2021-12-01 business case SSV.pdf
Tekst van het document
In het volgende hoofdstuk wordt bekeken of de toename van de bezoekfrequentie bij de beide andere scenario’s en bij de centrumvarianten anders wordt. Achter elke aanname over de ontwikkeling van de bezoekfrequentie aan theaters zit impliciet de veronderstelling dat zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen die zorgen voor een
23 24 25
https://velsen.incijfers.nl/dashboard/bevolking-3 i SSV: “De magie van Velsen - beleidsschets 2012-2015”. Illustratief voor de bezoekersstromen naar podiumkunsten van en naar de gemeente Velsen is het ‘Cultuuronderzoek Metropoolregio Amsterdam (2014, p. 30-32).
Business case Stadsschouwburg Velsen
45
trendbreuk. Het gaat om een normale wijze van voorspellen (ceteris paribus). Dit roept toelichting op, naar aanleiding van de uitwerking van de coronacrisis. De structurele invloed van de coronacrisis op theaterbezoek De coronacrisis wordt vaak uniek verondersteld voor haar impact op onze samenleving. Het is nog niet bekend in hoeverre het gedrag van mensen (bijvoorbeeld voor het bezoek aan theaters en filmtheaters) over enkele jaren werkelijk anders zal zijn geworden dan in de pre-corona periode. Onze samenleving heeft vaker crisissen gehad die invloed uitoefenden op vrijetijdsgedrag, zoals theaterbezoek: zeer kortlopende crisissen (terroristische aanvallen), middellange crisissen (in de 14de eeuw stierf gemiddeld 30% van de bevolking aan de pest; in sommige dorpen stierven 9 op de 10 mensen; de overlevenden waren na deze crisis zeer welvarend) en langlopende crisissen (zoals de 30-jarige oorlog). De algemene les van de impact van deze crisissen is, dat de negatieve impact altijd na afloop van de crisis werd ingelopen.26 De termijn van herstel varieert daarbij, evenals het deel van de samenleving dat door de crisis wordt geïnfecteerd. Dit zal niet anders zijn voor de coronacrisis. Sommige sectoren hebben van de coronacrisis geprofiteerd. Het maatschappelijk saldo van winst en verlies is nog niet bekend.
Even google-len op ‘gevolgen coronacrisis’ levert een rijke buit aan onderzoek op. Het tijdpatroon van het einde van de coronacrisis is ook nog onbekend. De uitwerkingsperiode heeft te maken met de altruïstische instelling van individuen (ben ik bereid mijn vrijheid te beperken ten gunste van het geheel?) en in hoeverre alle individuen adviezen van overheidswege willen en kunnen volgen. Geprojecteerd op theaterbezoek, leidt dit tot korte termijnseffecten aan de vraagkant en aan de aanbodkant van de economie. Verplichte sluitingen en maxima aan het aantal mensen in een specifiek theater en hun onderlinge afstand werden afgekondigd. Daarnaast bestaat er impact aan de aanbodkant van de economie. Houden de exploitanten van schouwburgen (als onderdeel van de zwaar getroffen vrijetijdssector) het vol; hebben ze voldoende reserves en is er een bedrijfseconomische basis voor het herstel van theaterproducenten en toneelgroepen? Aan het eind van dit hoofdstuk komt aan de orde dat SSV in ieder geval niet beschikt over voldoende reserve. Vooralsnog kan de verwachting van de banken worden aangehouden dat het binnen 2 tot 3 jaar uitgewerkt zal zijn. Deze jaren kunnen worden gebruikt om de verbetering van de schouwburgaccommodatie voor te bereiden en bouwkundig uit te voeren.
Ecorys gaat er van uit dat het bezoekgedrag aan theaters van de pre-coronatijd na deze hersteljaren bij de opening van de vernieuwde of nieuwe accommodatie (2025) als vanouds zal zijn en dat er dan (kwantitatief en kwalitatief) voldoende aanbieders van professionele podiumkunstvoorstellingen en van amateurvoorstellingen van lokale makers zullen zijn. Aantal bezoekers professionele en amateur-podiumkunstvoorstellingen 2025-2035 De bevordering van de amateurkunstbeoefening is één van de doelstellingen van zowel het gemeentelijk cultuurbeleid als van het strategisch beleid van de Stadsschouwburg. Daarom is er van uitgegaan dat (1) de verhouding tussen professionele en amateurvoorstellingen van de periode 2013-2019 zal herstellen (75%-25%) en dat (2) zowel het aantal bezoekers van professionele en van amateurvoorstellingen van lokale makers zich in hetzelfde tempo als de groei van de bevolking zullen gaan ontwikkelen. De bezoekfrequentie aan professionele podiumkunstvoorstellingen (dit is iets anders dan de eerder besproken bezoekfrequentie aan alle podiumkunstvoorstellingen!) wordt 0,61 bezoeken per jaar in
26
Zie bijvoorbeeld: https://psychotraumanet.org/nl/maatschappelijke-impact-van-crises-en-rampen-hoe-effecten-van-crisesde-samenleving-veranderen
Business case Stadsschouwburg Velsen
46
2025. Dit is ongeveer 10% meer dan de bezoekfrequentie aan professionele podiumkunstvoorstellingen in 2017 en 208. Ook hier is geen rekening gehouden met eventuele uitgroei in de jaren die volgen op het eerste jaar na realisatie van scenario C.. Uit de administratie van SSV is door Ecorys afgeleid hoeveel mensen in de jaren 2013-2019 gemiddeld zijn gekomen naar een professionele podiumkunstvoorstelling (bijna 400 bezoekers) en naar een amateurvoorstelling van lokale makers (circa 450 bezoekers). Dit zou neerkomen op circa 125 professionele voorstellingen per jaar en circa 40 amateurvoorstellingen per jaar, verspreid over de grote theaterzaal en de kleinere multifunctionele vlakkevloerzaal. Het aantal amateurvoorstellingen is in de periode 2013-2019 van 23 naar 35 per jaar toegenomen. Het aantal professionele voorstellingen nam van 122 naar 107 af. De mogelijkheden om meer voorstellingen te agenderen (waaronder amateurvoorstellingen) was één van de onderwerpen in de stuurgroep van SSV en gemeente in de afgelopen jaren. De belangen van de amateurkunst in Velsen worden behartigd door de overkoepelende ‘Culturele Stichting Velser Gemeenschap’. In samenwerking met deze stichting onderzoekt SSV hoe de schouwburg als uitvoeringsplek de ontwikkeling van de lokale amateurwereld meer kan ondersteunen.
HTC adviseerde in haar rapport om, op basis van twee zalen, tot 120 professionele uitvoeringen en circa 50 amateurvoorstellingen per jaar te komen. SSV werkt op dit moment de toekomstige programmering uit: welke soorten uitvoeringen zullen worden aangeboden in de grote theaterzaal en in de kleinere multifunctionele vlakkevloerzaal? Recette: entreeprijs professionele podiumkunstvoorstellingen De gemiddelde entreeprijs voor professionele podiumkunstvoorstelling was in de vier laatste precoronajaren 2015-2019 gemiddeld € 20,25 per (betalende) bezoeker. In de begroting voor 2022 wordt van € 21,50 uitgegaan. Abonnementen zijn daarbij meegewogen. De € 21,50 vinden wij marktconform, gezien de aard van het programma-aanbod (cabaret brengt bijvoorbeeld meestal meer per bezoeker op dan muziek & concert) en de geboden accommodatie. De prijs is exclusief de besteding in de horeca en exclusief theatertoeslag. Er is geen rekening gehouden met eventueel prijsverschil tussen voorstellingen in beide toekomstige zalen. De prijs valt binnen het bereik van de entreeprijs die de inwoners van Velsen willen betalen (HTC 2020, p. 38-42 en 44). De € 21,50 per bezoeker is geïndexeerd voor prijsinflatie tot 2025 tot € 22,32. Dit bedrag komt overeen met de entreeprijs (exclusief theatertoeslag en btw) die SSV dan verwacht te kunnen realiseren. Elk volgend jaar is de prijs weer geïndexeerd.
