E16 Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse Bedrijven 2022-2025.pdf
Tekst van het document
4
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
8
BEPERKINGEN EN RISICOFACTOREN De uitwerking van de gezamenlijke energiebesparingsaanpak valt of staat met de inzet van alle betrokken partijen. Daarnaast zijn een aantal (externe) risicofactoren die er toe kunnen leiden dat de doelstellingen uit het Akkoord niet behaald worden.
Veranderingen in wetgeving Omdat de energiebesparingswetgeving een dynamisch en politiek speelveld is, zal dit werkplan aan verandering onderhevig zijn. De komende jaren krijgt de Omgevingswet haar definitieve vorm en zal de uitwerking van het nationale Klimaatakkoord in de wet- en regelgeving verder worden uitgebreid. De verwachting is energiebesparingswetgeving verzwaard en uitgebreid wordt. De OD’s volgen deze ontwikkelingen. Elk jaar wordt bepaald elke nieuwe elementen voor toezicht opgenomen worden. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat het Rijk met voldoende middelen komt voor de decentrale overheden om dit adequaat op te pakken.
Medewerkers en opleiding Voldoende geschoold personeel is een randvoorwaarde om aan de doelen van het Akkoord te kunnen voldoen. Het is een uitdaging om medewerkers aan te trekken die alle expertise al in huis hebben. De ODNL-academie biedt een opleidingsprogramma bestaande uit alle vaardigheden die men nodig heeft om deze taak succesvol te kunnen vervullen. De vier OD’s onderzoeken samen met de provincie hoe hier gebruikt van gemaakt kan worden.
De coronavirus (COVID-19)-pandemie Gedurende de lockdowns in 2020 en 2021 vanwege de coronavirus pandemie was stimulering, toezicht en handhaving bij bedrijven (op locatie) veelal niet mogelijk. Dit werd opgevangen met administratieve controles. Een nieuwe lockdown brengt de doelen en de uitvoering uit het Akkoord in gevaar. Vanwege de pandemie zal er bovendien vaker sprake zijn van verzachtende omstandigheden waardoor handhaving op naleving van energiebesparingswetgeving niet altijd proportioneel is. De looptijd van het akkoord zou voldoende ruim moeten zijn om met langere termijnen alsnog naleving te realiseren.
5
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
9
VERANTWOORDELIJKHEDEN De vier Noord-Hollandse OD’s zijn, voor de aan de OD’s gemandateerde taken, verantwoordelijk voor de uitvoering van het Energiebesparingsakkoord. Per OD is een algemeen verantwoordelijk medewerker aangesteld, welke fungeert als eerste contactpersoon voor de gemeenten.
Organisatie
Naam
Contactgegevens
OD NZKG
Co de Smalen
co.de.smalen@odnzkg.nl
ODIJ
Karen Overtoom
kovertoom@odijmond.nl
OD NHN
Mischa Jansen
Mjansen@odnhn.nl
OFGV
Axel Roeten
A.roeten@ofgv.nl
6
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
10
COMMUNICATIESTRATEGIE Aan de hand van de doelstelling uit het Akkoord en dit Werkplan wordt één gezamenlijke communicatiestrategie en communicatieplan uitgewerkt. De vier OD’s trekken gezamenlijk met de provincie en gemeenten op om vanuit meerdere kanalen en met diverse middelen, gelijktijdig centrale boodschappen te communiceren. Zo komt er een gezamenlijke geïntegreerde communicatie campagne gericht op informeren (inhoud, kennis) en overtuigen (houding), zodat bedrijven uiteindelijk overgaan tot het nemen van de maatregelen (gedrag). De communicatie-strategie wordt centraal (gecoördineerd door één OD) verder uitgewerkt, met een centrale planning. In de uitvoer werkt iedere OD samen met gemeenten de strategie verder uit voor zijn eigen werkgebied voor een regionaal en lokaal plan van aanpak. Er komen overkoepelende kernboodschappen en er wordt gewerkt met een zelfde gezamenlijke uitstraling en overkoepelende communicatie middelen. Iedere OD en/of gemeente kan deze middelen inzetten wanneer het past binnen hun tijdlijn. En er zullen diverse gezamenlijke persberichten worden verzonden, op gezette tijden, met een individuele kwinkslag naar het eigen werkgebied van die OD. Voorbeeld stimulerend toezicht in de Westfriese gemeenten (werkgebied OD NHN)
In mei 2021 is het Duurzaam Ondernemersloket West-Friesland officieel gelanceerd. Het loket gaat ondernemers op alle Westfriese bedrijventerreinen helpen met verduurzamen. De initiatiefnemers zien niet alleen besparingen op energiekosten, maar willen vooral de focus leggen op innovatiekansen gericht op een gezonde toekomst en bestendige bedrijventerreinen. Ondernemers hebben grote behoefte aan ndersteuning bij energiebesparing en alles wat verder te maken heeft met verduurzamen. Daarom bundelen de Westfriese Bedrijvengroep (WBG/WBGroen), de Energie Combinatie West-Friesland (ECWF), de Stichting Parkmanagement Hoorn en NHN hun kennis en krachten om het bedrijfsleven daarbij nog beter te ondersteunen. Stichting Energieneutrale Bedrijventerreinen borduurt voort op de ervaringen vanuit ECWF, WBGroen enhet Ontwikkelingsbedrijf NHN. Onder deze stichting komen twee nieuwe uitvoeringsorganisaties; Duurzaam Ondernemersloket West-Friesland BV voor gratis advies en ondersteuning én BEplus West-Friesland BV voor de uitvoering en begeleiding. Beiden opereren zonder winstoogmerk.
7
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
11
BEGROTING Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering van het Akkoord. De provincie stelt maximaal 50% cofinanciering beschikbaar voor een periode van vier jaar. Toedeling van het maximale budget per gemeente wordt gedaan naar rato van de CBS gegevens over het aantal middelgrote verbruikers en grootgebruikers van energie. Afhankelijk van onder meer de stand van zaken energiebesparingsaanpak, de samenstelling van het bedrijvenbestand en de ambitie van de desbetreffende gemeente wordt op uniforme wijze per gemeente een plan van aanpak uitgewerkt. In dit plan van aanpak word uitgewerkt welke inspanningen er gepleegd zullen worden om uiterlijk 2025 te komen tot realisatie van de uitvoering van energiebesparingsmaatregelen voor de aan de OD’s gemandateerde bedrijven. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor een overkoepeld plan aanpak, de financiering van de gemandateerde taken de OD’s en de aanvraag van cofinanciering bij de provincie.
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
12
BIJLAGEN A.
Voorbeeld monitoringsformat
202x Voortgang- en rapportageformat
Nalevingsonderdelen Bedrijven die gebruik maken van stimulering
Bedrijven met besparingsverplichting Bedrijven met Informatieplicht Bedrijven met onderzoeksverplichting >10 miljoen kWh of >170.000 m³ gas Kantoren met Label C verplichting Keuringsverplichting klimaatinstallaties (> 70 kW) Vrijstelling keuringsverplichting klimaatinstallaties GACS Laadinfrastructuur > 20 parkeerplaatsen Rapportageplicht vervoer (voor bedrijven met > 100 medewerkers)
# totaal bedrijven
# voldoet aan eisen
%
13
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
A.
