C24 Bijlage 1 Omgevingsvisie en Groenvisie en natuurwaarden.pdf
Tekst van het document
Flora (d.w.z. vaatplanten) Vogels Zoogdieren Reptielen en amfibieën Vlinders Libellen
Wel moet hierbij worden aangetekend, dat deze gegevens afkomstig zijn uit datasets van verschillende oorsprong (o.a. uit waarneming.nl ) die meestal niet op systematische wijze zijn verzameld. Daardoor treedt er een zgn. bias (“vooroordeel”) op naar meer opvallende soorten (bijvoorbeeld Grote Zilverreiger en IJsvogel), en naar aantrekkelijker en/of beter toegankelijke gebieden (bijvoorbeeld het duingebied), die soms storend is. Getracht is deze bias zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is niet in alle gevallen voldoende gelukt. Uit de resultaten blijkt dat vooral het duingebied en - in mindere mate - het veengebied herkenbaar zijn in de verspreiding van een aantal kenmerkende soorten. Anderzijds komen sommige andere soorten ook buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied voor als gevolg van menselijke activiteiten zoals grondverzet en aanplant van groen. Het stroomgebied van het Oer-IJ zelf is echter door de grote menselijke beïnvloeding niet of nauwelijks herkenbaar in de verspreidingsbeelden van de afzonderlijke soorten. Alleen het verspreidingsbeeld van Zilte rus op het kaartje Flora klei en veen in Bijlage 1 lijkt het Oer-IJ gebied enigszins aan te geven. Maar het verspreidingsbeeld van deze soort in de Atlas van de Noord-Hollandse flora geeft een veel ruimere verspreiding aan en laat ook een veelvuldig voorkomen in het veengebied zien.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 35
4. De toekomst van de natuur 4.1. Algemeen Na de voorgaande beschrijving van ontstaan van het landschap en huidige natuur staan we voor de vraag, hoe we deze kwaliteiten voor komende generaties kunnen behouden en verder verbeteren. In sommige gevallen is misschien ook herstel en ontwikkeling nodig, in eerdere hoofdstukken kwamen daarvan al enkele voorbeelden ter sprake. De bijzondere kwaliteiten van het Oer-IJ gebied liggen vooral in de leesbaarheid en belevingsmogelijkheden van de ontstaansgeschiedenis, van het landschap en van de natuur en hiermee in de aantrekkelijkheid voor daarop gerichte, extensieve recreatie. Het is dan ook van groot belang dat deze kwaliteiten behouden blijven. Maar zelfs wanneer het onvermijdelijk is dat het bestaande landschap verloren moet gaan ten behoeve van maatschappelijk noodzakelijk geachte veranderingen, dan nog heeft de structuur van het Oer-IJ een functie. Bij omvorming naar andere gebruiksvormen kunnen de kenmerkende landschapsstructuren van het Oer-IJ gebied nog steeds een inspiratie vormen en in het plan worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon, groene scheg of anderszins.
4.2. Eilandtheorie Een halve eeuw geleden ontdekten ecologen, dat er een verband bestaat tussen (1) de grootte van eilanden, (2) het aantal soorten dat zich daar bevond en (3) de afstand tot het vasteland. Dit bleek samen te hangen met de uitsterfkans van kleine populaties en de kans van aanvulling of nieuwe vestiging vanaf het vasteland. Om op langere termijn voldoende genetische diversiteit te behouden en zodoende inteeltverschijnselen te voorkomen moeten populaties minimaal enkele honderden tot een paar duizend individuen omvatten, afhankelijk van de voortplantingsstrategie van de betreffende soort. Dit wordt de eiland-theorie genoemd (voor het eerst gepubliceerd in 1967 door MacArthur en Wilson). Deze ontdekking vond vervolgens ook toepassing in het natuurbeheer. Natuurgebieden zijn vaak in een geheel andersoortige omgeving komen te liggen, en de levensgemeenschappen van dergelijke natuurgebieden functioneren daardoor in ecologisch opzicht als eilandjes. Voldoende omvang van natuurgebieden, en voldoende verbindingen met andere, vergelijkbare gebieden zijn daardoor van essentieel belang voor het voortbestaan van die levensgemeenschappen op langere termijn.
4.3. Hoofdstructuur - open ruimten Het Oer-IJ gebied ligt in de zgn. Noordvleugel van de Randstad, hier zijn in de afgelopen decennia op veel plaatsen omvangrijke nieuwe bedrijventerreinen en woongebieden ontwikkeld. In het begin van de vorige eeuw was dit nog één groot landelijk gebied met inliggende steden en dorpen, die van elkaar werden gescheiden door grote oppervlakten agrarisch gebied, water en natuur. Maar de steden en dorpen groeiden aan elkaar vast en de agglomeratie Haarlem-IJmond bijvoorbeeld strekt zich tegenwoordig uit tot Uitgeest, en de agglomeratie Amsterdam-Zaanstreek tot Krommenie. Eind vorige eeuw is een omslagpunt bereikt waardoor er nu eigenlijk sprake is van één groot stedelijk gebied met hier en daar Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 36
nog stukjes landelijk gebied er in. Kortom, grote open ruimten zijn een schaars goed geworden, maar daardoor ook een gewaardeerd fenomeen. Bewoners van stedelijke gebieden hebben vaak behoefte om “buiten” te kunnen zijn. In grote steden vervullen stadsparken daarvoor een rol, en in de afwisseling van dorpsbebouwing en open gebied trekt men voor een wandeling of fietstochtje naar het buitengebied. Daar kan men het contrast ervaren met de dagelijkse woonomgeving, en daar kan men met enige moeite nog de “vrije horizon” ervaren en zich “buiten in de natuur” voelen, of dat nu natuurgebied is of aantrekkelijk agrarisch landschap. Veel inwoners van deze regio stellen de nabijheid van strand, duin en polder zeer op prijs, en deze omgevingskwaliteit heeft vaak ook een rol gespeeld bij de woonplaatskeuze: omgevingskwaliteit als vestigingsfactor. Maar niet alleen in de recreatieve beleving door de mens spelen de dimensies van open ruimten een rol. Ook voor het functioneren van de natuur is de omvang van gebieden van belang (ook op een andere wijze dan hierboven met de eilandtheorie is aangegeven). Zo is van veel soorten bekend, dat zij een zekere afstand houden tot verstoringsbronnen, bijvoorbeeld weidevogels ten opzichte van bomen en bosjes, sommige zangvogels ten opzichte van lawaaiige snelwegen, en schuwe diersoorten ten opzichte van wegen en paden waar mensen langs komen.
