001 bijl01, Toelichting bestemmingsplan bedrijfslocatie Vilgert.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Bedrijfslocatie De Vilgert, Velden’ Gemeente Venlo Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Bedrijfslocatie De Vilgert, Velden’ Gemeente Venlo Vastgesteld
Rapportnummer:
P03941
IDN:
NL.IMRO.0983.BP202217VILGERTBT-VA01
Datum:
oktober 2023
Datum ontwerp:
oktober 2023
Datum vaststelling: Projectleider BRO:
DAd, DEe
Trefwoorden:
Bestemmingswijziging, bedrijfskavels, Vilgert, Velden, gemeente Venlo
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van een braakliggend terrein naar twee bedrijfskavels aan de Vilgert te Velden, gemeente Venlo.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
INHOUD
1. INLEIDING
3
2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
6
3. PLANBESCHRIJVING 3.1 Projectprofiel 3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten
7 7 8
4. BELEID 4.1 Rijksbeleid
13 13
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 4.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 4.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Provinciaal beleid
13 14 14 14 15
4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 4.3 Regionaal beleid
15 17 17 19
4.3.1 Visie Bedrijventerreinen Noord Limburg 2017 4.4 Gemeentelijk beleid
19 20
4.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 4.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 4.4.3 Welstandsnota 4.4.4 Vigerend bestemmingsplan
20 20 22 23
5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN 5.1 Milieu
27 27
5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 5.1.2 Luchtkwaliteit 5.1.3 Geluidhinder 5.1.4 Milieuzonering 5.1.5 Externe veiligheid 5.1.6 Milieueffectrapportage 5.2 Archeologie
Inhoudsopgave
27 28 29 29 31 37 37
1
5.3 Cultuurhistorie 5.4 Ecologie 5.5 Leidingen en infrastructuur 5.6 Verkeer en parkeren 5.7 Waterparagraaf
40 40 44 44 45
6. JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Algemeen 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de regels
47 47 47 47
6.3.1 Inleidende regels 6.3.2 Bestemmingsplanregels 6.3.3 Algemene regels 6.3.4 Overgangs- en slotregels
48 48 49 50
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51 51 51
7.2.1 Overleg 7.2.2 Inspraak
51 51
8. PROCEDURE 8.1 Procedure 8.2 Zienswijzen
52 52 52
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Quickscan flora en fauna Bijlage 2: Stikstofdepositieberekening Bijlage 3: Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Bijlage 4: Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek Bijlage 5: Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
Het voornemen bestaat om aan de Vilgert te Velden twee bedrijfskavels mogelijk te maken. De ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van het momenteel braakliggende terrein. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse is namelijk geen bouwvlak aanwezig, waardoor de invulling van de beoogde bedrijfskavels niet is toegestaan.
Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Het voorliggende projectgebied omvat het perceel, kadastraal bekend als gemeente Arcen en Velden, sectie C, nummers 11,844, 11845, 11846 (ged.) en 11798 (ged.). De ligging en begrenzing van het plangebied is in de navolgende afbeeldingen weergegeven. Het plangebied is momenteel braakliggend. De gemeente is voornemens deze locatie te herontwikkelen, bouwrijp te maken en juridisch-planologisch gereed maken voor twee bedrijfskavels. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt hieraan invulling gegeven.
Hoofdstuk 1
3
De betreffende gronden zijn in het geldende bestemmingsplan ‘Velden-Hasselderheide’ bestemd tot ‘Bedrijf’ en voor een klein deel tot ‘Verkeer’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van Bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 1 en 2. Uitzondering hierop zijn geluidszoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen. De gronden zijn tevens bestemd voor opslag en uitstalling, wegen en paden, parkeervoorzieningen, tuinen, ervan, verharding en groenvoorzieningen.
Kadastrale kaart op luchtfoto met begrenzing plangebied (blauw omlijnd)
Conform artikel 4.2 geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak gerealiseerd dienen te worden. Ter plaatse van het plangebied is echter geen bouwvlak aanwezig, waardoor de realisatie van de beoogde bedrijfsgebouwen niet is toegestaan. De beoogde ontwikkeling van het plangebied tot twee bedrijfskavels is binnen de geldende bedrijfsbestemming niet mogelijk. Middels een herziening van het bestemmingsplan kan deze herbestemming worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 1
4
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven, gevolgd door hoofdstuk 3, waarin het beoogde planvoornemen is beschreven. Daarna volgen in hoofdstuk 4 de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 7 is een beschrijving van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan opgenomen. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de te volgen procedure.
