C24 Bijlage 1 Omgevingsvisie en Groenvisie en natuurwaarden.pdf
Tekst van het document
Natuur in het Oer-IJ gebied
Bart Korf, met medewerking van: - Finette van der Heide - Jos Teeuwisse - Carola van den Tempel
Stichting Oer-IJ
Uitgave 2021 Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 1
Kennisdocument Natuur van het Oer-IJ gebied Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................ 4 1.
2.
3.
Introductie ...................................................................................................................... 7 1.1.
De grote variatie van het Oer-IJ gebied ................................................................... 7
1.2.
Ambitie Stichting Oer-IJ ........................................................................................... 7
1.3.
Dit document ........................................................................................................... 7
Ontwikkeling van het landschap ..................................................................................... 9 2.1.
Het prille ontstaan van onze kust ............................................................................. 9
2.2.
Fluctuaties in de invloed van de zee, en dichtslibben van het zeegat......................10
2.3.
Permanente bewoning in het Oer-IJ gebied ............................................................10
2.4.
De ontginning van het veen ....................................................................................11
2.5.
De eerste bedijkingen .............................................................................................12
2.6.
Droogmakerijen ......................................................................................................13
2.7.
Verstedelijking ........................................................................................................14
2.8.
Klimaat ...................................................................................................................16
De natuur van het Oer-IJ gebied ...................................................................................17 3.1.
Zand, klei en veen ..................................................................................................17
3.2.
Het landschap van nu .............................................................................................17
3.3.
De oude natuurreservaten ......................................................................................19
3.4.
Kenmerkende landschapsstructuren .......................................................................20
3.5.
Bijzondere landschapselementen ...........................................................................20
-
Braken en braakjes ................................................................................................21
-
Eendenkooien ........................................................................................................22
-
Landgoederen en buitenplaatsen ...........................................................................23
-
Forten.....................................................................................................................25
3.6.
Weidevogels ...........................................................................................................25
3.7.
Natuurbescherming 1900-2000: behoud, beheer, herstel, ontwikkeling ................27
3.8.
Natuurontwikkeling in het Oer-IJ gebied 1990 – 2020 ...........................................29
-
Project Schoonwatervallei ......................................................................................29
-
Groote Ven en Oude Venne ...................................................................................30
-
Hooge Weide .........................................................................................................30
-
KRW-maatregelen langs Schulpvaart tussen Hoogebrug en Slikker Die / A9 .........31
-
Houtrakkerbeemden ...............................................................................................31
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 2
-
Waterbergingen......................................................................................................31
-
Aangepast beheer Assendelver Zeedijk .................................................................32
3.9.
Openluchtrecreatie .................................................................................................33
3.10. Natuur in het stedelijk gebied ..................................................................................34 3.11. Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd ...................................................35 4.
5.
De toekomst van de natuur ...........................................................................................36 4.1.
Algemeen ...............................................................................................................36
4.2.
Eilandtheorie...........................................................................................................36
4.3.
Hoofdstructuur - open ruimten ..............................................................................36
4.4.
Kenmerkende landschapsstructuren .......................................................................39
4.5.
Ecologische verbindingen algemeen.......................................................................40
4.6.
Verbindingen voor het watermilieu ..........................................................................41
Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................43
Gebruikte bronnen................................................................................................................46 Colofon .................................................................................................................................47 Bijlage 1 ...............................................................................................................................48
Titelpagina: Dotterbloemen bij de eendenkooi in Uitgeest
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 3
Samenvatting De Stichting Oer-IJ wil aandacht vragen voor de grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden van het gebied tussen Alkmaar, Haarlem, Zaanstad en Amsterdam. Dit Kennisdocument Natuur geeft inzicht in de grote diversiteit aan ecologische waarden van dit gebied. De ontwikkeling van het landschap begon toen de zeespiegelstijging na de laatste ijstijd weer wat langzamer verliep en er zodoende zandbanken en strandwallen konden ontstaan ter hoogte van de lijn Haarlem – Alkmaar, omstreeks 500 jaar v.Chr. Het Oer-IJ heeft zich hier ontwikkeld uit een oost-west gericht getijdensysteem dat bij Castricum uitmondde in de Noordzee. Rond het jaar 200 v. Chr. begon de monding van dit getijdensysteem dicht te slibben. Hierdoor stagneerde het water en draaide de stroomrichting om. Tevens kon er toen permanente bewoning plaatsvinden. Door de geologische ontstaansgeschiedenis valt het huidige landschap grofweg in drie hoofdzones te verdelen: het zandgebied in het westen, het veengebied in het oosten en het kleigebied van het voormalige stroomgebied van het Oer-IJ zelf daartussenin. Grof gezegd en enigszins versimpeld zou je kunnen zeggen, dat door de eeuwen heen gezien het duingebied niet erg geschikt was voor bewoning omdat het te schraal en te droog was voor landbouwgebruik.
Het veengebied was van oorsprong een ontoegankelijk en gevaarlijk moeras. Het Oer-IJ stroomgebied was het meest geschikt voor permanente bewoning. Vanaf de negende eeuw begon men het oostelijk gelegen veengebied te ontginnen, maar in de tweede helft van de Middeleeuwen nam de invloed van de zee weer toe en werd het noodzakelijk om het ontgonnen gebied te omdijken. Vervolgens werden in de 16e en 17e eeuw allerlei meren drooggelegd, en in de 19e eeuw het Haarlemmermeer en het IJ zelf. Zo is het landschap dat wij kennen in hoofdlijnen ontstaan. De steden en dorpen in dit gebied werden aanvankelijk vooral op de hogere delen – de strandwallen en de binnenduinrand - gevestigd. Hierdoor én door verschillen in het agrarisch gebruik werden de geologisch-landschappelijke hoofdzones geaccentueerd. Na de Tweede Wereldoorlog groeiden de steden en dorpen snel door de bouw van woonwijken en bedrijventerreinen. De natuurwaarden van het Oer-IJ gebied zijn in zekere zin gekoppeld aan de hoofdzones zand, veen en het tussenliggende kleigebied van het Oer-IJ zelf. De duin- en kustzone van het zand is bekend en erkend als natuurgebied, en dat geldt grotendeels ook voor de weiden en moerassen van het veengebied. Het tussenliggende kleigebied is intensiever in cultuur geraakt en ook hebben in een latere fase de uitbreidingen van het bebouwde gebied hier meer ruimte in beslag genomen.
Aanvankelijk zijn in de 20e eeuw vooral moerasterreinen als natuurgebied beschouwd en door beheerorganisaties aangekocht, in een latere fase werden ook graslanden als weidevogelgebied verworven. Maar ook in allerlei kleine landschapselementen zijn bijzondere waarden aanwezig, in braken en braakjes, eendenkooien, op landgoederen en buitenplaatsen, en op de forten van de Stelling van Amsterdam. Weidevogels waren aanvankelijk een volstrekt normaal verschijnsel in het agrarisch gebied, maar door de Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 4
intensivering van het agrarisch gebruik, vooral in de periode na de Tweede Wereldoorlog namen de aantallen af. Tegenwoordig zijn ze afhankelijk geworden van natuurreservaten of van zgn. agrarisch natuurbeheer.
