CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

001 bijl01, Toelichting bestemmingsplan bedrijfslocatie Vilgert.pdf

Commissie Omgeving 17 januari 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5: Bestemmingsplan bedrijfslocatie de Vilgert - Vaststelling (RV 2024-1)15.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 5

32

Uitsnede belemmeringskaart gemeente Venlo met ligging plangebied (blauwe pijl)

De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling gelet op de risico- en belemmeringskaart. De meest dichtbij gelegen inrichtingen betreft een particulier met een bovengrondse propaantank en een ondergrondse propaantank aan de aan de Oude Heerweg 68. Deze inrichtingen liggen op ruim 80 meter ten noordwesten van de locatie. Gezien de inhoud van de propaantanks vallen deze inrichtingen niet onder het Bevi. Er gelden wel veiligheidsafstanden conform artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit. De veiligheidsafstand bedraagt 20 meter. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen de veiligheidsafstand van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan.

Hoofdstuk 5

33

Risicovol transport over wegen

Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe pijl)

Op circa 60 meter ten westen van het plangebied vindt (incidenteel) vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de (Rijksweg) N271. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van deze weg levert daarom geen belemmeringen op. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg. Het invloedsgebied bedraagt namelijk 355 meter op basis van de stofcategorie GF3 (brandbare stoffen). Op basis van de HART is ook voor de bepaling van het groepsrisico het aantal transporten brandbare gassen bepalend. Huidige situatie De vuistregels voor het groepsrisico maken onderscheid tussen een weg met eenzijdige bebouwing of tweezijdige bebouwing. Vanuit worst case is uitgegaan van tweezijdige bebouwing buiten de bebouwde kom. Uit toetsing aan de vuistregels blijkt dat bij bebouwing op 10 meter afstand van de N271 het groepsrisico kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde is als het aantal personen per hectare 50 of kleiner is binnen 200 meter aan weerszijde van de route. Voor een overschrijding van oriëntatiewaarde, zou er sprake moeten zijn van 100 personen per hectare of meer.

Hoofdstuk 5

34

De omgeving van de N271 is voornamelijk agrarisch gebied en op enkele plaatsen is woonbebouwing aanwezig (Wellerlooi en Knikkerdorp). Voor deze woongebieden kan op basis van de populatiegegevens uit het Populatiebestand worden afgeleid dat de personendichtheid kleiner is dan 50 personen per hectare binnen 200 meter aan weerzijden van de N271. Hieruit kan worden geconcludeerd dat in de huidige situatie het groepsrisico van de N271 kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Autonome situatie In de autonome situatie is het aantal transporten brandbare gassen gelijk aan de huidige situatie. Verder blijkt dat binnen de 200 meter aan weerzijden van de N271 geen ruimtelijke ontwikkelingen voorzien zijn. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de N271 in de autonome situatie gelijk is aan de huidige situatie. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is er een zeer beperkte toename in het aantal transporten brandbare gassen ten opzichte van de huidige en autonome situatie. Verder blijkt dat binnen de 200 meter aan weerzijden van de N271 geen ruimtelijke ontwikkelingen voorzien zijn die het groepsrisico mogelijk vergroten. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de N271 in de toekomstige situatie gelijk is aan de huidige en autonome situatie.

Aangezien het groepsrisico van de N271 onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft, dient op basis van het Bevt enkel ingegaan te worden op de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). In tabel 1 is deze beperkte verantwoording weergegeven. Tot slot ligt op circa 2,8 kilometer ten zuiden van het plangebied de A67, waarover risicovol transport plaatsvindt. Het invloedsbebied van de A67 bedraagt 880 meter. Gelet op de ruime afstand tot aan de snelweg wordt deze voor de onderhavige ontwikkeling buiten beschouwing gelaten. Verder vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen plaats, dat een belemmering vormt voor de ontwikkeling. Risicovol transport over spoor- en vaarwegen De Maas ligt op circa 700 meter afstand ten westen van plangebied. Het invloedsgebied bedraagt 1070 meter. Dit betekent dat de Maas relevant is voor het plan. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de Maas. Nu het plangebied op meer dan 200 meter van de Maas ligt, kan op basis van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid worden aangesloten bij de standaard verantwoording van het groepsrisico. Deze is weergegeven in tabel 1. Verder zijn er in de wijde omgeving rondom het plangebied zijn geen spoor- wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt.

Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5

35

Tabel 1: beperkte verantwoording

Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Voor wat betreft de (vaar)weg N271 en de Maas bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE[1]); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een plasbrand scenario bestaan met name uit vluchten. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn moeten zij zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 30 meter (het plasbrandaandachtsgebied), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen deze 30 m kunnen ernstige brandverwondingen oplopen. In principe is vluchten de beste optie. Of vluchten daadwerkelijk mogelijk is, is afhankelijk van de parameters vluchttijd en alarmeringstijd. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren.

Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

[1]

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 5

36

Conclusie Risicovolle bedrijvigheid en risicovol transport van gevaarlijke stoffen vindt op een dermate grote afstand van het plangebied plaats, dat er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.6 Milieueffectrapportage Beoordeling directe m.e.r.-plicht In het plangebied wordt de herbestemming van een voormalig woonperceel naar een drietal bedrijfskavels mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van bedrijventerreinen valt onder categorie onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De onderhavige ontwikkeling valt daarmee onder de definitie van een stedelijke ontwikkeling, maar valt tevens onder de drempelwaarde. Er is voor de activiteit daarom geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Wel wordt een vormvrije m.e.r. noodzakelijk geacht. Vormvrije m.e.r. beoordeling Er is door BRO een aparte aanmeldingsnotitie opgesteld. 4 Voor de resultaten van de rapportage wordt verwezen naar de bijlage. Plan-MER Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling wordt een plan-MER niet noodzakelijk geacht.

5.2 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op 4

BRO, aanmeldingsnotitie m.e.r. bedrijventerrein de Vilgert te Velden, rapportnummer: P3941, d.d. 12 oktober 2022.

Hoofdstuk 5

37

het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Toetsing Voor de gehele gemeente Venlo is een archeologisch onderzoek uitgevoerd dat geresulteerd heeft in een Archeologische beleidskaart. Op basis van de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied een “zeer hoge archeologische verwachting” en “hoge of middelhoge archeologische verwachting”. Derhalve geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm - mv.

Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo met ligging plangebied (blauw omlijnd)

Hoofdstuk 5

38

Nu deze grenswaarden bij realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden overschreden is een archeologisch onderzoek vereist. Door Econsultancy is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd.5 de belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven. Voor de volledige rapportage verwijs ik u naar de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de ligging op de rand van een Allerød Interstadiaal terras de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is grotendeels intact. Onder een bouwvoor van 40 tot 55 centimeter ligt in het grootste deel van het plangebied direct de C-horizont die in de top iets geroerd is. Op één locatie centraal in het plangebied is de bodem mogelijk dieper geroerd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, blijft door het booronderzoek in zijn geheel gehandhaafd. Op basis van het behoud van de hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Op basis van bovenstaande conclusie is in overleg met de gemeente een PvE (Programma van Eisen) opgesteld.

Naar aanleiding daarvan is er door Econsultancy een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd.6 de belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven. Voor de volledige rapportage verwijs ik u naar de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat tijdens het proefsleuvenonderzoek geen relevante archeologische sporen en/of vondsten zijn aangetroffen, en dat derhalve geen sprake lijkt te zijn van de aanwezigheid van een behoudenswaardige archeologische vindplaats(en) ter plekke van het plangebied. De conclusie uit het eerdere verkennende vooronderzoek dat de bodem in het plangebied relatief gaaf is kon bij onderhavig onderzoek worden bevestigd. Het karterende proefsleuvenonderzoek laat echter ook zien dat er geen archeologische vindplaats aanwezig is. Het advies om geen vervolgonderzoek te doen en het plangebied vrij te geven wordt dan ook door de gemeente overgenomen als selectiebesluit. Dit betekent dat het aspect archeologie geen rol meer speelt bij de ontwikkeling van het plangebied en in het bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming meer van toepassing is. Conclusie Gezien de in het onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

5 6

Econsultancy, Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek Vilgert te Velden, rapportnummer: 19012.002, d.d. 6 mei 2022. Econsultancy, Proefsleuvenonderzoek De Vilgert te Velden, rapportnummer: 19012.003- V2, d.d. 21 april 2023.

Hoofdstuk 5

39

5.3 Cultuurhistorie Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn blijkens de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Limburg en de gemeente Venlo geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen herbestemming.

5.4 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Hoofdstuk 5

40

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Door BRO is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. 7 De resultaten worden hieronder kort beschreven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Gebiedsbescherming De locatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Maasduinen’, bevindt zich op circa 1,3 kilometer

7

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Bedrijfslocatie De Vilgert’ te Velden, projectnummer: P03941, d.d. 14 juli 2022.

Hoofdstuk 5

41

ten noordoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de (nieuw)bouw van een bedrijfspand betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, tijdens de gebruiksfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Derhalve is er een vervolgonderzoek8 in de vorm van een AERIUSberekening uitgevoerd ten aanzien van de gebruiksfase. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlagen behorende bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene land-schapszone (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 530 meter ten noorden van het plangebied.