Door dit “randeffect” leidt een verkleining of doorsnijding van een gebied meestal tot een onevenredig veel grotere verslechtering in het ecologisch functioneren. Op Figuur 4-1 zijn voor het Oer-IJ gebied de open ruimten aangegeven, die niet door bebouwingslinten, snelwegen, provinciale wegen of spoorlijnen worden doorkruist. Deze open ruimten waren oorspronkelijk door het Oer-IJ en de zijtakken met elkaar verbonden. Het is belangrijk om deze open landschappen – kenmerkend voor het Noord-Hollandse polderlandschap – te bewaren als buffer tussen de stedelijke agglomeraties en als “uitloopmogelijkheid” voor de bewoners. In de afgelopen tijd (Coronacrisis) is weer eens gebleken hoe belangrijk een dergelijk aanbod (strand, duin, natuur, polder) in de nabijheid van de woonomgeving is. In deze buitengebieden moet men ook in de toekomst een afwisseling kunnen blijven vinden van natuur, agrarisch gebied en open water, met fiets-, vaar- en wandelmogelijkheden. In het Oer-IJ gebied gaat het van noordwest naar zuidoost om de volgende open ruimten: -
-
-
De open ruimte tussen de binnenduinrand ten noorden van de Bakkumer Zeeweg en de bebouwing van Limmen-Heiloo-Alkmaar. In feite de jongste en meest westelijke strandvlakte De open ruimte tussen Castricum en Heemskerk-Uitgeest die zich voortzet in de open ruimte tussen Limmen-Heiloo enerzijds en Uitgeest-Akersloot-Boekel anderzijds De grote open ruimte tussen Beverwijk-Heemskerk en Assendelft, die zich naar het noorden voortzet naar de open ruimten van het Alkmaardermeergebied en vervolgens de Schermer
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 37
Figuur 4-1 Open ruimten in het Oer-IJ gebied
-
-
-
De kleine open ruimte van het Guisveld tussen Wormerveer en WestzaanAssendelft, die weliswaar wat geïsoleerd is komen te liggen, maar met enkele andere kleine open ruimten toch nog steeds is aangesloten op de vorige De open ruimten van de Veenpolder en het Zuiderveen tussen Assendelft en Nauerna, en die van het Reefgebied en die van het Westzijderveld, respectievelijk westelijk en oostelijk van het bebouwingslint van Westzaan En ten zuiden van het Noordzeekanaal is er de open ruimte tussen HaarlemIJmond en Halfweg-Houtrakpolder. De beboste gedeelten van recreatiegebied Spaarnwoude sluiten dit gebied aan de noord- en oostzijde af, maar in het
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 38
zuidelijk gedeelte van genoemd recreatiegebied, tussen Haarlem-noord en Halfweg is nog het open poldergebied te ervaren. Hierbij tekenen zich wel enkele knelpunten af: - De meest westelijke strandvlakte (tussen de binnenduinrand en Limmen-HeilooAlkmaar) is met de volgende strandvlakte (tussen Limmen-Heiloo-Alkmaar en Uitgeest-Akersloot) alleen verbonden met een nauwe verbinding, een flessenhals, tussen Limmen en Castricum. Het zou goed zijn om deze als zodanig te erkennen en te versterken. - Hetzelfde geldt ook voor de verbinding van de strandvlakte tussen LimmenHeiloo-Alkmaar met het Alkmaardermeergebied. Alleen rond motel Akersloot is een – landschappelijk en ecologisch nogal verstoorde – verbinding aanwezig. Ook noordelijk om Akersloot heen is een verbinding denkbaar, maar ook daar (tussen Akersloot en Boekel) is het landschap in de afgelopen decennia verdicht geraakt. Maar er zijn ook kansen voor versterking van de landschapsecologische ruimtelijke structuur: - De ring van de Stelling van Amsterdam biedt (nu nog) een uitgelezen kans om als stramien voor een kralensnoer van natuurgebieden en kleinschalige recreatieprojecten te ontwikkelen - De hoofdstad kent een structuur van “groene scheggen” die enerzijds natuurelementen tot bij het hart van de stad brengen, en anderzijds de stedeling aantrekkelijke groene recreatieve uitvalsroutes naar het buitengebied bieden.
Bovendien brengen deze groene scheggen een ruimtelijke geleding in het stedelijk gebied aan. Dit concept van groene scheggen zou ook in andere verstedelijkende gebieden in het Oer-IJ gebied moeten worden toegepast Het zou goed zijn om deze ruimtelijk-conceptuele gedachten verder uit te werken in samenhang met twee hierna volgende, meer op het ecologisch functioneren gerichte ideeën: “ecologische verbindingen” en “verbindingen voor het aquatisch milieu”.
