bestemmingsplan De Schouw
Tekst van het document
De Schouw Status Identificatiecode
Datum vaststelling
Voorontwerp NL.IMRO.0453.BP0403DESCHOUW1-V001
12 mei 2020
Ontwerp NL.IMRO.0453.BP0403DESCHOUW1-O001
26 januari 2021
26 Vastgesteld NL.IMRO.0453.BP0403DESCHOUW1-
27 mei 2021
bestemmingsplan "De Schouw"
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Bijlagen bij toelichting
47
Bijlage 1
Ladder voor Duurzame Verstedelijking
48
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
61
Bijlage 3
Stikstofdepositieonderzoek
334
Bijlage 4
Externe veiligheid
356
Bijlage 5
Quickscan Flora en fauna
369
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek
383
Bijlage 7
Verkennend aanvullend bodemonderzoek
478
Bijlage 8
Aanmeldingsnotitie MER
643
Bijlage 9
Bureau- en booronderzoek
657
Bijlage 10
Geluidbelasting
688
Bijlage 11
Inspraakrapportage
699
Regels
715
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
716 716 722
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Bestemmingsregels Groen Verkeer Wonen Leiding - Hoogspanning Leiding - Water
724 724 725 726 728 730
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Overige regels
732 732 733 735 737 738
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Artikel 14 Slotregel
739 739 740
Status: vastgesteld 2
bestemmingsplan "De Schouw"
Toelichting
Status: vastgesteld 3
Bestemmingsplan De Schouw Velsen Noord Gemeente Velsen Ontwerp
Bestemmingsplan De Schouw Velsen Noord Gemeente Velsen Ontwerp
Rapportnummer:
P00247_6
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0453.BP04030DESCHOUW1-O001
Datum:
31 maart 2021
Opdrachtgever:
Delta Onroerend Goed B.V.
Projectteam BRO:
TA
Concept:
mei 2019
Voorontwerp:
april 2020
Ontwerp:
december 2020
Vaststelling: Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO abstract
Beknopte inhoud:
-BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E amsterdam@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Projectgebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan
3 3 3 5
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe ontwikkelingen 2.3 Groen
5 6 6 7
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) 3.2 Provinciaal beleid
10 11 11 12 13
3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 3.3 Gemeentelijk beleid
13 14 14
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Parkeren 4.2 Geluid 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Externe veiligheid 4.6 Ecologie 4.7 Bodem 4.8 Water 4.9 Archeologie 4.10 M.e.r.-beoordeling 4.11 Duurzaamheid 4.12 Stikstofdepositie
17 17 18 19 22 23 25 26 27 29 30 32 33
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
35 35 35 37
Inhoudsopgave
1
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Financiële uitvoerbaarheid
38 38 38
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor Duurzame Verstedelijking Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 4: Externe veiligheid Bijlage 5: Quickscan Flora en fauna Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Verkennend aanvullend bodemonderzoek Bijlage 8: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 9: Bureau- en booronderzoek Bijlage 10: Geluidbelasting Bijlage 11: Inspraakrapport
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Delta Onroerend Goed B.V. is voornemens woningbouwproject De Schouw te ontwikkelen in Velsen Noord. Het project bestaat uit de bouw van 36 woningen op het terrein van het voormalige Hoogovens conferentiecentrum aan de Grote Hout- of Koningsweg. Het voormalige conferentiecentrum “De Schouw”, later in gebruik als cultureel centrum, heeft haar deuren reeds jaren geleden gesloten en is al vele jaren in verval. In januari 2018 heeft een grote brand het conferentiecentrum in de as gelegd. Het plan is om het congrescentrum (inmiddels is het congrescentrum gesloopt) en de oude woning aan de Grote Hout- of Koningsweg te slopen en 36 eengezinswoningen te ontwikkelen in een groene setting, waarbij het gehele gebied tussen de Grote Hout- of Koningsweg en Bleyenhoevelaan wordt heringericht. De plannen zijn gepresenteerd aan het Wijkplatform in Velsen-Noord. Daarnaast heeft een openbare informatiebijeenkomst plaatsgevonden. De informatie en feedback uit deze sessies is meegenomen in het definitieve plan. Het doel van dit bestemmingsplan is een planologisch kader op te stellen waarbinnen de nieuwe ontwikkelingen kunnen plaatsvinden en invulling wordt gegeven aan het gebied, aangezien het bouwplan niet past binnen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het huidige bestemmingsplan Velsen-Noord (zie par. 1.3).
Het bestemmingsplan is overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) opgesteld.
1.2 Projectgebied Het plangebied ligt in Velsen-Noord (gemeente Velsen) in de Gildenwijk. Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door de Grote Hout- of Koningsweg, aan de zuidzijde door de Schulpweg, aan de oostzijde door de Bleyenhoevelaan en aan de noordzijde door de Wenckebachstraat (zie figuur 1.1).
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1: globale ligging plangebied
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is bestemmingsplan Velsen-Noord (vastgesteld 26 november 2015). Het gebied heeft de enkelbestemmingen “Groen -1”, “Maatschappelijk”, “Tuin”, “Verkeer” en “Wonen”. Daarnaast liggen er op het gebied de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie” en “Leiding-Water”. Tot slot is er een gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie – 1” opgenomen (zie figuur 1.2).