De globale ligging van de hoofdloop van het Oer-IJ op een recente topografische kaart
Een ander verschijnsel in deze periode is de opkomst van de openluchtrecreatie. Om het aanééngroeien van de Amsterdamse agglomeratie en het verstedelijkte gebied van HaarlemIJmond te voorkómen is het Recreatiegebied Spaarnwoude gerealiseerd. Sommige deelgebieden zijn ingericht voor zgn. intensieve recreatie, maar in het zuiden en zuidwesten is in grote delen het oorspronkelijke weidelandschap bewaard gebleven. Vermeldenswaard is dat het Recreatiegebied Spaarnwoude deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland. In de afgelopen decennia is het denken over natuurbescherming stapsgewijs veranderd, thans is dat meer gericht op natuurherstel en -ontwikkeling. Ook in het Oer-IJ gebied zijn allerlei natuurontwikkelingsprojecten gerealiseerd, onder meer in gebieden van de Stichting Hooge Weide, in het kader van Kaderrichtlijn Water maatregelen en waterbergingen, verder het project Schoonwatervallei, en de Houtrakkerbeemden in Recreatiegebied Spaarnwoude. Enkele jaren geleden is onderzocht of de driedeling zand – klei – veen tot uiting zou komen in de verspreiding van kenmerkende soorten. Voor het zand en het veen bleek dat wél het geval, maar het tussenliggende kleigebied heeft – op een enkele uitzondering na – geen eigen kenmerkende soorten. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 5
Tenslotte is nog een hoofdstuk gewijd aan de toekomst van de natuur in het Oer-IJ gebied. Kenmerkend voor dit gebied is dat ontstaan en ontwikkeling van het landschap nog steeds in de huidige landschapsstructuur is af te lezen. Maar de open ruimten worden door allerlei ontwikkelingen bedreigd. En dat geldt ook voor de ecologische verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden, en voor de verbindingen van waterbiotopen. Aanbevolen wordt om voor deze aspecten nader onderzoek uit te voeren naar knelpunten en oplossingen. Een apart hoofdstuk met conclusies en aanbevelingen sluit dit rapport af, en in een bijlage zijn genoemde verspreidingskaartjes opgenomen.
De Dye bij Uitgeest, de oude hoofdgeul van het Oer-IJ
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 6
1. Introductie 1.1. De grote variatie van het Oer-IJ gebied Tot het begin van onze jaartelling slingerde het Oer-IJ van het Flevomeer (ten oosten van het huidige Amsterdam) naar het westen om nabij het huidige Velsen naar het noorden af te buigen en uiteindelijk ter hoogte van het huidige Castricum in de Noordzee uit te monden. In de twee millennia daarna is er veel in dit landschap veranderd en is de loop van het Oer-IJ onder nieuwe tijdlagen bedekt geraakt. Vanuit het westen schoven duinzanden over het voormalige mondingsgebied en vanuit het oosten vormden zich veenkussens over grote delen van het landschap. Vanaf de middeleeuwen is de mens de grote landschapsvormer geworden en kreeg het hele gebied geleidelijk andere economische functies. Toch is de invloed van het oude Oer-IJ nog overal in het gebied terug te vinden. Door de geologische ontstaansgeschiedenis valt het huidige landschap grofweg in drie hoofdzones te verdelen: het zandgebied in het westen, het veengebied in het oosten en het kleigebied van het voormalige stroomgebied van het Oer-IJ zelf daartussenin. Binnen deze drie hoofdlandschapstypen zijn meerdere subtypen te onderscheiden zoals de strandwallen en strandvlaktes, het Alkmaardermeer, de droogmakerijen van de IJpolders, etcetera. Al met al is de landschappelijke variatie in dit gebied erg groot.
Deze grote abiotische variatie levert ook een grote biotische variatie op. Het duingebied en het veenweidegebied zijn vermaard vanwege hun grote biodiversiteit. Het tussenliggende Oer-IJ stroomgebied is minder rijk, maar natuurontwikkelingsprojecten laten zien dat de natuurpotentie van dit gebied groot is.
1.2. Ambitie Stichting Oer-IJ Stichting Oer-IJ is ontstaan uit een bewonersinitiatief. Betrokken inwoners van het gebied tussen Haarlem, Alkmaar en Zaanstad vonden dat de grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en ecologische waarden, onvoldoende gekend en erkend werden door bewoners en bestuurders. Daarbij zagen zij het landschap in dit gebied in hoog tempo veranderen. Zij wilden door middel van het oprichten van een organisatie het gebied nadrukkelijker op de kaart zetten. De belangrijkste middelen die de stichting gebruikt om haar doel te bereiken zijn het bijeen brengen en uitdragen van kennis en het vormen van een netwerk van overheden, organisaties en bedrijven om de kwaliteiten van het gebied daadwerkelijk te gaan beschermen.
1.3. Dit document Het bijeenbrengen en uitdragen van kennis doet de Stichting Oer-IJ op verschillende manieren zoals: het geven van lezingen, het organiseren van cursussen, het opleiden van gidsen, het maken van routes, het uitbrengen van inspirerende documenten, het benutten van de media, het produceren van een atlas en het vervaardigen en beheren van een website. De vernieuwde website die in 2020 online is gegaan kent drie doelgroepen: geïnteresseerden, professionals en de jeugd. De professionals zoals ambtenaren, ondernemers en ontwikkelaars hebben behoefte aan inspiratie en gebiedskennis waarop zij beleid en ontwikkelingen kunnen baseren. Bestaande kennis is vooral toegespitst op de drie deelgebieden: Zaanstreek, IJmond en Midden Kennemerland. Om recht te doen aan de samenhang tussen deze deelgebieden worden door Stichting Oer-IJ gebied dekkende kennisdocumenten gemaakt die belangrijke thema’s als uitgangspunt hebben. Behalve het Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 7
bieden van kennis voor professionals wil de stichting ook zelf op basis van argumenten kunnen meepraten bij ruimtelijke ontwikkelingen en waar nodig onderwerpen kunnen agenderen. Het uiteindelijke doel is om over kennisdocumenten te beschikken op het gebied van de aardkunde, de cultuurhistorie en de natuur. Het voorliggende document is de uitwerking van het thema natuur.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 8
2. Ontwikkeling van het landschap Het Oer-IJ heeft zich ontwikkeld uit een oost-west gericht getijdensysteem dat bij Castricum uitmondde in de Noordzee. Dit is uitvoerig beschreven in de Atlas van het Oer-IJ gebied (Bert Buizer Piet Veel & Hans van Weenen, redactie 2018), in het hoofdstuk “De landschapsen bewoningsgeschiedenis van het Oer-IJ” van Peter Vos. Hieronder volgt een samenvatting, interpretatie en aanvulling.
2.1. Het prille ontstaan van onze kust Tijdens de laatste ijstijd stond de zeespiegel circa 35 m lager dan tegenwoordig en bestond het gebied van de huidige Noordzee grotendeels uit land. In het begin van het Holoceen (circa 11.000 jaar voor heden), toen de aarde weer opwarmde, vond aanvankelijk een snelle zeespiegelstijging plaats. Omstreeks 2750 jaar v. Chr. was de snelheid van deze zeespiegelstijging zover afgenomen dat zich een reeks strandwallen en lage duintjes kon vormen, ongeveer ter hoogte van de lijn Haarlem – Alkmaar. Hierin lag ter hoogte van Velsen de uitmonding van het Oer-IJ. Daarna groeide de kust door aanslibbing en aanzanding in enkele fasen naar het westen en verplaatste het mondingsgebied zich in noordelijke richting. Hierdoor was dit mondinggebied omstreeks 1000 v. Chr. ter hoogte van Castricum komen te liggen. Door aanzanding was de kustlijn naar het westen verplaatst en was een getijdengebied met geulen en wadden ontstaan in het gebied waar tegenwoordig de Castricummerpolder ligt. Oostelijk hiervan lag een overgangsgebied naar het grote veengebied dat ter hoogte van
Figuur 2-1 Geologische situatie omstreeks 500 v. Chr
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 9
het huidige gebied Zaanstreek-Waterland lag. En iets noordelijk van het mondingsgebied lagen de strandwallen van (tegenwoordig) Uitgeest-Akersloot-Boekel en die van LimmenHeiloo-Alkmaar als lichte verhogingen in het landschap. De oudste bewoningssporen dateren uit het Neolithicum, maar de meeste prehistorische vondsten zijn van latere tijden. In de midden- en late Bronstijd was er enige bewoning, aanvankelijk alleen op de strand- en oeverwallen, later ook - in een voor wat betreft zeeinvloed wat rustiger periode - in het duingebied en de randen van het veen.