Er is geïndexeerd met de prognose van gemiddeld 1,8% prijsinflatie per jaar voor de ontwikkeling van de consumentenprijsindex geharmoniseerd in de meerjarenraming van het Centraal Planbureau (septemberraming 2021). Recette: theatertoeslag professionele podiumkunstvoorstellingen Op de professionele podiumkunstvoorstellingen wordt een theatertoeslag geheven. Dit is een vaste toeslag op de entreeprijs. Oorspronkelijk was de theatertoeslag bedoeld als een kleine bijdrage voor de garderobe en de faciliteiten van het theater. Tegenwoordig worden meer vaste lasten van het theater doorberekend, in verband met reserverings-, administratie en servicekosten. Een groot deel van de recette wordt uitgekeerd aan de organisatie of de persoon die de podiumkunstvoorstelling verzorgd. Dit geldt niet voor de theatertoeslag. In de begrotingen voor 2021 (H2) en 2022 wordt van € 2,29 theatertoeslag per (betalende) bezoeker uitgegaan. Dit bedrag is geïndexeerd op dezelfde wijze als bij de professionele podiumkunstvoorstellingen. Recette: entreeprijs voor amateurvoorstellingen lokale makers In de begroting voor 2022 wordt uitgegaan van een gemiddelde entreeprijs voor amateurvoorstellingen van lokale makers van circa € 12,00 per (betalende) bezoeker. Deze prijs is exclusief
Business case Stadsschouwburg Velsen
47
de bestedingen in de horeca van de schouwburg. Dit bedrag is naar de toekomst toe geïndexeerd op dezelfde wijze als de entreeprijs voor de professionele podiumkunstvoorstellingen. De prijs valt binnen het bereik van de entreeprijs die de inwoners van Velsen willen betalen (HTC 2020, p.45). Haalbaar aantal bezoekers van filmvoorstellingen SSV beschikt nog niet over een harde prognose van het haalbaar aantal bezoekers van filmvoorstellingen, voor de komende jaren. De gemiddelde Nederlander ging in 2019 (het laatste precorona-jaar) 2,2 keer naar de bioscoop.27 Dit gemiddelde geldt voor geheel Nederland, dus zowel voor stedelijke als voor plattelandsgebieden. De bezoekfrequentie is in de laatste 5 jaren (2015-2019) met 3,16% per jaar toegenomen, door de voortdurende investeringen in de branche. Voor de komende 20 jaar verwacht de branche dat deze groeivoet gaat afnemen. Hier is uitgegaan van halvering van de groeivoet voor de jaren tot en met 2035, het einde van de planperiode voor deze berekening. Wij zijn er verder van uitgegaan dat 15-20% van zo berekende haalbaar aantal bezoeken van de inwoners van Velsen aan bioscopen vanaf 2025 zal plaatsvinden in de stadsschouwburg, uitgaande van 3 zalen waarin films kunnen worden vertoond: de grote theaterzaal; de multifunctionele vlakkevloerzaal en een specifieke filmzaal.
Als voor scenario A wordt gekozen wordt over slechts één zaal beschikt, namelijk de grote theaterzaal. In deze situatie wordt het mogelijk logistiek lastig om voldoende filmvoorstellingen te gaan verzorgen oer jaar (gegeven een gemiddeld aantal bezoekers per filmvoorstelling) om het op grond van de rek in de bezoekfrequentie haalbaar aantal bezoekers aan filmvoorstellingen te kunnen faciliteren. Dit in verband met benodigde onderhoudsdagen. De concurrentie in de regio neemt toe. Onlangs is bijvoorbeeld de nieuwe bioscoop in HaarlemSchalkwijk geopend en er gaat nog een groot filmtheater openen in de Koepelgevangenis in Haarlem. Aan de noordzijde van het marktonderzoek is de Cineworld-bioscoop in Beverwijk een serieuze concurrent. Het geprognosticeerde aantal bezoekers aan filmvoorstellingen moet echter haalbaar zijn. Immers: 80-85% van de filmbezoekers blijft naar de concurrerende bioscopen en filmtheaters gaan. Recette: entreeprijs voor filmvoorstellingen Voor de filmvoorstellingen is de prijsindicatie van HTC voor 2020 aangehouden, te weten gemiddeld € 11,50 per (betalende) toeschouwer. Deze prijs valt binnen het bereik van de entreeprijs die de inwoners van Velsen willen betalen (HTC 2020, p. 43). Er wordt een gelijke entreeprijs aangehouden voor commerciële en voor art house films. Dit bedrag vinden wij geen marktconforme entreeprijs. Dit kan inclusief horecabesteding zijn.
De gemiddelde ticketprijs in de Nederlandse bioscopen was in 2020 € 9,04 per bezoeker.28 Abonnementen zijn hierin mee gewogen. Deze prijs is exclusief de bestedingen in de horeca van de schouwburg. De € 9,04 per bezoeker is geïndexeerd op dezelfde wijze als de entreeprijs voor podiumkunstvoorstellingen. Subtotaal prognose recette voorstellingen Figuur 5.2 geeft de recette van de diverse soorten voorstellingen in de periode 2025-2035 weer. Voor het openingsjaar 2025 mag bij scenario C een totale recette op de voorstellingen verwacht worden van circa € 1,8 miljoen. Dit loopt in de daaropvolgende 10 jaren op tot bijna € 2,3 miljoen in 2035. In deze periode neemt de totale recette met een kwart toe (zo’n 2,25% per jaar). Opmerkelijk is het relatief grote belang van de recette van de professionele podiumkunstvoorstellingen. Dit lijkt de centrale drager van de toekomstige exploitatie te worden.
27 28
Jaarverslag 2020 Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters, p. 32 Jaarverslag 2020 Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters, p. 36
Business case Stadsschouwburg Velsen
48
Figuur 5.2 Prognose opbouw recette SSV bij scenario C (2025-2035)
€ 2.500.000 € 2.000.000 € 1.500.000 € 1.000.000 € 500.000 €0 2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
Recette professionele podiumkunstvoorstellingen Theatertoeslag uit professionele podiumkunstvoorstellingen Recette uit amateurvoorstellingen (lokale makers) Recette filmvertoningen
Recette alle voorstellingen Bron: bewerking Ecorys
Het totaal aantal bezoekers aan alle voorstellingen loopt in het openingsjaar en de daarop volgende 10 jaren op van bijna 100.000 bezoekers naar iets meer dan 106.000 bezoekers. Dit is met 0,5 tot 1% per jaar. In het jaarverslag 2018 van de SSV werd gesproken over de doelstelling om in de toekomst circa 100.000 bezoekers te mogen verwelkomen, met een grote theaterzaal en een kleine multifunctionele zaal. Daar is nu ook een tweede filmzaal aan toegevoegd. Geen extra recette uit streaming van voorstellingen naar thuis Zowel voor schouwburgen als bioscopen/filmtheaters wordt nagedacht over en geëxperimenteerd metmogelijkheden om tegen een bepaald tarief op een beeldscherm of televisie thuis te genieten van voorstellingen (pay-tv). De bioscopen en filmtheaters zijn hierbij verder gevorderd dan de schouwburgen. Films kunnen mogelijk zelfs eerder thuis worden bekeken dan in de bioscoop of het filmtheater. Deze dienstverlening is gevoelig voor de concurrentie van steeds meer streamingplatforms, zoals Netflix en Disney+, en van gespecialiseerde platforms, zoals Picle, Sooner, CineMember en Vitamine Cineville voor art house films. Een eigen streamingdienst aanbieden is (zelfs in coronajaren) niet alleen voor een theater maar zelfs ook voor een bioscoop niet evident, mede vanwege de lage abonnementstarieven en de hoge kosten om zo’n dienst te organiseren, al dan niet vanuit de branche.