Hoofdstuk 1
5
2.
BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van twee bedrijfskavels op het voorgenoemde perceel aan de Vilgert in Velden. Het plangebied heeft reeds een bedrijfsbestemming. Het plangebied ligt ten noorden van de kern van Velden en wordt in het noordoosten ontsloten via de Vilgert. In het zuidwesten wordt het perceel ontsloten op de N271. Het plangebied ligt tegen de rand van de kern en grenst aan het buitengebied. Ten noorden van het plangebied zijn braakliggende gronden gelegen, welke ook in eigendom zijn van de gemeente Venlo. Ten zuiden van het plangebied grenst de locatie direct aan een perceel met een dienstverlening bestemming. Specifiek gezien is hier ‘Dierenkliniek Velden’ gelegen.
Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en omgeving
Hoofdstuk 2
6
3.
PLANBESCHRIJVING
In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven.
3.1 Projectprofiel In het voorliggende plan wordt het braakliggende terrein, herontwikkeld tot twee bedrijfskavels. Daarnaast wordt er een deel met een bedrijfsbestemming omgezet naar een natuurbestemming. De gehele kavel heeft een oppervlakte van 4.940 m2. Voor een van de kavels (kavel 1, groen omlijnd) zijn al concrete plannen voor de realisatie van een bedrijfsgebouw. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van circa 1.070 m 2. Deze kavel bestrijkt circa 2.500 m 2 aan oppervlakte. Kavel 2 heeft een oppervlakte van circa 2.440 m2. Hiervoor zijn nog geen concrete uitwerkingsplannen. In paragraaf 3.2 wordt verder in gegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. Binnen het plangebied worden bedrijven van milieucategorie 1 en 2 mogelijk gemaakt. Voor wat betreft de bouwmogelijkheden is rekening gehouden met de regels, zoals die momenteel gelden voor bedrijfsbestemmingen conform het vigerend bestemmingsplan. Belangrijke stedenbouwkundige uitgangspunten zijn hierbij: De afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 meter bedragen; De goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen; Het aantal bouwlagen mag niet meer dan 2 bedragen; Het dak mag met een kap worden gebouwd of plat worden uitgevoerd.
Indien het dak met een kap wordt gebouwd mag de dakhelling niet minder dan 30o zijn en niet meer dan 60o bedragen; De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter.
Hoofdstuk 3
7
Uitsnede verbeelding plangebied
3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van het braakliggende bedrijfsperceel. Hiermee ontstaan nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden voor bedrijven om zich te vestigen in het plangebied. Functioneel gezien past de herontwikkeling naar ‘Bedrijf’ prima bij de omliggende functies, aangezien er momenteel al sprake is van een bedrijfsbestemming. Voor kavel 1 is al een bouwplan beschikbaar. Voor kavel 2 is nog geen concreet plan.
Hoofdstuk 3
8
Uitsnede kadastrale achtergrond (bedrijfskavel 1 groen omlijnd, bedrijfskavel 2 blauw omlijnd)
Bedrijfskavel 1 In het kader van het initiatief worden de gronden conform bestemmingsplan bebouwd. Aangezien de locatie reeds een bedrijfsbestemming heeft, past het beoogde bedrijfsgebouw functioneel in de omgeving. Stedenbouwkundig bezien wordt onder andere qua hoogte, rooilijnen, e.d. zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing. Er worden eveneens voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Het voornemen bestaat om ter plaatse van deze kavel een bedrijfspand te realiseren ten behoeve van opslag voor een bestaand stucadoorsbedrijf, omdat het plangebied zich hier uitstekend voor leent. Deze kavel wordt goed ontsloten door omliggende wegen en grenst direct aan de reeds bestaande weg ‘Vilgert’ aan de oostzijde, welke als ontsluiting voor het bedrijfsperceel kan gaan dienen. De Vilgert sluit vervolgens ten noorden van het plangebied aan op de N271. Met de realisatie van het beoogde bedrijfspand wordt invulling gegeven aan een braakliggende locatie.
