faunalaan 38, waar opslag van ethyleenoxide plaatsvindt. De gebonden risicocontour 10 -6 van deze inrichting bedraagt 5 meter. Het plangebied ligt, gezien de grote afstand, niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor de overige risicovolle inrichtingen in de omgeving geldt dat deze alle op grotere afstand tot het plangebied liggen dan de bovengenoemde inrichtingen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen.

Hoofdstuk 5

40

Uitsnede Belemmeringskaart externe veiligheid met ligging plangebied (groen omlijnd)

Wegverkeer Direct ten zuiden van het plangebied ligt de Eindhovenseweg (N556), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter. Het groepsrisico bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 0,1 * de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg. Op een afstand van circa 330 meter ten noorden van het plangebied ligt de weg A67 (traject afrit 39 (Sevenum) – knooppunt Zaarderheiken), waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 22 meter en er is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Beide reiken echter niet tot het plangebied. Het groepsrisico bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 0,1 * de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg. Op een afstand van ruim 700 meter ten oosten van het plangebied ligt de weg A73 (traject Zaarderheiken – afrit 13 (Venlo West)), waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het groepsrisico bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 0,1 * de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg.

Hoofdstuk 5

41

Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijfsperceel neemt de personendichtheid niet toe vergeleken met de huidige planologische situatie. Daarnaast komt het bedrijf niet (significant) dichter bij de bovenstaande wegen te liggen dan in de huidige planologische situatie het geval was. Hierdoor zal er geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico. Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedgebied van de bovengenoemde transportroutes dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Omdat het groepsrisico in de huidige situatie kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde, kan op basis van artikel 8, lid 2 onder a, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Spoor Het plangebied is gelegen op circa 35 meter ten zuiden van de spoorlijn Eindhoven – Venlo. Deze spoorlijn heeft ter hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 en er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden ter hoogte van het plangebied.

Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedgebied van de spoorweg dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat als gevolg van de voorgestane ontwikkeling het groepsrisico met niet meer dan tien procent zal toenemen en de oriëntatiewaarde niet zal worden overschreden, kan op basis van artikel 8, lid 2, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Water Op circa 2,6 kilometer ten oosten van het plangebied is de Maas gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien deze afstand ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van de Maas. Voor het overige zijn er geen waterwegen in de omgeving van het plangebied gelegen, waarover risicovol transport plaatsvindt. Leidingen Het plangebied is niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen gelegen, waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 100 meter ten zuiden en 210 meter ten westen van het plangebied zijn hoogspanningsverbindingen gelegen. Volgens de Belemmeringskaart van de gemeente Venlo reikt het aandachtsgebied voor deze verbindingen niet tot aan het plangebied.

Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de wegen Eindhovenseweg, A67 en A73 en de spoorweg Eindhoven – Venlo. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, voor zover het gebied waarop die vergunning betrekking heeft

Hoofdstuk 5

42

binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval te worden ingegaan op: 1. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en 2. Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Verantwoording Voor wat betreft de Eindhovenseweg bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE8); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor de A67 en de A73 is, gezien de afstand tot het plangebied, uitsluitend een toxisch scenario relevant. Over de spoorlijn Eindhoven – Venlo vindt uitsluitend transport van brandbare gassen plaats en is dat dus het relevante scenario. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobronnen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor de Eindhovenseweg zijn alle bovengenoemde soorten calamiteiten relevant. Voor de A67 en de A73 is, gezien de afstand tot het plangebied, uitsluitend een toxisch scenario relevant. Over de spoorlijn Eindhoven – Venlo vindt uitsluitend transport van brandbare gassen plaats en is dat dus het relevante scenario. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden.