4.4. Kenmerkende landschapsstructuren Naast de openheid zijn ook doorgaande structuren zoals dijken en waterlopen bepalend voor de beleving van het landschap. En met name deze twee structuren, die naar hun aard verbonden zijn aan de waterhuishouding, geven vaak duidelijke verwijzingen naar de ontstaans- en gebruiksgeschiedenis van het Oer-IJ gebied. Het is dan ook van belang om deze structuren te behouden en waar mogelijk te versterken. Een ecologisch maaibeheer van bermen en oevers kan de natuurfunctie van deze structuren sterk verbeteren. Zelfs wanneer het onvermijdelijk is om het bestaande landschap plaatselijk een ingrijpende functieverandering te geven, dan nog kunnen deze landschapsstructuren een inspiratie vormen voor een nieuwe vormgeving, en in het plan worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon en dergelijke. Zo is het bijvoorbeeld jammer dat de historische ontwikkeling van het landschap in de beboste deelgebieden van Spaarnwoude zo moeilijk herkenbaar is, omdat daar in het ontwerp geen rekening mee werd gehouden. Bij verdere ontwikkeling van deze gebieden bepleiten wij graag de verbetering van de leesbaarheid van het landschap.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 39
4.5. Ecologische verbindingen algemeen Zoals eerder vermeld is het voor het ecologisch functioneren van natuurgebieden van belang dat zij voldoende omvang hebben. Maar het is ook nodig dat zij op één of andere wijze met elkaar verbonden zijn, zodat organismen zich van het ene naar het andere gebied kunnen verplaatsen en populaties daardoor genen kunnen uitwisselen. De mogelijkheid om zich te verplaatsen verschilt van soort tot soort: vogels zijn uiteraard beter in staat om “eilanden” te bereiken dan kruipende insecten, spinnen en slakken. En ook in de plantenwereld zijn er goede verspreiders, die hun zaden met de wind mee laten gaan (bijv. Paardenbloem) en andere die afhankelijk zijn van dieren, bijvoorbeeld de Eik van transport door de Gaai, en Tandzaad van transport in de vacht van grote grazers. Daarnaast is het van belang, dat veel diersoorten meerdere biotopen nodig hebben in hun bestaan. Zo hebben bijvoorbeeld Buizerd, Torenvalk, Zwarte Kraai en Roek bos nodig, of in ieder geval bomen om in te broeden maar ook open terrein om voedsel te zoeken. En iets vergelijkbaars geldt voor allerlei vissoorten die verschillende watertypen nodig hebben als paai- en opgroeigebied voor jonge vis, en als volwassen exemplaren. De materie van eilanden en verbindingen is door dit alles wat complexer dan het op het eerste gezicht lijkt.
Als algemene richtlijn kunnen echter de drie V’s van Voedsel, Veiligheid en Voortplanting worden gehanteerd, die alle drie nodig zijn voor een geschikt leefgebied. In het landschap van Laag-Holland, waar het noordelijk deel van het Oer-IJ gebied deel toe behoort, zijn de meest karakteristieke biotopen die van vochtige bloemrijke graslanden (“weidevogelbiotoop”) en van verschillende typen laagveenmoerassen. Daarnaast is ook de kwelzone aan de binnenduinrand relevant. De vochtige, bloemrijke graslanden en ook de laagveenmoerassen zijn gelegen in de eerder beschreven open ruimten. Zij zijn hier de meer natuurlijke terreinen, meestal enkele tientallen tot een paar honderd hectare groot, en worden meestal beheerd door, of in opdracht van natuurorganisaties. Maar zij zijn wél van elkaar gescheiden door intensief agrarisch gebruikt terrein, door woongebied en bedrijventerrein en door menselijke infrastructuur, die allemaal belemmeringen opwerpen voor een vrije migratie en uitwisseling. Hiervóór is al aangegeven, dat vogels in het algemeen goed in staat zijn om geschikte biotopen te bereiken. Maar voor veel kleinere organismen ligt dat anders. Waarschijnlijk kunnen brede sloten en vaarten met begroeide oevers voor veel soorten van moerasbiotoop, zowel dieren als planten, als verbinding functioneren.
Maar dat betekent wél dat kruisingen met infrastructuur van de mens een gevaarlijke en soms zelfs onneembare barrière kunnen vormen. Denk bijvoorbeeld aan de Otter, die elders in het land aan een opmerkelijke comeback bezig is, en vroeger of later ook in Laag-Holland, inclusief het Oer-IJ gebied te verwachten is, maar denk ook aan een soort als de Ringslang. Het is dan ook nodig dat er voorzieningen voor een veilige oversteek, bijvoorbeeld in de vorm van een onderdoorgang, voor deze en andere soorten komen. Voor dieren en planten van wat drogere biotopen kunnen dijk- en wegbermen vaak als migratieroute functioneren, zoals ook uit voorgaande verspreidingskaartjes naar voren komt. Een voorwaarde is dan wel, dat het bermbeheer op ecologisch doordachte aangepaste wijze gebeurt. Het zgn. sinusmaaien is in dit opzicht een veelbelovend concept. Met een beter
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 40
gericht en aangepast beheer van dijk- en wegbermen is (zonder al teveel moeite) nog veel meer ecologische winst te behalen. Ten zuiden van het Noordzeekanaal is de binnenduinrand vrijwel geheel verstedelijkt, er zijn nauwelijks oost-west gerichte doorgangen en die er zijn worden doorkruist door de A9 en de A22. Er dient echt werk gemaakt te worden van een ecologische verbinding van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland naar Spaarnwoude. Het zou goed zijn om een nadere (literatuur-)studie te wijden aan de ecologische verbindingen in het gebied van het Oer-IJ, vooral gericht op de migratiemogelijkheden en –beperkingen, c.q. genenuitwisseling. Hierbij moet dan zowel aan grotere soorten als bijvoorbeeld Otter, Ringslang en Noordse Woelmuis als aan kleinere en minder mobiele soorten (bijvoorbeeld bodemfauna) aandacht worden besteed. Uit die studie kan dan een wensen- en knelpuntenkaart voortkomen.