Verplichtingen energie Omgevingswet Verplichtingen energie Omgevingswet
> 50.000 kWh of > 25.000 m3 aardgas eq met uitzondering van volledig zelfvoorzienende bedrijven Routekaarten en energieconvenant MJA4 worden tzt opgenomen in dit schema als daar een wettelijke borging voor wordt opgenomen
Complexe milieubelastende activiteiten Bal
Afd 3.2 Bal - bedrijfstakoverstijgend
Seveso-inrichting Rijksregels/vergunning voor de activiteiten op locatie in beheer bij exploitant
geen ETS
ETS of glastuinbouw
Geen energie eisen in de vergunning
Complexe milieubelastende installatie Rijksregels/vergunning voor technisch verbonden en functioneel ondersteunende activiteiten
geen ETS
ETS of glastuinbouw
Geen energie eisen in de vergunning
Geen milieubelastende activiteit o.g.v. Bal
Andere milieu belastende activiteiten
geen vergunningplicht
geen ETS
Par. 5.4.1. Bal niet aangewezen energie eisen mogelijk ‘via’ aanwijzing samenhangende mba (b.v. een stookinstallatie bij een metaalbedrijf krijgt eisen als f.o.a. bij metaal in vergunning of Bal). Maar zie kolom J hiernaast
vergunningplicht vergunningplicht voor de activiteit zonder functioneel ondersteunende activiteiten
geen ETS Verbrede energiebesparingsplicht geldt per 2023, dus dan geen energie eisen in de vergunning
3.4 en verder - activiteiten
geen vergunningplicht
geen ETS
In principe energie eisen par. 5.4.1 Bal (mits aangewezen) DBO maatregelen Op verzoek b.g. mogelijk onderzoeksverplichting indien > 200.000 kWh of > 75.000 m3 gas Per 2023 Onderzoeksverplichting verbrede energiebesparingsplicht indien > 10 miljoen kWh of > 170.000 m3 gas
vergunningplicht vergunningplicht voor de activiteit zonder functioneel ondersteunende activiteiten
Voor alle varianten: ETS of Glastuinbouw
geen ETS Verbrede energiebesparingsplicht geldt per 2023, dus dan geen energie eisen in de vergunning DBO maatregelen Per 2023 Op verzoek b.g. mogelijk onderzoeksverplichting indien > 200.000 kWh of > 75.000 m3 gas Per 2023 Onderzoeksverplichting verbrede energiebesparingsplicht indien > 10 miljoen kWh of > 170.000 m3 gas
Geen energie eisen in de vergunning
Er wordt nog onderzocht of specifieke activiteiten binnen de sectoren die mogelijk toch onder verbreding energiebesparingsplicht komen te vallen, zoals bijvoorbeeld afdekking op koelmeubelen
DBO maatregelen Op verzoek b.g. mogelijk onderzoeksverplichting indien > 200.000 kWh of > 75.000 m3 gas Per 2023 Onderzoeksverplichting verbrede energiebesparingsplicht 10 indien > 10 miljoen kWh of > 170.000 m3 gas
DBO maatregelen Per 2023 Op verzoek b.g. mogelijk onderzoeksverplichting indien > 200.000 kWh of > 75.000 m3 gas Per 2023 Onderzoeksverplichting verbrede energiebesparingsplicht indien > 10 miljoen kWh of > 170.000 m3 gas
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
Motie van der Lee
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
wenselijkheid verbrede energiebesparingsplicht
van toepassing
BBl
EML eisen gebouw tenzij bestaande voorschriften in bestaande vergunning
Geen EML eisen gebouw (3.84 lid 2, c Bbl)
EML eisen gebouw tenzij bestaande voorschriften in bestaande vergunning
Geen EML eisen gebouw (3.84 lid 2, c Bbl)
EML eisen gebouw (Afd 3.4 Bbl)
EML eisen gebouw tenzij bestaande voorschriften in bestaande vergunning
EML eisen gebouw (Afd 3.4 Bbl)
EML eisen gebouw tenzij bestaande voorschriften in bestaande vergunning
Geen EML eisen gebouw (3.84 lid 2, c Bbl)
EML eisen gebouw (Afd 3.4 Bbl)
Label C kantoren > 100 m2 Kantoor > 50% tot. gebruiksopp terugverdientijd < 10 jaar geen rijksmonument
energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
Energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
Energielabel C kantoor per 2023
energielabel C kantoor per 2023
Energielabel C kantoor per 2023
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD 70 kW stook iedere 4jaar > 70 KW airco iedere 5 jaar
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Energie keuring klimaatinstallatie EPBD
Gebouw Automatiseringsen controlesysteem vanaf 2026 voor installaties > 290 kW
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
Laadpunten bestaande utiliteit vanaf 2025 tenminste 1 oplaadpunt bij 20 parkeerplaatsen
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
BAL
Par. 5.4.1 Bal niet van toepassing energie eisen in de vergunning bepalen
Bodemenergiesystemen (par. 4.111 (gesloten) en 4.112 (open). Open systeem = vergunning GS + voorschriften 4.112 Bal, gesloten systeem = melding BW + voorschriften 4.111 Bal.
van toepassing
van toepassing
van toepassing
Kostenbatenanalyse indien inputvermogen > 20 MW
van toepassing
van toepassing
CO2 normering werkgerelateerd vervoer per 2022 Jaarlijkse rapportage voor locaties > 100 medewerkers
van toepassing
Motie van der Lee wenselijkheid verbrede energiebesparingsplicht
Par. 5.4.1 Bal niet van toepassing energie eisen in de vergunning
Motie van der Lee wenselijkheid verbrede energiebesparingsplicht
Motie van der Lee wenselijkheid verbrede energiebesparingsplicht
van toepassing
Er wordt nog onderzocht of specifieke activiteiten binnen de sectoren die mogelijk toch onder verbreding energiebesparingsplicht komen te vallen, zoals bijvoorbeeld afdekking op koelmeubelen
Bruidsschat/ Omgevingsplan
EED onderneming > 250 medewerkers of > 50 milj omzet en > 43 milj balanstotaal
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
van toepassing
Werkplan Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven
14
VOETTEKSTEN i Met stimulerend toezicht wordt het bedrijfsleven gestimuleerd om energie te besparen en minimaal alle wettelijke besparingsmaatregelen te nemen. De eerste stap hierbij is informeren, daarnaast kan er gebruik worden gemaakt van bijvoorbeeld het aanbieden van gratis energiescans, het beschikbaar stellen van slimme meters (EBS) of het certificeren van het bedrijf met een erkend keurmerk dan wel certificaat. Als deze stappen niet leiden tot realisatie van de wettelijke energiebesparende maatregelen, kan in tweede instantie opgeschaald worden in de handhavingspiramide. Een belangrijk onderdeel van het werkplan is de vierjarenplanning. Met het Energiebesparingsakkoord stellen we voor iedere gemeente en regio vast welke inspanning er de komende jaren geleverd gaat worden en hoe deze inspanning verdeeld wordt over de looptijd van het akkoord (tot en met 2025). De vierjarenplanning wordt per jaar vertaald naar uitvoeringsprogramma’s/plannen van aanpak per gemeente. Deze uitvoeringsprogramma’s maken onderdeel uit van lopende overeenkomsten tussen de gemeenten en de omgevingsdiensten, waarin de gehele jaaropdracht beschreven staat. Het is in afhankelijk van de gemeente of er binnen de kaders van de subsidieverlening in mindere of meerdere mate ingezet wordt op stimulerend dan wel regulerend toezicht. ii Het Energiebesparingsberaad is een nieuw bestuurlijk overleg.