Daarom wordt geen recette uit streaming van voorstellingen voorzien. 5.1.3 Prognose overige bedrijfsopbrengsten 2025-2035 Naast de recettes, worden enkele andere bronnen van baten tot de bedrijfsomzet van een schouwburg gerekend. In tabel 5.1 worden deze bronnen samen de overige bedrijfsomzet genoemd. Tot de overige bedrijfsomzet worden gerekend de inkomsten uit cultuureducatie; zaalhuur (bestaande uit culturele verhuur en commerciële verhuur); de omzet van de horeca en onderhuur van ruimte. Overige bedrijfsomzet: cultuureducatie Tot de doelstellingen van de SSV en van het gemeentelijk cultuurbeleid behoort het wekken van (blijvende) belangstelling bij de kinderen en jongeren in de gemeente Velsen voor podiumkunst en verwante culturele vormen. Een belangrijke weg om met die groep in contact te komen loopt via het onderwijs. Het aantal activiteiten vanuit cultuureducatie was in 2013 nog bijna 20; enkele jaren later was dit gehalveerd tot circa 10 voorstellingen, maar in het laatste pre-coronajaar werden er weer
Business case Stadsschouwburg Velsen
49
circa 20 educatieve culturele activiteiten verzorgt. In de afgelopen jaren is bij veel scholen in het primair en voortgezet onderwijs met succes de ommezwaai van ‘aanbodgericht’ naar ‘vraaggericht’ aanbod gerealiseerd. Veel scholen wachten niet meer af tot zij een aanbod krijgen, maar gaan actief op pad om culturele activiteiten te aan te kunnen bieden. In eigen huis, maar ook in theaters. Dit werkt ook omgekeerd. Vrijwel elk jaar verzorgt SSV enkele voorstellingen buiten het eigen pand. Na de realisatie van scenario C moet SSV ons inziens circa 15 cultuureducatieve activiteiten per jaar kunnen gaan realiseren. In de jaren 2013-2019 hebben bijna 280 jongeren deelgenomen aan deze activiteiten. Dit aantal activiteiten en dit gemiddeld aantal deelnemers is voor de prognose 2025-2035 aangehouden, taakstellend. Voor de inkomsten uit de cultuureducatieve activiteiten is uitgegaan van gemiddeld € 7,35 per leerling in 2025. Voor 2020-2021 beschikt het onderwijs over € 16,37 per leerling voor culturele activiteiten voor het hele jaar, inclusief € 3,00 voor museumbezoek.29 De € 7,35 is weer geïndexeerd met de prognose van gemiddeld 1,8% prijsinflatie per jaar voor de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (geharmoniseerd) in de meerjarenraming van het Centraal Planbureau (septemberraming 2021).
Overige bedrijfsomzet: zaalhuur (= culturele verhuur en commerciële verhuur) De SSV hanteert, zoals bijna alle schouwburgen, meerdere tarieven voor de zaalhuur van het theater per dag. Het eerste tarief is het commerciële tarief, voor partijen die dit tarief kunnen veroorloven, zoals bedrijven. Daarnaast wordt een sociaal-maatschappelijk tarief en een speciaal tarief voor lokale amateurs gehanteerd. Deze tarieven worden gehanteerd bij maatschappelijke organisaties die het commerciële tarief niet kunnen veroorloven. De Stadsschouwburg maakt verlies op de laatste tarieven. Dit roept voortdurend een dilemma op, zowel bij de betreffende partijen als bij de schouwburg. Veel maatschappelijke partijen (zoals bijvoorbeeld een middelgrote scoutingvereniging met een exploitatie van circa € 5.000 voor het hele jaar) kunnen de lage tarieven ook niet veroorloven. Dit roept voortdurend een dilemma op, zowel bij deze partijen als bij de schouwburg. Aan het eind van het laatste hoofdstuk komen wij hierop terug. (a) Culturele verhuur De activiteiten vanuit culturele verhuur zijn sinds 2016 substantieel geworden. Het gaat om 15 tot 20 activiteiten per jaar, met gemiddeld ongeveer 75 deelnemers. De inkomsten uit de culturele verhuur zijn in de begroting voor 2022 op circa € 19,00 per deelnemer geraamd.
Bij andere theaters in het land registreren wij overigens vaak een iets lager bedrag (2019: circa € 16,50). Het eerste bedrag is weer geïndexeerd naar 2025-2035. SSV wil deze soort activiteiten na de realisatie van scenario C uitbouwen. Gedoeld kan worden op circa 20 activiteiten in het eerste jaar van opening. In de daarop volgende 10 jaren kan dit naar circa 25 activiteiten groeien. SSV realiseert elk jaar een bepaalde inkomst (gemiddeld zo’n € 3.050 per jaar) uit de verhuur van de balletvloer en de verhuur van piano/vleugel (gemiddeld zo’n € 950 per jaar). Deze twee vormen van baten zijn bij de inkomsten van de culturele verhuur geteld. (b) Commerciële verhuur Het aantal activiteiten vanuit commerciële verhuur is in de periode 2013-2019 vrijwel gehalveerd, van circa 40 activiteiten in 2013 tot circa 10 activiteiten in 2019. Het teruglopen van het aantal verhuringen binnen de zakelijke markt is verklaarbaar. Dit is een landelijke trend, waarmee veel schouwburgen de afgelopen jaren te maken hebben. HTC (2020, p. 11) indiceert een relatief dunne markt in het verzorgingsgebied van SSV. Er is in het land en in de regio een grote groei opgetreden van het aantal accommodaties dat zich richt op zakelijk ontmoeten (MICE). Indien de schouwburg
29
https://www.lkca.nl/geldzaken/lumpsum-en-prestatiebox/
Business case Stadsschouwburg Velsen
50
zich beter kan gaan richten op dit veeleisend marktsegment binnen haar verzorgingsgebied, zit er na de realisatie van scenario C toch een herstel in. Wij zijn uitgegaan van 35-40 commerciële activiteiten per jaar in, taakstellend. In de periode 20132019 telden de zakelijke activiteiten gemiddeld circa 250 deelnemers. Ook dit is als taakstellend aangehouden. De inkomsten uit de commerciële verhuur lag in 2019 op circa € 23,50 per deelnemer. Bij andere theaters in het land registreren wij overigens vaak een iets lager bedrag (2019: circa € 15,50). Het verschil zit vooral in het wel of niet meerekenen van horeca-besteding (catering). In de € 23,50 is de horeca-besteding per deelnemer meegerekend. Dit bedrag is weer geïndexeerd naar de periode 2025-2035. Overige bedrijfsomzet: horeca-omzet In tabel 5.1 is aangegeven dat de theaters in Nederland in 2019 circa 12,3% van hun omzet hebben gerealiseerd uit horeca. SSV heeft in dat jaar 10,3% van haar omzet gerealiseerd. Als gekeken wordt het absolute omzetbedrag, lag SSV € 155.000 achter op het groepsgemiddelde. Daarnaast constateert Ecorys dat de horecabesteding per bezoeker van alle voorstellingen moeite heeft om de groei van het aantal bezoekers van de schouwburg bij te houden: de horecabesteding per bezoeker aan alle voorstellingen vertoont op langere termijn een dalende tendens (circa - 25% in 7 jaar tijd).
Deze daling was al ingezet voordat de Stichting Serviceverlening Stadschouwburg Velsen (exploitatie horeca) in 2018 werd ingebracht in de Stichting Stadsschouwburg Velsen. In 2019 werd gemiddeld € 2,69 per bezoeker besteed in de horeca. Het ging om de consumpties voor en na de voorstellingen en tijdens de pauzes, maar ook om andere bestedingen, bijvoorbeeld van mensen die even komen aanlopen, om op het terras te zitten. Dit bedrag is aan de lage kant. De pure horecabesteding voor en na voorstellingen en in de pauzes zat in ons land rond € 2,25 per bezoeker in het laatste precorona-jaar 2019. In de begroting voor 2022 uit de meerjaren-exploitatiebegroting bij de meerjarenvisie van de schouwburg (pre-corona), wordt gerekend met de ambitie om € 4,75 per bezoeker te gaan realiseren. Dit moet haalbaar zijn, uitgaande van de verbetering van de horeca-faciliteiten bij de uitvoering van scenario C. In de VSCD-theaters in middelgrote steden werd in het pre-coronajaar 2019 € 4,42 per bezoeker in de horeca besteed en in alle theaters € 4,99. De € 4,75 komt min of meer overeen met de taakstelling in het advies van BMC in 2017, te weten € 4,15 horecabesteding per bezoeker. De € 4,75 zit hier tussen in. Dit bedrag is geïndexeerd op dezelfde wijze als bij de professionele podiumkunstvoorstellingen. In dit bedrag is eventuele horecatoeslag opgenomen.