Hoofdstuk 3
9
In relatie de uitwerking van het beoogde bedrijfsperceel en daarmee het bedrijfspand wordt hoofdzakelijk aangesloten op de stedenbouwkundige uitgangspunten, zoals deze ook gelden voor andere bedrijfsbestemmingen binnen het vigerend bestemmingsplan. Hiermee zal de toekomstige bebouwing qua positionering aansluiten op de omliggende stedenbouwkundige structuur. Daarnaast zullen er klimaat adaptieve maatregelen worden getroffen. Onder klimaat adaptieve maatregelen wordt verstaan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van gebieden. Het gaat hierbij om het voorkomen van wateroverlast, droogte en overstroming en hitte te beperken. Nu, maar ook in de toekomst als het klimaat extremer wordt. Zo leiden een doordachte inrichting van stedelijk gebied en slim gebruik van materialen tot een gezonde leefomgeving. Klimaatadaptieve maatregelen kunnen positieve effecten hebben op de plaats van toepassing, maar ook op de omgeving, zoals nabijgelegen stedelijk gebied. Ter waarborging is in dit kader een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is er kortom geen sprake van negatieve ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten op de korte als op (middel) lange termijn. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wordt de ontwikkeling goed inpasbaar geacht.
Hoofdstuk 3
10
Schetstekening functionele indeling plangebied
Bedrijfskavel 2 Voor deze kavel is nog geen concreet plan. De kavel leent zich echter goed voor een herontwikkeling. Deze kavel wordt goed ontsloten door omliggende wegen en grenst aan een toegangsweg ten noorden van het plangebied, welke (via de Vilgert) als ontsluiting voor het bedrijfsperceel kan gaan dienen. Met de realisatie van het beoogde bedrijfspand wordt invulling gegeven aan een braakliggende locatie. In relatie de uitwerking van het beoogde bedrijfsperceel en daarmee het bedrijfspand wordt hoofdzakelijk aangesloten op de stedenbouwkundige uitgangspunten, zoals deze ook gelden voor andere bedrijfsbestemmingen binnen het vigerend bestemmingsplan. Hiermee zal de toekomstige bebouwing qua positionering aansluiten op de omliggende stedenbouwkundige structuur. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is er kortom geen sprake van negatieve ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten op de korte als op (middel) lange termijn. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wordt de ontwikkeling goed inpasbaar geacht.
Hoofdstuk 3
11
Daarnaast zullen er klimaat adaptieve maatregelen worden getroffen. Onder klimaat adaptieve maatregelen wordt verstaan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van gebieden. Het gaat hierbij om het voorkomen van wateroverlast, droogte en overstroming en hitte te beperken. Nu, maar ook in de toekomst als het klimaat extremer wordt. Zo leiden een doordachte inrichting van stedelijk gebied en slim gebruik van materialen tot een gezonde leefomgeving. Klimaatadaptieve maatregelen kunnen positieve effecten hebben op de plaats van toepassing, maar ook op de omgeving, zoals nabijgelegen stedelijk gebied. Ter waarborging is in dit kader een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Samengevat treden er geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten op voor de omgeving als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
12
4.
BELEID
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 4.1, § 4.2, § 4.3 en § 4.4).
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september 2020 is de NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Afweging Voor de voorliggende ontwikkeling zijn met name de prioriteiten ‘duurzaam economisch groeipotentieel’ en ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ van belang.
Het mogelijk maken van twee bedrijfskavels, aansluitend op de bestaande bedrijfsbestemmingen en gelegen op gronden die conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd zijn voor bedrijvigheid en binnen de structuurvisie reeds zijn aangemerkt als woongebied (waarbinnen een mix met bedrijvigheid tot milieucategorie 2 voorzien is). De ontwikkeling sluit dan ook aan bij deze prioriteiten. Voor het overige is sprake van een kleinschalige en lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Hoofdstuk 4
13
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In de Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte (AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen en wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele wijzigingen in werking getreden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Het Barro heeft voor de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor het planvoornemen. 4.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro.