In dit overleg komen bestuurders van alle gemeenten die het Energiebesparingsakkoord hebben ondertekend één keer per jaar samen on leiding van de gedeputeerde Klimaat & Energie van de provincie Noord-Holland om de voortang van het Energiebesparingsakkoord te bespreken. iii Nederland. Daar zijn we zuinig op. Onder andere door, met zijn allen, energie te besparen. Ook onderwijsinstellingen, gezondheidszorg, overheid en semi-overheid én ondernemend Nederland doen mee. Bedrijven en instellingen zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen. Dit is de energiebesparingsplicht. Die maatregelen hebben een terugverdientijd van vijf jaar of minder – gedane investeringen verdienen zich dus snel terug. Vanaf 1 juli 2019 is de Wet milieubeheer uitgebreid. Op die dag moeten ongeveer 50.000 bedrijven en instellingen de door hen genomen energiebesparende maatregelen hebben gerapporteerd. Dat doen ze in eLoket van RVO.nl. Dit is de informatieplicht energiebesparing. Deze informatieplicht geldt bij een jaarlijks energieverbruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas of aardgas-equivalent. iv Het Voortgangs- en Rapportageteam (het Team) bevat vier leden, van elke Noord-Hollandse omgevingsdienst één, onder leiding van de provincie Noord-Holland.
oktober 2021
ENERGIE
POSTBUS 3007 | 2001 DA HAARLEM
Aan de Noord-Hollandse colleges van B&W
Gedeputeerde Staten Uw contactpersoon M.M.F. Schuurbiers BEL/OMB
Telefoonnummer +31235144690 schuurbiersm@noord-holland.nl
1|2 Verzenddatum
Betreft: Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven 2022-2025 Kenmerk
Geacht college,
1665069/1723786
Uw kenmerk
Op 26 oktober 2021 heeft ons college besloten om het Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven 2022-2025 te ondertekenen en de bijbehorende uitvoeringsregeling Subsidie Energiebesparing bij Bedrijven Noord-Holland (SEB) 2021 vast te stellen. De provincie heeft samen met uw gemeente, de andere gemeenten in Noord-Holland, de omgevingsdiensten en het bedrijfsleven de afgelopen anderhalf jaar deze intentieovereenkomst opgesteld om te zorgen dat naleving op wettelijke energiebesparing in de industrie en dienstensector de komende vier jaar gerealiseerd gaat worden. Wij vragen u te besluiten over de vaststelling van Energiebesparingsakkoord Noord-Hollandse bedrijven 2022-2025 door uw college. De aanleiding van het Energiebesparingsakkoord Het realiseren van energiebesparing in de industrie- en dienstensector is één van de randvoorwaarden om de doelen uit het Klimaatakkoord te behalen. Ongeveer 15.000 bedrijven in Noord-Holland hebben een wettelijke plicht om energiebesparende maatregelen te nemen. Voor een deel gaat het om wetgeving die al meer dan 25 jaar bestaat, maar waar onvoldoende navolging aan gegeven is. Daarnaast gaat het om aanvullende wetgeving welke opgetuigd is in het kader van het Klimaatakkoord om bijvoorbeeld kantoren extra aan te zetten tot energiebesparing.
Uit onderzoek blijkt dat een groot besparingspotentieel onbenut blijft door lage nalevingspercentages van wettelijke energiebesparingsverplichtingen. De gemeenten zijn het bevoegde gezag voor 99% van de bedrijven met een wettelijke besparingsplicht. Samen met gemeenten zijn wij daarom tot het Energiebesparingsakkoord gekomen waarin we op hoofdlijnen afspreken hoe we het nalevingstekort wegwerken door de inzet van stimulerend toezicht. Stimulerend toezicht
Postbus 3007 2001 DA Haarlem Telefoon (023) 514 3143
Houtplein 33 2012 DE Haarlem www.noord-holland.nl Kvk-nummer 34362354 Btw-nummer NL.0010.03.124.B.08
2|2
Om het bedrijfsleven te motiveren om energiebesparende maatregelen te nemen, maken we gebruik van stimulerend toezicht. Deze vorm van toezicht richt zich in eerste instantie op het gebruik van communicatiemiddelen en het aanbieden van expertise en technologische hulpmiddelen. Bedrijven worden actief benaderd om aan te slag te gaan met (wettelijke) energiebesparing en op weg geholpen in de realisatie van deze maatregelen. Deze ondersteuning is niet vrijblijvend. In 2025 willen we dat ieder bedrijf met een wettelijke verplichting minimaal één keer is gecontroleerd door een toezichthouder. Dat geldt voor de bedrijven die vrijwillig mee doen met stimulerend toezicht, maar ook voor de bedrijven die hier niet aan mee doen. Deze laatste groep zal de komende vier jaar te maken krijgen met klassiek toezicht en handhaving. Elke gemeente/regio heeft de mogelijkheid om zelf invulling te geven aan een maatwerkaanpak, waarvan we de best practices de komende vier jaar met elkaar gaan delen. De SEB-regeling De uitvoeringsregeling Subsidie Energiebesparing bij Bedrijven NoordHolland (SEB) 2021 is bedoeld om gemeenten financieel te ondersteunen in de uitvoering van het Energiebesparingsakkoord. Het gaat hier om 50% cofinanciering voor gemeenten. Activiteiten in het kader van stimulering en toezicht komen in aanmerking voor subsidie.
Wij stellen in totaal €8.000.000,- beschikbaar voor de periode 20222025. Het subsidieplafond per gemeente is bepaald op basis van een inschatting van het aantal bedrijven met een wettelijke besparingsplicht in elke gemeente. Vanaf 1 januari 2022 kunnen de gemeenten, welke het akkoord hebben vastgesteld, een aanvraag doen voor de SEBregeling. De voorwaarden en de mogelijkheden om gebruik te maken van deze regeling zullen gepubliceerd worden op onze website. Tot slot Bijgevoegd vindt u een conceptbesluit welke kan dienen als basis voor uw besluitvorming. Indien mogelijk, stellen wij het op prijs om voor 20 december 2021 geïnformeerd te worden over uw besluit in het kader van de voorbereidingen van het Energiebesparingsberaad en een officieel tekenmoment in januari 2022.
Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,
provinciesecretaris
voorzitter
Bijlagen: (a) Voorbeeldbesluit, (b) Energiebesparingsakkoord NoordHollandse bedrijven 2022-2025 en (c) Werkplan
1665069/1718006
Beleidskader VTH milieu 2019-2022 Omgevingsdienst IJmond
IN OPDRACHT VAN:
Contactpersoon: Postbus 325 1940 AH Beverwijk 0251 – 263 863 info@odijmond.nl www.odijmond.nl info@odijmond.nl
1
L.A. Pannekeet
Samenvatting Een uniform Beleidskader VTH milieu 2019-2022 is het resultaat van een zorgvuldig proces waarin veel aandacht was voor de betrokkenheid van onze partners. Hiermee voldoet Omgevingsdienst IJmond aan de wettelijke plicht, maar nog belangrijker, het geeft invulling aan de wens om de uitvoering van vergunningen, het houden van toezicht en het handhaven van de regelgeving meer gezamenlijk vorm te geven en eenduidiger te maken voor inwoners en bedrijven. Het Beleidskader VTH 2019-2022 legt de ambitie, prioriteiten en kaders neer voor de uitvoering van de VTH-taken op het gebied van milieu voor de komende jaren. Hiermee wordt beoogd het level playing field binnen en buiten de regio verder te vergroten. Het beleidskader noemt daarnaast ook de andere toezicht- en handhavingstaken die door enkele gemeenten bij ODIJ zijn ingebracht, onder meer op het gebied van brandveiligheid, bouw- en woningtoezicht, Drank- en Horecawet en de Havenverordening.
Vanuit het streven naar integraliteit en vermindering van de toezichtlast bij bedrijven en instellingen is het gewenst de wijze waarop de uitvoering van deze taken wordt ingevuld eveneens mee te nemen in dit beleidskader In dit beleidskader zijn de volgende doelstellingen en prioriteiten opgenomen: Omgevingsdienst IJmond wil met de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het werkgebied bijdragen aan het bereiken en in standhouden van een veilige en duurzame fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor vergunningverlening wordt dit bereikt door vergunningen en maatwerk te leveren van hoog (adequaat) niveau, op basis van een zorgvuldige en transparante afweging van belangen met als resultaat beperking - en waar mogelijk terugdringing, van de milieudruk op de omgeving. Voor toezicht en handhaving wordt dit bereikt door bewustwording van de geldende regelgeving met als effect een verhoogde mate van naleving van die regelgeving en vermindering van het aantal incidenten, klachten en handhavingsverzoeken. Voor samenwerking en data wordt dit bereikt door een toonaangevende dienst te zijn op het gebied van informatie-uitwisseling, samenwerking met de handhavingspartners en afgestemd handelen op zowel strategisch, tactisch en operationeel niveau.