In het land wordt voor voorstellingen over het algemeen circa € 2,50 aan horeca-toeslag in rekening gebracht en minder voor jeugdvoorstellingen (€ 1,50). Overige bedrijfsomzet: onderhuur SSV denkt op dit moment aan twee mogelijkheden voor inkomsten uit onderhuur. (a) Onderhuur overige bedrijfsruimte Voor enkele delen van het programma, namelijk de beide dansstudio’s van elk bijna 130 m2 verhuurbare vloeroppervlakte (4 m hoogte) en waarschijnlijk ook de decorwerkplaats van circa 100 m2 vvo (7,5 m hoogte) wordt door SSV overwogen om deze in de toekomst te gaan onderverhuren. Daarvoor wordt gesproken met (lokale) partijen die de exploitatie liever of beter kunnen uitvoeren dan SSV. In de business case is aangenomen dat zowel de ruimte die nu door de architect is geoormerkt als dansstudio’s en als decorwerkplaats worden onderverhuurd. Het toekomstig gebruik hoeft niet perse dansstudio (bijvoorbeeld KunstForm, of wellicht één of meer commerciële lokale dansstudio’s) of decorwerkplaats te zijn. Dit kunnen ook andere activiteiten zijn die aansluiten op de culturele functies.
Business case Stadsschouwburg Velsen
51
Op grond van de huurindicaties die op dit moment gelden voor vergelijkbare bedrijfsruimte, kan voor de onderhuur worden uitgegaan worden van een huurprijs van circa € 155 per m2 vvo per jaar, prijspeil 1-1-2021. Wij hebben deze prijsindicatie geïndexeerd naar de periode 2025-2035. Ook deze prijs is redelijk, mede gezien het gegeven dat er van uitgegaan wordt dat alle nieuwe ruimte wordt ingericht (turn key). Overwogen wordt om de dansstudio’s te gaan onderverhuren aan KunstForm. Dit moet niet, dit kan. Er zijn andere mogelijkheden. Indien onderverhuurd wordt aan KunstForm is het de vraag of KunstForm de te betalen huur per jaar kan opbrengen. Als dit (deels) niet het geval is, kan dit leiden tot een eventuele verhoging van de gemeentelijke subsidie aan KunstForm. Omdat er andere mogelijkheden zijn om de dansstudio’s te onderverhuren, is geen rekening gehouden met dit eventuele subsidie-effect. (b) Onderhuur van werkplekken Daarnaast is SSV voornemens om in de kantoorruimte een aantal werkplekken te gaan onderverhuren, bijvoorbeeld aan ZZP’ers, bijvoorbeeld culturele ondernemers. SSV verwacht dat dit € 45.000 tot € 50.000 per jaar aan onderhuur kan gaan opleveren. Gegeven dat SSV verwacht dat de toekomstige 8 werkplekken permanent verhuurd zullen zijn, in verband met de concrete belangstelling, bij een huur van € 450 per maand per werkplek, zien wij dit als haalbaar.
Geen recht op onderhuur Overigens staat in artikel 6.1 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst dat het aan huurder niet is toegestaan om het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik af te staan. Dit moet worden gewijzigd, voordat de huurder mag gaan onderverhuren. Verwachting overige bedrijfsopbrengsten 2025-2035 De overige bedrijfsomzet vormt samen met de recettes de bronnen voor de bedrijfsomzet (tabel 5.1). In de volgende figuur wordt samengevat hoe overige bedrijfsomzet zich gaat ontwikkelen in de eerste 10 jaar na de oplevering van scenario C, het voorkeursscenario van SSV. Figuur 5.3 Prognose van overige bedrijfsopbrengsten SSV bij scenario C (2025-2035)
€ 1.400.000 € 1.200.000
€ 1.000.000 € 800.000 € 600.000 € 400.000 € 200.000 €0 2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
Culturele educatie
Culturele verhuur
Commerciële verhuur
Horeca-omzet
Onderhuur
Overige bedrijfsopbrengsten
2034
2035
Bron: bewerking Ecorys
Het belang van de horeca-omzet binnen de overige bedrijfsomzet tekent zich af. Voor het openingsjaar 2025 mag bij scenario C circa € 975.000 aan overige bedrijfsopbrengsten worden verwacht, waarvan € 500.000 horeca-omzet. Dit loopt in de daaropvolgende 10 jaren op tot circa €
Business case Stadsschouwburg Velsen
52
1.230.000 in 2035, waarvan € 640.000 horeca-omzet. In deze periode neemt de totale overige bedrijfsopbrengsten iets meer dan een kwart toe (circa 2,35% per jaar). 5.1.4 Prognose overige eigen inkomsten 2025-2035 Naast de recettes en de overige bedrijfsomzet worden de overige eigen inkomsten tot de eigen inkomsten van een theater gerekend. Tot de overige eigen inkomsten behoren in de eerste plaats de schenkingen en sponsoring. Daarnaast worden enkele andere soorten baten tot de overige eigen inkomsten gerekend. Sponsoring en schenkingen 2025-2035 In vergelijking met andere theaters haalt SSV elk jaar relatief veel geld op dat onder de rubriek sponsoring en schenkingen kan worden geplaatst (tabel 4.3). Het is moeilijk om te prognosticeren hoe deze baten zich zullen gaan ontwikkelen in de eerste 10 jaar na de uitvoering van scenario C. De SSV voert een actief beleid ten aanzien van sponsoring en schenkingen. In de business case is uitgegaan van taakstellend € 35.000 per jaar aan sponsoring, advertenties en schenkingen. Dit bedrag werd gemiddeld genomen in de jaren 2013-2019 opgehaald. De advertenties worden bijvoorbeeld geplaatst in de seizoenbrochures. Daarnaast worden lidmaatschapsvormen ontwikkeld, zoals een community en een business club. SSV heeft in de afgelopen jaren een trouwe groep sponsors aan zich weten te binden.
SSV streeft er naar om deze sponsors meerjarig te verbinden, om zo deze inkomsten stabieler te maken en maatwerk te leveren om zo (zover mogelijk en wenselijk) aan te sluiten op belangen van de sponsors. Voor de versterking en uitbreiding van het sponsorbeleid werkt de SSV nauw samen met de in 2012 opgerichte Stichting REX Foundation. Deze stichting heeft als doel de stadsschouwburg te ondersteunen bij het handhaven van haar positie als schouwburg. De REX Foundation is een zelfstandige stichting met ANBI-status, met een eigen bestuur en beleidsplan. De REX-foundation speelt een belangrijke rol bij het opbouwen van een netwerk van (non)profit-organisaties. Via internet wordt, indien de omstandigheden daarom vragen, geld opgehaald (crowd funding). Hiermee is in de business case geen rekening gehouden Verder is het sinds 2018 voor iedereen mogelijk om vriend van SSV te worden. Met een bijdrage van € 25; € 50 of € 100 per jaar van de vrienden wordt de programmering verbreed en wordt de betekenis van SSV op het gebied van talentontwikkeling en amateurkunst vergroot. In 2019 hebben de vrienden in totaal circa € 8.000 overgemaakt. In de business case is voor deze bron van baten uitgegaan van een gefixeerd bedrag per jaar, dat niet wordt geïndexeerd. Hiermee kan dit deel van de business case als voorzichtig worden gezien.
Het gevolg is, dat het aandeel van sponsoring en schenkingen binnen de totale baten in de loop van de periode 2025-2035 afneemt. Andere eigen inkomsten, niet eerder genoemd 2025-2035 Daarnaast worden er andere eigen inkomsten gerealiseerd. Voor de business case zijn de volgende bedragen afgeleid uit de jaarstukken 2013-2019: € 30.750 per jaar aan ordertoeslagen; € 4.000 aan inkomsten uit kaartverkoop voor Stadsschouwburg en Philharmonie Haarlem; € 5.500 aan doorberekende kosten (vanaf 2018) en € 17.500 per jaar aan een verzameling van overige netto-opbrengsten. Deze bedragen zijn overgenomen in de prognose voor 2025-2035. Deze bedragen zijn ook niet geïndexeerd, net als de sponsoring- en schenkingsbedragen.