In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Volgens de kaarten bij de Rarro ligt het plangebied binnen het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel. Ter plaatse geldt een beperking van de maximale bouwhoogte van windturbines. Deze mag ter plaatse maximaal 114 meter boven NAP bedragen. Aangezien het bestemmingsplan echter geen windturbines hoger dan 114 meter boven NAP toestaat, vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering. 4.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 4
14
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de invulling van een reeds bestaande bedrijfsbestemming. Op de locatie zijn echter momenteel geen bouwmogelijkheden opgenomen. Deze worden middels onderhavig bestemmingsplan alsnog mogelijk gemaakt. Hierdoor is er feitelijk sprake geen sprake van een toename in het ruimtebeslag. Het plangebied heeft een oppervlakte van ruim 4.320 m2. In beginsel zou bij een bedrijfsontwikkeling, groter dan 500 m2, de behoefte moeten worden aangetoond door middel van een ladderonderbouwing.
Nu er reeds een bedrijfsbestemming op de locatie rust en slechts invulling wordt gegeven aan de reeds bestaande planologische mogelijkheden wordt het aantonen van de behoefte door middel van een ladderonderbouwing niet noodzakelijk geacht.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg De nieuwe Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. De Provincie Limburg moet dan beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg’ (POVI) is op 21 oktober 2021 vastgesteld. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven aan hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Hoofdstuk 4
15
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Werklocaties Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten.
Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan de economische structuur. Er is een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen: ruim 800 ha (11%) is nog beschikbaar. Op de reeds uitgegeven oppervlakte (6.500 ha) zijn ruim 11.000 bedrijfsvestigingen met bijna 220.000 werkzame personen actief. Uitgaand van de situatie op 31 december 2019 en het meerjarig gemiddelde uitgiftepatroon is deze voorraad toereikend voor zo’n 7 tot 10 jaar. Afhankelijk van de vraagontwikkeling kunnen zich echter knelpunten voordoen in soort en kwaliteit van terrein dat nodig is. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. Vanuit het oogpunt van circulariteit van bestaande bedrijfsgebouwen en optimaal ruimtegebruik is dat niet altijd de beste keuze. Multifunctioneel ruimtegebruik en herstructurering bieden hier kansen. De kwaliteit van Limburgse bedrijventerreinen is niet overal voldoende. Het gevolg is dat verouderde bedrijventerreinen leegstaande plekken en panden bevatten. In sommige gevallen leidt dit tot verloedering en criminele activiteiten. Bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen wordt er gekozen voor compacte werklocaties om het ruimtegebruik en landschappelijke inpassing te optimaliseren.
Hiervoor wordt de redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’ gebruikt om op deze wijze zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Concreet betekend dit het volgende: De behoefte dient aangetoond te worden; Het (her)gebruiken van ruimte op bestaande, evt. te herstructureren terreinen;
Hoofdstuk 4
16
Het ontwikkelen van nieuwe terreinen die aansluiten bij bestaande werklocaties; Het mogelijk ontwikkelen van andere buitenstedelijke locaties (mits gemotiveerd).
Met de onderhavige ontwikkeling wordt ingezet op het herstructureren en hergebruiken van een klein bedrijventerrein gelegen aan de rand van de kern van de bebouwde kom van Velden. De onderhavige ontwikkeling richt zich voornamelijk op lokale bedrijvigheid. Het streven is om de gronden in te zetten om een aantal bedrijven uit de kern, die momenteel tussen de woonbebouwing aanwezig zijn, te verplaatsen. Met de onderhavige ontwikkeling worden hiervoor mogelijkheden gecreëerd en wordt zorgvuldig en duurzaam omgegaan met het ruimtegebruik. Afweging De voorliggende ontwikkeling voorziet in de toevoeging van twee bedrijfskavels in een gebied waar reeds meerdere bedrijven zijn gelegen. De bedrijfsbebouwing zal worden gerealiseerd aansluitend op bestaande solitaire bedrijfskavels. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Velden en is qua locatie geschikt voor de vestiging van een aantal bedrijven. Vestiging van bedrijven binnen het plangebied is daardoor een passende nieuwe invulling voor het plangebied en in lijn met zorgvuldig ruimtegebruik. Samengevat past het initiatief hiermee binnen de Provinciale Omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven.