Daarmee draagt Omgevingsdienst IJmond bij aan ‘level playing field’ op regionaal en landelijk niveau, ontwikkelt Omgevingsdienst IJmond een volledig beeld van de problematiek die speelt en realiseert Omgevingsdienst IJmond een efficiënte inzet van toezichthouders en handhavers. Om dit te realiseren is uit de globale gebieds- en risicoanalyse, de landelijke, regionale en lokale prioriteiten en doelstellingen en de geschetste ontwikkelingen, zijn een aantal hoofdprioriteiten ontwikkeld, waar Omgevingsdienst IJmond zich de komende jaren op inzet. Deze hoofdprioriteiten zijn als volgt:
Asbest(daken) Het tot een minimum beperken van het aantal illegale asbestsanering, asbestdumpingen en asbestbranden middels een proactieve aanpak in samenspraak met de relevante partners. Bodem Het voorkomen van nieuwe bodemverontreinigingen, bevorderen van herstel of beheersing van aanwezige bodemverontreinigingen en het zorgdragen voor een correcte overdracht van bodemtaken van provincie naar gemeenten. Ketens grond, asbest, elektronica, metaal Het voorkomen van verontreiniging van lucht, bodem en water door niet-normconforme omgang met risicovolle afvalstromen.
2
Risicoactiviteiten Het voorkomen van incidenten en ongewone voorvallen door het verzekeren van een juiste regulering van activiteiten met gevaarlijke en risicovolle stoffen, specifieke opslagen van gevaarlijke stoffen, LPG-tankstations en ammoniakkoelinstallaties. Net niet Bevi-bedrijven Het voorkomen van incidenten en ongewone voorvallen door het verzekeren van een juiste regulering van activiteiten met gevaarlijke en risicovolle stoffen bij bedrijven die net onder de ondergrens van het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen. Legionella Het voorkomen van incidenten en ongewone voorvallen bij risico op legionella-uitbraak. Verduurzaming Het bevorderen en waar nodig afdwingen van verduurzamingsmaatregelen bij bedrijven. Zeer zorgwekkende stoffen Het weren van ZZS uit de leefomgeving, omdat dit stoffen zijn die de voorplanting belemmeren of zich in de voedselketen ophopen. Ondermijning Het voorkomen en tegengaan van ondermijnende activiteiten door informatievergaring en – deling met handhavingspartners.
Deze doelstellingen en prioriteiten worden behaald door branche- en activiteitengericht te werken. Dit vormt de basis voor het beleid. De gebiedsgerichte aanpak wordt verder ontwikkeld, in samenwerking met de partners in een gebied. Op deze wijze wordt gecoördineerd en gericht ingezet op behalen van omgevingsdoelen in de breedte. Echter, specifieke risicovolle activiteiten blijven periodiek en met vaste frequentie onderwerp van aandacht en inspectie. Bij branches en bedrijven waar het naleefgedrag als goed bestempeld kan worden en die ook overigens geen aanleiding geven tot reguliere inspectie, kan worden gekozen over te gaan op het zogenaamde ‘piepsysteem’ ten bate van de inzet op onder meer activiteiten die bijdragen aan de duurzaamheidsambities van gemeenten en de verbrede aanpak van omgevings-problematiek. Bij de verzameling van data en inspectiegegevens wordt mede gedacht over en gericht op gebruikt daarvan binnen een breder kader onder de Omgevingswet en de visies en plannen van gemeenten. Bij handhaving blijft de driestappenhandhaving het uitgangspunt, tenzij de aard of ernst van de overtreding, dan wel de mate van hufterigheid van een overtreder aanleiding geeft tot directer ingrijpen. In de brede zin krijgen duurzaamheid en energietransitie een grotere prioriteit binnen VTH en wordt gekeken naar slimme samenwerkingen met partners.
Hiermee wordt ook de aanpak asbestdaken gekoppeld aan duurzaamheid en krijgt dit prioriteit. In samenspraak met onder meer gemeenten, brancheorganisaties en andere partijen wordt bekeken hoe de aanpak vorm kan krijgen.
3
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................... 2 Inhoudsopgave ................................................................................................................... 4 1.
Inleiding ...................................................................................................................... 5
1.1
Omgevingsdienst IJmond ........................................................................................ 5
1.2
Doel en taken ........................................................................................................ 5
1.3
Beleidskader VTH 2019-2022 .................................................................................. 5
1.4
Leeswijzer ............................................................................................................ 6
2.
Evaluatie ..................................................................................................................... 7
2.1
Samenvattende conclusie ....................................................................................... 7
2.2
Evaluatie per doel .................................................................................................. 7
3.
Beleidscyclus, wettelijke kaders en ontwikkelingen ........................................................... 8
3.1
Belang gezamenlijk regionaal uitvoeringsbeleid ......................................................... 8
3.2
Bestuurlijke afwegingsruimte .................................................................................. 8
3.3
Procescriteria VTH.................................................................................................. 8
3.4
Wettelijk kader ...................................................................................................... 8
3.5
Ontwikkelingen ...................................................................................................... 9
4.
Gebieds- en risicoanalyse ............................................................................................. 15
4.1
Gebiedsanalyse .................................................................................................... 15
4.2
Risicoanalyse ....................................................................................................... 16
4.3
Gebied in beeld .................................................................................................... 17
5.
Samenwerking ............................................................................................................ 22
5.1
Niveaus van samenwerking en partners in samenwerking .......................................... 22
5.2
Positie in het stelsel .............................................................................................. 23
6.
Doelen en prioriteiten................................................................................................... 24
6.1
Doelen ................................................................................................................ 24
6.2
Prioriteiten ........................................................................................................... 26
6.3
Aanpak ................................................................................................................ 27
Bijlage 1 – Beleidscyclus VTH ............................................................................................... 28 Bijlage 2 – Evaluatie Uitvoeringskader 2015-2018 Omgevingsdienst IJmond .............................. 32 Bijlage 3 – Gemeente- en provinciespecifieke gebieds- en risicoanalyse .................................... 36 1.
Regio IJmond .......................................................................................................... 36
2.
Regio Zuid-Kennemerland ......................................................................................... 40
3.
Regio Zaanstreek-Waterland...................................................................................... 44
4.
Provincie Noord-Holland ............................................................................................ 50
4
1. Inleiding 1.1
Omgevingsdienst IJmond
Omgevingsdienst IJmond (ODIJ) is een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Bij de dienst zijn aangesloten de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest, Velsen, Haarlem, Beemster, Purmerend, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en Zandvoort en provincie Noord-Holland. Figuur 1 - Werkgebied Omgevingsdienst IJmond
1.2
Doel en taken
ODIJ draagt namens haar deelnemers bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en duurzame fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit binnen het werkgebied. Daarbinnen inspireert ODIJ burgers en bedrijven tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid. ODIJ voert voor de 15 gemeenten in de regio’s Zuid-Kennemerland, Zaanstreek-Waterland en IJmond en voor Provincie Noord-Holland diverse taken uit op het gebied van de fysieke leefomgeving. Denk hierbij aan thema’s als energie, duurzaamheid, luchtkwaliteit, kwaliteit van de bodem, geluid, veiligheid en flora & fauna. Daarnaast voert ODIJ voor een aantal gemeenten ook taken uit op het gebied van bouw- en woningtoezicht, brandveiligheid, drank en horeca en Algemene Plaatselijke Verordening. Kern van de taken van ODIJ is vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van milieu. Op drie gemeenten na1, hebben alle eigenaren van ODIJ deze taak volledig bij ODIJ belegd.