De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden

8

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 5

43

Aspect

Verantwoording blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat aanwezige personen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen directe belemmeringen bestaan en dat de restrisico's als gevolg van de ligging binnen het invloedsgebied van de Eindhovenseweg, de A67, de A73 en de spoorlijn Eindhoven – Venlo, gezien de voorliggende situatie en de hierboven gegeven afwegingen, aanvaardbaar worden geacht. Advies veiligheidsregio Tevens is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Noord-Limburg. Dit advies is als bijlage9 bij deze toelichting gevoegd. De veiligheidsregio adviseert als volgt:  Situeer de bebouwing en de ruimtes met de hoogste personendichtheid (kantoor/kantine) zo ver mogelijk van het spoor vandaan (afstand=veiligheid);  Beperk het glasoppervlak zoveel mogelijk aan de zijde van het spoor;  Ter bestrijding van een incident op het spoor maar ook binnen de inrichting adviseren wij een bluswatervoorziening met een capaciteit van 90 m 3 per uur in de nabijheid van het plangebied bij te plaatsen in onderling overleg met de Veiligheidsregio;  Zorg dat de gebruikers van het plangebied (en eventuele bedrijfshulpverleningsorganisatie) op de hoogte zijn van de risico’s van het spoor en de beheersmaatregelen die zijn getroffen, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een calamiteit. Aan deze onderdelen zal aandacht worden besteed bij de uitwerking van het concrete bouwplan voor de locatie.

Toetsing herstel woningbouwtitel Paul Guillaumestraat Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations en-

9

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Omgevingsadvies bestemmingsplan reparatieplan Columbusweg Ravenvennen te Venlo, kenmerk Z026563/UIT036484, 21 september 2018

Hoofdstuk 5

44

zovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op gemeentelijk niveau dient te worden getoetst aan het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012-2015 en de Belemmeringskaart van de gemeente Venlo. Risicovolle inrichtingen Ten zuidwesten van het plangebied ligt de inrichting MGG Tegelen B.V. aan de Industriestraat 14. Ter plaatse vindt opslag van gevaarlijke stoffen plaats. De terreingrens van deze inrichting ligt op circa 295 meter van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze inrichting bedraagt 150 meter en het invloedsgebied is 275 meter. Het plangebied ligt, gezien deze afstanden, niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief.

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauwe pijl)

Wegverkeer Op circa 1,25 kilometer ten oosten van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de A73. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van de A73 levert hierdoor geen directe belemmeringen op. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg en is daarom een verantwoording van het groepsrisico nodig. Omdat het plangebied op meer dan 200

Hoofdstuk 5

45

meter van de A73 is gelegen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiertoe wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’.

Uitsnede Belemmeringskaart externe veiligheid met ligging plangebied (groene pijl)

Spoor Op circa 540 meter ten oosten van het plangebied vindt risicovol transport plaats over de spoorlijn Venlo – Roermond. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze spoorweg bedraagt 0 meter en plaatsgebonden risicocontour 10-8 bedraagt 275 meter. Buiten deze laatstgenoemde contour wordt geen rekenkundige invloed uitgeoefend op het groepsrisico. De ligging ten opzichte van het spoor levert hiermee geen directe belemmeringen op. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn, waardoor een verantwoording van het groepsrisico nodig is. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de spoorlijn is gelegen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiertoe wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Water Op circa 650 meter ten noordwesten van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Maas. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze vaarweg reikt niet tot buiten de oeverlijn. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Maas en is daarom een verantwoording

Hoofdstuk 5

46

van het groepsrisico nodig is. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de vaarweg is gelegen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hiertoe wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Leidingen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats door buisleidingen. De meest dichtbij gelegen buisleidingen (aardgasleidingen) liggen op meer dan 900 meter ten oosten van het plangebied. Gezien deze grote afstanden en de aard en afmetingen van de leidingen, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Vanuit dit kader zijn er daarmee geen belemmeringen voor het initiatief. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg A73, de spoorweg Venlo – Roermond en de Maas. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, voor zover het gebied waarop die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval te worden ingegaan op: 1. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en 2.

Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Verantwoording Voor wat betreft de A73, de spoorweg Venlo – Roermond en de Maas bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Andere typen ongevallen (met brandbare vloeistoffen of met brandbaar gas (BLEVE10)) hebben geen effecten die tot in het plangebied reiken, gezien de grote afstanden tot het plangebied. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

10

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobronnen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Andere typen ongevallen (met brandbare vloeistoffen of met brandbaar gas (BLEVE)) hebben geen effecten die tot in het plangebied reiken, gezien de afstanden tot het plangebied.