Figuur 1.2: Vigerend bestemmingsplan plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De Schouw werd in 1967 gebouwd als conferentiecentrum van toen nog de Hoogovens. Later was het een cultureel centrum. Na de brand ligt het terrein nu braak. Tevens bevindt zich binnen het plangebied een woning (Grote Hout- of Koningsweg 178) in eigendom van de gemeente Velsen. Het plangebied kenmerkt zich echter door een groenstructuur die als kwaliteit wordt ervaren en ook in het nieuwe plan terugkomt.
2.2 Nieuwe ontwikkelingen Het nieuwe plan bestaat uit de bouw van 36 eengezinswoningen. De woningen worden gebouwd in 6 blokken (A t/m F) waartussen ruimte is voor parkachtig groen en parkeervoorzieningen (in totaal 61 plekken) op de kop. Het nieuwe woongebied zal worden ontsloten tussen de Grote Hout- of Koningsweg en de Bleyenhoevelaan. De nieuwe aan te leggen wegen worden aangesloten op de Bleyenhoevelaan. De restanten van het gebouw De Schouw en de woning aan de Grote Hout- of Konings 178 zullen worden gesloopt. In figuur 2 is het stedenbouwkundig plan opgenomen.
Figuur 2: stedenbouwkundig plan De Schouw
Hoofdstuk 2
6
2.3 Groen De gemeente Velsen heeft in juli 2019 het Groenstructuurplan 2019 vastgesteld. De groenstructuur is het geheel van “groene” delen en gebieden binnen de gemeente, zoals parken, plantsoenen, bomen, landbouw-, recreatie- en natuurgebieden. De gemeente heeft een Groenstructuurplan gemaakt omdat groen belangrijk is voor inwoners en voor bezoekers. Het is ook belangrijk voor het klimaat en de biodiversiteit. De visie gaat uit van een viertal speerpunten: 1. Het versterken van de beleving van de Velsense landschappen, zowel binnen als buiten stedelijk gebied; 2. Het zo goed mogelijk waarborgen van een groene leefomgeving binnen het stedelijk gebied; 3. Het verhogen van de ecologische waarde van de groenstructuur; 4. Het benutten van de groenstructuur bij het realiseren van een klimaatadaptieve gemeente. In Velsen-Noord ligt de grootste ontwikkelopgave voor de groenstructuur binnen de speerpunten groene leefomgeving en klimaatadaptatie. Dit heeft, al geldt dit niet voor elk deel van het dorp, te maken met de hoge stedelijke dichtheid en de beperkte groene dooradering van het stedelijk gebied. Het groen is vooral geconcentreerd in de randen, zoals in het Wijkeroogplantsoen en sportpark Rooswijk en langs de grote wegen en spoorlijn en op de scheiding tussen bedrijfsterreinen en de woonkern.
Deze zogenaamde groene buffer wil de gemeente de komende jaren versterken, waarbij bomen worden herplant en kansen voor ecologisch beheer worden benut. Deze opgave is reeds in gang gezet. Aanknopingspunten voor versterking van de groenstructuur worden gevormd door het Stratingplantsoen, de Meerweidenlaan, het Wijkeroogpark en het sportcomplex. Binnen de groenstructuur vormen deze een basis die waar mogelijk versterkt wordt. Dit geldt in algemene zin voor elk element binnen de huidige aanwezige groenstructuur in Velsen-Noord. Gelet op de aard van het stedelijk gebied, is het naar verwachting niet eenvoudig om substantiële toevoegingen aan de groenstructuur te bereiken.
Om die reden zetten we voor Velsen-Noord in op een maatwerk aanpak om het gebied te vergroenen, bestaande uit meerdere elementen: → Het op straat- en buurtniveau onderzoeken van de mogelijkheden om kruispuntvlakken, rotondes, schoolpleinen en andere ‘plein-achtige’ ruimtes te vergroenen of te voorzien van markeringsbomen; → Het onderzoeken van mogelijkheden om het bestaand groen in ecologische zin en qua diversiteit te verbeteren, onderling te verbinden en toegankelijker te maken (dit geldt bijvoorbeeld voor het Wijkeroogpark); → Het onderzoeken van de mogelijkheid om bij nieuwbouwontwikkelingen en wegreconstructies in te zetten op een minimaal te realiseren oppervlak aan groen; → Het introduceren van geveltuinen, boomspiegeltuinen of soortgelijke elementen om groen in het straatbeeld te introduceren; → Het verwelkomen en ondersteunen van initiatieven als ‘Operatie Steenbreek’, waarbinnen inwoners worden ondersteund bij het ontstenen en vergroenen van hun eigen perceel. Doorwerking plangebied Ten tijde van het vaststellen van het groenstructuurplan heeft de gemeente reeds geanticipeerd op het voorliggende woningbouwplan. Het plangebied is op de groenstructuur visiekaart dan ook weergegeven als ‘woningbouwlocatie’ (zie figuur 2.1). Conform de groenstructuurvisie voor deelgebied Velsen-
Hoofdstuk 2
7
Noord wordt wel iedere ontwikkeling aangegrepen om bestaande groenstructuren middels maatwerk te versterken.