1.3
Beleidskader VTH 2019-2022
Het Beleidskader VTH 2019-2022 legt de ambitie, prioriteiten en kaders neer voor de uitvoering van de VTH-taken op het gebied van milieu voor de komende jaren. Hiermee wordt beoogd het level playing field binnen en buiten de regio verder te vergroten. Het beleidskader noemt daarnaast ook de andere toezicht- en handhavingstaken die door enkele gemeenten bij ODIJ zijn ingebracht, onder meer op het gebied van brandveiligheid, bouw- en woningtoezicht, Drank- en Horecawet en de Havenverordening. Vanuit het streven naar integraliteit en vermindering van de toezichtlast bij bedrijven en instellingen is het gewenst de wijze waarop de uitvoering van deze taken wordt ingevuld eveneens mee te nemen in dit kader. Het Beleidskader VTH 2019-2022 actualiseert het Uitvoeringskader 2015-2018 Omgevingsdienst IJmond en het Handhavingsbeleid 2014 Milieudienst IJmond. Het stuk ziet daarmee op twee onderdelen uit de beleidscyclus VTH zoals beschreven in artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor):
1
-
Uitvoeringsbeleid (strategisch beleidskader);
-
Handhavingsbeleid (operationeel beleidskader).
De gemeenten Edam-Volendam, Purmerend en Waterland hebben enkel het basistakenpakket belegd bij ODIJ.
5
Het Beleidskader VTH 2019-2022 is afgestemd met en wordt vastgesteld door de colleges van de deelnemende gemeenten en provincie. Hiermee wordt vastgelegd hoe ODIJ vergunningprocedures, toezicht en handhaving op een adequate, uniforme, professionele en transparante wijze uitvoert. Het beleidskader past binnen het beleid van de deelnemers of kan daar als onderdeel in worden vervat.
1.4
Leeswijzer
Dit stuk start in hoofdstuk 2 met een evaluatie op hoofdlijnen van het Uitvoeringskader 2015-2018 Omgevingsdienst IJmond. In de bijlage is een specifieke evaluatie toegevoegd. In hoofdstuk 3 wordt toegelicht welke plaats dit stuk in de beleidscyclus heeft, welke wettelijke kaders van toepassing zijn en wordt een schets gegeven van de voor vergunningverlening, toezicht en handhaving relevante ontwikkelingen voor de komende jaren. In hoofdstuk 4 wordt een gebiedsanalyse gegeven en de wijze waarop middels risicoanalyses uitvoering wordt gegeven uitgewerkt. De samenwerking met andere toezichtpartners wordt in hoofdstuk 5 toegelicht. Hoofdstuk 6 tenslotte bevat de kern van dit stuk, namelijk de doelen en prioriteiten waarop de uitvoering van Omgevingsdienst IJmond zich de komende vier jaar op toespitst.
6
2. Evaluatie In 2014 is het vigerende Handhavingsbeleid 2014 Milieudienst IJmond en in 2015 is het vigerende Uitvoeringskader 2015-2018 Omgevingsdienst IJmond in werking getreden. Voordat nieuw beleid wordt geformuleerd, dient het vigerende/aflopende beleid te worden geëvalueerd, mede als input voor het nieuw te formuleren beleid. In het vigerende uitvoeringskader zijn per domein (algemeen, VTH, samenwerking, plustaken) doelen geformuleerd met daarbij een aantal indicatoren. Sinds de inwerkingtreding van het uitvoeringskader zijn deze doelen en indicatoren jaarlijks gemonitord en gerapporteerd in de jaarverslagen. Deze jaarlijkse evaluaties hebben tot op heden geen reden gegeven het geformuleerde beleid, de prioriteiten of de strategieën bij te stellen.
2.1
Samenvattende conclusie
Over het geheel bezien kan gesteld worden dat de afgelopen vier jaar met succes hard is gewerkt aan de realisatie van de gestelde doelen met gebruikmaking van de vastgestelde strategieën. Gesteld kan worden dat ODIJ grip heeft op het bedrijvenbestand waar wij op toezien, dat er geen sprake is geweest van grove overtredingen van wetgeving waar wij op toezien en dat grote incidenten of calamiteiten ten gevolge daarvan ook niet hebben plaatsgevonden. Bedrijven en inwoners zijn zich in groeiende mate bewust van het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en daarmee stijgt ook het begrip voor naleving van de regelgeving in dat kader. De wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de beschikbare en vergaarde data maakt dat analyses daarop steeds accurater kunnen worden uitgevoerd en de focus steeds meer op daadwerkelijke naleefrisico’s komt te liggen. Het samenspel en de informatie-uitwisseling met partners in toezicht en handhaving begint meer en meer vorm te krijgen, wat maakt dat ook bredere omgevingsproblematiek, in sommige gevallen gerelateerd aan criminaliteit en ondermijning, steeds beter aangepakt kan worden. Duurzaamheid en sinds kort de energietransitie nemen een steeds belangrijker plaats in binnen de uitvoering van ODIJ. Ook VTH is een middel om de doelen op die thema’s te bereiken.
2.2
Evaluatie per doel
Voor een evaluatie per geformuleerd doel uit het Uitvoeringskader 2015-2018 Omgevingsdienst IJmond, zie Bijlage 2. Voor een diepgaander evaluatie (inclusief indicatoren per doel) verwijzen we naar de evaluaties van het uitvoeringskader zoals die zijn opgenomen in de jaarverslagen.
7
3. Beleidscyclus, wettelijke kaders en ontwikkelingen 3.1
Belang gezamenlijk regionaal uitvoeringsbeleid
De deelnemers van ODIJ hebben een belang bij een gezamenlijk vastgesteld uitvoeringsbeleid. Voorwaarde voor een succesvolle en integrale aanpak van problemen in de fysieke leefomgeving is dat prioriteiten zowel lokaal, regionaal als landelijk voldoende samenhang vertonen. Ook het verstevigen van een “level playing field”, ook bovenregionaal, is een belangrijke opgave. Hiermee wordt bedoeld dat er in de uitvoering van taken in het hele werkgebied van ODIJ een gelijke behandeling van ondernemers en burgers plaatsvindt (rechtsgelijkheid). Met het Beleidsplan VTH milieu 2019-2022 stellen de gemeenten en provincie waar Omgevingsdienst IJmond voor werkt, de meerjarige doelen en prioriteiten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving milieu vast. Met de VTH-strategie 2019-2022 wordt vastgelegd welke strategie daarbij gehanteerd wordt. Tezamen vormen deze documenten het uitvoerings- en handhavingsbeleid, zoals bedoeld in artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht.
3.2
Bestuurlijke afwegingsruimte
Partners behouden met de vaststelling van dit beleidskader hun bestuurlijke afwegingsruimte. Zo blijft er, naast de samen overeengekomen gemeenschappelijke prioriteiten voor het werkgebied van ODIJ, (jaarlijkse) bijstelling mogelijk naar lokale (politieke) inzichten en voorkeuren, onder meer via de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Tegelijk zien we dat er steeds vaker op landelijk niveau prioriteiten worden gesteld op taken waar gemeente bevoegd gezag voor is en die tot een uitvoeringslast bij omgevingsdiensten leiden. Een goed voorbeeld zijn de omgekeerde bewijslast en 2.15 Wet milieubeheer ten aanzien van energiebesparende maatregelen. Hiervoor worden via het Rijk rechtstreeks middelen gelabeld aan de gemeenten doorgezet ter uitvoering van die taken.