4.6. Verbindingen voor het watermilieu Voor het watermilieu geldt historisch gezien dat de ontginning en het in agrarisch gebruik nemen van het landschap naast een noodzakelijk geworden bescherming tegen het buitenwater ook een steeds betere beheersing van de waterstand en waterafvoer wenselijk maakte. Hierdoor is uiteindelijk het voor ons bekende en vertrouwde, maar gecompliceerde systeem van polders en poldertjes ontstaan. Het oorspronkelijk één geheel vormend watersysteem is daarbij sterk versnipperd geraakt. Hoe gek dat ook klinkt, ook in het watersysteem is daardoor tegenwoordig in ecologisch opzicht sprake van “eilanden”. In het Oer-IJ gebied is het oorspronkelijke open estuarium in de loop van de tijd vervangen geraakt door allerlei aparte waterlichamen die alleen via sluisjes en gemalen nog enigszins met elkaar verbonden zijn. Voor het functioneren van het aquatisch ecosysteem heeft dat grote consequenties. Zo vinden trekkende vissoorten (soorten die in zout water verblijven en in zoet water paaien, of andersom) tegenwoordig allerlei barrières op hun trekroute. Omdat vissen voor de mens als voedsel, dan wel als hengelobject interessant waren en nog steeds zijn, is via deze invalshoek bewustzijn ontstaan over de gevolgen van de versnippering van het watersysteem.
Er zijn en worden hier en elders voor deze groep dan ook knelpunteninventarisaties gemaakt en zogeheten ontsnipperingsmaatregelen genomen (vistrap, vishevel, vismigratierivier, etcetera). Een voorbeeld is de vispassage (onder meer t.b.v. Stekelbaars en Glasaal) bij gemaal Halfweg. Maar naast versnippering oefent het menselijk gebruik nog een hele reeks andere invloeden uit op het waterecosysteem: er wordt bijvoorbeeld water met andere gehaltes aan opgeloste stoffen (“andere watersamenstelling”) ingelaten vanuit andere waterlichamen. Sloten hebben een standaardprofiel gekregen en er wordt intensief gemaaid en gebaggerd om de afvoercapaciteit in stand te houden. Paaigebied van vissen is verdwenen doordat het oeverland in het voorjaar niet meer geïnundeerd raakt. Daarnaast is de belasting met nutriënten door uit- en afspoeling vaak zeer hoog. En tenslotte zijn er allerlei soorten van elders – door bewust en onbewust handelen van de mens - in Nederlandse wateren terechtgekomen die in bepaalde gevallen inheemse soorten hebben verdrongen, of andere Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 41
problemen hebben veroorzaakt. Wat dit laatste betreft zijn er in het aquatisch milieu voorbeelden uit allerlei verschillende planten- en dierengroepen te vinden, van Waterpest en Watercrassula tot Amerikaanse rivierkreeften, Chinese Wolhandkrab, Roodwangschildpad, en Roofblei. Het flink brakke Noordzeekanaal biedt een uitgelezen kans om zout en zoet in deze regio weer met elkaar te verbinden. Al decennia lang wordt er gepraat over verbrakking van de polder Westzaan, waar plaatselijk nog steeds aan brak water gebonden soorten en restanten brakwaternatuur aanwezig zijn. Hiermee is dit één van de oorspronkelijke brakwaterveengebieden van Midden-NoordHolland, waar herstelmaatregelen nog het meest kansrijk zijn. Maar tot feitelijke ingrepen in de waterhuishouding heeft deze plannenmakerij nog steeds niet geleid, laat staan tot werkelijk herstel van de beoogde brakwaternatuur. En de trend van de meeste voor brak milieu kenmerkende plantensoorten is negatief, dus de tijd gaat wel dringen.
Figuur 4-2 Het flink brakke Noordzeekanaal kan zout en zoet verbinden
Maar niet alleen in de veengebieden kan herstel van de zoet-zoutgradiënt tot natuurwaarden leiden, juist ook in de loop van het Oer-IJ zelf zijn de kansen aanwezig. Het eerder genoemde project Houtrakkerbeemden is daar een mooi voorbeeld van. En de verspreidingskaart van Zilte rus in “Flora klei en veen” in Bijlage 1 geeft aan dat er in de Oer-IJ vallei tussen Noordzeekanaal en Castricum kansen liggen.
Wanneer we vanuit de huidige situatie weer enigszins de oorspronkelijke situatie willen benaderen in het waterecosysteem van het Oer-IJ gebied moet er dus nogal wat gebeuren. De maatregelen variëren sterk in schaalniveau, enkele gedachtelijnen zijn: -
herstel van de zoet-zoutgradiënt natte dooradering van het landschap opheffen barrières voor trekkende (vis)soorten herstel natuurlijke waterdynamiek (’s winters en in vroege voorjaar hoog, ’s zomers lager) Noordzeekanaal meer ruimte geven (zoals bijvoorbeeld bij Buitenhuizen al heeft plaatsgevonden) verbinden van Oer-IJ restanten onderling en met het Noordzeekanaal schoon kwelwater van binnenduinrand beter benutten voor natte natuur in de polders (meer projecten zoals Schoonwatervallei)
Het zou daarom goed zijn om ook specifiek voor het watermilieu in het Oer-IJ gebied een inventarisatie van knelpunten, oplossingen en verbeteringskansen voor het ecologisch functioneren op te stellen en deze tot een coherent herstelplan voor natte natuur samen te brengen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 42
5. Conclusies en aanbevelingen Het Oer-IJ landschap bezit een grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden. Daarnaast is het Oer-IJ gebied in hoog tempo aan het veranderen, waarbij deze waarden dreigen te verdwijnen. Juist omdat dit gebied wordt omringd door de stedelijke agglomeraties van Amsterdam, Zaanstad, Alkmaar, IJmond en Haarlem dienen de genoemde waarden waar mogelijk behouden te blijven en verder te worden ontwikkeld, zodat dit gebied ook in de toekomst voor de eigen inwoners én voor die van deze agglomeraties als “groene long” kan blijven functioneren. In het voorgaande hoofdstuk zijn daarvoor zo hier en daar al enkele aanbevelingen geformuleerd. Voor de overzichtelijkheid zijn deze in de navolgende opsomming herhaald en aangevuld met andere aanbevelingen. Als eerste enkele aanbevelingen op hoofdlijnen: 1. De kwaliteiten van het Oer-IJ gebied liggen onder meer in de leesbaarheid en belevingsmogelijkheden van de ontstaansgeschiedenis, van het landschap en van de natuur en hiermee in de aantrekkelijkheid voor gerichte, extensieve recreatie. Deze leesbaarheid en belevingsmogelijkheden dienen behouden te blijven en verder te worden ontwikkeld. 2.