Figuur 2.1: Uitsnede visie groenstructuur Velsen-Noord, plangebied geel omcirkeld (Bron: gemeente Velsen)
In het plan wordt daarom veel aandacht besteed aan groen. Het verhard oppervlak was in de bestaande situatie 5.719 m2 en in de nieuwe situatie 6.231 m2. Er is een toename van verhard oppervlak van ongeveer 512 m2. Dit wordt oppervlak in de vorm van openbaar groen; struiken en speelplek, zie de tabel in paragraaf 4.8 van onderhavige toelichting. Bij het toepassen van nieuw groen wordt inheemse en duurzame beplanting toegepast welke passen bij het landschap dat kenmerkend is voor de omgeving van Velsen-Noord en dit landschap versterken. Er is in de nieuwe ontwikkeling ruimte voor groen. Het Groenstructuurplan 2019 van gemeente Velsen geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen 15% van het totale projectgebied openbaar groen dient te worden. Hier wordt in de nieuwe ontwikkeling ruim aan voldaan, circa 55% van het plangebied wordt openbaar groen (zie onderstaande tabel).
bestaand [m2]
nieuw [m2]
bebouwing bestaand
3617
5731
uitgeefbaar terrein (50% verhard)
1511
500
parkroute en verharding
591
Subtotaal – verhard opp. vlak
5.719
6.231
openbaar groen
9623
9323
struiken
439
227
speelplek
61
61
totaal
15842
15842
Daarnaast wordt een deel van de erfafscheidingen bij de te realiseren woningen en parkeervoorzieningen groen uitgevoerd. Hierdoor wordt het groene straatbeeld op het plangebied, ook vanuit westelijke richting, gehandhaafd. Door het aanleggen van wandelpaden die het plangebied van west naar oost doorkruisen, wordt daarbij het groen toegankelijker gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Binnen het plangebied zijn verder geen waardevolle of monumentale bomen aanwezig. Wel bevindt zich binnen het plangebied een aantal forse bomen die, waar mogelijk, worden gehandhaafd om het
Hoofdstuk 2
8
groene karakter van het gebied te benadrukken. Ook wordt de speeltuin in de bocht tussen de Gildenlaan en Bleyenhoevenlaan die in het verleden in samenwerking met Woningbedrijf Velsen en omwonenden gerealiseerd gehandhaafd. Bij het definitieve ontwerp zal in samenspraak met de gemeente worden gekozen voor een optimale structurering van de groen(voorzieningen), waarbij aandacht wordt besteed aan de genoemde speerpunten van het Groenstructuurplan.
Hoofdstuk 2
9
3. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012, staan de plannen van de rijksoverheid ten aanzien van aspecten op het gebied van ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening.
Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid en heeft daarom uit bovenstaande drie doelen slechts dertien nationale belangen naar voren laten komen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De dertien belangen van het Rijk zijn: een excellent ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie;
Hoofdstuk 3
10
ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; efficiënt gebruik van de ondergrond; een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; ruimte voor waterveiligheid en duurzame zoetwatervoorzieningen en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Doorwerking plangebied Met dit initiatief worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft geen invloed op dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijk ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
Hoofdstuk 3
11
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Sinds 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het plan omvat de bouw van 36 eengezins koopwoningen en dient daarmee te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is een ladderonderbouwing opgesteld om de behoefte aan te tonen en daarmee de ontwikkeling programmatisch af te wegen.
Ladder 36 eengezins koopwoningen2 Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting en advies. De volledige onderbouwing van de woningbehoefte is opgenomen in bijlage 1 bij dit bestemmingsplan. Met een afnemende huishoudensomvang en het groeiende huishoudensaantal neemt de kwantitatieve woningbehoefte toe in de gemeente Velsen. Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling bedraagt een raming van de kwantitatieve woningbehoefte in Velsen tot 2040 volgens de provincie Noord-Holland circa 1.900 woningen. Vanuit het Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 – 2020 wordt gesteld dat het gewenste bouwprogramma voor Velsen 872 woningen betreft tot 2020. De bandbreedte betreft hier 20%. In het uiterste geval is er tot 2020 behoefte aan circa 1.050 woningen. Momenteel hebben 919 woningen een harde plancapaciteit en is er nog ruimte om de bandbreedte op te vullen. Op basis hiervan is te concluderen dat er kwantitatief behoefte is aan dit initiatief. In het initiatief is opgenomen dat de 36 geplande woningen allemaal eengezinsrijtjeswoningen betreffen. Hiervan worden alle woningen afgezet in de koopsector. Vanuit zowel het beleid van de regio als het beleid van de gemeente blijkt dat er veel behoefte is naar koopwoningen.
In VelsenNoord is nu momenteel sprake van een gelijke mix aan eengezins- en meergezinswoningen en is er over het algemeen iets minder koop dan huur. In zowel de koop- als huursector is er een goedkope voorraad. 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Het rijksbeleid ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart die op 20 februari 2003 in werking is getreden (verder gewijzigde Wet Luchtvaart genoemd). De gewijzigde Wet Luchtvaart is gericht op het tot stand brengen van een
1 2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). BRO, Ladder voor duurzame verstedelijking woningen De Schouw Velsen Noord, 9 juli 2018
Hoofdstuk 3
12
wettelijke grondslag voor het nieuwe regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet vormt de grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met het LIB. De ruimtelijke consequenties van de gewijzigde Wet Luchtvaart worden weergegeven in het LIB. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidsbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking. Doorwerking plangebied Artikel 2.2.1 Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 1 zijn aangewezen, zijn met het oog op externe veiligheid geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan, behoudens bestaand gebruik van objecten niet zijnde woningen. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt aangegeven dat Schiphol tot 2030 ruimte nodig heeft om uit te ontwikkelen. Derhalve is een 20 Ke-contour opgenomen. Het gehele plangebied Velsen-Noord ligt binnen deze contour. Binnen de contour mogen geen nieuwe uitleglocaties ten behoeve van woningbouw worden ontwikkeld. In Velsen-Noord is dit echter niet aan de orde. Herstructurering en intensivering in bestaand bebouwd gebied zijn binnen de 20 Ke-contour nu en in de toekomst wel mogelijk.