2.2. Fluctuaties in de invloed van de zee, en dichtslibben van het zeegat Na circa 650 v. Chr. nam de invloed van de zee tijdelijk weer toe, verdiepten de getijdengeulen zich en werd het veen aan de randen geërodeerd. Door overstroming bij extreem hoog water werd een dun kleidek over het veen afgezet. Na circa 400 v. Chr. kwam er een einde aan deze grotere mariene invloed en begon het estuarium geleidelijk te verlanden. Rond 200 v. Chr. raakte het zeegat geheel dichtgeslibd en verdween de getijdenwerking in het estuarium. Dit heeft kunnen gebeuren doordat het noordelijke en zuidelijke Flevomeer met elkaar verbonden raakten en deze daardoor via het zeegat van het Vlie naar de Noordzee konden afwateren. Het Oer-IJ verloor zodoende zijn afwaterende functie.
Figuur 2-2. Geologische situatie omstreeks het jaar 100
2.3. Permanente bewoning in het Oer-IJ gebied Door het afsluiten van het zeegat kon het Oer-IJ niet langer afwateren naar zee en vond de afwatering daarna in de omgekeerde richting plaats, naar de Flevomeren en de Waddenzee. Het gehele voormalig getijdengebied werd nu veiliger en geschikt voor permanente Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 10
bewoning. Ook de rand van het veengebied raakte bewoond; hier zijn langgerekte afwateringssloten uit die tijd gevonden. In deze periode, de late IJzertijd en de Romeinse tijd was het Oer-IJ gebied een voor die tijd dicht bewoond gebied.
Enkele eeuwen later, rond het jaar 250 raakte het Oer-IJ systeem wat dichtgeslibd. Hierdoor verminderde de waterafvoer en ontstonden opnieuw moerassen met veengroei. In de vierde en vijfde eeuw lijkt de bevolkingsdichtheid weer veel lager dan in de Romeinse tijd te zijn geweest.
Figuur 2-3 Geologische situatie omstreeks het jaar 800
2.4. De ontginning van het veen Bewoningssporen uit het begin van de Middeleeuwen vinden we weer vooral op de strandwallen en aan de binnenduinrand. Maar vanaf de negende eeuw gaat men het veen stukje bij beetje ontwateren en ontginnen, dit werd mogelijk gemaakt door een tijdelijk droger klimaat. Deze ontginning betreft niet alleen het jonge veen dat na de afsluiting van het zeegat is ontstaan, maar gaat nu door tot diep in de kernen van het grote oude veengebied van Zaanstreek - Waterland. Door deze ontginning en ontwatering kwam een proces op gang dat inklinking wordt genoemd. Dit proces is een combinatie van inzakking, uitdroging en vertering van Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 11
veengrond; doordat er nu lucht bij het veen komt wordt het natuurlijke verteringsproces weer opgestart. Aanvankelijk kon op het pas ontgonnen veen enige akkerbouw plaatsvinden, maar door de inklinking zakte het maaiveld al gauw weer naar het waterpeil toe en werd de grond te nat. Hierdoor bleef alleen veeteelt als agrarisch gebruik over.
De grootscheepse ontginning is onder meer mogelijk geworden door een betere organisatie (onder meer vanuit inmiddels gestichte kloosters). Maar in de tweede helft van de Middeleeuwen nam de invloed van de zee weer toe, waardoor het Vlie verbreedde en de beide Flevo-meren versmolten tot de Zuiderzee. En via deze Zuiderzee drong de zee ook via veenstromen als de Ee (bij Edam), Bamestra (“Beemster”) en Zaan diep in het centrale deel van Noord-Holland door. Door afkalving en verspoeling van het veen ontstonden hier nu grote meren: de Schermeer, Beemster, Starnmeer, etcetera.
Figuur 2-4 Situatie omstreeks het jaar 1500
2.5. De eerste bedijkingen Het werd door de vergrote invloed van de zee noodzakelijk om het ontgonnen land te beschermen tegen verdere afslag door aanleg van dijken. Daarvoor was een samenwerking van naburige gemeenschappen nodig. Aanvankelijk kon men na de indijking volstaan met het tijdens laag water lozen van overtollig binnenwater door stuwen en sluisjes open te zetten, maar door verdere inklinking en zakking van het maaiveld moest men het binnenwater gaan bemalen om het naar buiten de dijkring
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 12
te transporteren. In de zestiende eeuw was de techniek van windmolens zover gevorderd dat men deze daarvoor ging gebruiken.
Figuur 2-5 Hollands Noorderkwartier omstreeks 1300. Uit Binnenwaters Gewelt (Borger en Bruines, 1994)
2.6. Droogmakerijen Vanaf omstreeks 1540 ging men met deze windmolens ook kleine meren in Noord-Holland droogleggen en tot landbouwgrond omvormen. Dat bleek zo winstgevend te zijn dat, toen in het begin van de zeventiende eeuw veel kapitaal (met de handel op Oost-Indië verdiend) beschikbaar was voor investeringsprojecten, men het in 1612 aandurfde om de Beemster droog te gaan leggen. En toen dit een succes bleek werden achtereenvolgens ook de andere grote meren in Noord-Holland drooggelegd. Alleen met het IJ en de Haarlemmermeer durfde men dat nog niet aan en deze bleven vooralsnog water. Zodoende ging het gebied tussen Haarlem, Amsterdam, Hoorn en Alkmaar in de tweede helft van de zeventiende eeuw al aardig lijken op de huidige situatie, althans wat betreft de verdeling van land en water. Het bodemgebruik was overwegend veeteelt, akkerbouw vond vooral plaats in delen van de grote droogmakerijen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 13
Figuur 2-6 Kaart van Hollands Noorderkwartier in 1645 (noorden rechts)
De negentiende eeuw was de eeuw van de industriële revolutie, en de inmiddels sterk verbeterde stoommachine deed ook zijn intrede in het waterbeheer. In onze omgeving werden daarmee de Haarlemmermeerpolder en het IJ (ontstaan uit het Oer-IJ) drooggelegd. In de nieuw ontstane IJpolders werden het Noordzeekanaal en de zijkanalen (van west naar oost met letters A, B. C enz. aangegeven) gegraven.
Figuur 2-7 Het Noordzeekanaal, de zijkanalen en de IJpolders in 1876
2.7. Verstedelijking Door de industriële revolutie groeiden de steden gestaag in omvang. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw vond daarin - in het verlengde van de wederopbouw na de Tweede
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 14
Wereldoorlog - een ongekende versnelling plaats. Bovendien vond die uitbreiding nu ook plaats in allerlei kleinere dorpen waar deze groei tot dat moment aan voorbij was gegaan. De balans tussen stad en platteland raakte aan het kantelen. De toestroom van vele duizenden mensen in het westen van het land kon niet goed worden opgevangen, een spreidingsbeleid moest problemen voorkomen. Ook wilde de overheid voorkómen dat er één groot verstedelijkt gebied zou ontstaan. Daarom werd het zgn. overloopbeleid ontwikkeld waarbij in onze regio kernen als Purmerend en Alkmaar-Heerhugowaard de bevolkingsgroei van het stedelijk gebied ten zuiden van het Noordzeekanaal moesten opvangen. De overheid wees gebieden aan waar agrarisch gebruik, en andere gebieden waar natuur en landschap voorop moesten blijven staan en men wees bufferzones aan tussen verstedelijkende gebieden. Deze werden ingericht voor recreatief gebruik, in onze omgeving bijvoorbeeld de Figuur 2-8 Topografische kaart 2020 met in roze, resp. rode tinten recreatiegebieden woonbebouwing en bedrijventerreinen Spaarnwoude, het Twiske en het Alkmaardermeergebied. Kortom, ruimtelijke ordening werd een belangrijke en substantiële taak van de overheid.