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 5

47

Aspect

Verantwoording Voor blootstelling aan een toxische gaswolk biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat aanwezige personen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen directe belemmeringen bestaan en dat de restrisico's als gevolg van de ligging binnen het invloedsgebied van de weg A73, de spoorweg Venlo – Roermond en de Maas, gezien de voorliggende situatie en de hierboven gegeven afwegingen, aanvaardbaar worden geacht. Advies veiligheidsregio Tevens is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Noord-Limburg. Dit advies is als bijlage11 bij deze toelichting gevoegd. De veiligheidsregio adviseert om de woning uit te voeren met een uitschakelbare ventilatie die centraal op een gemakkelijk bereikbare plaats kan worden aangestuurd. In het kader van een concreet bouwplan voor de woning zal dit advies worden meegenomen. 5.1.6 Geur veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De bedrijfslocatie aan de Columbusweg is een geurgevoelig object. In de wijde omgeving van de bedrijfslocatie zijn echter geen intensieve veehouderijen gelegen die geurhinder kunnen veroorzaken in het plangebied.

11

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies in het kader van de bouw van een woning op het adres Paul Guillaumestraat ongenummerd te Tegelen

Hoofdstuk 5

48

Het natuurcompensatieperceel betreft geen geurgevoelig object. Toetsing aan de Wgv is daarom voor dit perceel niet nodig. De woning aan de Paul Guillaumestraat is wel een geurgevoelig object. In de wijde omgeving rond deze locatie zijn echter geen intensieve veehouderijen gelegen die geurhinder kunnen veroorzaken in het plangebied. Conclusie Het aspect geurhinder van veehouderijen vormt gezien het bovenstaande geen belemmering. 5.1.7 Vormvrije m.e.r.(-beoordeling) Toets m.e.r-plicht In het plangebied vindt in deelgebied 1 de uitbreiding van een bestaand bedrijfsperceel plaats. In deelgebied 2 wordt een bosperceel aangelegd in het kader van de verplichte natuurcompensatie voor een initiatief dat buiten het plangebied wordt gerealiseerd. In deelgebied 3 wordt een bouwtitel voor de bouw van één woning hersteld. Deze activiteiten komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.

In onderdeel D is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer, of een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen (categorie D11.2). Wat betreft de bedrijfslocatie aan de Columbusweg is weliswaar sprake van de uitbreiding van een bestaande bedrijfslocatie, maar deze uitbreiding omvat slechts een oppervlakte van circa 1.770 m2. Deze omvang is beduidend minder dan 100 hectare bedrijventerrein of 200.000 m 2 bedrijfsvloeroppervlakte. Doordat hiermee ruimschoots onder de drempelwaarden wordt gebleven, is er geen sprake van de verplichting om een m.e.r. beoordelingsprocedure te doorlopen. Wat betreft het herstel van de woningbouwtitel aan de Paul Guillaumestraat is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij dit initiatief is namelijk sprake van het herstel van geldende bouwrechten.

Wat betreft het natuurcompensatieperceel is in onderdeel D aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor een landinrichtingsproject dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan, in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125

Hoofdstuk 5

49

hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw (categorie D9). Aangezien het natuurcompensatieperceel een oppervlakte van 0,45 hectare heeft, wordt ruimschoots onder deze drempelwaarde gebleven en is er geen sprake van de verplichting om een m.e.r. beoordelingsprocedure te doorlopen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is aan de orde als de activiteit wél voorkomt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D. De vormvrije m.e.r. moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Gemeenten en provincies moeten nu dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. De voorliggende ontwikkeling in deelgebied 1 betreft de uitbreiding van een bestaande bedrijfslocatie op een bestaand bedrijventerrein. De totale oppervlakte van de bedrijfslocatie neemt hiermee beperkt toe.

Aangezien deze ontwikkeling is gelegen op een bestaand bedrijventerrein, er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de herontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5), kan worden beargumenteerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Een m.e.r.(-beoordeling) is daarom niet noodzakelijk. De natuurcompensatie in deelgebied 2 omvat de aanplant van slechts 0,45 hectare bosplantsoen ter plaatse van een bestaande agrarisch perceel, aansluitend aan bestaande bospercelen. Gezien deze zeer beperkte omvang, het feit dat er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de herontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 5), kan worden beargumenteerd dat er geen sprake is van een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Een m.e.r.(-beoordeling) is daarom niet noodzakelijk. Conclusie 1. De beoogde uitbreiding van de bedrijfslocatie en de natuurcompensatie komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2.