3.3
Procescriteria VTH Met de vaststelling van dit beleidskader voldoen de partners aan de procescriteria uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het gaat dan om het opstellen van uniforme uitvoeringsregels op het niveau van de omgevingsdienst en proceseisen ten aanzien van de beleidscyclus. In Bijlage 1 is dit verder uitgewerkt. De kwaliteitscriteria worden nog steeds doorontwikkeld. ODIJ is direct betrokken bij de ontwikkeling hiervan.
3.4 Wettelijk kader De zorg voor de omgeving vindt zijn wettelijke basis in de Grondwet en de Wabo. In artikel 21 van de Grondwet staat beschreven; “De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu”. Dit artikel bevat de Figuur 2 - Beleidscyclus VTH
zorgplicht van de overheid voor het milieu en de leefomgeving. De (gezamenlijke) overheden hebben hier een belangrijke taak te vervullen. Met behulp van o.a.
8
uitvoerings- en handhavingsbeleid (dit beleidskader) kunnen overheden hieraan doelgericht invulling geven. Wabo Het doel van de Wabo is een veilige en gezonde leefomgeving, door het bevorderen van de kwaliteit en samenwerking bij de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. In deze Wet is ook de wettelijke basis van het nieuwe VTH-stelsel van 29 landelijk dekkende omgevingsdiensten verankerd. De Wabo regelt de randvoorwaarden voor gemeenten en provincies om tot een hogere kwaliteit van handhaving te komen. Het basistakenpakket van de omgevingsdiensten is hiermee wettelijk vastgelegd en gemeenten worden verplicht een verordening kwaliteit VTH te hebben. De grondslag voor handhaving is gelegen in de Wabo hoofdstuk 5.
3.5
Ontwikkelingen
Ontwikkelingen Het omgevingsrecht blijft de komende jaren in beweging onder invloed van een aantal ontwikkelingen. De belangrijkste daarvan voor ODIJ en haar gemeenten zijn: -
Komst van de Omgevingswet en de ontwikkeling van omgevingsvisies en –plannen;
-
Energietransitie en circulaire economie;
-
Asbestdakenverbod;
-
Toenemende (regionale) samenwerking met handhavingspartners en brede aanpak omgevingsproblematiek;
-
Dataverzameling en –deling.
Ook de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving worden geraakt door deze ontwikkelingen. Tegelijkertijd kan via de uitvoering van deze taken bijgedragen worden aan realisatie van de doelstellingen van gemeenten en provincie op deze vlakken. Dat vraagt om keuzes in de ontwikkelrichting van VTH bij ODIJ. 3.5.1
Gebiedsgerichte aanpak
De afgelopen jaren is ODIJ gestart met een gebiedsgerichte aanpak bij de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De uitvoering is daarbij ingericht naar de regio’s Zuid-Kennemerland (Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Zandvoort), IJmond (Beverwijk, Heemskerk, Velsen, Uitgeest) en Zaanstreek-Waterland (Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland). Door de uitvoering van VTH in de regio’s te beleggen wordt gerealiseerd dat een scherper beeld ontstaat van de problematiek in een gebied, zijn de lijnen met partners in toezicht en van andere domeinen korter en kan effectiever ingezet worden op gewenste resultaten. De gebiedsgerichte aanpak kan daarnaast ook een goede basis vormen voor de realisatie van beleidsdoelstellingen van de gemeente op andere vlakken dan sec toezicht en handhaving. Daarbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het mobiliteitsvraagstuk. Een integrale aanpak waarbij bestaande programma’s zoals IJmond Bereikbaar op grotere schaal uitgerold en geïntegreerd kunnen worden. 3.5.2
Grip op activiteiten
Vooropgesteld wordt dat de actualiteit van vergunningen en het regelgevend kader bij bedrijven, alsook een stringente handhaving van geconstateerde overtredingen, tot de kernopdracht bij de 9
uitvoering van VTH behoort. De programmatische en risicogerichte aanpak op de klassieke milieuthema’s lucht, geluid, bodem en externe veiligheid die de afgelopen jaren is gestart, laat resultaat zien en wordt doorontwikkeld. Hoewel er op basis van deze aanpak meer tijd wordt gestoken in het uitvoeren van een goede analyse van de doelgroepen en afstemming met partners aan de voorzijde, ten koste van aantallen inspecties die worden uitgevoerd, is het resultaat dat bij de inspecties die worden uitgevoerd veelal ook een daadwerkelijk probleem moet worden opgelost. Activiteitengericht werken wordt verder uitgerold. Richting de Omgevingswet worden clusters van activiteiten (branches) benoemd waarvoor een uniforme aanpak vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt bepaald. Het doel hiervan is efficiënter te kunnen optreden, waarbij gelijke inrichtingen op een uniforme wijze worden gecontroleerd, maar biedt tevens de mogelijkheid regionaal bepaalde aspecten te prioriteren. Binnen ODIJ zijn branches vastgesteld op basis van veelvoorkomende bedrijven binnen haar complete werkgebied. Op basis van analyses van het gebied, de clusters van activiteiten die daar plaatsvinden en de specifieke risico's die hiermee samenhangen wordt een aanpak gekozen die aansluit bij de geïdentificeerde doelgroepen.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende datasets en gegevensbronnen, zoals de eigen GIS-viewer waarin een groot aantal bronnen samenkomen, het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen en het Landelijk Asbestvolgsysteem. Waar dat toegevoegde waarde biedt worden gezamenlijk projecten gedraaid met onder meer politie, justitie, douane, marechaussee, ILT, ISZW, gemeenten, waterschappen en andere omgevingsdiensten. Bij een groot deel van het bedrijvenbestand is het naleefgedrag goed, waarbij de methode van zelfcontrole via digitale checklisten die door ondernemers zelf kunnen worden ingevuld, aangevuld met een steekproefsgewijze fysieke inspectie, een effectieve blijkt. Dit past in de lijn van het terugleggen van verantwoordelijkheden bij degene die de activiteiten verricht. Bij een aantal risicovolle activiteiten blijven we met een vaste frequentie vinger aan de pols houden. Dit betreffen onder meer (net niet-) Bevi-inrichtingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen en vuurwerk, LPGtankstations, ammoniakkoelinstallaties, natte koeltorens en bedrijven waar wettelijk een vaste controlefrequentie voor geldt. 3.5.3
Ketens
Afval- en grondstromen vormen landelijk en daarmee ook in het werkgebied van ODIJ een prioritaire activiteit. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat hier stelselmatig overtredingen plaatsvinden. Onzorgvuldige omgang op deze thema’s levert milieurisico’s op. Met (administratief) toezicht en digitale recherche komen steeds vaker onzorgvuldig en in sommige gevallen frauduleus handelen aan het licht. Het financieel gewin dat te behalen valt in deze sector is immers groot. 3.5.4
Verbrede aanpak omgevingsproblematiek
De openbare ruimte en het fysieke domein schuiven steeds meer ineen. In toenemende mate wordt samengewerkt met de gemeente, politie, OM, douane, ILT, ISZW en andere partners aan de aanpak van omgevingsproblematiek en bestrijding van criminaliteit en ondermijnende activiteiten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de opdracht aan omgevingsdiensten tot een geïntegreerde aanpak in samenwerking met partners te komen. Via casusoverleggen en het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) vinden afstemming en gecoördineerde acties plaats door de
10
samenwerkende instanties, ieder vanuit zijn of haar bevoegdheden. Uiteraard met een scherp oog op het verbod van détournement de pouvoir. De multidisciplinaire aanpak werpt zijn vruchten af. Door het actief delen en koppelen van informatie (oog- en oorfunctie) ontstaat sneller een beter beeld van niet-normconforme situaties en kan de juiste inzet bepaald worden. 3.5.5
Asbestdaken
In voorbereiding op het aanstaande verbod op asbestdaken heeft ODIJ de afgelopen periode voor haar gemeenten de asbestverdachte daken in kaart gebracht. In de vergadering van het algemeen bestuur van juli 2018 is dit gepresenteerd en is de vervolgaanpak besproken. De komende vier jaar wordt in nauwe samenwerking met gemeenten, veiligheidsregio’s, verzekeraars en brancheorganisaties toegewerkt naar volledige verwijdering, in eerste instantie verleidend, maar richting 2024 wellicht ook preventief handhavend. De focus bij de aanpak ligt op slimme combinaties met verduurzaming. Per gemeente wordt een aanpak uitgewerkt, passend bij de opgave op het gebied van asbestdaken die per gemeente kan verschilt. 3.5.6
Energietransitie en circulaire economie
Zonder uitzondering hebben de gemeenten en provincie waar ODIJ voor werkt een opgave op het gebied van de energietransitie en circulaire economie. 50% CO2-reductie in 2030, 95% CO2reductie in 2050 en een volledig circulaire economie in 2050 zijn de doelen waar naar gestreefd wordt. Energiebesparing en inzichtelijk maken van grondstoffen- en afvalstromen zijn twee elementen waar de afgelopen jaren al vanuit VTH op werd ingezet om een bijdrage te leveren aan de realisatie van deze doelen. Vanuit ODIJ zien we hier de mogelijkheid tot een verdere verbreding van de rol van vergunningverleners en toezichthouders naar besparingsadviseurs, zowel op energie- als afval- en grondstoffengebied. Tegelijkertijd voert ODIJ deze taken voor het grootste deel van haar eigenaren beide uit, hetgeen tot synergie leidt. Dit zorgt op sommige vlakken voor een vermenging van beleids- en uitvoeringstaken. Programma’s als IJmond Bereikbaar en GreenBiz zijn hier voorbeelden van. Met de ontwikkeling van een (dynamische) potentieelscan wordt gewerkt aan een inschatting van het potentieel aan te nemen energiemaatregelen voor volledige bedrijventerreinen en individuele bedrijven. Op die manier kan toegewerkt worden naar energiepositieve bedrijventerreinen. De eerste ervaringen op de Kagerweg stemmen daarbij hoopvol.