En deze verstedelijking gaat door tot op de dag van vandaag, enkele ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar zijn onder meer de nieuwbouwwijken Velserbroek (Santpoort), de Wijkerbroek en de Wadden (Heemskerk), en Saendelft (Zaanstad), en de bedrijventerreinen Westpoort (Amsterdam) en Wijkermeer (Beverwijk). Een tweede belangrijk aandachtspunt in de naoorlogse periode was de verbetering van de voedselvoorziening van Nederland. Er kwam een landbouwbeleid dat was gericht op opbrengstverhoging en schaalvergroting. Dit werd gerealiseerd door middel van onder meer ruilverkavelingen (later landinrichting genoemd), toenemende mechanisatie, toename van bemesting en gewasbescherming, voorlichting, scholing en organisatie. Ook na de periode van de wederopbouw heeft deze verdere ontwikkeling van de productieverhoging door intensivering en industrialisering, schaalvergroting, automatisering en tenslotte digitalisering Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 15
van de landbouw zich voortgezet. De negatieve gevolgen van deze agrarische intensivering voor landschap, milieu en biodiversiteit staan inmiddels ook al meer dan een halve eeuw volop in de belangstelling.
2.8. Klimaat In de afgelopen decennia is duidelijk geworden, dat ons klimaat aan het veranderen is door een toename van broeikasgassen in de atmosfeer, en wel vooral CO2. Wij merken dat aan hogere temperaturen, langere droge perioden en heftiger zogeheten clusterbuien in de nazomer. Omdat in het verstedelijkt gebied een groot aandeel verhard oppervlak aanwezig is, leiden die clusterbuien vooral daar soms tot grote wateroverlast. Om dat te voorkómen werden recentelijk door het waterschap waterbergingsgebieden aangelegd, wat vaak gecombineerd kon worden met natuurontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn onder meer te vinden bij Heemskerk, Castricum en Akersloot. In 2019 bleek dat het Nederlandse beleid met betrekking tot de uitstoot van stikstofverbindingen (o.m. ammoniak) in strijd was met de Europese natuurwetgeving. Dit zal consequenties voor veehouderij, verkeer en bouwactiviteiten hebben die op dit moment nog niet goed te overzien zijn, en indirect zal dit dus ook gevolgen hebben voor het landschap in onze regio.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 16
3. De natuur van het Oer-IJ gebied 3.1. Zand, klei en veen In het voorgaande hoofdstuk is uiteengezet dat het stroomgebied van het Oer-IJ – althans in het latere Kennemerland - aan de westkant door de duinen langs de kust was begrensd, en aan de oostzijde door grote veengebieden. Dit komt ook naar voren in de grondsoorten en daardoor kunnen we de driedeling zand – klei – veen in het vervolg van dit document gebruiken als sterk vereenvoudigde aanduiding van deze deelgebieden. Grof gezegd en enigszins versimpeld zou je kunnen zeggen, dat door de eeuwen heen gezien het duingebied niet erg geschikt was voor bewoning omdat het te schraal en te droog was voor landbouwgebruik. Het veengebied was oorspronkelijk een ontoegankelijk en gevaarlijk moeras. Na de middeleeuwse ontginning was het aanvankelijk geschikt voor akkerbouw, maar door de eerder beschreven inklinking bleef alleen veeteelt als agrarisch gebruik mogelijk. Het tussenliggende gebied, het stroomgebied van het Oer-IJ, bestaat uit klei- en zavelgronden met een variatie in hoogteligging, en dit gebied bleek daardoor zowel wat draagkracht als wat vruchtbaarheid betreft uitstekend geschikt voor agrarisch gebruik en bewoning. Daardoor is dit deelgebied als eerste permanent bewoond geraakt en is het in agrarisch opzicht intensief in cultuur gebracht.
3.2. Het landschap van nu Het huidige landschap van het noordelijke deel van het Oer-IJ gebied, MiddenKennemerland, wordt gekenmerkt door open graslanden met hier en daar (c.q. nu en dan) maisteelt, naar de duinrand toe veel bollenteelt en overal dorpen die uitgebreid zijn met omvangrijke nieuwbouwwijken. Ten zuiden van het Noordzeekanaal slingerde de oorspronkelijke loop van het Oer-IJ van oost naar west door het gebied waar nu de IJpolders zijn. Het meest oostelijke deel is in beslag genomen door de woonwijken en bedrijventerreinen van Amsterdam. Tussen Halfweg, Spaarndam en Velsen ligt het recreatiegebied Spaarnwoude, met aangeplant bos, speel- en ligweiden. Het zuidelijk gedeelte rond Spaarndam en Spaarnwoude - het oorspronkelijke veengebied van de Vereenigde Binnenpolder en het Hekslootgebied - is nog grotendeels open weidegebied. Als we de loop van het Oer-IJ verder noordwaarts volgen treffen we aan de noordzijde van het Noordzeekanaal eerst het akkerbouwgebied van de Wijkermeerpolder aan (feitelijk de meest noordwestelijk gelegen IJpolder), waarvan het westelijke deel inmiddels onderdeel is geworden van het bedrijventerrein van Beverwijk. Oostelijk van de A9 wordt hier het groengebied De Buitenlanden aangelegd.
Tussen de nieuwe uitbreiding van Heemskerk - de woonwijk Broekpolder - en het in de jaren ’70 ruilverkavelde gebied van de polder Assendelft ligt de polder Noorderbuitendijken, waar in de jaren ‘90 een golfbaan is aangelegd. Naar het noorden volgt dan het open weidegebied van de Uitgeester- en Heemskerker Broekpolder in de richting van het Alkmaardermeer. Ook hier heeft in de jaren ’80 een ruilverkaveling plaatsgevonden met intensivering en polderpeilverlaging, maar in het Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 17
noordelijk deel is een terrein rond de meertjes Weijenbus , Vroonmeer en het Zwaansmeertje op het oorspronkelijke peil gebleven. Bij het fort Krommeniedijk - onderdeel van de Stelling van Amsterdam - worden jaarlijks enkele percelen in het vroege voorjaar onder water gezet, die dan vele honderden watervogels en steltlopers aantrekken. Vanaf de Noorderbuitendijken naar het noordwesten gezien is tussen Heemskerk en de nieuwbouw van Uitgeest in de Kleis nog een smalle strook agrarisch gebied overgebleven (hier ligt een leidingstrook, daarom mag er niet gebouwd worden). Vanaf de Tolweg is de oorspronkelijke ligging van het Oer-IJ bewaard gebleven in een watergang die de Dije heet en verder loopt langs de westelijke rand van de nieuwbouwwijken de Kleis en de Koog van Uitgeest. Figuur 3-1 Topografische kaart 2020 met de globale ligging van de hoofdloop van het Oer-IJ
Verder naar het noorden volgt dan het open gebied van de Heemskerker Noordbroek en de Castricummerpolder tussen Heemskerk, Castricum en Uitgeest. Dit open weidegebied begint aan de binnenduinrand en vormt vanaf daar een ecologische verbindingszone tussen Castricum en Uitgeest door naar de polders rond het Alkmaardermeer. In deze zone liggen het landgoed Marquette, de eendenkooi van Uitgeest, enkele recent ontwikkelde waterbergingen en het weidevogelgebied Oude Venne en Groote Ven van de stichting Hooge Weide, waarover later meer. Ook aan de noordkant van Castricum is nog een open verbinding van het duingebied naar het Alkmaardermeer, met een flessenhals tussen Castricum en Limmen. De loop van het Oer-IJ is hier nog aanwezig in de Schulpvaart, direct ten noorden van de bebouwing van Castricum. Ook langs de Schulpvaart zijn recent enkele waterbergingen aangelegd. Verder naar het noorden ligt hier een open agrarisch gebied tussen de bebouwing (en het Heilooër Bos) op de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar en de binnenduinrand. Vanouds was dit vooral een weidegebied, tegenwoordig ook met maisteelt. In de binnenduinrand is het areaal bollenteelt sterk uitgebreid. In het zuiden ligt het natuurgebied Zeerijdtsdijkje, en tegen de Zeeweg aan het natuurgebied de Hooge Weide.