Revitalisering, herstructurering en transformatie van bestaande woon- en werkgebieden is volgens de Structuurvisie cruciaal om de gestelde ruimtelijke doelen te kunnen bereiken. Het plangebied valt niet onder de beperkingsgebieden voor bebouwing.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 In de "Structuurvisie 2040: Kwaliteit door veelzijdigheid", die op 21 juni 2010 door Provinciale Staten is vastgesteld, geeft de provincie aan welke belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening in NoordHolland. In 2015 is de Structuurvisie voor het laatst bijgewerkt. De provincie Noord-Holland zet de komende dertig jaar in op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden omringd door aantrekkelijk recreatief groen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. De provincie wil in zijn algemeenheid steden optimaal benutten, landschappen openhouden en ruimte bieden aan economie en woningbouw. De verschillende landschappen en de rijkdom aan cultuurhistorie zijn de kracht van Noord-Holland. De landschappen zijn van groot belang voor de aantrekkelijkheid van Noord-Holland als vestigingsplaats voor internationaal concurrerende bedrijven en hun kenniswerkers. De bevolking neemt tot 2035 nog flink toe en daarmee ook de behoefte aan het aantal woningen. Dit geldt helemaal voor het zuidelijke deel van Noord-Holland, waar Velsen Noord onder valt. In het zuiden van de provincie blijft de druk op de woningmarkt tot 2030 hoog. Ook na 2030 is nog behoefte aan uitbreiding.
Voor het zuidelijke deel van Noord-Holland zijn tussen 2010 en 2040 165.000 woningen nodig.
Hoofdstuk 3
13
Doorwerking plangebied De woonbehoefte neemt ook de komende jaren toe in het zuidelijk deel van Noord-Holland, met name voor oudere, één- en tweepersoonshuishoudens. Het woningbouwplan voorziet in deze woonbehoefte (zie ook par. 3.1.3) en is daarmee in lijn met de Structuurvisie Noord-Holland 2040. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De verordening (geconsolideerde versie 29 juni 2019) betreft een juridisch-bindende uitwerking van de structuurvisie en bevat derhalve concrete regels die doorwerken naar lagere overheden. Met het bepaalde in de verordening dient dus rekening gehouden te worden in een bestemmingsplan. Doorwerking plangebied In hoofdstuk 2 van de verordening is in artikel 5a Nieuwe stedelijke ontwikkeling het volgende opgenomen: 1. Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2. Gedeputeerde staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. Het plan voorziet in 36 woningen en kan worden gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 3.1.3 is aangetoond dat het plan bijdraagt aan het invullen van de regionale en gemeentelijke woonbehoefte. Onderhavig planvoornemen is in lijn met de provinciale Verordening ruimte.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Velsen De structuurvisie van Velsen is vastgesteld op 12 mei 2016 door de gemeenteraad. Deze structuurvisie geldt als kompas waarmee de gemeente Velsen haar koers bepaalt. De structuurvisie zet de stip op de horizon in 2040, toont de ruimtelijke visie tot 2025 en laat de uitvoering zien in een uitvoeringsprogramma. De gemeente Velsen heeft in haar structuurvisie een paragraaf gewijd aan het onderdeel “wonen”. Velsen heeft een rijk palet aan onderscheidende woonmilieus, van dorps tot stedelijk, van betaalbaar tot duur en op unieke plekken zoals in het groen tussen de landgoederen van de binnenduinrand, aan/in de duinen, aan het strand, langs het Noordzeekanaal, in de haven of bij de Stelling van Amsterdam.
Hoofdstuk 3
14
De gemeente Velsen zet in op een verbetering van de leefbaarheid binnen de gemeente door een diversiteit aan woonmilieus (centrumstedelijk, grootstedelijk, landelijk/dorps) en differentiatie in de woningvoorraad en daarmee aan bevolkingsgroepen). Dit bevordert de dynamiek in de samenleving. Het is daarnaast de bedoeling om de stedelijke hoofdstructuur te intensiveren.