De activiteiten komen weliswaar voor in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk onder D9 (landinrichtingsproject) en D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject), maar blijven ruimschoots beneden de drempelwaarden. Er geldt derhalve ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht; 3. Er is sprake van zeer kleinschalige ontwikkelingen: de omvang van de bedrijfslocatie op het bestaand bedrijventerrein neemt slechts beperkt toe en er wordt een beperkte hoeveelheid bos aangeplant aansluitend aan bestaande bospercelen. Beide ontwikkelingen hebben geen significante milieueffecten tot gevolg en zijn niet gelegen in of nabij een kwetsbaar gebied. Hierdoor kan worden beargumenteerd dat er geen sprake is van een landinrichtingsproject dan wel een stedelijk

Hoofdstuk 5

50

ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn gezien het bovenstaande uitgesloten, waardoor een m.e.r.(-beoordeling) niet noodzakelijk is.

5.2 Archeologie Deelgebied 1. Bedrijfslocatie Columbusweg Volgens de ‘Archeologische beleidskaart, gemeente Venlo’ (ABK) is het plangebied vrijgegeven. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemming voor het zuidoostelijk deel van het plangebied, zoals deze is opgenomen in het voor het oostelijk deel van het plangebied van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Trade Port West-Oost’, is abusievelijk in dat bestemmingsplan opgenomen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de archeologische dubbelbestemming voor dit deelgebied, overeenkomstig de ABK, dan ook niet opgenomen.

Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (rood omcirkeld)

Deelgebied 2. Natuurcompensatie Ravenvennen Volgens de ‘Archeologische beleidskaart, gemeente Venlo’ (ABK) ligt het plangebied binnen een ‘zone met een middelhoge archeologische verwachting voor natte gebieden (Arcen-Velden)’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en een oppervlakte van meer dan 5.000 m 2. Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van 4.500 m2 zullen deze ondergrenzen niet overschreden worden bij de aanplant van het bos-

Hoofdstuk 5

51

plantsoen. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemming zal overeenkomstig de archeologische beleidskaart worden opgenomen voor het plangebied.

Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (rood omcirkeld)

Deelgebied 3. Herstel woningbouwtitel Paul Guillaumestraat Volgens de ‘Archeologische beleidskaart, gemeente Venlo’ (ABK) ligt het plangebied binnen een ‘AMK-terrein, overig’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en een oppervlakte van meer dan 100 m 2. Omdat deze ondergrenzen naar verwachting worden overschreden bij de bouw van de beoogde woning, maar er nog geen bouwplan bekend is, is in het geldende bestemmingsplan ‘Centrum Tegelen’ de archeologische onderzoeksplicht gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. In het voorliggende bestemmingsplan wordt deze werkwijze overgenomen en wordt de archeologische onderzoeksplicht eveneens gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. De archeologische dubbelbestemming is hiertoe overgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

52

Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (groene pijl)

Conclusie Gezien het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het voorliggende initiatief.

5.3 Cultuurhistorie Volgens de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er in de drie deelgebieden van het plangebied en de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Op circa 40 meter ten noorden van de bedrijfslocatie aan de Columbusweg ligt de oude grens met Grubbenvorst. Deze is op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als ‘grens ca. 1865 niet herkenbaar’ en niet als zodanig herkenbaar in het landschap. De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op deze grens. Het natuurcompensatieperceel werd in het verleden van west naar oost gekruist door een weg. Deze is echter verdwenen en niet meer zichtbaar in het landschap. De voorliggende ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op deze voormalige weg. De Paul Guillaumestraat is ter hoogte van het woningbouwperceel aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Op deze weg wordt geen invloed uitgeoefend middels de voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 5

53

Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen.

5.4 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffings-plicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een

Hoofdstuk 5

54

goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Toetsing Deelgebied 1. Bedrijfslocatie Columbusweg Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Maasduinen, gelegen op circa 6,3 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkeling worden negatieve effecten op dit gebied, zoals licht-, trillings- en geluidhinder op voorhand uitgesloten. Wat betreft het aspect stikstofdepositie dient te worden opgemerkt dat in het merendeel van het plangebied reeds bedrijfsdoeleinden zijn toegestaan met de daarmee gepaard gaande uitstoot van stikstof. Er is slechts sprake van een beperkte uitbreiding van het bedrijfsperceel op gronden die in het geldende bestemmingsplan nog zijn bestemd tot ‘Bos’. Deze gronden worden bovendien niet bebouwd bij de voorliggende ontwikkeling.