Tussen Limmen en Akersloot tenslotte ligt het grote open weidegebied van de strandvlakte tussen de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar en die van Uitgeest-Akersloot-Boekel. Deze wordt doorkruist door de snelweg A9, en ook hier heeft enkele decennia geleden een Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 18
ruilverkaveling plaatsgevonden met peilverlaging en intensivering. Gedeeltes rond, en ten oosten van het Limmer Die, en ten noorden van (het oost-west gedeelte van) de Schulpvaart (Oosterveld Limmen) hebben als natuurgebied het oorspronkelijke peil gehouden.
3.3. De oude natuurreservaten Zoals hiervoor is aangegeven is in het Oer-IJ gebied vooral het stroomgebied van het Oer-IJ zelf intensief in cultuur gebracht. Voor natuur bleef hier maar weinig ruimte over. Alleen de meer afgelegen oeverlanden langs de grotere wateren bleven voor ontginning en intensief cultuurgebruik gespaard. Toch hadden deze voorheen nog wel een functie binnen het agrarisch bedrijf: er werd riet en ruigte voor strooisel gemaaid en er werd ’s zomers jongvee geweid. Toen in de eerste helft van de vorige eeuw de natuurbescherming in ontwikkeling kwam zijn deze terreinen aangekocht om als natuurgebied te behouden en beheren. Dit betreft de al eerder vermelde oeverlanden van de meertjes Weijenbus en Vroonmeer bij Uitgeest, de oeverlanden van het Limmer Die, en het Limmerveentje (tegenwoordig onderdeel van natuurgebied Oosterveld). In deze oeverlanden vinden we ruige rietvelden, drassige Dotterbloem-graslanden en Veenmosrietland met tal van bijzondere plantensoorten. En ook de rietlanden langs het Alkmaardermeer, met onder meer Dijkerhemme en Saskerlei moeten hierbij genoemd worden, al zijn deze qua plantengroei minder bijzonder ontwikkeld. In deze oeverlanden leven ook allerlei vogels, zoogdieren, insecten, enzovoort.
Broedvogels zoals Rietgors, Rietzanger , Snor en Kleine Karekiet zijn algemeen verspreid aanwezig, en plaatselijk komen ook zeldzamer soorten voor zoals Roerdomp, Bruine Kiekendief en Blauwborst. Van de zoogdieren moeten de Waterspitsmuis en de Noordse Woelmuis als bijzonderheden worden genoemd. Deze laatste komt in Nederland als aparte ondersoort voor; de oeverlanden en moerassige gebieden in Laag Holland (grofweg het gebied tussen Amsterdam, Beverwijk, Alkmaar en Hoorn) zijn voor deze ondersoort een belangrijk gebied. Een tweede ecologisch interessant gebied vormt de binnenduinrand, waar op de overgang van het hoger liggende duingebied naar het lagere polderland grondwater naar boven komt, zogenoemde kwel. Dit kwelwater heeft een aantal bijzondere eigenschappen. In deze kwelzone komen daardoor speciale, voor deze omstandigheden kenmerkende plant- en diersoorten voor. Enkele voorbeelden uit de plantenwereld zijn Pijlkruid, Paarbladig fonteinkruid, Waterviolier en Brede waterpest. Tot voor kort kwam dit kwelmilieu met zijn karakteristieke soorten eigenlijk alleen in sloten en slootkanten tot uiting.
Maar in de afgelopen decennia zijn er in het kader van het project Schoonwatervallei diverse natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd om het kwelwater langer vast te houden en de daarmee samenhangende natuur tot uiting te laten komen, onder andere in het natuurgebied Zeerijdtsdijkje bij Bakkum-noord. Een toename van het aantal kwel-indicerende plantensoorten is het resultaat.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 19
Figuur 3-2 Verspreiding van kwelsoorten, aantal soorten per km2 (Atlas van de Noord-Hollandse flora)
3.4. Kenmerkende landschapsstructuren Een aantrekkelijke eigenschap van het landschap van het Oer-IJ gebied is de leesbaarheid van het landschap. De eerder vermelde hoofdstructuur zand – klei – veen is komt tot uiting in het agrarisch gebruik, en daarmee samenhangend ook de percelering en het slotenpatroon. En voor wie er oog voor heeft (en het hoeft niet veel moeite te kosten om dat te ontwikkelen) zijn op allerlei plaatsen restanten van het Oer-IJ terug te vinden in de wat bredere watergangen in dit gebied. De door de mens opgeworpen dijken hebben dit beeld verder geaccentueerd. En wat noordelijker is de oude structuur met het contrast tussen inmiddels verdichte en bebouwde strandwallen en open strandvlaktes daar tussenin goed herkenbaar.
3.5. Bijzondere landschapselementen Na de middeleeuwse ontginningen in het Oer-IJ gebied zijn in de loop van de tijd door menselijk toedoen allerlei elementen aan het landschap toegevoegd waarin natuurwaarden zijn ontstaan. De aanwezigheid van deze landschapselementen stellen we tegenwoordig zeer op prijs.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 20
-
Braken en braakjes
In de late Middeleeuwen begon men vooral in de veengebieden het zakkende land tegen hoge waterstanden te beschermen met dijkjes. Aanvankelijk waren deze nog laag en eenvoudig, en brak bij hoge vloeden het water van het IJ er nog regelmatig doorheen. Ook later ontstonden bij zware stormen nog wel dijkdoorbraken. Hierbij ontstond door uitspoeling een dieper gat ter plekke van de doorbraak. Naderhand werd de dijk er meestal omheen gelegd, en bleef een uitspoelingsgat over, dat in deze regio braak of breek wordt genoemd. Langs de randen van een braak ontwikkelt zich meestal een oevervegetatie, waardoor de braak - afhankelijk van omvang en diepte – vaak na kortere of langere tijd geheel of gedeeltelijk dichtgroeit. Die verlanding begint met een voedselrijke rietvegetatie, maar deze wordt vervolgens schraler en eindigt in veenmosrietland of zelfs veenheide. Langs de Noorder IJ- en Zeedijk die van Zaandam via Nauerna en Buitenhuizen naar de Noorderbuitendijken loopt, en ook langs de Figuur 3-3 Braken en braakjes rond het IJ (uit: Atlas van het Oer-IJ Spaarndammerdijk tussen gebied, 2018) Halfweg en Spaarndam zijn nog verschillende – al dan niet A = open water B = dichtgegroeid dichtgegroeide – braken en C = dichtgestort braakjes te vinden.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 21
Figuur 3-4 Veenheide in de Haddingsbraak bij Halfweg (foto B. Korf)
-
Eendenkooien
Een ander landschapselement uit het polderlandschap wordt gevormd door de – nog steeds met een waas van geheimzinnigheid omgeven – eendenkooien. Oorspronkelijk waren dat inrichtingen om eenden voor de consumptie te vangen, tegenwoordig worden de eenden meestal gevangen voor ringonderzoek. Ze bestaan uit een flinke plas met een strook bos er omheen en een aantal (meestal vier) er op uitkomende gebogen sloten, de zgn. vangpijpen. Het geheel heeft de vorm van een rogge-ei. Om de rust in de kooi te bewaren bestaat vanouds het zgn. kooirecht, waarbij het in een cirkel rond de kooi niet is toegestaan bouwwerken op te richten of andere verstorende activiteiten uit te voeren. De straal van deze cirkel varieert van regio tot regio, meestal ergens tussen 500 en 1500 meter. Omdat eendenkooien door hun rust aantrekkelijk zijn voor natuur zijn veel kooien in handen van natuurorganisaties geraakt. In onze regio ligt de eendenkooi van der Eng ten westen van Uitgeest, daterend uit 1620 en tegenwoordig in beheer bij de Stichting Landschap Noord-Holland. De afpalingskring, waarin rust zou moeten heersen, heeft een straal van 1000 m. Indertijd is voor de aanleg van de provinciale weg N203 ontheffing verleend, en is voor de aanleg van de nieuwbouwwijk De Koog de kooi zelfs door de gemeente Uitgeest aangekocht.