Figuur 3.1: uitsnede structuurvisiekaart (bron: gemeente Velsen)
Doorwerking plangebied Met dit plan wordt voorzien in de vraag naar nieuwe woningen en wordt de stedelijke hoofdstructuur van Velsen versterkt en geïntensiveerd middels inbreiding. Daarmee ligt het plan in lijn met de ambities uit de structuurvisie. 3.3.2 Woonvisie Velsen De Woonvisie 2040 is op 30 januari 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie staan vier thema’s centraal: kwaliteit van de bestaande voorraad en toekomstige woningbouw wonen en zorg betaalbaarheid en beschikbaarheid duurzaamheid We willen bestaande en nieuwe inwoners een goede start en vervolgens een wooncarrière in de gemeente Velsen bieden. We willen een aantrekkelijke woongemeente zijn voor alle inkomensgroepen met een goede mix van soorten woningen, verspreid over alle woonkernen. Daarvoor is het noodzakelijk dat er woningen worden bijgebouwd. Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling bedraagt een raming van de kwantitatieve woningbehoefte in Velsen tot 2030 volgens de provincie Noord-Holland circa 1.900 woningen. Het huidige tekort op de woningmarkt is hierbij niet meegere-
Hoofdstuk 3
15
kend waardoor de woningbehoefte feitelijk groter is. We zien dat de samenstelling van de woningvoorraad onevenredig is verdeeld over de kernen en wijken, waardoor de mogelijkheden voor een wooncarrière binnen de kern wordt beperkt. Dit betekent dat we gaan werken aan een betere spreiding van de sociale huur over de gemeente en toevoeging van betaalbare markthuur of koop. Tegelijkertijd wordt er geëxperimenteerd met nieuwe woonvormen om ook aan bijzondere doelgroepen een woning te kunnen bieden en doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Daarnaast wil Velsen zowel nieuwe als bestaande woningen verduurzamen en de circulaire economie stimuleren. Doorwerking plangebied De woningvoorraad van Velsen-Noord is eenzijdig samengesteld. Dit leidt er toe dat ouderen en financieel draagkrachtige huishoudens wegtrekken uit Velsen-Noord omdat een voor deze groepen geschikt woningaanbod ontbreekt. Anderzijds worden financieel minder draagkrachtige huishoudens aangetrokken door het grote aanbod goedkope woningen. Achtereenvolgende woningmarktonderzoeken laten zien dat de verhuisgeneigdheid in Velsen-Noord relatief groot is. Bewoners uit VelsenNoord willen wel in Velsen-Noord blijven wonen. De bestaande woningvoorraad sluit niet aan bij de vraag van de verhuisgeneigden in Velsen-Noord.
De ontwikkeling van een wooncarrière binnen Velsen-Noord wordt belemmerd door het ontbreken van voldoende differentiatie in de soorten en prijsklassen van de woningen. Er is een bovengemiddelde vraag naar eengezinswoningen, portiekwoningen en seniorenwoningen. Naarmate het woningaanbod meer gedifferentieerd is en nieuwbouw goed aansluit op de bestaande voorraad, worden de kansen op het maken van een wooncarrière groter. In het initiatief is opgenomen dat de 36 geplande woningen allemaal eengezinswoningen betreffen. Hiervan worden alle woningen afgezet in de koopsector. Dit sluit aan bij de doelstelling om meer differentiatie in Velsen-Noord te realiseren. In Velsen-Noord is sprake van een gelijke mix aan eengezinsen meergezinswoningen en is er over het algemeen iets minder koop dan huur. In zowel de koop- als huursector is er voornamelijk een goedkope voorraad.
Hoofdstuk 3
16
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Parkeren De parkeersituatie van het bouwplan wordt getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Gemeentelijk parkeerbeleid De gemeente Velsen heeft eigen beleid voor parkeren: “Parkeernormenbeleid 2015, gemeente Velsen”, door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27 februari 2012. Het parkeerbeleid wordt gevormd door de nota Parkeernormenbeleid 2015, door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27 februari 2012. In dit document is vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen moeten worden aangelegd bij nieuwe bouwplannen. De gemeente wil op deze manier parkeeroverlast op de openbare weg zoveel mogelijk voorkomen. De behoefte aan parkeerplaatsen is afhankelijk van de functie van een voorziening. Zo zal een appartementencomplex een andere parkeerbehoefte genereren dan een basisschool. En een restaurant een andere parkeerbehoefte genereren dan een bouwmarkt. Om deze behoefte aan parkeerplaatsen eenduidig te kunnen beoordelen moet het college uitgaan van een gemiddelde parkeerbehoefte per eenheid, afhankelijk van de bijbehorende functie. Deze gemiddelde parkeerbehoefte wordt verwoord door de parkeernorm. In dit geval worden 36 eengezinswoningen mogelijk gemaakt. Er is daarbij conform de nota parkeernorm uitgegaan van 1,7 parkeerplekken per woning, gezien de woningen zullen vallen onder de categorie ‘groot’ (zie onderstaande tabel).
In deze norm is reeds rekening gehouden met een aandeel bezoekers.
Dit houdt in dat in totaal 61 parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd om te voldoen aan de nota parkeernorm. Binnen het huidige plangebied worden in totaal 61 parkeerplaatsen aangelegd op korte afstand van de verschillende bouwblokken waarbij de parkeerplaatsen evenredig zijn verdeeld. Hiermee is aangetoond dat er wordt voldaan aan de nota parkeernormen.