Zelfs wanneer het onvermijdelijk is dat het bestaande landschap verloren moet gaan ten behoeve van maatschappelijk noodzakelijk geachte veranderingen, dan nog heeft de structuur van het Oer-IJ een functie. Bij omvorming naar andere gebruiksvormen kunnen de kenmerkende landschapsstructuren van het Oer-IJ gebied nog steeds een inspiratie vormen en dienen zij in het plan te worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon of anderszins, en bovendien zodanig te worden vormgegeven dat zij ook als ecologische verbindingsroute kunnen functioneren. 3. De openheid van het landschap, die zo kenmerkend is voor het Noord-Hollandse polderland, dient waar maar enigszins mogelijk gehandhaafd te blijven en waar nodig hersteld, als contrast met de omringende stedelijke gebieden. 4. Voldoende omvang van natuurgebieden en voldoende onderlinge verbindingen zijn van essentieel belang voor het voortbestaan van de betrokken levensgemeenschappen op langere termijn. Daarom dienen de bestaande natuurgebieden behouden te blijven, beschermd te worden tegen schadelijke invloeden van buiten en waar nodig hersteld, vergroot en onderling verbonden te worden. Voor een nadere concretisering dient nog wel het één en ander te worden uitgezocht: 1. Er dient een nadere analyse van knelpunten en kansen m.b.t.
de ecologische verbindingen in het Oer-IJ gebied te komen, met oplossingsvoorstellen en een uitvoeringsplan. Daarbij gaat het om verschillende aspecten: − de onderlinge verbindingen tussen natuurterreinen in de regio zelf, bijvoorbeeld tussen Weijenbus/Vroonmeer, het Limmer Die en het Oosterveld bij Limmen Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 43
−
de grote ecologische verbindingen van kust tot kust, d.w.z van de Noordzeekust tot aan het Markermeer, waarbij voor de twee mogelijke zones in onze regio (ten noorden en ten zuiden van Castricum) erkenning en verbeteringen nodig zijn − ten zuiden van het Noordzeekanaal wordt een vergelijkbare oost-west verbinding, in dit geval tussen het Nationaal Park Zuid-Kennemerland en Groengebied Spaarnwoude (en vandaar verder naar het Vechtplassengebied) node gemist. Er dient een nadere analyse te komen op welke wijze en waar precies deze nog gerealiseerd zou kunnen worden − oplossingen om de kruisingen van ecologische verbindingsroutes met menselijke infrastructuur als wegen en spoorlijnen veiliger te maken voor diersoorten zoals bijvoorbeeld Otter, Ringslang, Gewone pad, etcetera 2. Ook voor het watersysteem in het Oer-IJ gebied dient een knelpunten- en kansenanalyse met oplossingsvoorstellen en uitvoeringsplan te worden opgesteld.
Daarvoor zijn enkele gedachtelijnen: - herstel van de zoet-zoutgradiënt - opheffen barrières voor trekkende (vis)soorten - herstel natuurlijke waterdynamiek (’s winters en in vroege voorjaar hoog, ’s zomers lager) - Noordzeekanaal meer ruimte geven (zoals bijvoorbeeld bij Buitenhuizen al heeft plaatsgevonden) - Verbinden van Oer-IJ restanten onderling en met het Noordzeekanaal - schoon kwelwater van binnenduinrand beter benutten voor natte natuur in de polders (meer projecten zoals Schoonwatervallei) 3. De ring van de Stelling van Amsterdam biedt (nu nog) een uitgelezen kans om als stramien voor een kralensnoer van natuurgebieden en kleinschalige recreatieprojecten te ontwikkelen, deze gedachte dient verder te worden uitgewerkt. Meer specifiek zijn de volgende aanbevelingen: 1. De meest westelijke strandvlakte (tussen de binnenduinrand en LimmenHeiloo-Alkmaar) is met de volgende strandvlakte (tussen Limmen-HeilooAlkmaar en Uitgeest-Akersloot) alleen verbonden via een nauwe verbinding, een flessenhals tussen Limmen en Castricum (de “Limmer voorde”). Deze dient als zodanig erkend en versterkt te worden. Hetzelfde geldt ook voor de verbinding van de strandvlakte tussen Limmen-Heiloo-Alkmaar met het Alkmaardermeergebied. 2.
Het concept van groene scheggen, zo prominent aanwezig in de Amsterdamse agglomeratie, dient ook in andere verstedelijkende gebieden in het Oer-IJ gebied te worden toegepast. 3. De historische ontwikkeling van het landschap in de beboste deelgebieden van Spaarnwoude is helaas moeilijk herkenbaar, omdat daar in het ontwerp geen rekening mee werd gehouden. Bij verdere ontwikkeling van deze gebieden dient deze leesbaarheid van het landschap te worden hersteld en verbeterd. 4. Dijken en waterlopen zijn bij uitstek structuren, die de landschapsgeschiedenis weergeven en leesbaar maken. Het is van belang om deze structuren te behouden en versterken. 5. Het ecologisch aanpassen van het bermbeheer van dijken en wegen kan een enorme verbetering van de natuurfunctie met zich brengen, zowel van de berm op zich als van de berm als ecologische verbinding. Het zgn. sinusmaaien is in dit opzicht een veelbelovend concept. Waar maar enigszins mogelijk dient het bermbeheer ecologisch te worden aangepast. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 44
6. Al decennia lang wordt er gepraat over verbrakking van de polder Westzaan, maar tot uitvoering van maatregelen is het tot nu toe nog niet gekomen. Maar de tijd begint te dringen, want de brakwatersoorten waar het om gaat zijn langzaam aan het verdwijnen uit dit gebied. De geplande maatregelen dienen op korte termijn te worden uitgevoerd.