De insteek is er daarbij op gericht vanuit een positieve framing en goede businesscase de ondernemers op een bedrijventerrein te bewegen tot de vergroening van hun terrein. Daarnaast blijft inzet op 2.15 Wet milieubeheer, omgekeerde bewijslast en erkende maatregelen staande uitvoering. Op landelijk en regionaal niveau levert ODIJ input aan verschillende beleidsontwikkelingen op dit vlak, zoals recent de klimaattafels onder het Klimaatakkoord (o.a. industrie en energie) en de klimaattafel industrie NZKG. 3.5.7
Omgevingswet en VTH
Inwerkingtreding van de Omgevingswet is voorzien in 2021. Met de Omgevingswet wordt beoogd een integraal afwegingskader voor de fysieke leefomgeving en gezondheid neer te zetten. Eenvoudige, duidelijke en inzichtelijke regels, procedures en informatie voor zowel inwoners als bedrijven.
11
De Omgevingswet beoogt een verandering in de manier van denken en werken. Vertrouwen is daarbij het credo, met als uitgangspunt een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het lokale bestuur krijgt op een aantal (milieu)onderdelen een grotere afwegingsruimte, waarbij zij strenger of losser met de indeling van de milieunormen kan omgaan, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid. Dit kan leiden tot verschillen tussen gemeenten, die overigens wel verplicht zijn hun eigen visie en plan af te stemmen met de buurgemeenten. Het streven bestaat in de advisering omtrent deze regels richting gemeenten tot een zo uniform mogelijke aanpak en wijze van regulering te komen. Dit bevordert het level playing field, houdt toezicht en handhaving eenduidig en voorkomt ‘shoppen’ door bedrijven. Voor de overgangsfase van de huidige regelgeving naar de omgevingsplannen met daarin het lokaal regelgevend kader, wordt gewerkt met de zogenoemde bruidsschat. Hierin is een groot deel van het huidig regelgevend kader opgenomen, om te voorkomen dat een vacuüm ontstaat in de periode tot de inwerkingtreding van de lokale omgevingsplannen. De wijze waarop het omgevingsplan en de omgevingswaarden daarin worden geformuleerd bepalen in belangrijke mate de rol en werklast voor toezicht en handhaving achteraf.
Het aantal meldingen zal onder de Omgevingswet verder toenemen en daarmee ook de behoefte aan toezicht, gegeven het verleggen van het toetsingsmoment aan de voorzijde naar de achterkant van de start van een activiteit. Participatie en afstemming aan de voorkant zijn kernelementen in het werken onder de Omgevingswet. Alleen op die wijze kan de beoogde verkorting van procedures (uitgangspunt 8 weken) realiteit worden. Dit vereist van vergunningverleners en adviseurs een andere rol en het denken in scenario’s. 3.5.8
Omgevingswet en data
VTH biedt een schat aan informatie die, zeker na verrijking met andere (openbare) gegevens, bruikbaar is bij de vorming van omgevingsvisies en –plannen onder de Omgevingswet en kan ook gericht worden ingezet om de daarin gestelde doelen met betrekking tot de leefomgeving te bereiken. Bodeminformatie, energie, hindercirkels, vervoers- en grondstoffenstromen zijn enkele van de datasets die vergaard en gebruikt kunnen worden. Daarnaast laat de Omgevingswet op een aantal vlakken straks de gemeente ‘vrij’ in het stellen van strengere of lossere normen op bijvoorbeeld het aspect geluid. Het is dan aan de gemeente om hierover in het omgevingsplan een kader op te nemen. Input vanuit VTH is daarbij onontbeerlijk. Uitwisseling en datadeling moet op uitvoeringsniveau de primaire processen van de partners ondersteunen. Wij ontwikkelen datasets die onze basisprocessen ondersteunen. Denk daarbij aan de recent in samenspraak met Velsen ontwikkelde bodem-/ondergrondkaart waarop inzichtelijke wordt gemaakt welke activiteiten er in de bodem plaatsvinden, zodat ook hierop beleid geformuleerd kan worden. Bij de ontwikkeling op het gebied van dataverzameling, -verrijking en –gebruik wordt de samenwerking en afstemming gezocht met onder meer andere omgevingsdiensten, gemeenten en provincie, zodat de meerwaarde daarvan zo groot mogelijk is.
Informatisering en automatisering vinden plaats op een no-nonsens wijze, vormgegeven met respect voor privacy en AVG.
12
3.5.9
Landelijke prioriteiten/thema's/NIA
Meer en meer vindt tussen handhavingspartners over verschillende niveaus (strategisch, tactisch, operationeel) gericht overleg en samenwerking plaats in verschillende gremia. Daarbij wordt gericht vormgegeven aan landelijk en regionaal geprioriteerde thema’s en activiteiten. Landelijke en regionale dreigingsbeelden (milieu)criminaliteit vormen hiervoor input en worden geoperationaliseerd via het RIEC en selectie- en milieu-informatie-overleggen. Op landelijk niveau is Omgevingsdienst IJmond aangesloten bij OD.nl, waar alle OD's in Nederland over de uitvoering van hun taken spreken. In dit gremium wordt landelijk afstemming gezocht over de uitvoering van deze taken, best practices te delen en een gelijk speelveld te realiseren. Andere zaken op landelijk en regionaal niveau die van invloed zijn op de wijze waarop projecten worden ingericht, zijn het Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit (DMC) en de Focus50. Het DMC levert een beeld van de dreigingen op het gebied van georganiseerde criminaliteit in Nederland en vormt de basis voor het vaststellen van aandachtsgebieden voor de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. De Focus50 is een belangrijke stap richting risicogericht samenwerken door 9 organisaties in het Noordzeekanaalgebied.