Na de vaststelling van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg wordt een nieuwe omgevingsverordening verder uitgewerkt. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. De Omgevingsverordening 2021 wordt verder behandeld onder paragraaf 3.2.3. Afweging Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat de locatie is gelegen in het beschermingsgebied ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Venloschol in gronden beneden 5 meter NAP dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 4
17
Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien wanneer ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’. Conform artikel 12.5 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoegings- en vestigingsmogelijkheden van bedrijventerreinen het volgende beschrijven: “Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale
Uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2021: kaart Wonen, werken en recreëren met ligging uitbreiding (blauwe marker)
Hoofdstuk 4
18
visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg”. Afweging In het voorliggende geval is geen sprake van de uitbreiding van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen. De beoogde ontwikkeling omvat gronden die conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd zijn voor bedrijvigheid en binnen de structuurvisie reeds zijn aangemerkt als woongebied (waarbinnen een mix met bedrijvigheid tot milieucategorie 2 voorzien is). Er is enkel sprake van toevoeging van twee solitaire bedrijven. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsverordening 2021. Daarnaast is er in deze onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale visie bedrijventerreinen Noord-Limburg 2017 welke wordt behandeld onder paragraaf 4.3.1.
4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Visie Bedrijventerreinen Noord Limburg 2017 De regionale visie bedrijventerreinen vormt de nadere uitwerking van het onderwerp werklocaties, opgenomen in de POVI. In de visie worden de ambities, opgaven en principes benoemd, waaronder: De ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid dient gefaciliteerd te worden; Nieuw ondernemerschap (starters) wordt gestimuleerd; Er wordt ruimte geboden aan nieuwe bedrijvigheid van buiten de regio op regionale bedrijventerreinen; De kwaliteit van bedrijventerreinen wordt behouden en waar nodig verbeterd door middel van herstructurering en transformatie van bedrijventerreinen (waar noodzakelijk); Ruimtevraag wordt in eerste instantie gefaciliteerd op bestaande terreinen. Voor de ruimtevraag van bestaande bedrijven wordt geprobeerd om deze op het huidig kavel op te vangen (intensiveren). De leegstand dient rond het frictieniveau te liggen. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een vergroting van de leegstand. Verder wordt aangegeven dat: Wanneer nieuwe plannen voldoen aan de kwalitatieve vraag van het bedrijfsleven en op een juiste locatie zijn gelegen voor de regio, worden de plannen als een goede toevoeging gezien en kunnen ze tot ontwikkeling komen. De focus voor de regio is gericht op het bestaande bedrijfsleven.
Voor de regio is het van belang dat deze bestaande bedrijvigheid zo snel en goed mogelijk op te vangen, zodat het percentage van verplaatsingen naar buiten de regio zo klein mogelijk wordt.
Hoofdstuk 4
19
In het kader van intensivering hoeft een beperkte uitbreiding van het huidig kavel (<10%) niet te worden verrekend in het dynamisch voorraadbeheer. Een startend bedrijf moet in zijn eigen gemeente een plek kunnen vinden. Een eerste volgende stap in hun groeiproces moet ook opgevangen kunnen worden in de eigen gemeente. Afweging De beoogde ontwikkeling is getoetst aan de regionale visie bedrijventerrein en is in overeenstemming met het uitgangspunt dat eerst bekeken wordt of intensivering op kavelniveau mogelijk is. In het voorliggende geval zijn de gronden binnen het plangebied conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd voor bedrijvigheid. Derhalve vindt er feitelijk géén uitbreiding van een bedrijventerrein plaats. Deze ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op het dynamisch voorraadbeheer. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsdoelen uit de Visie bedrijventerreinen Noord Limburg.