Figuur 5-1 Echte koekoeksbloem, een typische soort van bloemrijk vochtig grasland (foto Bart Korf)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 45
Gebruikte bronnen -
-
-
-
-
-
-
-
Guus J. Borger & Saskia Bruines, 1994. Binnewaeters gewelt, 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer Bert Buizer, Piet Veel & Hans van Weenen (redactie), 2018. Atlas van het Oer-IJ gebied. Stichting Uitgeverij Noord-Holland en Stichting Oer-IJ. Herman van Dam & Nico Jaarsma, 2020. Doelen op maat 4.1 – Systeemanalyses. In opdracht van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Jan van der Geld, Niko Groen & Ron van ’t Veer, 2013. Weidevogels in een veranderend landschap: meer kleur in het grasland. KNNV Uitgeverij, Zeist Jelger Herder, Jan Kranenbarg, Dorien Hoogeboom, Jeanine Hamers en Kees Dekker (redactie), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland en Stichting RAVON Dorien Hoogeboom, Wim Ruitenbeek, Frank Visbeen & Jan Wondergem, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014. Landschap Noord-Holland, Heiloo en Noordhollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar Bart Korf, 1977. De biologische betekenis van het buitengebied van Zaanstad. Uitgave gemeente Zaanstad Robert H. MacArthur & Edward O. Wilson, 1967. The Theory of Island Biogeography. Princeton University Press, Princeton U.S.A. Bas van de Riet, Hans van der Goes, Theo Baas, Carola van den Tempel, Walter Menkveld en Frank Visbeen (redactie), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora.
Landschap Noord-Holland Kees (CV.J.G.) Scharringa, Wim Ruitenbeek & Piet J. Zomerdijk, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland (SVN) en Landschap Noord-Holland Ron van ’t Veer, Niels Raes en Kees Scharringa, 2010. Weidevogels in NoordHolland; ecologie, beleid en ontwikkelingen. Landschap Noord-Holland en van ’t Veer en de Boer Ecologisch Advies- en Onderzoeksbureau Ron van ’t Veer, Tom Kisjes en Nynke Sminia, 2012. Natuuratlas Zaanstad. Stichting Uitgeverij Noord-Holland En voorts: Stichting de Hooge Weide, internetsite https://stdehw.wixsite.com/dehoogeweide Stichting Oer-IJ, internetsite www.oerij.eu Stichting FLORON, internetsite www.floron.nl Stichting SOVON, internetsite www.sovon.nl Stichting RAVON, internetsite www.ravon.nl Vlinderstichting, internetsite www.vlinderstichting.nl
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 46
Colofon: Uitgave Stichting Oer-IJ, Pernéstraat 28, 1901 AX - Castricum (www.oerij.eu)
Kennisdocument Natuur van het Oer-IJ gebied
Bart Korf, Heiloo, met medewerking van Finette van der Heide, Amsterdam Jos Teeuwisse, Castricum Opmaak Gerard Hogervorst
Steun de Stichting Oer-IJ, word Vriend van het Oer-IJ
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 47
Bijlage 1 Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd Vanuit de gedachte, dat in dit gebied - van Noordzee tot Zaan en van Wijkermeer tot Alkmaardermeer - een grote variatie aan landschapstypen voor een gevarieerde biodiversiteit zou zorgen is enkele jaren terug getracht om door middel van verspreidingskaartjes van kenmerkende soorten de biodiversiteit van het Oer-IJ gebied in beeld te brengen. Deze exercitie is door de provincie financieel mogelijk gemaakt en is eind 2017 uitgevoerd door Carola van den Tempel van Landschap Noord-Holland, begeleid door Jos Teeuwisse en Bart Korf. Daarbij is gekozen om van een geselecteerd aantal relevante soorten uit enkele planten- en dierengroepen verspreidingskaarten te maken voor het Oer-IJ gebied. We hoopten, dat deze onder meer het onderscheid in de drie landschapstypen zand, klei en veen zouden laten zien. Er is vooral gekozen voor soorten uit min of meer natuurlijke biotopen, waarvan we verwachtten, dat deze vooral in één of twee van deze drie landschapstypen zouden voorkomen. Bovendien is gekozen voor meer bekende en aansprekende soorten. Er waren voldoende gegevens beschikbaar voor de volgende groepen: -
Flora (d.w.z. vaatplanten) Vogels Zoogdieren Reptielen en amfibieën Vlinders Libellen
Wel moet hierbij worden aangetekend, dat deze gegevens afkomstig zijn uit datasets van verschillende oorsprong (o.a. uit waarneming.nl ) die meestal niet op systematische wijze zijn verzameld. Daardoor treedt er een zgn. bias (“vooroordeel”) op naar meer opvallende soorten (bijvoorbeeld Grote Zilverreiger en IJsvogel), en naar aantrekkelijker en/of beter toegankelijke gebieden (bijvoorbeeld het duingebied), die soms storend is. Getracht is deze bias zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is niet in alle gevallen voldoende gelukt. Ook is het aannemelijk, dat waarnemingen van buiten het “normale” verspreidingsgebied juist een grotere kans maken om te worden gemeld (bijvoorbeeld van de Smient in het duingebied). Tenslotte betreft elke stip op een verspreidingskaartje een waarneming, ongeacht het aantal exemplaren, dit is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Daarom is voor één groep, namelijk overwinterende vogels (Smient en Goudplevier) ook de groepsgrootte weergegeven. De data van de kaarten zijn afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De gegevens zijn per soortgroep, en soms zelfs per soort over verschillende tijdsperiodes weergegeven. Dit omdat het een vertekend beeld kan geven als soorten plaatselijk domineren door een waarnemereffect. Waarnemingen van vogels worden over het algemeen Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 48
veel doorgegeven. Vleermuizen en muizen daarentegen worden veel minder gezien en dus ook veel minder doorgegeven dan bij voorbeeld konijn en haas. Daarom is er bij zoogdieren voor verschillende periodes binnen een soortgroep gekozen. Bij de muizen zijn ook waarnemingen van braakballen van uilen meegenomen. Deze worden doorgegeven op de locatie waar de braakbal is gevonden, maar dit kan uiteraard een verschil geven (tot enkele kilometers) van de eigenlijk correcte plek (vangstplek door de uil). Bij vleermuizen zijn de overwinteringslocaties niet weergegeven, anders zouden de duinen met al hun bunkers er uitschieten als grote hot spots. Tot slot is het waarnemereffect ook zichtbaar aan de vele waarnemingen in de duinen. De duinen zijn een goed toegankelijk, populair en daardoor veelbezocht gebied, dat is nogal verschillend met het poldergebied achter de duinen en al helemaal met het veenweidegebied.