Deze lijst brengt 50 items in kaart waarbij gezamenlijk is geconstateerd dat er één of meerdere risico’s aanleiding geven tot extra aandacht, én samenwerking mogelijkheden biedt wat betreft voorkomen of beperken van incidenten. Enkele thema’s die de komende jaren terugkomen zijn:
Gesloten bodemenergiesystemen (aanleg/certificering/registratie);
Getrouwheid bodemsaneringsevaluatierapporten;
Oud-ijzerinzameling door niet-erkend inzamelaars (vermelding VIHB-lijsten);
WEELABEX (elektronica) bij oud ijzer;
Sloopschepen;
Asbest.
Gewerkt wordt aan de ontwikkeling van een integraal communicatieplatform (GIS-applicatie) voor zowel bestuurders als de operatiën (contactgegevens). Het doel hiervan is het zicht op risico’s in de regio op een eenduidige wijze inzichtelijk te maken en hierop gericht te kunnen acteren. 3.5.10
Handhavingsbeleid
De Landelijke Handhavingsstrategie is het kader waarbinnen de handhaving door ODIJ plaatsvindt. Volgens de LHS bepaalt de combinatie van de ernst van de overtreding en de intentie van de overtreder het handhavingsinstrument dat gekozen wordt. Dat kan variëren van een waarschuwing tot stillegging of een strafrechtelijke maatregel. Het gedragsaspect van de bedrijven die onder toezicht staan wordt in steeds belangrijker mate een aspect dat meegenomen wordt bij toezicht en handhaving. De mate van ‘hufterigheid’, gedrag waarbij de grenzen van het betamelijke worden opgezocht, maar net niet overschreden, vormt één van de indicatoren in het geactualiseerde handhavingsbeleid en om onder meer ondermijnende activiteiten op te sporen en aan te pakken.
13
Het vorige handhavingsbeleid kende relatief lage dwangsombedragen die zich niet meer verhielden tot de ernst van de overtreding en het financieel voordeel dat daarmee behaald wordt. In het nieuwe beleid is daarom gekozen voor een aanzienlijke verhoging van de bedragen, waarbij aansluiting is gezocht bij het handhavingsbeleid in den lande. Tegelijk wordt erkend dat handhaving niet altijd de aangewezen route is om naleving te bewerkstelligen. Een goed gesprek, mediation en in uitzonderlijke situaties bestuurlijke interventie kan in die gevallen beter werken en voor gekozen worden. 3.5.11
Rol medewerker omgevingsrecht
De verschillende ontwikkelingen in het fysieke domein maken ook dat een andere invulling van de rol van vergunningverleners en inspecteurs wordt gevraagd. Naast een stuk verbreding in kennis op ‘nieuwe’ onderwerpen, zal ook verdieping nodig zijn op onder meer het thema verduurzaming en energietransitie en hoe dit geoperationaliseerd kan worden bij de uitvoering van VTH. Vergunningverlening zal steeds vaker aan de voorkant bij omgevingsplanvorming gevraagd worden input te leveren om een goed regelgevend kader neer te zetten, om op die manier te voorkomen dat in de toezichtsfase een onbedwingbare werklast ontstaat. Scenariodenken en een bredere belangenafweging kunnen maken zijn daarbij essentiële vaardigheden. Ook voor de toezichthouder, waarvan straks niet wordt gevraagd sec op regels te toetsen, maar die ook in staat moet zijn met losser geformuleerde regels en afwegingsruimte om te gaan.
14
4. Gebieds- en risicoanalyse De capaciteit en middelen bij organisaties die werkzaam zijn op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn beperkt. Dit noodzaakt tot het stellen van prioriteiten in de taken en problemen die (met voorrang) opgepakt worden. Mede in het kader van de prioritering is een analyse van het samenwerkingsgebied opgesteld. De gebiedsanalyse richt zich onder meer op de aanwezige bedrijvigheid in het gebied waar Omgevingsdienst IJmond haar taken uitvoert, de vergunning- en meldingplichtige bedrijven en de sectoren waarbinnen die bedrijven opereren en het vigerend beleid van de gemeenten en provincie. In het Uitvoeringskader 2015-2018 was een uitgebreide risicoanalyse opgenomen. In dit beleidskader is ervoor gekozen landelijke en regionale prioriteiten en ontwikkelingen te schetsen en daarnaast de wijze waarop het risicogericht werken eruit ziet te beschrijven. Dit sluit beter aan bij de gewenste manier van werken, waarin kortcyclischer branchegerichte risico-analyses worden gemaakt en toezichtstrajecten worden opgestart. In de uitgevoerde analyse zijn voor vergunningverlening meegenomen de te verwachten aanvragen/meldingen en de aard en complexiteit van de aanvragen.
Ten aanzien van toezicht en handhaving is in de analyse meegenomen het naleefgedrag, de mogelijke effecten van potentiële en feitelijke overtredingen, de kansen op overtredingen, klachten en signalen, alsmede landelijke prioriteiten. Daarnaast is met de partners en gemeenten besproken welke activiteiten of zaken mogelijk een risico kunnen vormen en aandacht behoeven. Een lage prioritering betekent overigens niet dat bepaalde taken of branches niet aan bod komen bij toezicht en handhaving. De intensiteit waarmee dit echter plaats vindt is minder hoog dan bij geprioriteerde taken/branches.
4.1
Gebiedsanalyse
Het samenwerkingsgebied van Omgevingsdienst IJmond beslaat het grondgebied van 15 gemeenten in provincie Noord-Holland, verspreid over twee bijna volledige veiligheidsregio’s: Zaanstreek-Waterland (exclusief gemeente Zaanstad) en Kennemerland (exclusief gemeente Haarlemmermeer). Het gebied laat zich niet in één zin omschrijven en kenmerkt zich door een grote verscheidenheid in zowel fysiologische zin als in bedrijfsmatige activiteiten die plaats hebben. Het werkgebied van Omgevingsdienst IJmond is ingedeeld in drie regio’s, te weten IJmond, Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland. Voor elk van deze regio’s is een portefeuillehoudersoverleg ingesteld waarin de verantwoordelijk portefeuillehouders milieu onder meer de ontwikkelingen met betrekking tot Omgevingsdienst IJmond bespreken. De gemeenten binnen de verschillende regio’s kennen over het geheel bezien in mindere of meerdere mate dezelfde problematiek, uiteraard ieder met de eigen specifieke kenmerken en aandachtsgebieden. De regio IJmond omvat de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest en Velsen. Het gebied kenmerkt zich voornamelijk door de spanning die bestaat tussen de aanwezige (zwaardere) industrie, wonen en recreatie. Daarnaast vinden er nog diverse agrarische activiteiten plaats, zoals
15
(glas)tuinbouw, het houden van paarden en veeteelt. Lucht en geluid zijn belangrijke kernthema’s waar vergunningverlening, toezicht en handhaving zich op richten. De regio Zaanstreek-Waterland omvat de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland. Het gebied kenmerkt zich door de vele agrarische bedrijven die hier gevestigd zijn. Daarnaast zijn er enkele kleinere bedrijventerreinen gevestigd in de verschillende kernen. De stad Purmerend heeft een centrumfunctie binnen de regio Zaanstreek-Waterland en onderscheidt zich (mede hierdoor) ook in bedrijvigheid van de andere gemeenten binnen de regio. De regio Zuid-Kennemerland heeft bepaald een ander karakter dan de regio’s IJmond en Zaanstreek-Waterland. In deze regio zijn de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, en Zandvoort gelegen. Horeca vormt een aanzienlijk deel van het inrichtingenbestand. Daarnaast vinden gemiddeld meer evenementen plaats binnen deze gemeenten dan bij de andere gemeenten, waarbij ODIJ ook een taak heeft. In Bijlage 3 is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de gemeenten in het werkgebied.