Hoofdstuk 4
17
4.2 Geluid Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied ligt binnen de zones van de Wenckebachstraat en de Grote Hout of Koningsweg. Industrielawaai Daarnaast is voorliggend bouwplan gelegen binnen de geluidzone van industrieterrein IJmond. De voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai is 50 dB. Voor nieuwe woningen kan bij een geluidsbelasting van 50 dB tot 55 dB een hogere waarde worden aangevraagd. Voor de planontwikkeling is de geluidbelasting berekend aan de hand van het geluidsmodel opgesteld door Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan onderhavige onderbouwing.3
Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van blok A en blok B op de begane grond de geluidbelastingen voldoen aan de maximaal toelaatbare waarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Ter plaatse van de eerste en tweede verdieping wordt de maximaal toelaatbare waarde op vrijwel alle geveldelen overschreden. De geveldelen op de eerste en de tweede verdieping zullen als “doof” moeten worden uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van blok C en blok D op alle toetspunten en beoordelingshoogten voldoet aan de maximaal toelaatbare waarde. 3
BK Bouw- & milieuadvies, Briefrapport geluidbelasting tgv gezoneerd industrieterrein IJmond. 26 november 2020
Hoofdstuk 4
18
Ter plaatse van blok E en blok F wordt de maximaal toelaatbare waarde op de westgevel en de noordgevel (t.p.v. de hoek met de westgevel) overschreden op de tweede verdieping. Deze geveldelen zullen als “doof” moeten worden uitgevoerd. Op de overige toetspunten en beoordelingshoogten wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare waarde. Wegverkeerslawaai De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting is het in een binnenstedelijke situatie mogelijk tot en met 63 dB een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder vast te stellen. Doorwerking plangebied Er is onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht4. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Wenckebachstraat, Breedbandstraat, Grote Hout- of Koningstraat voldoen niet aan de voorkeursgrenswaarde, maar wel aan de maximaal toelaatbare waarde. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Duinvlietstraat, Stratingplantsoen voldoen aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Bleijenhoevelaan, Schulpweg, Kruisbeekstraat en Gildestraat zijn vanuit goede ruimtelijke ordening toelaatbaar. Het aanvragen van een hogere waarde is noodzakelijk.
Deze hogere waarde zal door de gemeente vastgesteld en gepubliceerd worden. Het ontwerp hogere waarden besluit zal tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Na verlening van de hogere waarde dient in het kader van de bouwvergunning aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Hiervoor is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Conclusie Met in acht name van de bovenstaande bevindingen vormt geluid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
4
BK Bouw- & milieuadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeer Bleijenhoevelaan te Velsen-Noord, 20 september 2018
Hoofdstuk 4
19
‘Niet In Betekenende Mate’ Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Toetsing In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Ten tweede of de luchtkwaliteit ter plaatste de nieuwe functie toelaat. Doorwerking plangebied Verkeer De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 36 woningen. Hieruit blijkt dat voor wat betreft de woningbouw voldaan wordt aan het Besluit in niet betekende mate.
Hoofdstuk 4
20
Luchtkwaliteit ter plaatse Zoals al eerder vermeld, is er geen sprake van een “gevoelige” bestemming. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de Atlas Leefomgeving (van o.a. ministerie I&M en RIVM), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de concentraties over 2014 van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Uit deze afbeeldingen blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde grenswaarde van 25 en 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.
Figuur 4.1: concentratie fijnstof (PM2,5) 2016 ter plaatste: 11-12 ìg/m³, ruim onder de grenswaarde van 25 ìg/m³
Hoofdstuk 4
21
Figuur 4.2: concentratie fijnstof (PM10) 2016 ter plaatse: 20-21 μg/m³, ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m³
Figuur 4.3: concentratie stikstofdioxide 2016 ter plaatste: tussen 20 - 25 μg/m³, onder de grenswaarde van 40 μg/m³
Conclusie Gezien het feit dat het project onder de Regeling NIBM valt, blijkt dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatste van het planvoornemen ruimschoots aan de gestelde grenswaarden. Het onderdeel Luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat bedrijven hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
22
Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied.
In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Onderzoek Gezien de ligging van het plangebied in de zone van gezoneerd industrieterrein IJmond en in de directe nabijheid van zware industrie is het plangebied aan te merken als gemengd gebied. De planlocatie ligt op ongeveer 250 meter van een energiecentrale. De adviesafstand voor gasgestookte energiecentrales is, in gemengd gebied 300 meter. Aangezien het plangebied omringd is door bestaande woonbebouwing dient er middels maatwerk aangetoond worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. In paragraaf 4.2 is inzichtelijk gemaakt welke effecten de geluidzone heeft op gewenste woningen. Uit deze paragraaf blijkt dat voor de woningen er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. Omgevingsdienst IJmond verwacht geen belemmeringen op het gebied van milieuzonering6.
4.5 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. 5 6
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. Notitie Omgevingsdienst IJmond, Milieuadvies – de Schouw – Velsen Noord, 17 maart 2017
Hoofdstuk 4
23
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Onderzoek In het kader van de bestemmingswijziging is een onderzoek7 uitgevoerd naar de aanwezigheid van ev-relevante risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek uiteengezet. Over de A22 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, het planvoornemen in de nabijheid van de A22 (600 meter). Vanuit de regeling basisnet blijkt dat de PR10-6 contour 0 meter bedraagt. Tevens ligt het plangebied buiten het groepsrisicogebied. De dichtstbijzijnde route met gevaarlijke stoffen over het water is het Noordzeekanaal op 1 kilometer afstand. Het noordzeekanaal heeft een van PR 10-6 Contour van 0 meter. Gezien deze afstand vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. Op circa 300 meter van het planvoornemen is de spoorlijn gelegen. Over deze route worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. De dichtstbijzijnde spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd ligt op circa 11,5 kilometer afstand. In de directe omgeving van het planvoornemen zijn buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 60 meter afstand van het planvoornemen, en valt hiermee buiten het invloed gebied van deze buisleiding (PR 10-6 per jaar= 5 meter). Een nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.