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 Met de Strategische Visie Venlo 2040 heeft de gemeente Venlo het strategische perspectief, geschetst in de visie van 2030, bijgesteld. In de Strategische Visie Venlo 2040 zijn er vier hoofdlijnen waar de gemeente zich op richt: Ruimte voor ontwikkeling; Werken in Venlo. Voor wat betreft onderhavige ontwikkeling zal voornamelijk ‘Werken in Venlo’ van belang zijn. Het streven is om het economisch fundament uit te breiden ondanks de sterke basis die er al ligt mede vanwege de maakindustrie, logistiek en agribusiness lag. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. De gemeente wil de bewoners dan ook zoveel mogelijk kansen bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel werkgever als werknemer. Afweging Het voorliggend initiatief draagt bij aan de verdere ontwikkeling van het aanbod in werkgelegenheid in de regio en versterking van het economisch fundament. De ontwikkeling vindt daarbij plaats op gronden, welke reeds zijn voorzien van een bedrijfsbestemming. De voorliggende ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de Strategische Visie Venlo 2040. 4.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de “Ruimtelijke Structuurvisie Venlo” vastgesteld.
In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven.
Hoofdstuk 4
20
Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde “majeure opgaven”. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de “basisprincipes”. De majeure opgaven zijn als volgt: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer.
Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze majeure opgaven wordt er uitgegaan van drie basisprincipes/aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken.
Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het
Hoofdstuk 4
21
(open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging In het stedelijk gebied streeft de gemeente Venlo naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. Ruimtes die weinig gebruikt worden, kunnen intensiever gebruikt worden, verouderde en verloederende (bedrijven)terreinen kunnen worden opgewaardeerd en ‘rotte plekken’ kunnen worden aangepakt. Conform de structuurvisie is het plangebied gelegen net buiten de ‘contour stedelijk / dorpsgebied’. De gronden hebben echter al een bedrijfsbestemming zonder bouwvlak. Daarnaast is de locatie aangeduid als ‘woongebieden’. Binnen deze gebieden ligt het accent op wonen en sterkere mix met werken (milieucategorie 1 en 2) en diensten.
Zodoende is de beoogde lichte bedrijvigheid ook passend binnen het woongebied. Het beoogde initiatief is dan ook in lijn met de uitgang punten uit de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo. 4.4.3 Welstandsnota Voor de gemeente Venlo geldt de Welstandsnota gemeente Venlo 2013. De kernopgave van de welstandsnota is het waarborgen van de kwaliteit van de verschijningsvorm van bouwwerken door het vaststellen van welstandskaders. Het doel van de actualisatie is: Meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan de burgers en bedrijven van Venlo. Een sneller en slagvaardiger uitgevoerd welstandsbeleid en een betere dienstverlening. Verbetering van de toegankelijkheid van de welstandsnota en daarmee betrokkenheid creëren van burgers en bedrijven bij de kwaliteit van hun directe fysieke leefomgeving. Betere regie op de verschijningsvorm voor een aantrekkelijke fysieke leefomgeving. De welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Venlo. Het gemeentebestuur doet dit niet door het in absolute zin vastleggen van criteria en richtlijnen waaraan toekomstige ontwikkelingen moeten voldoen (uitgezonderd de sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken). Absolute criteria leveren slechts één maximaal mogelijk resultaat op. Relatieve criteria bieden de initiatiefnemer meer vrijheid en flexibiliteit.
Daarom wordt de welstandsadvisering voor een groot deel uitgevoerd op basis van relatieve criteria. Deze criteria schrijven voor op welke aspecten de welstandsbeoordeling van de bouwaanvraag plaatsvindt, maar laat initiatiefnemers ruimte zelf invulling te geven aan deze aspecten binnen het welstandskader. Eigen aan het gebruik van dergelijke relatieve criteria is dat zij niet uitkomen op één maximaal resultaat maar meerdere uitkomsten mogelijk maken.