Business case Stadsschouwburg Velsen
53
Totaal van de haalbare eigen inkomsten 2025-2035 In figuur 5.4 is weergegeven hoe de opbouw van de totale bedrijfsomzet zich in de periode 20252035 kan gaan ontwikkelen. Figuur 5.4 Prognose eigen inkomsten SSV bij scenario C (2025-2035)
€ 4.000.000 € 3.500.000 € 3.000.000 € 2.500.000 € 2.000.000 € 1.500.000 € 1.000.000 € 500.000
€0 2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
Recette alle voorstellingen
Overige bedrijfsopbrengsten
Sponsoring en schenkingen
Andere eigen inkomsten
2034
2035
Eigen inkomsten Bron: bewerking Ecorys
Voor het openingsjaar 2025 mag bij scenario C het totaal van circa € 2,9 miljoen aan eigen inkomsten worden verwacht. Dit loopt in de daaropvolgende 10 jaren op tot circa € 3,6 miljoen in 2035. Voor de splitsing van de recettes wordt verwezen naar figuur 5.2 en voor de splitsing van de overige bedrijfsopbrengsten naar figuur 5.3. De figuur laat duidelijk zien dat de andere eigen inkomsten en de sponsoring ondergeschikt zijn aan de bedrijfsomzet (recettes en overige bedrijfsopbrengsten). 5.1.5 Gemeentelijke en overige subsidies 2025-2035 In het laatste pre-coronajaar 2019 kreeg SSV een gemeentelijke subsidie ter grootte van 37% van alle baten (tabel 5.1). In dat jaar inden de theaters in de middelgrote gemeenten (50.000-100.000) die lid zijn van de VSCD en die subsidie van de gemeente ontvingen, gemiddeld 47% van hun baten aan gemeentelijke subsidie. Wat betreft de verhouding tussen gemeentelijke subsidie en eigen inkomsten, heeft SSV het in het laatste precorona-jaar 2019 het helemaal niet slecht gedaan (tabel 5.1). Dat geldt in principe ook voor de meeste voorafgaande jaren. In de exploitatiebegroting van de schouwburg voor scenario C is geen bedrag ingevuld voor gemeentelijke subsidie. Aan het eind van het volgende hoofdstuk wordt bekeken welk exploitatietekort dan kan worden verwacht, mede in relatie tot de subsidiebehoefte.
SSV heeft in 2013-2019 ook overige subsidie weten aan te trekken, ter grootte van 0,3% van de gemeentelijke subsidie. Voor de jaren 2025-2035 is geen overige subsidie geraamd. 5.1.6 Verwachting totale baten 2025-2035, exclusief gemeentelijke subsidie In tabel 5.2 wordt samengevat hoe de totale baten na de uitvoering van scenario C uit kunnen vallen, in de jaren 2025, 2030 en 2035.
Business case Stadsschouwburg Velsen
54
Tabel 5.2 Toekomstige baten exploitatie scenario C, exclusief gemeentelijke subsidie 2025 2030 Professionele podiumkunstvoorstellingen € 1.186.875 € 1.307.375 Theatertoeslag prof. voorstellingen € 128.450 € 141.475 Amateurvoorstellingen (lokale makers) € 227.900 € 251.050 Filmvoorstellingen € 272.750 € 324.925 Recettes € 1.815.975 € 2.024.825 Culturele educatie € 30.875 € 33.750 Culturele verhuur € 96.025 € 98.725 Commerciële verhuur € 214.225 € 241.300 Horeca-omzet € 499.725 € 563.200 Onderhuur € 134.450 € 147.000 Overige bedrijfsopbrengsten € 975.275 € 1.083.950
2035 € 1.448.050 € 156.700 € 278.075 € 389.200 € 2.272.025 € 36.900 € 121.675 € 271.570 € 639.050 € 160.700 € 1.229.900
Bedrijfsomzet
€ 2.791.245
€ 3.108.775
€ 3.501.925
Sponsoring en schenkingen Andere eigen inkomsten Eigen inkomsten Subsidies Baten exploitatie
€ 35.000 € 57.750 € 2.884.000 PM € 2.884.000
€ 35.000 € 57.750 € 3.201.525 PM € 3.201.525
€ 35.000 € 57.750 € 3.594.675 PM € 3.594.675
Bron: Stadsschouwburg Velsen 2021, bewerking Ecorys
Zeker in vergelijking met het pre-coronajaar 2019 (tabel 5.1) treedt een flinke groei op bij de meeste soorten inkomsten. Dit geldt voor de hoofdstroom van de inkomsten - de recettes - maar ook voor de overige bedrijfsopbrengsten. De inkomsten uit sponsoring en schenkingen blijft achter, ten gevolge van de aannames van Ecorys voor de berekeningen. De subsidie blijft hier vooralsnog een open eind, in te vullen aan het eind van het volgende hoofdstuk.
5.2
Toekomstige lasten jaarlijkse exploitatie scenario C In deze paragraaf wordt langs de parameters voor de lasten van de toekomstige jaarlijkse exploitatie van de Stadsschouwburg gegaan. De volgende raming van de jaarlijkse lasten is ook opgesteld door Ecorys en doorgesproken met SVV. Bij deze prognose is weer onder andere van de analyses van BMC (2017) en van de meerjaren-exploitatiebegroting bij het meerjarenplan van SSV (december 2019, voor corona) uitgegaan. Ook voor deze paragraaf geldt, dat de exploitatie van SSV over de coronajaren 2019 en 2020 niet bruikbaar is als bron voor de afleiding van trends ten behoeve van de prognoses van bepaalde aspecten in deze paragraaf. Daarom zijn enkele delen van de prognose van de jaarlijkse lasten gebaseerd op de ontwikkeling van de baten in de voorafgaande jaren 2013-2019. Tabel 5.3 Vergelijking lasten Stadsschouwburg Velsen en theaters Nederland in 2019 Jaarverslag SSV Theaters NL SSV % 2019 gemidd
Theaters NL %
Voorstellingskosten Inkoopkosten horeca Overige inkoop Inkoopwaarde omzet Directe personeelskosten Overige personeelskosten Personeelskosten Huisvestingslasten Overige bedrijfskosten Overige bedrijfskosten Lasten n.e.g.
€ 902.350 € 91.650 -€ 994.000 € 665.775 € 264.500 € 930.275 € 389.300 -€ 389.300 € 135.850
36,8% 3,7% -40,6% 27,2% 10,8% 38,0% 15,9% -15,9% 5,5%
€ 1.034.275 €0 € 61.300 € 1.095.575 € 809.250 € 227.400 € 1.036.650 €0 € 839.150 € 839.150 € 129.425
33,4% -2,0% 35,3% 26,1% 7,3% 33,4% -27,1% 27,1% 4,2%
Totale lasten exploitatie
€ 2.449.425
100%
€ 3.100.800
100%
Bron: CBS 2021, concept-jaarverslag 2019 Stichting Stadsschouwburg Velsen 2021, bewerking Ecorys
Business case Stadsschouwburg Velsen
55
Kijken we naar de opbouw van de kosten en baten, dan valt onder andere op dat het aandeel van de voorstellingskosten bij SSV iets hoger ligt dan het landelijk gemiddelde (bijna +3,5%). Dit verschil was in het verleden groter: BMC constateerde in 2017 een verschil van +8%. In absolute zin (in euro’s) zijn de directe voorstellingskosten van SSV lager dan in alle theaters van het land. Eenzelfde beeld bestond bij de personeelskosten. De personeelskosten van SSV namen in 2019 een iets hoger aandeel in de lasten in dan bij alle theaters in het land, maar in termen van euro’s was SSV terughoudend. Het aandeel van de personeelskosten van de (groter) VSCD-theaters lag overigens rond de 37% van alle lasten. De huisvestingskosten zijn de in grootte derde kostensoort van de theaters. Het CBS rapporteert de huisvestingslasten van de theaters niet, maar groepeert deze onder de overige bedrijfskosten. Een andere bron geeft wel een indicatie van het aandeel van de huisvestingslasten in de exploitatielasten van theaters, namelijk circa 30%.30 SSV zit met bijna 16% huisvestingslasten aan de lage kant. SSV stak in 2019 (relatief en absoluut) minder geld in de overige bedrijfskosten dan alle theaters gemiddeld. 5.2.1 Voorstellingskosten Tot de directe voorstellingskosten behoren een aantal kostensoorten, die kenmerkend zijn voor theaters en bioscopen.