Hieronder worden de resultaten kort toegelicht.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 49
flora kust en duin Als eerste kaartje de verspreiding van enkele soorten planten van duin en kust. Voor deze kaart zijn alle doorgegeven waarnemingen van 2013-2017 gebruikt. De Blauwe zeedistel is een plant van open plekken in het zeeduin, dit blijkt ook duidelijk uit het kaartbeeld. De Gewone ossentong is een opvallende soort van ruderale plekken op kalkrijke zandgrond, deze komt dan ook verspreid in het duingebied voor, maar is ook gevonden op vergelijkbare plekken aan de rand van bebouwing meer in het binnenland, vooral in het westelijk havengebied van Amsterdam. De Zwarte toorts is eveneens een opvallende soort van zandige standplaatsen, komt verspreid in het duingebied voor, maar is ook gevonden in bebouwd gebied elders. De Wilde hyacint is een soort van loofbossen aan de binnenduinrand, maar wordt ook veel in tuinen geplant en verwildert makkelijk, vandaar enkele vondsten in het binnenland. En hetzelfde geldt in zekere zin ook voor de Vingerhelmbloem.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 50
flora klei en veen Voor deze kaart zijn alle waarnemingen van 2013 - 2017 gebruikt. Echte koekoeksbloem is een soort van vochtige graslanden, open rietland en drassige slootkanten. Het kaartje vertoont allerlei vondsten in vochtige duinvalleien, in moerassige plekken in het stroomgebied van het Oer-IJ en vooral in het veenweidegebied. Maar met name in dat laatste gebied komt deze soort waarschijnlijk veel meer voor dan uit het kaartje blijkt. Veenmos (Sphagnum) komt uiteraard vooral in het veengebied voor. Gewone dotterbloem heeft een vergelijkbare standplaats als de koekoeksbloem, maar is gebonden aan zoetwater en is daardoor lange tijd afwezig geweest in het brakke, maar inmiddels weer verzoete veengebied. De vondsten van Kamvaren zijn (op een enkele uitzondering na) beperkt tot het veenweidegebied. Pijlkruid is een soort van sloten en slootkanten in zoete, door grondwater gevoede milieus (kwel). Zilte rus tenslotte is een soort van vochtige zilte en brakke milieus; opvallend is de serie waarnemingen in het poldergebied bij Heemskerk.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 51
vogels kust en duin Alle waarnemingen zijn van 2017 en betreffen vogels die broed indicerend gedrag vertoonden (behalve uiteraard van de Drieteenstrandloper). De Drieteenstrandloper is in Nederland geen broedvogel maar komt hier tussen september en april algemeen voor op het strand waar hij voedsel zoekt tussen de hoog- en de laagwaterlijn. Grasmus en Nachtegaal broeden in het struweel (struikgewas) van het middenduin, maar deze twee soorten komen ook in het recreatiegebied Spaarnwoude en in het Westelijk Havengebied en de Brettenzone van Amsterdam op uitgebreide schaal voor. De Grote Bonte Specht en de Bosuil zijn bosvogels, vooral de Grote Bonte Specht komt tegenwoordig ook buiten het duingebied veel voor in parken en landgoederen. De verspreiding van met name Bosuil, Grasmus en Grote Bonte Specht is waarschijnlijk ruimer dan het kaartje suggereert.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 52
vogels kleigebied De waarnemingen van alle soorten zijn uit 2017. Op de verspreidingskaart zijn weliswaar enkele concentraties van waarnemingen te zien, maar de zeer opvallende en daardoor vaak gemelde Grote zilverreiger blijkt vrijwel overal voor te komen waar maar graslanden of slootkanten zijn. Ook voor de populaire IJsvogel geldt kennelijk dat deze bijna overal waar maar water is wordt waargenomen. De minder opvallende Ringmus is een broedvogel van vooral kleinschalig en gevarieerd agrarisch gebied, maar uit het kaartje blijkt een ruime verspreiding over het gehele gebied.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 53
vogels veenweidegebied Voor deze kaart zijn data van 2017 gebruikt, en wel de NDFF waarnemingen van vastgestelde territoria en broedindicerend gedrag. Hierin ontbraken echter gegevens uit de Westwouderpolder, daarom zijn voor dat gebied betrouwbare gegevens uit 2008 gebruikt. Grutto, Slobeend en Tureluur zijn hier sindsdien weliswaar alle drie in aantal verminderd, maar zij kwamen hier in 2017 toch nog steeds in relatief hoge dichtheden voor (Jaarboek Boerenlandvogels Noord-Holland 2019). Het kaartbeeld van 2008 met allerlei overlappende stippen geeft daardoor de situatie in 2017 tóch goed weer. Het veenweidegebied is vanouds bekend om zijn weidevogelrijkdom. Deze gebieden (met uitzondering van de ruilverkavelde polder Assendelft) springen er dan ook duidelijk uit voor de broedvogels Grutto, Slobeend en Tureluur. Maar van deze soorten zijn ook veel waarnemingen gemeld uit de speciale natuurterreinen in het kleigebied, zoals de Hempolder, het Limmer Die en de terreinen van Stichting de Hooge Weide tussen Uitgeest en Castricum, en tenslotte de graslanden van landgoed Marquette bij Heemskerk.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 54
wintervogels veenweidegebied De Goudplevier en de Smient zijn doortrekker en wintergast van open graslandpolders mits daar voldoende rust heerst (en v.w.b. de Smient ook voldoende open water in de nabijheid). Uit het vorige kaartje blijken deze biotoopeisen echter niet of nauwelijks, daarom is voor deze soorten in tweede instantie ook een kwantitatief kaartje gemaakt. Hierin zijn van Goudplevier en Smient alle winterwaarnemingen van de periode 2015-2017 weergegeven. Beide soorten blijken vooral in de polders rond het Alkmaardermeer en tussen Castricum en Uitgeest te zijn waargenomen, en de Smient daarnaast ook veel in de poldergebieden van Spaarnwoude en van de Zaanstreek.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 55