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Daarnaast kan, gezien het ontbreken van opgaand groen binnen het plangebied, het tot broeden komen van “algemene” soorten tevens redelijkerwijs worden uitgesloten. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broed-habitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiele verblijfplaatsen.

Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust-of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. 8

BRO, AERIUS stikstofdepositieberekening Vilgert te Velden, projectnummer: P03941, d.d. 6 oktober 2023.

Hoofdstuk 5

42

Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanbevelingen Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nesten verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds

Hoofdstuk 5

43

verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de onderdelen ‘gebiedsbescherming’, soortenbescherming’ en ‘houtopstanden’.

5.5 Leidingen en infrastructuur In of rond het plangebied zijn volgens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft kabels en leidingen zijn er dan ook geen belemmeringen.

5.6 Verkeer en parkeren Verkeer De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 bedrijfskavels. Op bedrijfskavel 1 wordt een gebouw van circa 1.070 m 2 gerealiseerd. Op bedrijfskavel 2 wordt een bouwvlak van circa 1.127 m2 mogelijk gemaakt. Dit zorgt op basis van de CROW-publicatie nr. 381 ‘Toekomstbestendig parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ voor een gemiddelde verkeersgeneratie van circa 99 mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. Aansluiting is gezocht bij de hoofdgroep ‘bedrijf arbeidsext./ bezoekersext. (loods, opslag, transp.)’. De ligging betreft de ‘rest bebouwde kom‘ en er is uitgegaan van ‘sterk stedelijk gebied’.  

Bedrijfskavel 1: 10,70 x 4,5 = 48,15 = 48 mvt per etmaal Bedrijfskavel 2: 11,27 x 4,5 = 50,7 = 51 mvt per etmaal

Gezien het profiel van de omliggende wegen kan deze de nieuwe verkeersgeneratie in voldoende mate worden opvangen. Het omliggende gebied blijft goed ontsloten voor langzaam verkeer. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat beide bedrijfskavels worden ontsloten op de Vilgert, dan wel een zijweg van de Vilgert. Er vindt geen directe aansluiting plaats op de N271. Het verkeer wordt verder via de Vilgert op de N271 ontsloten. De aansluitende wegen kunnen deze beperkte verkeerstoename dan ook goed verwerken. Parkeren De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 bedrijfskavels. Op bedrijfskavel 1 wordt een gebouw van circa 1.070 m 2 gerealiseerd. Op bedrijfskavel 2 wordt een bouwvlak van circa 1.127 m2 gerealiseerd. Dit zorgt op basis van de CROW-publicatie nr. 381 ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ voor een gemiddelde parkeerbehoefte van 21 parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 5

44

Aansluiting is gezocht bij de hoofdgroep ‘bedrijf arbeidsext./ bezoekersext. (loods, opslag, transp.)’. De ligging betreft de ‘rest bebouwde kom‘ en er is uitgegaan van ‘sterk stedelijk gebied’.  

Bedrijfskavel 1: 10,70 x 0,95 = 10,1 = 10 parkeerplaatsen Bedrijfskavel 2: 11,27 x 0,95 = 10,7 = 11 parkeerplaatsen

Gezien de omvang van het plangebied zal de parkeerbehoefte worden opgevangen op eigen terrein. Vanuit het aspect parkeren is er dus geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.7 Waterparagraaf De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleid waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Toetsing Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Daarentegen is het plangebied wel gelegen binnen de ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Ter plaatse is gesteld dat het verboden is ter plaatse van inrichtingen beneden 5

Hoofdstuk 5

45

meter boven NAP, onder andere een boorput te maken of de grond te roeren. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving is wel oppervlaktewater aanwezig. Aan de overzijde van de Vilgertweg aan de oostelijke zijde van het plangebied zijn drie vijvers/plassen gelegen (Vilgertshof). Hemelwater Het hemelwater van het bedrijfspand zal afgekoppeld worden en dient te infiltreren in de bodem. Op grond van de beslisboom afkoppelen van de gemeente Venlo geldt in deze een bergingseis van 100 mm. Bij de keuze van het type en de dimensionering van het infiltratiesysteem moet rekening worden gehouden met de heterogeniteit van de bodem. Kavel 1: Indien globaal gekeken wordt naar de te realiseren verharding van het bedrijfsgebouw (ca. 1.070 m2 en de inrit/uitrit met bijbehorende parkeerplaats ca. 465 m2) kan gesteld worden dat er circa 1.535 m2 verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Gelet op de gemeentelijke bergingseis van 100 mm per m2 verhard oppervlak betekent dit dat ca. 153,5 m3 waterberging in het plangebied ter compensatie gerealiseerd moet worden. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om de waterberging te realiseren en om deze hoeveelheid hemelwater op te vangen.