Vooral bij de gages, uitkoopsommen, partage en afdracht auteursrechten gaat het over vrij grote posten, zowel voor de podiumkunstvoorstellingen als de filmvoorstellingen. Hierbij is het dekkingspercentage relevant, dat wil zeggen: de verhouding tussen de recette en de directe voorstellingskosten. Directe voorstellingskosten podiumkunstvoorstellingen SSV streeft op dit moment en voor de komende jaren naar een taakstellend dekkingspercentage van 115% op professionele podiumkunstvoorstellingen (over recette en theatertoeslag) en van 100% op overige culturele activiteiten, te weten voor de amateurvoorstellingen van lokale makers (kostendekkend), voor de cultuureducatie en voor de culturele verhuur. Dit zijn marktconforme dekkingsgraden voor podiumvoorstellingen. Circa 110% dekkingsgraad op professionele podiumkunstvoorstellingen is ook gangbaar bij de theaters. Bij 115% dekkingsgraad ontstaat er ruimte om (in de loop der jaren) financiële reserves op te bouwen. Voor de professionele podiumkunstvoorstellingen is de partage-afspraak van belang. Dit is de verdeling van de recette over de producent en het theater. Bij professionele podiumkunstvoorstellingen komen 75/25, 80/20, 90/10 voor. De 115% is inclusief impresariaatskosten en inclusief auteursrechten.
SSV heeft in de periode 2013-2019 gemiddeld 8% van de recette (inclusief theatertoeslag) van de podiumkunstvoorstellingen aan auteursrechten betaald. Directe voorstellingskosten filmvertoningen In de laatste begroting voor Q22021 van SSV is uitgegaan van een taakstellend dekkingspercentage van 200% op filmvoorstellingen. In de Nederlandse bioscopen geldt dat de filmhuur ongeveer 40% mag uitmaakt van de recette. De 200% is in dit licht redelijk, voor alle directe voorstellingkosten op de filmvertoningen. De drie taakstellende dekkingsgraden zijn gebruikt voor de prognose van de directe voorstellingskosten voor de periode 2025-2035.
30
VNG en Berenschot: “Corona, cultuur en gemeenten” (2021), p. 11.
Business case Stadsschouwburg Velsen
56
Overige voorstellingskosten Daarnaast kunnen diverse andere, kleine kostensoorten tot de overige voorstellingskosten worden gerekend. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten voor pianohuur/stemmen en de doorbetaling van de ticketprijzen voor Stadsschouwburg Haarlem. SSV heeft in de periode 2013-2019 gemiddeld 1,3% van de directe voorstellingskosten betaald aan overige voorstellingskosten. Dit laatste percentage is als uitgangspunt voor de overige voorstellingskosten voor de periode 20252035 genomen. Figuur 5.5 Prognose voorstellingskosten SSV bij scenario C (2025-2035)
€ 2.500.000
€ 2.000.000
€ 1.500.000
€ 1.000.000
€ 500.000
€0 2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
Voorstellingskosten professionele podiumkunstv. Voorstellingskosten amateurvoorstellingen Voorstellingskosten filmvertoningen Voorstellingskosten culturele educatie Voorstellingskosten culturele verhuur Bron: bewerking Ecorys
De voorstellingskosten 2025-2035 hoeven niet te worden geïndexeerd voor prijsinflatie, omdat de berekening van de voorstellingskosten is gebaseerd op de prognoses voor de recettes en overige inkomsten, die reeds zijn geïndexeerd. 5.2.2 Inkoopkosten exploitatie horeca In 2018 en 2019 bedroegen de inkoopkosten voor de exploitatie horeca gemiddeld in brede zin taakstellend 31,25% van de bruto-horecaomzet. Ongeveer 32,5% is marktconform. Dit laatste percentage is toegepast bij de berekening van de inkoopkosten exploitatie horeca in de in de periode 2025-2035 verwachte lasten, na de realisatie van scenario C. De inrichtingskosten van de horeca zijn meegenomen in de investeringsbegroting. Er wordt daarmee verondersteld dat deze ten laste van de eigenaar, de gemeente, komen. Er is daarom in de exploitatiebegroting geen rekening gehouden met afschrijving op inschrijvingskosten door de huurder, de SSV. De afschrijvingskosten op de investering van de gemeente in inrichtingskosten wordt verrekend in de berekening van de KPDH. 5.2.3 Personeelskosten De personeelskosten maken 35-40% van de exploitatielasten uit. In vergelijking met de schouwburgen in Nederland, geeft SSV een relatief groot deel van haar exploitatielasten uit aan
Business case Stadsschouwburg Velsen
57
personeelslasten, hoewel het absoluut weer over een klein bedrag gaat in vergelijking met andere theaters (tabel 5.1). Directe personeelskosten De vaste personele bezetting in fulltime equivalenten (fte) was in 2020 gemiddeld 12,97 fte (2019: 13,54). Op dit moment wordt werd van 7,8 fte’s uitgegaan, ten gevolge van corona. Volgens de begroting voor 2021 (opgesteld in Q2) wordt dit jaar circa € 492.150 uitgegeven aan arbeidskosten voor vast personeel. Dit komt neer op circa € 63.100 per fte per jaar. Dit bedrag is geen goed uitgangspunt voor de exploitatiebegroting 2025-2035, in verband met de wijzigingen in de personele bezetting die konden en moesten worden doorgevoerd, vanwege corona. Bovendien gaat de verhouding tussen personeelsleden met een hoger en lager inkomen wijzigen, als het team wordt uitgebreid en de samenstelling wordt aangepast met het oog op de exploitatie na de uitvoering van één van de scenario’s of centrumvarianten. Voor het jaar 2025 is gemiddeld € 53.125 aan directe personeelskosten aangenomen. Dit bedrag is door SSV bepaald op basis van haar verwachting van de toekomstige personele inzet bij scenario C (namelijk: circa 28,6 fte) rekening houdend met de schaalindeling CAO Nederlandse podia 2021.
De € 53.125 in 2025 is geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van de geharmoniseerde consumentenprijsindex volgens de prognoses van het Centraal Planbureau naar 2025-2035 (septemberraming 2021). Directe personeelskosten flexibele schil De verhouding full-timers en personeel in loondienst in de (grotere) VSCD-theaters ligt op circa 64% (factor 1,56). Dit afgezien van de vrijwilligers, die geen vergoeding ontvangen. De toekomstige inzet van de flexibele schil maakt deel uit van de formatie van 28,6 fte’s voor scenario C. Directe personeelskosten horeca en filmvertoningen De directe personeelskosten voor de horeca worden vaak gebudgetteerd als een vast percentage van de bruto-horecaomzet bedragen. Dit geldt ook voor de personeelskosten voor filmtheaters. Omdat SSV er van uitgaat, dat de horeca en de filmvertoningen na de uitvoering van scenario C door eigen personeel (vast personeel, flexibele schil) zal worden verzorgd, is van specificatie van de personeelskosten voor het horeca- en filmtheaterpersoneel in de exploitatiebegroting afgezien. SSV is voornemens om de exploitatie van de horeca mede als leerbedrijf te gaan organiseren, waarbij mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt zullen worden ingeschakeld. Overige personeelskosten Daarnaast kennen ook theaters overige personeelskosten.
Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bedrijfsverzekeringen, opleidingen, re-integratiekosten, reiskosten woon-werk, diensten werkkleding, kantine- en sejourkosten en aan de kosten voor de ARBO-dienst en de salarisadministratie. In de periode 2013-2019 bedroeg het totaal van de overige personeelskosten circa 10% van de directe personeelskosten. Dit percentage is marktconform. De 10% is als opslag voor overige personeelskosten genomen voor de prognose van de lasten voor de periode 2025-2035 na de realisatie van scenario C. 5.2.4 Huisvestingslasten voor de huurder BMC (2017, p. 17) wees enkele jaren geleden er nog op dat SSV minder huisvestingslasten betaalde dan andere theaters (- 14%). Dit is sedertdien niet veranderd. Kijken we het aandeel van de huisvestingslasten van SSV ten opzichte van de totale lasten in het laatste pre-coronajaar 2019 (15,9%, tabel 5.5) dan is dat fors lager dan het landelijk gemiddelde van alle theaters (- 30%). Hier kan niet zonder meer uit geconcludeerd worden, dat dit aandeel dus omhoog kan. Het verschil kan immers ‘boekhoudkundig’ van aard zijn, als gevolg van de toerekening van kostensoorten aan
Business case Stadsschouwburg Velsen
58
de twee rubrieken die in deze tabel bij de huisvestingslasten worden onderscheiden, te weten: de huur van het gebouw en de overige huisvestingslasten ten laste van de huurder. Bovendien spelen de communicerende vaten tussen huur, de demarcatie van onderhoudskosten en subsidie. Huur gebouw (= kostprijsdekkende huur) De gemeente is wettelijk verplicht om (ten minste) de kostprijsdekkende huur in rekening te brengen. Daarom is de kostprijsdekkende huur die in het vorige hoofdstuk is berekend voor scenario C ingevuld in de exploitatiebegroting voor dit scenario. Voor de historische ontwikkeling van de door SVV betaalde huur vanaf 2005 wordt naar bijlage 5 verwezen. Overige huisvestingslasten ten laste van de huurder Tot de overige huisvestingslasten worden gerekend de kosten van onderhoud van het gebouw, de technische installatie en het toneel, de kosten voor onderhoudsabonnementen, de verbruikskosten energie, kosten vuilafvoer, kosten schoonmaak en objectlasten in zoverre deze voor rekening van de huurder komen en niet voor rekening van de eigenaar (de gemeente). In de periode 2013-2019 bedroeg het totaal van de overige huisvestingslasten circa 35% van de huur van het gebouw. Dit is veel. Na de verduurzaming van het bestaande gebouw en de realisatie van nieuwbouw (tegen hedendaagse eisen) is een lagere opslag van 20-25% op de huur nodig, voor de jaren 2025-2035.
Recente stijging van energieprijzen De verbruikskosten energie maken deel uit van de overige huisvestingslasten. De sterke recente stijging van de energieprijzen roept de vraag op wat dat betekent voor de exploitatiebegroting van SSV, na de uitvoering van scenario C, dus voor de periode 2025-2035. Energiekosten die variabel zijn ingekocht, zijn gevoelig voor de recente prijsstijging. SVV heeft een variabel contract voor gas en elektriciteit. Dat heeft in de afgelopen jaren geholpen bij het bezuinigen op de energielasten. Vanwege het achterstallige onderhoud zijn de energiekosten relatief hoog. Bij de uitvoering van scenario C worden maatregelen getroffen om het energiegebruik terug te dringen. Energieprijzen fluctueren voortdurend. De ontwikkeling van de energieprijzen in de komende 3 tot 4 jaren is niet bekend. Wij zijn er van uitgegaan dat de energieprijzen weer zullen zijn gedaald op het moment dat scenario C is uitgevoerd. 5.2.5 Overige bedrijfskosten De overige bedrijfskosten maakten in de jaren 2013-2019 tussen de 5% en 10% uit van de optelling van alle voorgaande kostensoorten. In het laatste pre-coronajaar 2019 was het iets meer dan 5%. In de prognose voor de jaren 2025-2035 is met 7,5% opslag gerekend.
Tot de overige bedrijfskosten worden gerekend kantoorkosten (automatisering, telefoon, porto, kantoorbenodigheden); promotiekosten (advertentiekosten, kosten drukwerk, kosten mailings); en algemene kosten (accountant en administratie, kosten representatie, kosten kaartverkoopsysteem). 5.2.6 Verwachting totale lasten 2025-2035 Figuur 4.6 geeft het overzicht over de jaarlijkse exploitatielasten van de toekomstige schouwburg voor het openingsjaar 2025 en de daaropvolgende 10 jaar na de uitvoering van scenario C, het voorkeursscenario van SSV. Het belang van de personeelskosten en de voorstellingskosten komt duidelijk naar voren. De huisvestingslasten slaan minder zwaar door bij de jaarlijkse lasten.
Business case Stadsschouwburg Velsen
59
Figuur 5.6 Prognose totale lasten SSV bij scenario C (2025-2035), exclusief huur gebouw
€ 7.000.000 € 6.000.000 € 5.000.000 € 4.000.000 € 3.000.000 € 2.000.000 € 1.000.000 €0 2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
Voorstellingskosten
Kosten exploitatie horeca
Personeelskosten
Huur
Overige huisvestigingslasten
Overige bedrijfskosten
2034
2035
Som der bedrijfslasten Bron: bewerking Ecorys
In tabel 5.4 wordt samengevat hoe de totale lasten na de uitvoering van scenario C uit gaan vallen in 2025, 2030 en 2035. Tabel 5.4 Toekomstige lasten exploitatie Stadsschouwburg (uitvoering scenario C) 2025 2030 Voorstellingskosten € 1.656.600 € 1.829.775 Kosten exploitatie € 162.400 € 183.025 horeca Overige inkoop €0 €0 Inkoopwaarde omzet € 1.819.000 € 2.012.825 Personeelskosten € 1.672.925 € 1.829.000 Huur gebouw € 819.850 € 897.800 Overige € 188.775 € 206.725 huisvestigingslasten Huisvesting € 1.008.650 € 1.104.525 Overige bedrijfskosten € 335.625 € 368.850 Totale lasten € 4.836.175 € 5.315.225
2035 € 2.053.525 € 207.700 €0 € 2.261.225 € 1.999.650 € 983.150 € 226.375 € 1.209.550 € 407.950 € 5.878.350
Bron: Stadsschouwburg Velsen 2021, bewerking Ecorys
Ten opzichte van de situatie in het pre-coronajaar 2019 (tabel 5.3) treedt bij de lasten (tabel 5.4) een flinke groei op, net als bij de baten (tabel 5.2). In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het exploitatieresultaat dat kan worden verwacht.
5.3
Exploitatieresultaat en eigen vermogen In figuur 5.7 en tabel 5.5 worden de uitkomsten van de berekeningen van de te verwachten baten en lasten van de toekomstige exploitatie van SSV na de realisatie van scenario C vergeleken.
Business case Stadsschouwburg Velsen
60
Figuur 5.7 Prognose exploitatietekort SSV bij scenario C (2025-2035), exclusief subsidie
€ 7.000.000 € 6.000.000 € 5.000.000 € 4.000.000 € 3.000.000 € 2.000.000 € 1.000.000 €0 -€ 1.000.000
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
-€ 2.000.000 -€ 3.000.000 Som der bedrijfsopbrengsten (exclusief subsidie) Som der bedrijfslasten Bedrijfsresultaat volgens jaarrekening Bron: bewerking Ecorys
Gegeven de aannames achter deze prognose, zal er sprake zijn van een structureel exploitatietekort. Hierbij mag niet over het hoofd gezien worden, dat er nog een onbekende in deze exploitatiebegroting zit, te weten de gemeentelijke subsidie. Aan het eind van het volgende hoofdstuk en in de managementsamenvatting wordt overwogen welke subsidie benodigd c.q. wenselijk is na de uitvoering van een van de scenario’s of centrumvarianten. Tabel 5.5 Exploitatietekort exploitatie scenario C in 2025, 2030 en 2035, exclusief subsidie 2025
2030
2035
Som der bedrijfsopbrengsten (exclusief subsidie)
€ 2.884.000
€ 3.201.525
€ 3.594.675
Som der bedrijfslasten
€ 4.836.175
€ 5.315.225
€ 5.878.350
Exploitatietekort
-€ 1.952.175
-€ 2.113.700
-€ 2.283.675
Bron: bewerking Ecorys
In de 10 jaren na het openingsjaar loopt het exploitatietekort op met circa 1,7% per jaar. Dit is mede ten gevolge van het gegeven dat de groei van de opbrengsten in de theaterbranche structureel achterblijft bij die van de kosten. Het management van het theaterbedrijf is vertrouwd met deze trend. Daarom kunnen tijdig mitigerende maatregelen genomen worden, zoals het aantrekken van meer schenkingen en sponsoring; acties die gericht zijn op verhoging van de bezoekfrequentie aan de schouwburg en ingrepen in de organisatie die leiden tot verlaging van variabele kosten. Stadsschouwburg Velsen beschikt niet over voldoende eigen vermogen om een negatieve exploitatietekort op te kunnen vangen in de toekomst. In 2015 besloot het stichtingsbestuur om een continuïteitsreserve aan te leggen ter grootte van de jaarlijkse vaste kosten. Dat is niet gelukt. In 2018 beschikte SSV nog over € 205.000 aan reserves en in 2019 over bijna € 65.000 aan eigen vermogen (reserves). Daarnaast stond circa € 850.000 uit aan kortlopende schulden, met name vooruit ontvangen bedragen voor tickets en abonnementen. In het volgende hoofdstuk wordt de exploitatiebegroting voor scenario C gespecificeerd naar de beide andere scenario’s en naar de drie centrumvarianten.