De stikstofuitstoot van het sinds kort aanwezige bedrijf is hierdoor vergelijkbaar met de potentiële stikstofuitstoot wanneer een ander bedrijf zich op deze locatie zou hebben gevestigd, dat wel binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan had gepast. Er is hierdoor geen sprake van een toename van stikstofdepositie in vergelijking met de vigerende planologische situatie. Daarnaast is bij de voorliggende ontwikkeling geen sprake meer van een aanlegfase, aangezien het bedrijfspand al is gebouwd en de omliggende gronden al zijn ingericht op basis van een verleende omgevingsvergunning. Wat betreft de aanlegfase zijn negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie daarom niet meer aan de orde. Het plangebied zelf ligt geheel buiten de provinciaal beschermde goudgroene en zilvergroene natuurzone, maar grenst aan de oostzijde wel aan de goudgroene natuurzone. Hier ligt een bosperceel zonder bijzondere natuurwaarden. Negatieve effecten op dit bosperceel als gevolg van de voorliggende ontwikkeling worden dan ook niet verwacht. Wat betreft soortenbescherming zijn er geen beschermde soorten te verwachten in het plangebied, omdat dit een braakliggend perceel betreft. Het oostelijk deel van het perceel heeft weliswaar de bestemming ‘Bos’, maar ter plaatse is geen bos aanwezig. Wanneer tijdens de werkzaamheden individuen worden aangetroffen, geldt hiervoor de algemene zorgplicht.

Deelgebied 2. Natuurcompensatie Ravenvennen Op circa 12 meter ten zuiden en circa 170 meter ten westen van het plangebied ligt het Natura 2000gebied Maasduinen. Aangezien het bestaande agrarische perceel wordt omgezet naar natuur in de vorm van een bosplantsoen is er geen sprake van negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied. Daarnaast ligt het plangebied deels binnen de goudgroene natuurzone en deels binnen de bronsgroene landschapszone. Zoals in paragraaf 3.2 is geconcludeerd, heeft de natuurcompensatie geen negatieve effecten op deze provinciaal beschermde natuur. Er is juist sprake van een positief effect, omdat de huidige landbouwgrond wordt omgezet naar natuur, passend bij de waarden en kenmerken van dit gebied.

Hoofdstuk 5

55

Wat betreft soortenbescherming zijn er geen beschermde soorten te verwachten in het plangebied, aangezien dit in gebruik is als akkerbouwperceel. Middels de natuurcompensatie wordt bovendien extra leefgebied gecreëerd voor (beschermde) soorten die in de omgeving voorkomen. De compensatie heeft hiermee een positief effect op aanwezige soorten. Deelgebied 3. Herstel woningbouwtitel Paul Guillaumestraat In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. De meest dichtbij gelegen gebieden liggen op meer dan 3 kilometer ten oosten van het plangebied in Duitsland. Negatieve effecten op deze gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Het meest dichtbij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Maasduinen’, op meer dan 10 kilometer ten noorden van het plangebied. Op basis van de Handreiking Woningbouw en AERIUS van de Rijksoverheid is bij de ontwikkeling van 50 woningen op een afstand van 10 kilometer tot een Natura 2000-gebied sprake van een indicatieve stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Aangezien voorliggend initiatief de ontwikkeling van slechts één woning betreft, zijn negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten.

De meest dichtbij gelegen provinciaal beschermde natuur ligt op circa 530 meter ten noordwesten van het plangebied en betreft een gebied dat deel uitmaakt van de goudgroene natuurzone. Gezien deze afstand en de aard van de ontwikkeling (herstel van een woningbouwtitel in een bestaande woonwijk) zijn negatieve effecten op dit gebied uitgesloten. Wat betreft soortenbescherming is sprake van een braakliggend en onbegroeid perceel in een woonwijk in bestaand stedelijk gebied. Gezien dit huidige gebruik en deze ligging worden ter plaatse geen beschermde soorten verwacht en zal ook geen leefgebied van beschermde soorten verloren gaan. Wel geldt de algemene zorgplicht voor eventuele aanwezige individuen. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit beschermde natuurwaarden voor de realisatie van onderhavig initiatief. De beoogde ontwikkelingen zijn in overeenstemming met de natuurwetgeving.