7
BK Bouw- & milieuadvies, Rapport externe veiligheid De Schouw, Bleijenhoevelaan 2, 4 en 6, Velsen, 23 januari 2020
Hoofdstuk 4
24
De LPG inrichting (LPG inrichting: Kuwait Petroleum Nederland B.V. (PM 10-5 25 meter, PM 10-6 45 meter, groepsrisicoverantwoording 150 meter)) ligt op circa 160 meter afstand van het planvoornemen. De afstand tot de nieuwe woningen dient gemeten te worden vanaf de gasopslag, hierdoor ligt het planvoornemen buiten het invloedsgebied. Aan de westkant van het planvoornemen, op circa 165 meter bevindt zich het gasontvangsstation "Hoflaan 1" met een PM 10-6 25 meter. De planlocatie bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen. Conclusie De planlocatie is niet gelegen binnen de risicoafstanden van EV-relevante transportwegen of risicovolle inrichtingen. Er zijn geen nadere onderzoeken naar de externe veiligheid nodig. Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de woningen.
4.6 Ecologie Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Onderzoek Er is door BK Bouw- & milieuadvies een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) gedaan in het plangebied8. Hiermee is een inventarisatie naar eventueel aanwezige beschermde soorten in het plangebied gedaan. Het projectgebied bestaat uit het (voormalige) gebouw met aangrenzend parkachtig gemeente groen, wat goed onderhouden is.
Beschermde plantensoorten worden op basis van het literatuuronderzoek en het huidige gebruik niet verwacht. Het kleine gebouw op de locatie is niet geschikt voor vleermuis verblijfplaatsen. Voor de soortgroep vleermuizen is het plangebied geschikt als foerageergebied. Wegens het ontbreken van geschikte openingen in de bomen en gebouwen op het terrein worden verblijfplaatsen voor vleermuizen niet verwacht. Strikt beschermde soorten worden gezien de ligging en aard van het terrein ook niet verwacht. Uiteraard kan worden verwacht dat enkele algemeen voorkomende beschermde soorten voorkomen binnen het onderzoeksgebied.
8
BK Bouw- & milieuadvies, Quickscan flora en fauna De Schouw, Bleijenhoevelaan 2, 4 en 6 Velsen, 12 juli 2018
Hoofdstuk 4
25
Met betrekking vleermuizen wordt niet verwacht dat belangrijke vliegroutes worden verstoord of zullen verdwijnen. Lichthinder dient voorkomen te worden. Het gebied is geschikt voor de rugstreeppad. Deze soort is echter niet waargenomen tijdens de inventarisatie en is tevens niet waargenomen in Velsen Noord in de afgelopen 5 jaar. Met betrekking tot amfibieën wordt niet verwacht dat naast de algemeen voorkomende soorten de strikt beschermde rugstreeppad voorkomt binnen het plangebied. Verder wordt niet verwacht dat andere strikt beschermde soorten voor zullen komen binnen de projectlocatie, nader onderzoek naar het voorkomen van andere soorten is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Flora en fauna vormt geen belemmering voor het bouwplan.
4.7 Bodem Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Onderzoek Er is in 2017 een verkennend bodemonderzoek verricht in het plangebied9. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het zuidelijk terreindeel enkele matig tot sterke verontreinigen met zink in de bovengrond zijn aangetoond. De exacte aard en omvang van deze verontreiniging(en) is niet in beeld gebracht. In januari 2019 is aanvullend bodemonderzoek gedaan10. Doel van dit aanvullende bodemonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de eerder op de locatie aangetoonde verontreinigingen met zink. De bovengrond ter plaatse van de boringen 038 en 101 (woonerf huisnummer 178) is sterk verontreinigd met de immobiele parameter zink. De sterke zinkverontreiniging is richting het zuiden niet horizontaal afgeperkt tot onder de interventiewaarde. In de overige richtingen is de sterke zinkverontreiniging zowel horizontaal als verticaal afgeperkt tot onder de interventiewaarde.
Aanbevolen wordt om vooruitlopend op de feitelijke (graaf)werkzaamheden de sterke verontreiniging met zink eveneens in zuidelijke richting verder af te perken. Conclusie Ondanks dat de omvang van de sterke verontreiniging nog niet (volledig) in beeld is gebracht, kan worden gesteld dat meer dan 25 m³ grond sterk verontreinigd is, en derhalve sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Derhalve is
9
BK Bouw- & milieuadvies, Verkennend bodemonderzoek Bleyenhoevelaan te Velsen-Noord, 2 mei 2017 BK Bouw- & milieuadvies, Verkennend aanvullend bodemonderzoek Bleyenhoevelaan 2-6, Velsen-Noord, 22 januari 2019
10
Hoofdstuk 4
26
sprake van een saneringsnoodzaak. Er is geen sprake van een actueel (humaantoxicologisch, ecologisch en verspreidings-) risico. Derhalve bestaat vanuit de Wbb geen noodzaak tot spoedeisende sanering. Indien in de sterk verontreinigde grond gewerkt gaat worden dient voor begin van de werkzaamheden een goedgekeurd saneringsplan beschikbaar te zijn, dan wel een melding te zijn gedaan in het kader van het ‘Besluit uniforme saneringen’ (BUS-melding). Er mag niet zonder toestemming van het bevoegd gezag in de sterk verontreinigde grond worden gegraven. Bij saneringswerkzaamheden in verontreinigde grond geldt de Kwalibo-regeling uit het Besluit bodemkwaliteit. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer, onder begeleiding van een BRL SIKB 6000 gecertificeerde milieukundige begeleider.