Vermeldenswaard is dat er in de jaren dertig van de vorige eeuw door Albert Asjes uit liefhebberij een eendenkooi is aangelegd op zijn grond ten oosten van Castricum. Door de Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 22
uitbreidingswijk Albertshoeve (genoemd naar zijn boerderij) van Castricum is deze inmiddels aan drie zijden door woonbebouwing omgeven. Voor alle volledigheid kan nog worden vermeld, dat er in onze regio ook eendenkooien hebben gelegen bij Assum, in de Wijkerbroekpolder en in de Oosterzijpolder tussen Heiloo en Boekel. -
Landgoederen en buitenplaatsen
In de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw raakte het bij rijke kooplieden uit Amsterdam in zwang om ’s zomers de stad met zijn stinkende grachten te ontvluchten op een buitenplaats. Maar die buitenplaats diende vooral ook om mee te pronken en de rijkdom van de bewoner te laten zien. Langs de Amstel en de Vecht, aan de westflank van het Gooi, en ook aan de binnenduinrand zijn in die tijd vele tientallen landhuizen gebouwd, de één nog fraaier en luxueuzer dan de andere. Ook de kastelen Assumburg en Marquette (vóór 1612 Huis te Heemskerk genoemd) waren in oorsprong van adellijke personen, maar raakten in handen van rijke burgers. De tuinen rond deze landhuizen werden vooral in de formele (Franse) stijl aangelegd, maar waren vaak ook weer omgeven door een bosaanplant. Later zijn deze tuinen soms weer omgevormd in de – meer natuurlijke - Engelse landschapsstijl. In onze omgeving lagen er vooral langs de binnenduinrand tussen Haarlem en Beverwijk, maar ook op de strandwal bij Heiloo dergelijke buitenplaatsen (“zegepralend Kennemerland”). Bij kasteel Assumburg in Heemskerk is enkele jaren terug de oude tuinaanleg gereconstrueerd. In veel namen van de hier gelegen landgoederen komt de eerder vermelde kwelsituatie van de binnenduinrand terug: Beeckestijn, Velserbeek, Waterland, Scheybeeck, enzovoort.
In het toenmalige open en kale landschap vormden deze buitenplaatsen vaak de weinige plekken met opgaand bos. Inmiddels zijn deze landgoedbossen, althans de overgeblevene, ouder en ecologisch rijper geworden. Bij natuurliefhebbers staan deze oudere landgoedbossen bekend door het vóórkomen van zgn. stinzenplanten. Dit is een groep plantensoorten, die vooral op dergelijke buitenplaatsen, bij herenboerderijen, in pastorietuinen en op begraafplaatsen en stadswallen worden aangetroffen. Het zijn vooral voorjaarsbloeiers, die indertijd bewust zijn aangeplant en zich hebben gehandhaafd, óf met plantgoed (jonge bomen) zijn meegekomen. In totaal staan enkele tientallen soorten als stinzenplant bekend. Enkele min of meer bekende soorten die ook in onze Figuur 3-5 Knikkende vogelmelk, landgoed Nijenburgh regio voorkomen zijn Vingerhelmbloem, in Heiloo, foto B.Korf
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 23
Holwortel, Sneeuwklokje, Bosanemoon, Daslook, Knikkende vogelmelk, Bostulp, Muskuskruid en Gulden boterbloem. .
Figuur 3-6 Verspreiding van plantensoorten van stinzenmilieus, aantal soorten per km2 (Atlas van de NoordHollndse flora)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 24
-
Forten
Tussen 1880 en 1914 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd, een kringvormige verdedigingslinie op 15 á 20 km afstand van de hoofdstad, bestaande uit een reeks aaneensluitende inundatievelden, en forten die de kruisende toegangswegen konden bewaken. Op grond van de Kringenwet moest over een afstand van 1000 m het schootsveld vrij blijven van bomen en bebouwing. Door de inundatievelden en de eis van het vrije schootsveld is aan de buitenzijde van de ring van forten tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw een open landschap bewaard gebleven. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort, en in 1963 definitief ingetrokken. De forten waren met een metersdikke laag zand overdekt, in onze regio kwam dat meestal uit de duinen. Daardoor vinden we op de forten soms typische duinplanten en duininsecten. Door hun militaire functie waren de forten ontoegankelijk, daardoor vormden ze oases van rust.
3.6. Weidevogels
Figuur 3-7 De Stelling van Amsterdam
Weidevogels vormen een bekend en geliefd natuuraspect van het Hollandse polderland. In de eerste helft van de vorige eeuw waren weidevogels iets volkomen vanzelfsprekends in de graslanden van Noord- en ZuidHolland, Friesland en Noordwest Overijssel. Maar sinds de versnelling van het proces van intensivering en schaalvergroting in de veeteelt na de Tweede Wereldoorlog zijn zij het zorgenkindje geworden van de Nederlandse natuurbescherming. Tot de weidevogels worden meestal gerekend Kievit, Grutto, Tureluur, Scholekster, Kemphaan en Watersnip, en verder Slobeend en Zomertaling. Dit achttal vogelsoorten was een halve eeuw geleden nog kenmerkend voor de natte graslanden in de laagveengebieden. Maar Kemphaan, Watersnip en Zomertaling zijn als broedvogel vrijwel verdwenen uit NoordHolland, en zeker uit het Oer-IJ gebied, en de andere soorten vertonen een gestage vermindering van het aantal broedparen. Er zijn de afgelopen decennia allerlei manhaftige pogingen gedaan om deze achteruitgang te laten stoppen, maar dit heeft slechts in enkele gevallen tot succes geleid. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang zijn de intensivering van het agrarisch gebruik en de daarmee gepaard gaande diepere ontwatering en zwaardere bemesting van het cultuurgrasland. Eén van de sleutelfactoren is de hoeveelheid (en beschikbaarheid) van
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 25
voedselorganismen als wormen, insecten en dergelijke voor volwassen weidevogels, maar vooral ook voor de opgroeiende kuikens. In de eenvormige productiegraslanden zijn die veel te weinig beschikbaar. Ook zijn de geslonken populaties van de weidevogels gevoeliger geworden voor predatie. Op zich is predatie een volkomen natuurlijk verschijnsel, en normaliter ontstaat er in een ecosysteem een dynamisch evenwicht tussen de populaties van predator en prooi. Maar door allerlei verschillende oorzaken is bij de weidevogels de balans verschoven en gekanteld. Daardoor zijn weidevogels hoe langer hoe meer afhankelijk geworden van graslanden die speciaal voor hen als natuurgebied worden beheerd. Voedsel, veiligheid en voortplanting zijn daarbij de drie kernbegrippen.