5.5 Leidingen en infrastructuur Deelgebied 1. Bedrijfslocatie Columbusweg In het oostelijk deel van het plangebied ligt een rioolleiding die van noord naar zuid het gebied doorkruist. Dit betreft geen bestemmingsplanplichtige leiding. Conform afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer dient aan beide zijden van de leiding een strook van 2,5 meter vrij gehouden te worden van bebouwing. Het bedrijfsgebouw is net ten westen van deze strook geprojecteerd. Ter plaatse van de leidingstrook is daarnaast uitsluitend open verharding toegestaan. Het initiatief voorziet dan ook in een open verharding ter plaatse van de leidingstrook.

Hoofdstuk 5

56

Op circa 100 meter ten zuiden en 210 meter ten westen van het plangebied zijn hoogspanningsverbindingen gelegen. De beschermingszones van deze leidingen reiken niet tot aan het plangebied. Voor het overige zijn er blijkens de risicokaart en het geldende bestemmingsplan in het plangebied geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Deelgebied 2. Natuurcompensatie Ravenvennen Op circa 35 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een DPO-leiding (brandstofleiding). Volgens het geldende bestemmingsplan reikt de belemmeringenstrook van deze leiding, die een breedte van 32 meter heeft, gemeten vanuit het hart van de leiding, niet tot het plangebied, waardoor de ligging ten opzichte van de leiding geen belemmering vormt. Voor het overige zijn er blijkens de risicokaart en het geldende bestemmingsplan in het plangebied geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Deelgebied 3. Herstel woningbouwtitel Paul Guillaumestraat Blijkens de risicokaart en de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Tegelen’ zijn er in het plangebied en de omgeving geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone.

Vanuit dit aspect zijn er daarom geen belemmeringen.

5.6 Verkeer en parkeren Het bedrijfsperceel aan de Columbusweg zal worden ontsloten via een in- en uitrit op de Columbusweg aan de noordzijde van het bedrijfsperceel. Het merendeel van het perceel is reeds bestemd tot ‘Bedrijventerrein’, waardoor de komst van een bedrijf, en de hierbij behorende verkeersbewegingen, hier reeds is voorzien. Het beoogde garagebedrijf voor reparatie en onderhoud van vrachtwagens kan getypeerd worden als een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf. De omliggende wegen zullen het verkeer van en naar dit bedrijf goed kunnen verwerken. Ook de beperkte uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de oostzijde zal niet leiden tot extra verkeersgeneratie, omdat dit deel van het perceel gebruikt zal worden voor de stalling van voertuigen. Het parkeren vindt volledig op eigen terrein plaats. Gezien de inrichting en omvang van het perceel is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. Voor het natuurcompensatieperceel zal geen sprake zijn van extra verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige functie als agrarisch perceel. Omdat het compensatieperceel naar verwachting niet of nauwelijks bezocht zal worden en er geen sprake is van verkeersgeneratie van en naar dit perceel, zijn er ook geen parkeerplaatsen benodigd.

Hoofdstuk 5

57

De ontwikkeling van een woning (herstel van de woningbouwtitel) aan de Paul Guillaumestraat leidt tot een beperkte toename12 van het aantal verkeersbewegingen. De Paul Guillaumestraat en omliggende wegen kunnen deze verkeersbewegingen makkelijk verwerken. Wat betreft parkeren dient op eigen terrein voorzien te worden in minimaal 2 parkeerplaatsen. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig. Conclusie Er zijn, gezien de bestaande situatie, geen problemen te verwachten met betrekking tot de verkeersafwikkeling van en naar het plangebied. Daarnaast kan er op eigen terrein voldaan worden aan de parkeerbehoefte.