4.8 Water Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is geconcludeerd dat Nederland zijn waterhuishouding niet op orde heeft. Water dient (in de toekomst) een mede-ordenend principe te worden. In het bestemmingsplan dient daarom aandacht besteed te worden aan water. In het Nationaal waterakkoord, dat gesloten is tussen het Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies, is opgenomen hoe de partijen met water wensen om te gaan. De opgave is te zorgen voor veiligheid en te beschikken over voldoende mogelijkheden voor waterberging ter voorkoming van waterlast, watertekort en het verslechteren van de waterkwaliteit. Als uitvloeisel hiervan is voor ruimtelijke plannen een watertoets verplicht gesteld. De watertoets is het hele proces van adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De uitvoering geschiedt binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water.
De watertoets geeft de inbreng van water een plaats in de procedures over ruimtelijke plannen en besluiten, zoals streek- en bestemmingsplannen, en vormt als het ware een verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. De watertoets heeft een integraal karakter: alle relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen (naast veiligheid en wateroverlast ook waterkwaliteit en verdroging). Uit resultaten van de watertoets blijkt dat overleg met HHNK (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) niet nodig is om te bespreken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen.
Hoofdstuk 4
27
In onderstaande afbeelding is het plan met de beschermingszones van het HHNK opgenomen.
Figuur 4.4: uitsnede beschermingszones HHNK
Peilgebied Het projectgebied is gelegen in het noordwestelijke deel van Velsen- Noord aan de kruising van de Wenkebachstraat en de Grote hout- of Koningstraat. Het plan is gelegen binnen het peilgebied Velsen Noord, op een hoogte van 3,76m boven N.A.P. (AHN.nl 2018) Waterkering Het plangebied ligt binnen minimaal 600 meter van een bestaande waterloop. Bij de Rijk de Waalweg (N197) en de Velserweg ligt een primaire waterkering. Deze waterkering is in de Waterwet opgenomen en vormt een onderdeel van dijkringgebied 13. Gezien de afstand tot het plangebied, is dit geen belemmering voor het plan. Verhard oppervlak De gemeente streeft naar het zoveel mogelijk verwerken van regenwater binnen de perceelgrenzen. Er zijn diverse mogelijkheden om het water vast te houden en/of te verwerken zonder dat dit een extra belasting oplevert voor het oppervlaktewatersysteem. Zolang het water op eigen terrein wordt verwerkt is verdere compensatie in de vorm van het graven van extra oppervlaktewater niet nodig. Indien het hemelwater niet op eigen terrein verwerkt wordt is het graven van extra oppervlaktewater noodzakelijk. In de onderstaande tabel is opgenomen wat de verhardings-, en groenoppervlakte is in de huidige, alsmede in de toekomstige situatie. Voor de parkroute is uitgegaan van een infiltreerbaar pad, zoals aangegeven is in het schetsontwerp.
Hierdoor bedraagt het verhardingscijfer voor dit onderdeel 0 m2.
Hoofdstuk 4
28
bestaand [m2]
nieuw [m2]
bebouwing bestaand
3617
5731
uitgeefbaar terrein (50% verhard)
1511
500
parkroute en verharding
591
Subtotaal – verhard opp. vlak
5.719
6.231
openbaar groen
9623
9323
struiken
439
227
speelplek
61
61
totaal
15842
15842
Uit de berekening blijkt een toename van circa 512 m² verhard oppervlak. Dit is beneden een ontwikkeling van 800 m² verhard oppervlak waardoor compensatie dan ook niet noodzakelijk wordt geacht conform de eis van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Wel biedt het plangebied voldoende mogelijkheden om compensatie op eigen terrein te regelen. Zo kan er een wadi aangelegd worden waar hemelwater tijdelijk naar toe geleid kan worden en bestaat er de mogelijkheid om waterdoorlatende parkeerplaatsen te realiseren. Afvalwater Lozingen van afvalwater kunnen worden ingedeeld in directe en indirecte lozingen. Lozingen op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, kortweg riolering, worden indirecte lozingen genoemd. Hierbij maakt het niet uit of vanuit die riolering al dan niet via een zuivering (bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringsinstallatie) in het milieu wordt geloosd, dus of het een vuilwater- of een schoonwaterriool betreft. De indirecte lozingen vallen onder de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de bouw van woningen en valt onder het Besluit lozing vanuit huishoudens. De woningen worden aangesloten op de gemeentelijke riolering langs de Bleyenhoevelaan. Conclusie Er zijn geen werkzaamheden in de waterkering.
Het verharde oppervlak neemt weliswaar toe, maar dit blijft beneden de door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gestelde 800 m². Vanuit de waterhuishouding is er geen noodzaak tot watercompensatie. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9 Archeologie Toetsingskader Deze paragraaf gaat in op de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als uitvloeisel van het verdrag van Malta wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen bij de voorbereiding van het plan. Belangrijk uitgangspunt van het Verdrag van Malta en het rijksbeleid is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voor gaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Met de Wet op de archeologische monumentenzorg (1 september 2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta geïmplementeerd.