Figuur 3-8 Grutto (foto J. Castricum)
In het Oer-IJ gebied vinden we de weidevogels vanouds vooral in het oostelijke veengebied. En dan met name in de veenweidegebieden die speciaal als weidevogelgebied worden beheerd: de polder Westzaan (Westzijderveld, Reef, Guisveld), en verschillende gebieden rond het Alkmaardermeer (Hempolder, Klaas Hoorn en Kijfpolder, Krommenieër Woudpolder, Westwouderpolder) . Verder liggen er ook weidevogelreservaten bij de Weijenbus en het Vroonmeer in de Uitgeester Broekpolder , en bij het Limmer Die en in het Oosterveld bij Limmen. Deze terreinen worden beheerd door de natuurorganisaties Landschap Noord-Holland en Staatsbosbeheer. Tenslotte liggen ook ten zuiden van het Noordzeekanaal weidevogelgebieden in de Vereenigde Binnenpolder en in het Hekslootgebied. Oorspronkelijk kwamen er in de vallei van het Oer-IJ zelf natuurlijk ook weidevogels voor, maar in minder grote aantallen. En in de afgelopen decennia zijn deze ook nog flink gedaald, zoals eerder vermeld. Maar sinds circa 1990 is in onze regio de Stichting Hooge Weide actief en buitengewoon succesvol met het herstel van de natuur van bloemrijke vochtige graslanden. Dit geldt zeker voor het terrein de Hooge Weide zelf (noordelijk van de Zeeweg bij Bakkum), maar wat weidevogels betreft misschien nog meer voor de terreinen Groote Ven en Oude Venne tussen Castricum en Uitgeest.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 26
Figuur 3-9 Aantallen broedende weidevogels Oude Venne en Groote Ven
3.7. Natuurbescherming 1900-2000: behoud, beheer, herstel, ontwikkeling In de periode van ruim een eeuw, die de natuurbescherming in Nederland oud is, hebben zich interessante ontwikkelingen en aandachtsverleggingen voorgedaan. De achtergrond hiervan wordt gevormd door veranderende omstandigheden en voortschrijdend inzicht. Toen natuurbescherming een geheel nieuwe gedachte was, lag het accent aanvankelijk op soortenbescherming en op de ontwikkeling van wetgeving. Maar al snel kwam ook de aankoop van belangrijk geachte gebieden, die anders verloren dreigden te gaan. In Nederland lag de aandacht daarbij aanvankelijk vooral op heideterreinen en laagveenmoerassen. In eerste instantie werden na aankoop de oude gebruiksvormen voortgezet, maar in de tweede helft van de vorige eeuw werd het hoe langer hoe lastiger om daarvoor particuliere gebruikers te vinden. De organisaties moesten daardoor zelf het beheerswerk gaan uitvoeren. Inmiddels was natuurbehoud ook onderdeel van het overheidsbeleid geworden, en vanuit de wetenschap vond onderzoek en kennisontwikkeling op dit gebied plaats. Begrippen als successie en dynamiek deden hun intrede en ook andere ontwikkelingen leidden tot kritiek op de oude gebruiksvormen en tot het idee van het ontwikkelen van nieuwe natuur.
Ook is in die tijd natuur een relevant nevenaspect geworden van terreinen met andere primaire functies, zoals in recreatiegebieden, bij het beheer van weg- en dijkbermen, etcetera. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 27
Figuur 3-10 De natuurgebieden van het Natuur Netwerk Nederland in het Oer-IJ gebied
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 28
Eén van de relevante ideeën uit de wetenschap was de eilandtheorie (waarover later meer), kort gezegd hoe kleiner en geïsoleerder een eilandpopulatie, des te groter de kans op uitsterven. Dat leidde in het rijksbeleid tot het concept van de Ecologische Hoofdstructuur, later het Natuurnetwerk Nederland. In het gebied van het Oer-IJ zijn grote delen door provincie Noord-Holland aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, of als zgn. weidevogelleefgebied.
3.8. Natuurontwikkeling in het Oer-IJ gebied 1990 – 2020 De hiervoor beschreven ontwikkeling in het denken over natuurbescherming heeft ook in het Oer-IJ gebied tot gevolg gehad dat in de afgelopen decennia allerlei verschillende natuurontwikkelingsprojecten tot stand zijn gekomen. Een deel van deze projecten was direct gericht op het herstel van natuur, bij een ander deel stond een andere functie voorop en was ontwikkeling van natuurwaarden een welkom “nevenprodukt”. De belangrijkste projecten in ons gebied zijn:
Figuur 3-11 Maatregelen project Schoonwatervallei -
Project Schoonwatervallei
Het doel van het project Schoonwatervallei aan de binnenduinrand bij Bakkum, een samenwerking van meerdere natuurbeheerorganisaties en het waterschap, is het herstel van een meer natuurlijke waterhuishouding. Hier komt in het natuurgebied Zeerijdtsdijkje schoon water vanuit het duingebied naar boven, zowel bovengronds via de Diepe Sloot als ondergronds via kwel. Door verschillende maatregelen wordt dit schone water apart gehouden van het overige polderwater en wordt het geleid naar het natuurgebied Hooge Weide en daar ’s winters vastgehouden. Zowel in het gebied Zeerijdtsdijkje als (reeds eerder) in de Hooge Weide is op diverse percelen de voedselrijke bovenlaag van het voormalig productiegrasland afgeplagd en afgevoerd. Een tweede fase van dit project, verder de polder in, is nog in discussie. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 29
-
Groote Ven en Oude Venne
De Stichting De Hooge Weide heeft in het open weidegebied tussen Castricum en Uitgeest een weidevogelreservaat weten te creëren van ruim 75 ha groot. Het voormalige productiegrasland is daartoe omgevormd tot bloemrijk grasland, er zijn twee ondiepe meertjes (met broedeilandjes) gegraven, andere percelen worden met een windmolentje in het voorjaar plasdras gezet en er wordt elk voorjaar een elektrisch vossenraster aangebracht. Zoals eerder al aangegeven, is dit een buitengewoon succesvol project. -
Hooge Weide
Een eerder project van deze Stichting is de Hooge Weide zelf, ten noorden van de Zeeweg in Bakkum. Dit was een weidegebied met agrarisch gebruikt grasland. De voedselrijke bovenlaag is afgegraven en het gebied is ingericht met poelen en geleidelijk aflopende slootkanten. Het wordt beheerd als bloemrijk grasland. Allerlei plantensoorten zoals onder meer Rietorchis, Bijenorchis, Keverorchis, Echte koekoeksbloem, Rond Wintergroen, Dwergbies en veel mossoorten zijn spontaan teruggekeerd. De poelen zijn ontdekt door kikkers, salamanders, rugstreeppadden, watervogels, sprinkhanen en libellen.