5.7 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Op 10 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de spons-werking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. 12

Volgens de CROW-rekentool Verkeersgeneratie en Parkeren kan voor één woning worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Hoofdstuk 5

58

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodem, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater en bodem De bodem ter plaatse van de bedrijfslocatie aan de Columbusweg bestaat volgens de Bodemkaart van Nederland (via pdokviewer.pdok.nl) in het noordelijk deel uit haarpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand.

In het zuidelijk deel van deze locatie is sprake van vorstvaaggronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De regionale grondwaterstroming van het freatisch grondwater is volgens gegevens van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO globaal (zuid)oostelijk gericht, richting Maas. Het grondwater bevindt zich op een gemiddelde diepte van circa 3,4 meter beneden maaiveld. De bodem ter plaatse van het natuurcompensatieperceel bestaat uit poldervaaggronden, klei (KRn8). Het maaiveld is redelijk vlak, de hoogte varieert tussen de 18,5 en 19 meter boven NAP. De bodem ter plaatse van deelgebied 3 (Paul Guillaumestraat) bestaat uit overwegend fijne zanden, met plaatselijk dunne leem- en klei inschakelingen. De bodem (tot ongeveer 1 m beneden maaiveld) is matig tot slecht waterdoorlatend. Op grotere diepte is de bodem wel goed doorlatend. Het maaiveld ter plaatse bevindt zich gemiddeld op circa 20 m +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is volgens het Grondwaterplan Limburg (Provinciale Waterstaat Limburg, rapport GB 2008, oktober 1985) in noordwestelijke richting (richting Maas) en bevindt zich op een hoogte van circa 18 m +NAP. De locatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied 13. Zoals in paragraaf 3.2 reeds is beschreven, ligt het gehele plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol.

Aangezien bij de voorliggende ontwikkelingen geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt deze ligging geen belemmering.

13

Bron: Aeres Milieu B.V., Vooronderzoek Paul Guillaumestraat te Tegelen (kad. Sectie A nr. 6293), projectnummer AM17241, 28 juli 2017

Hoofdstuk 5

59

Oppervlaktewater Binnen het plangebied (alle drie de locaties) is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Op circa 30 meter ten zuiden van de bedrijfslocatie aan de Columbusweg ligt de primaire waterloop Kraaielse Beek, die in beheer is bij het Waterschap Limburg. Middels het voorliggend initiatief wordt geen invloed uitgeoefend op deze waterloop. Direct ten zuiden van het natuurcompensatieperceel ligt de primaire waterloop Venheiveld, die in beheer is bij het Waterschap Limburg. Middels de voorliggende natuurcompensatie wordt geen invloed uitgeoefend op deze waterloop. Voor het overige is er geen primair oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied aanwezig. Ecosystemen De drie deelgebieden liggen niet in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Hemel- en afvalwater Het afvalwater van het bedrijf zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de bestaande situatie is het bedrijfsperceel braakliggend en onverhard. Bij de ontwikkeling van het bedrijfsperceel zal bebouwing worden opgericht en wordt het overige deel van het terrein grotendeels verhard.

Volgens de Afkoppel beslisboom dient op eigen terrein te worden voorzien in te worden in voorzieningen voor de berging of infiltratie van hemelwater met een capaciteit van 50 mm (T=10) per m2 bebouwing/verharding. Daarnaast moeten de gevolgen van een bui T=100 (84mm in 48 uur) worden doorgerekend. Bij dergelijke buien mag geen water(schade) in gebouwen optreden. Ter plaatse van de bestaande leidingstrook ten behoeve van de rioolleiding, die over het oostelijk deel van het plangebied ligt, is een open, waterdoorlatende verharding voorzien. Deze behoort niet tot het verhard oppervlak. In het plangebied zal worden voorzien in een infiltratievoorziening met een overloop op de naastgelegen watergang. Bij de uitwerking van het bouwplan zal de precieze benodigde capaciteit van deze voorziening worden bepaald conform de Afkoppel beslisboom. Voor het natuurcompensatieperceel geldt dat er geen sprake is van afvalwater, waardoor een rioolaansluiting niet nodig is. Daarnaast wordt er geen verharding aangebracht in dit gebied, waardoor er geen maatregelen nodig zijn voor de infiltratie of berging van hemelwater. Voor het woonperceel aan de Paul Guillaumestraat geldt dat het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de ge-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/498/documents/10770