zoogdieren kust en duin Alle data van deze kaart zijn uit de jaren 2014-2017. De waarnemingen van de Zeehond beslaan uiteraard vooral de zone langs de kust en rond de pieren van IJmuiden, maar zo af en toe belandt er ook wel eens een exemplaar in het Noordzeekanaal. Het Konijn is vooral bekend als soort van het duingebied, maar deze komt in ons land overal voor waar maar zand te vinden is, dus ook in het westelijk havengebied van Amsterdam, bedrijventerrein Waarderpolder bij Haarlem en op diverse plaatsen in wegbermen of spoortaluds. De Boommarter komt tegenwoordig weer voor in het duingebied, maar is nogal zwerflustig en wordt dan ook wel eens - vooral als verkeersslachtoffer - in het poldergebied aangetroffen. De Gewone grootoorvleermuis, die vooral in bos foerageert en open gebieden mijdt, is waargenomen in duinbossen en parken, vooral in ZuidKennemerland.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 56
zoogdieren klei en veen De gegevens van de Noordse woelmuis, Waterspitsmuis, Dwergmuis en Meervleermuis zijn van 2008-2017, de data van de Hermelijn zijn van 2014-2017. De Dwergmuis is een soort van hoge, ruige begroeiing die zowel in het duingebied als in het veengebied, maar ook in het stroomgebied van het Oer-IJ zelf is waargenomen. Overigens past hierbij wel de reeds eerder gemaakte opmerking, dat meldingen van kleine muizen- en spitsmuizensoorten vaak afkomstig zijn uit braakballen van uilen, deze kunnen hun prooi op een andere plaats hebben gevangen dan de plek waar hun braakbal is gevonden. De Meervleermuis jaagt vooral (maar niet uitsluitend) langs wateren, de meldingen betreffen vooral het gebied tussen IJmond en Zaanstreek, en enkele uit de duinbossen van ZuidKennemerland. De Noordse woelmuis, het icoon van de waterrijke veenweidegebieden, is inderdaad vooral uit de natte veengebieden gemeld, maar ook uit het gebied Spaarnwoude zijn nogal wat meldingen afkomstig. De Waterspitsmuis is een soort die bij kleine heldere wateren met begroeide oevers leeft, en die in ons gebied een ijle verspreiding heeft. De Hermelijn tenslotte blijkt zowel in het duin als in het klei- en in het veengebied voor te komen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 57
amfibieën en reptielen Voor de amfibieën en reptielen volstaan we met één verspreidingskaart, voor deze kaart zijn waarnemingen van 2014-2017 gebruikt. De Zandhagedis doet zijn naam eer aan en is alleen in het duingebied waargenomen, daar overigens wél van de zeereep tot in het binnenduin. Rugstreeppad, Kleine watersalamander en Groene kikker (deze laatste soort betreft eigenlijk drie moeilijk van elkaar te onderscheiden soorten) komen verspreid over alle drie onderscheiden landschapstypen voor. Kleine, heldere wateren en een vegetatie die enige beschutting biedt zijn voor hen voldoende. De Rugstreeppad heeft een voorkeur voor zand en kan in het duin voorkomen op flinke afstand van de poeltjes en plasjes waarin ze als larven zijn opgegroeid. Maar ook in het poldergebied komen ze voor.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 58
vlinders kust Voor deze kaart zijn waarnemingen van 2014-2017 gebruikt. Er zijn veel soorten (dag)vlinders die min of meer aan het duingebied zijn gebonden. Bij de Duinparelmoervlinder en de Heivlinder blijkt dat duidelijk uit de verspreidingskaart. Het Bruin blauwtje komt echter ook buiten de duinen voor als zwerver, en kan zich daar ook op braakliggende stukjes en in schrale wegbermen handhaven.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 59
vlinders klei en veen Ook voor deze kaart zijn waarnemingen van 2014-2017 gebruikt. De Argusvlinder is een echte graslandvlinder, de rupsen leven van verschillende soorten grassen. Zodoende komt deze soort ook in het duin voor. Het merendeel van de waarnemingen in het polderland lijkt gekoppeld aan weg- en dijkbermen, waar vlinders (rupsen) meer overlevingskansen hebben dan in agrarisch gebruikt grasland, maar zoals eerder al aangegeven, dit kan natuurlijk ook een waarnemereffect zijn. Het Bruin zandoogje en het Zwartsprietdikkopje zijn algemene vlindersoorten, waarvan de rupsen van verschillende soorten grassen leven. Ook deze twee soorten zijn zowel in de duinen als in het polderland waargenomen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 60
libellen Ook voor deze kaart zijn waarnemingen uit de jaren 2014-2017 gebruikt. De Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa) is een algemene soort juffer waarvan de larven leven in kleine wateren met een rijke begroeiing, deze soort is ten zuiden van het Noordzeekanaal in het hele poldergebied waargenomen, ten noorden slechts plaatselijk. De Viervlek (Libellula quadrimaculata) is een ruim verspreide “echte” libellensoort waarvan de larven leven in allerlei rijk begroeide wateren. De larven van de Tengere grasjuffer (Ischnura pumilio) daarentegen leven in spaarzaam begroeide ondiepe wateren. De Zwervende heidelibel (Sympetrum fonscolombii) tenslotte is een zuidelijke soort, die de laatste decennia algemener is geworden. Ook van deze soort leven de larven in spaarzaam begroeide wateren. De beide laatste soorten zijn daardoor alleen in de duinen en in het westelijk havengebied van Amsterdam waargenomen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 61