Hoofdstuk 4
22
Een gedeelte van het plangebied (aangrenzend aan de Rijksweg) is gelegen binnen het welstandsgebied ‘regulier'. Het beleid is gericht op versterking van het huidige beeld van een rijksweg met dorpse lintbebouwing. Ter plaatse van de kern dient de karakteristiek van het oude dorp nadrukkelijker ondersteund te worden. De Rijksweg is de meest prominente toegangsweg tot Velden maar is ook een doorgaande verkeersweg. De weg loopt parallel aan de Maas en splitst het dorp in de oorspronkelijke kern aan de westzijde en de vanaf circa 1970 gerealiseerde uitbreidingswijken aan de oostzijde. Beide zijden van de rechte Rijksweg bestaan uit lintbebouwing met overwegend woningen van uiteenlopende architectuur. Ter plaatse van de oude kern van Velden – Markt en Schandeloseweg – is sprake van verbreding van het profiel en centrumfuncties. De Rijksweg wordt daar onderdeel van de dorpskern. De architectuur van de bebouwing is traditioneel en heeft overwegend een dorps karakter. Het overige gedeelte van het plangebied (aangrenzend aan de Vilgert) is gelegen binnen welstandsvrij gebied. Afweging Met de wijze waarop in voorliggende stedenbouwkundig plan de verschillende woonmilieus zijn uitgewerkt als ook hoe de samenhang, verwevenheid en verankering is opgelost sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten zoals verwoord in de welstandsnota.
4.4.4 Vigerend bestemmingsplan Velden-Hasselderheide Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Velden-Hasselderheide’, zoals vastgesteld op 20 juli 2009 door de gemeenteraad van de gemeente Venlo. Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Bedrijf' (en voor een zeer beperkt gedeelte 'Verkeer' echter op het gedeelte van de bestemming ‘Verkeer’ is geen bedrijfsbebouwing voorzien).
Hoofdstuk 4
23
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Velden-Hasselderheide’ met ligging plangebied (blauw omlijnd)
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van Bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorieën 1 en 2. Uitzondering hierop zijn geluidszoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen. De gronden zijn tevens bestemd voor opslag en uitstalling, wegen en paden, parkeervoorzieningen, tuinen, ervan, verharding en groenvoorzieningen. Conform artikel 4.2 geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak gerealiseerd dienen te worden. Ter plaatse van het plangebied is echter geen bouwvlak aanwezig, waardoor de realisatie van het beoogde bedrijfsgebouw niet is toegestaan. Trade Port West Truckparking Het plangebied is daarnaast gedeeltelijk gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Trade Port West Truckparking’, zoals vastgesteld op 26 mei 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Venlo. Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Agrarisch' en ‘Verkeer’. Ter plaatse van de bestemming agrarisch zijn de grond bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden, alsmede waterhuishoudkundige voorzieningen en (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;
Hoofdstuk 4
24
voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. Ter plaatse van het plangebied is het niet mogelijk om gronden in gebruik te nemen als natuur.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Trade Port West Truckparking' plangebied blauw omlijnd
Bouwregels vigerend bestemmingsplan Ten aanzien van de situering van bedrijfsgebouwen zijn daarnaast diverse aanvullende regelingen opgenomen binnen artikel 4.2 ‘Bouwregels’. Binnen de uitwerking van onderhavig planvoornemen zal rekening worden gehouden met de regels, zoals die momenteel gelden voor bedrijfsbestemmingen conform het vigerend bestemmingsplan. Belangrijke stedenbouwkundige uitgangspunten zijn hierbij: De afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 meter bedragen; De goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen; Het aantal bouwlagen mag niet meer dan 2 bedragen; Het dak mag met een kap worden gebouwd of plat worden uitgevoerd. Indien het dak met een kap wordt gebouwd mag de dakhelling niet minder dan 30° zijn en niet meer dan 60° bedragen; De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter.
Hoofdstuk 4
25
Ten aanzien van één aspect wijkt onderhavig plan af van de regels uit het vigerend bestemmingsplan. De voorgevel van de bebouwing is namelijk op meer dan 3 meter achter de voorgevelrooilijn gesitueerd. Deze afwijking hangt samen met het feit dat er voldoende ruimte moet zijn voor motorvoertuigen om uit de beoogde parkeervakken te kunnen draaien. Afweging De voorliggende herbestemming van de bedrijfskavels en de realisering van de natuurgronden is niet mogelijk binnen de vigerende bestemmingsplannen ‘Velden-Hasselderheide’ en ‘Trade Port West Truckparking’. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 4
26
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Bij de voorgenomen bestemmingswijziging dient rekening te worden gehouden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Tevens wordt ingegaan op de eventuele m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van het plan. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1 Milieu 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Door Econsultancy is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem 2 uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder beschreven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlage. Toetsing Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. Er wordt derhalve voor gekozen om gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart onder de bekend veronderstelde voorwaarden opgenomen in de Nota bodembeheer. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten.