Kavel 2: Voor onderhavige kavel is nog geen concreet plan beschikbaar. Voor de te realiseren verharding van het bedrijfsgebouw (ca. … m 2 en de inrit/uitrit met bijbehorende parkeerplaats ca. … m 2) kan gesteld worden dat er circa … m 2 verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Gelet op de gemeentelijke bergingseis van 100 mm per m2 verhard oppervlak betekent dit dat ca. … m 3 waterberging in het plangebied ter compensatie gerealiseerd moet worden. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om de waterberging te realiseren en om deze hoeveelheid hemelwater op te vangen. Het toekomstige plan zal voldoen aan de voornoemde gemeentelijke bergingseis van 100 mm per m2 verhard oppervlak. Afvalwater Over het perceel loopt een rioolleiding. In de toekomstige situatie is het niet wenselijk om deze leiding te behouden. Er moet gekeken worden of deze leiding kan komen te vervallen en wat dit voor gevolgen heeft voor de riolering. Mogelijk moeten andere leidingen verzwaard worden. Voor nu wordt het afvalwater aangesloten op de reeds aanwezige gemeentelijke riolering. Gelet op de beperkte omvang van het plan is er voldoende capaciteit om het afvalwater te loodsen op de bestaande riolering.

Conclusie Als gevolg van de realisatie van het nieuwe bedrijfspand treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

Hoofdstuk 5

46

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Algemeen Het bestemmingsplan ‘Bedrijfslocatie De Vilgert, Velden’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond (schaal 1:500). De bestemming ‘Bedrijf’ is weergegeven. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is een bouwvlak ingetekend waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. De ligging van het bouwvlak is afgestemd op de bovengrondse hoogspanningsverbinding binnen het plangebied en buiten de beschermingszone van de hoogspanningsverbinding geprojecteerd.

6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en recente bestemmingplannen uit de omgeving van het plangebied. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;  Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven.

Hoofdstuk 6

47

6.3.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 6.3.2 Bestemmingsplanregels Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. In de nadere eisen wordt bepaalde welke aanvullende eisen het bevoegd gezag kan stellen aan de bebouwing. Van de bouwregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning (afwijken van de bouwregels). In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels).

Hoofdstuk 6

48

In de regels omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde werkzaamheden. De regels omtrent een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bepalen in welke gevallen het slopen van een bouwwerk vergunningplichtig is. In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden. Bedrijf De bestemming ‘Bedrijf’ is opgenomen voor het grootste gedeelte van het plangebied. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels) onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen. Daarnaast zijn productiegebonden detailhandel, ondergeschikte kantoren, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen, parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan.

Natuur De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige waarden ten aanzien van natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishoudkundige voorzieningen en water en watergangen met een zo sterk mogelijk ecologische en ruimtelijkstructurele samenhang. Alsmede extensief recreatief medegebruik, wegen, verharde en onverharde paden. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is opgenomen voor een gedeelte van het plangebied. De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen, met daaraan ondergeschikt: bermen en beplanting, bosstroken, straatmeubilair, met de daarbij behorende: voorzieningen van algemeen nut, waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen). 6.3.3 Algemene regels In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

Hoofdstuk 6

49

In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen voor bestaande afstanden en maten. In de algemene aanduidingsregels is de regeling omtrent de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ vastgelegd. De algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de algemene procedureregels is de procedure omtrent het stellen van nadere eisen beschreven. De overige regels bevatten tot slot een verwijzing naar de geldende wetten en regels. 6.3.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

50

7.

UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Indien het de beoogde ontwikkeling geen bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro dan hoeven de kosten niet te worden verhaald. De gronden waarop het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft, zijn in eigendom van de gemeente Venlo. Hierdoor is een verplichting tot kostenverhaal niet aan de orde. Aan het kostenverhaal zal invulling worden gegeven bij de uitgifte van de gronden.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Overleg Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. PM: reactie instanties (Waterschap en Provincie) 7.2.2 Inspraak De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. De gemeente Venlo volgt voor dit bestemmingsplan geen inspraakprocedure.

Hoofdstuk 7

51

8.

PROCEDURE

8.1 Procedure In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor een ieder;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State.

8.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal voor een periode van zes weken ter inzage liggen. Tijdens deze periode hebben belanghebbenden de mogelijkheid gehad om zienswijzen in te dienen.

Hoofdstuk 8

52

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 8

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/389/documents/7043