Figuur 3-12 Orchideeënweelde in de Hooge Weide (foto B. Korf)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 30
-
KRW-maatregelen langs Schulpvaart tussen Hoogebrug en Slikker Die / A9
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft tot doel om de oppervlaktewateren en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. Daarbij staat het ecologisch functioneren van het water duidelijk voorop. Vanuit deze verplichting zijn een tiental jaren geleden langs de Schulpvaart tussen Hooge Brug en de A9 de oevers meer natuurvriendelijk gemaakt. Deze oever sluit aan bij het Limmer veentje, onderdeel van het natuurreservaat Oosterveld bij Limmen. -
Houtrakkerbeemden
Oostelijk van het Westhoffbos in het recreatiegebied Spaarnwoude ligt al enkele decennia een ondiepe plas die Westhoffplas werd genoemd, en iets oostelijker tussen de rand van de Inlaagpolder en de golfbaan Houtrak een serie kleinere plasjes, de Houtrakkerbeemden. Onlangs is in de Houtrakkerbeemden een nagebootste kreek met natuurlijke oevers uitgegraven. Bijzonder is dat deze kreek wordt gevoed met water uit het Noordzeekanaal, waardoor vooral de brakke natuur zich hier verder zal kunnen ontwikkelen. -
Waterbergingen
Waterbergingen Door de klimaatverandering treden er in de zomer vaker korte maar heftige zogeheten clusterbuien op, waarbij vaak wateroverlast kan ontstaan, omdat door toename van het bebouwd oppervlak het waterbergend vermogen is verminderd. Daarom zijn er op diverse plaatsen in het Oer-IJ gebied waterbergingen aangelegd, waarbij het maaiveld een stuk is verlaagd. Dit zijn daardoor moerasachtige terreinen geworden, die in veel gevallen als natuur worden beheerd. In de Groot Limmerpolder zijn waterbergingen aangelegd langs de Schulpvaart tussen Castricum en de Zeeweg, tussen Limmen en Hoogebrug, en bij het Kerkemeer in Akersloot. In de Castricummerpolder is het maaiveld verlaagd van een perceel in de bocht van de Hendriksloot bij de wijk Koog-noord in Uitgeest. In Heemskerk is een omvangrijke waterberging aangelegd aan de Noordermaatweg in de Heemskerker Noordbroek. Dit is een vogelgebied geworden waar veel langsfietsende recreanten graag even blijven kijken. Aangrenzend liggen de weilanden van landgoed Marquette, waar het beheer op weidevogels is gericht.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 31
Figuur 3-13 Natuurontwikkelingsprojecten in het Oer-IJ gebied -
Aangepast beheer Assendelver Zeedijk
Voorts wordt sinds 2018 op de Assendelver Zeedijk (waarvan de waterkerende functie is afgeschaald) een proef gedaan met aangepast beheer, namelijk het zgn. sinusmaaien, waarbij met de twee jaarlijkse maaibeurten beurtelings slechts circa de helft van het bermoppervlak wordt gemaaid, op de andere helft blijft de begroeiing staan. Dit komt de planten- en insectenrijkdom ten goede. De resultaten zijn veelbelovend, vooral voor dagvlinders.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 32
3.9. Openluchtrecreatie Reeds in 1958 zijn door de overheid elf zogenoemde rijksbufferzones ingesteld om te voorkómen dat de grote steden aan elkaar zouden groeien tot één aaneengesloten stedelijk gebied. Eén van de toen ingestelde bufferzones is de bufferzone Amsterdam – Haarlem, hier is het recreatiegebied Spaarnwoude ontwikkeld. De gedachte hierachter is tweeledig: enerzijds is in de directe omgeving van de grote steden behoefte aan recreatiemogelijkheden in een groene omgeving, anderzijds is een bufferzone in de strijd om de ruimte beter te handhaven als deze een maatschappelijk gewaardeerde functie krijgt. Vanuit deze filosofie heeft de provincie Noord-Holland samen met de rijksoverheid en betrokken gemeenten verschillende grootschalige recreatiegebieden ontwikkeld, aanvankelijk door op grote schaal terreinen te verwerven en voor recreatie in te richten, naderhand meer door planologische bescherming te bieden en op kleinschaliger wijze recreatieve voorzieningen aan te leggen. Figuur 3-14 Recreatiegebied Spaarnwoude
Recreatiegebied Spaarnwoude bestaat uit een aantal deelgebieden. De deelgebieden Oosterbroek, Buitenhuizen en Houtrak zijn ingericht met bosgedeelten, waterpartijen en allerlei recreatieve voorzieningen zoals golfbanen, een skihelling, een klimwand, festivalterreinen, een kinderboerderij, maneges, enzovoort, en verder fiets-, wandel- en ruiterpaden en voorzieningen voor de watersport. In het zuidelijke en zuidwestelijke deel de Vereenigde Binnenpolder, de Inlaagpolder, de Uiterdijken en het Hekslootgebied - is het oude open weidegebied vrijwel intact gebleven met enkele bosjes, historische dijken, en fiets- en wandelpaden. Behalve recreatiegebied Spaarnwoude is ook het Alkmaarder- en Uitgeestermeer een door de overheid voor overwegend recreatie aangewezen en ingericht gebied in onze regio. Vanuit oogpunt van natuur en landschap bezien zijn deze recreatiegebieden terreinen met een aanzienlijke variatie aan gebruiksintensiteit. Sommige gedeelten zijn bijvoorbeeld ingericht als speel- en ligweide of festivalterrein maar andere gedeelten zijn wandelbos of natuurterrein. De recreatiegebieden zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland en er wordt gestreefd naar ontwikkeling van de kwaliteit van de natuur.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 33
3.10. Natuur in het stedelijk gebied Zoals reeds eerder vermeld werden in de tweede helft van de vorige eeuw grote delen van het landelijk gebied omgevormd tot woonbebouwing of bedrijventerrein. Maar door de toename van de bevolking ontstond hierbij ook de behoefte aan meer groen uitloopgebied. Uiteraard verschilt die behoefte naar gelang de aard en omvang van de plaats en naar de beschikbaarheid van groene gebieden in de omgeving. Op veel plaatsen werden dan ook tegelijk met dorpsuitbreidingen groene overgangen met het buitengebied aangelegd. In grotere plaatsen werden ook parken aangelegd als groene buffer tussen woongebied en bedrijventerrein of als “groene scheg”, d.w.z. als groene en aantrekkelijke verbinding vanuit het centrum van de stad naar het buitengebied. Hoewel dit aanvankelijk vooral cultuurtechnisch aangelegde projecten waren kwam er in de loop van de tijd meer belangstelling voor een meer op natuur gerichte inrichting en beheer. En naarmate deze terreinen ouder werden kregen ze ook vanzelf een meer natuurlijk karakter. Zo is bijvoorbeeld Heiloo omringd door oudere bossen en landgoederen (ter Coulster, Nijenburg) en ook nieuwere groengebieden (Noorder- en Zuiderneg, Oosterbos).
Castricum kent het Buitendijkspad, maar heeft ook de jonge natuurterreinen van de Hooge Weide en Groote Ven, verschillende recent aangelegde waterbergingen en uiteraard het NoordHollands Duinreservaat. Heemskerk heeft behalve de duinen en landgoed Marquette ook groene terreinen rond kasteel Assumburg en daarnaast ook bij de golfbaan Noorderbuitendijken. Beverwijk is van het bedrijventerrein in het zuiden langs het Noordzeekanaal afgeschermd door park Westerhout-Scheybeek-Wijkeroogpark en heeft ook het nieuwe groengebied De Buitenlanden in de Wijkermeer. En ten zuiden van het Noordzeekanaal vinden we de Velsense landgoederen Velserbeek, Waterland, Beeckestijn en Schoonenberg; het omvangrijke recreatiegebied Spaarnwoude is reeds genoemd. Laatstgenoemd gebied is via het Geuzenbos, de Tuinen van West en de Brettenzone (bijna doorlopend) verbonden met het Amsterdamse Westerpark, dat tegen het oude centrum van de stad aanligt. En ook in het bebouwde gebied van steden en dorpen zelf zijn – vaak op initiatief van enthousiaste burgers - allerlei verschillende projecten gaande om meer natuur in de stad te brengen. Deze projecten zijn heel divers en variëren van Gierzwaluw- en vleermuiskasten, zgn. Tiny forests en postzegelparkjes tot stadslandbouw.
Figuur 3-15 Gierzwaluwkast (foto Mans de Jong)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 34
3.11. Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd Vanuit de gedachte, dat in dit gebied - van Noordzee tot Zaan en van Wijkermeer tot Alkmaardermeer - een grote variatie aan landschapstypen voor een gevarieerde biodiversiteit zou zorgen is enkele jaren terug getracht om door middel van verspreidingskaartjes van kenmerkende soorten de biodiversiteit van het Oer-IJ gebied in beeld te brengen. Deze exercitie is door de provincie financieel mogelijk gemaakt en is eind 2017 uitgevoerd door Carola van den Tempel van Landschap Noord-Holland, begeleid door Jos Teeuwisse en Bart Korf. Daarbij is gekozen om van een geselecteerd aantal relevante soorten uit enkele planten- en dierengroepen verspreidingskaarten te maken voor het Oer-IJ gebied. We hoopten, dat deze onder meer het onderscheid in de drie landschapstypen zand, klei en veen zouden laten zien. Er is gekozen voor soorten uit min of meer natuurlijke biotopen, waarvan we verwachtten, dat deze vooral in één of twee van deze drie landschapstypen zouden voorkomen. Bovendien is gekozen voor meer bekende en aansprekende soorten. De resultaten zijn in dit rapport opgenomen als bijlage 1. Er waren voldoende gegevens beschikbaar voor de volgende groepen: -