De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en gebruik van de locatie. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
2
Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Vilgert te Velden, rapportnummer: 19012.001 (versie D2), d.d. 17 oktober 2022.
Hoofdstuk 5
27
5.1.2 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
Toetsing Zoals in paragraaf 5.6 is berekend, zal als gevolg van de realisatie van het bedrijfspand het aantal verkeersbewegingen, op een gemiddelde weekdag, 99 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Zelfs indien wordt uitgegaan van een aandeel van 5% vrachtverkeer, draagt de ontwikkeling volgens de NIBM-tool niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook bepaald te worden of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland blijkt dat de achtergrondconcentratie ter plaatse tussen de 14 en 16 µg/m 3 (PM10), tussen de 8 en 10 µg/m3 (PM2,5) en tussen de 11 en 13 µg/m 3 (NO2) bedraagt. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 vastgesteld op 40 µg/m3 en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 vastgesteld op 25 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is derhalve ruimschoots voldoende. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarnaast niet in een toename van verkeersaantrekkende werking.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
28
5.1.3 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Toetsing De nieuwe bedrijfslocaties worden op basis van de Wgh niet aangemerkt als geluidgevoelig object. Zodoende is het niet noodzakelijk geacht om een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren. Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.4 Milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen.
Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
29
natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengde gebieden’. De beoogde bedrijfspanden betreffen geen milieugevoelige functies. Daarentegen betreft het wel een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen gegarandeerd is en het onderhavige bedrijf niet in haar activiteiten wordt belemmerd.
De beoogde bedrijfslocaties zullen worden herontwikkeld ten behoeve van twee bedrijven met een maximale milieucategorie 2. Conform het vigerend bestemmingsplan zijn dergelijke bedrijfsactiviteiten reeds toegestaan binnen de vigerende bedrijfsbestemming. Omdat de ruimtelijke uitstraling/uitwerking van het bedrijf zeer gering is en in hoofdzaak sprake is van inpandige activiteiten, is de ontwikkeling niet belemmerend voor het bestaande woon- en leefklimaat van nabij gelegen woningen. Voor bedrijvigheid van maximaal milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter voor ‘geluid’. De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). In het kader van onderhavige projectlocatie geldt echter dat in de directe nabijheid een diversiteit aan functies voorkomt, waaronder dienstverlening, woonpercelen en diverse bedrijfspercelen ten zuiden van het plangebied. Daarnaast is aan de westzijde van het plangebied de N271 gelegen. In relatie tot onderhavige projectlocatie is derhalve sprake van een ligging binnen ‘gemengd gebied’. Op basis van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter voor het aspect geluid.
Wanneer gemeten wordt vanuit de uiterste perceelsgrens van het plangebied is de dichtstbijzijnde gevel van een geluidsgevoelig object (zijnde de woning aan de Vilgert 51) op meer dan 10 meter afstand gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid. Hierdoor zal in de toekomstige situatie voor de beoogde woning sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen voor het naastgelegen het woongebied. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
30
5.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Toetsing aan het Bevi, het Bevt en het Bevb is vereist wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan.
Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn bedrijfsgebouwen, afhankelijk van hun omvang, beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten. De drie geïnteresseerde bedrijven zullen op basis van hun omvang en aantal
Hoofdstuk 5
31
aanwezige personen aangemerkt kunnen worden als beperkt kwetsbare objecten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de voormalige twee woningen kwetsbare objecten waren, en dat er dus sprake is van een wijziging naar een minder kwetsbare functie. Daarnaast worden in het plangebied geen risicovolle bedrijven toegelaten. Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Vuurwerkbesluit Dit besluit geeft veiligheidsafstanden voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. Toetsing Het plan voorziet in realiseren van twee bedrijfskavels.
Het plan maakt zelf geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.