Business case Stadsschouwburg Velsen
61
6
Specificatie exploitatie scenario’s en varianten
In dit hoofdstuk worden de verwachtingen ten aanzien van de exploitatie gespecificeerd naar de twee andere scenario’s en de beide centrumvarianten. De exploitatiebegroting van scenario C van het vorige hoofdstuk is daarbij het ijkpunt.
6.1
Specificatie exploitatieverwachtingen scenario’s en varianten In deze paragraaf worden de exploitatieverwachting van SSV voor scenario C voor het openingsjaar en voor de 10 daaropvolgende jaren na de uitvoering van het scenario gespecificeerd tot exploitatieverwachtingen voor de beide andere scenario’s en voor de twee centrumvarianten. In figuur 6.1 werd figuur 2.1 herhaald, als geheugensteuntje voor het verschil tussen de scenario’s en varianten. Daaraan werd het basisuitgangspunt van de verschillen in de toekomstige exploitatie van de scenario’s en varianten toegevoegd. Figuur 6.1 Overzicht 3 scenario’s en 2 varianten Stadsschouwburg Velsen Scenario A
Scenario B
Scenario C
huidige locatie
huidige locatie
huidige locatie
•Achterstallig onderhoud •Verduurzamen
•Renovatie bestaand deel •Nieuwbouw nieuwe mf-zaal
•Renovatie bestaan deel •Nieuwbouw nieuwe mf-zaal •Verdere toevoegingen
Exploitatie toekomst: Continuering historische exploitatie
Exploitatie toekomst: Zoals voor scenario C, maar voor minder oppervlakte
Exploitatie toekomst: Zoals in hoofdstuk 4
Centrumvariant 1 (met en zonder
Centrumvariant 2
scenario A)
•Nieuwbouw mf-zaal in centrum •Renovatie schouwburg
•Functies als bij scenario C •Alles nieuwbouw; i.v.m. nieuwbouw wordt gebouw efficiënter dan bij scenario C
Exploitatie toekomst: Dislocatie: 10-15% hogere lasten dan bij scenario B
Exploitatie toekomst: Vrijwel gelijk aan scenario C
Bron: Ecorys 2021
In hoofdstuk 6, paragraaf 1 staan de scenario’s beschreven en staat bij C exploitatie toekomst, zoals in hoofdstuk 4, dit moet hoofdstuk 5 zijn. In blauwe tekst IJkpunt = exploitatiebegroting scenario C De toekomstige exploitatie voor scenario C is in het vorige hoofdstuk uitgewerkt. Deze exploitatiebegroting vormde het ijkpunt voor de afleiding van de exploitatiebegroting van de twee andere scenario’s en voor de twee centrumvarianten. Uitgangspunten exploitatiebegroting scenario A Bij scenario A gaat om het inhalen van achterstallig onderhoud en om het verduurzamen van de faciliteiten. De toekomstige exploitatie per jaar is vrijwel gelijk aan de historische exploitatie. Voor scenario A is voor de volgende aspecten afgeweken van de exploitatiebegroting van scenario C:
Business case Stadsschouwburg Velsen
62
-
taakstellend een wat lagere bezoekfrequentie aan alle podiumkunstvoorstellingen van de inwoners van Velsen bij scenario A (0,69) dan bij scenario (0,82), omdat de schouwburg bij scenario A verder gaat met alleen de grote theaterzaal;
-
niet 15-20% van het op grond van de nationale bezoekfrequentie aan bioscopen en filmtheaters haalbaar aantal bezoekers van filmvoorstellingen, maar de helft daarvan kan worden gefaciliteerd in enige zaal die de schouwburg bij dit scenario behoudt;
-
de helft van de commerciële verhuur (zaalhuur) van scenario C wordt haalbaar verondersteld;
-
geen vloeroppervlakte die wordt onderverhuurd aan verwante voorzieningen;
-
geen onderhuur-inkomsten uit werkplekken;
-
een formatie met 19,0 fte’s om het theater te exploiteren;
-
3.150 m2 bvo in de toekomst, ten behoeve van de huur bij de lasten.
Uitgangspunten exploitatiebegroting scenario B Bij scenario B gaat om het inhalen van achterstallig onderhoud en om het verduurzamen van het bestaande gebouw en om de aanbouw van een nieuwe multifunctionele vlakkevloerzaal. Voor de exploitatie van scenario B is voor de volgende aspecten afgeweken van die van scenario C: -
geen vloeroppervlakte die wordt onderverhuurd aan verwante voorzieningen;
-
geen onderhuur-inkomsten uit werkplekken;
-
een formatie met 23,8 fte’s om het theater te exploiteren;
-
4.105 m2 bvo in de toekomst, ten behoeve van de huur bij de lasten.
Er wordt bij scenario B minder horeca-oppervlakte gebouwd dan bij scenario C. Omdat de raming van de bruto-omzet van de horeca niet afhankelijk is gesteld van de vloeroppervlakte maar van het aantal bezoekers aan podiumkunstvoorstellingen, heeft dit geen gevolgen voor de exploitatie. De omzet wordt dan op minder meters gerealiseerd. Uitgangspunten exploitatiebegroting centrumvariant 1.1 Voor de toekomstige exploitatie van centrumvariant 1.1 is het uitgangspunt dat SSV bij dit scenario over twee gebouwen gaat beschikken: over het huidige, dan gerenoveerde gebouw en over een nieuwe multifunctionele vlakkevloerzaal in het centrumgebied. Bij deze centrumvariant wordt uitgegaan van een formatie met 36,1 fte’s om het theater te exploiteren. Voor de aanpassing van de exploitatiebegroting van scenario B ten behoeve van centrumvariant 1.1 is verder voor het volgende aspect afgeweken van die van scenario B: 3.250 m2 bvo in de toekomst in het bestaande gebouw en 725 m2 in de nieuwe multifunctionele zaal, ten behoeve van de huur bij de lasten. Bij centrumvariant 1.1 gaat de horeca-oppervlakte verdelen over beide locaties. Omdat de raming van de bruto-omzet van de horeca niet afhankelijk is gesteld van de vloeroppervlakte maar van het aantal bezoekers aan podiumkunstvoorstellingen, heeft dit geen gevolgen voor de exploitatie.
Verhoging lasten ten gevolge van dislocatie Bij centrumvariant 1.1 gaan de nadelen van dislocatie optreden. Spreiding over meer gebouwen vermindert de efficiëntie van (kleinere) organisaties. Er moet continue vooraf beoordeeld worden waar welke activiteit gaat plaatsvinden. Overhead neemt toe. Verplaatsing van mensen en materieel drukken op de exploitatie. In het begin gaat veel aandacht uit naar de nieuwste locatie (vaak een nevenlocatie). Later ontstaat de neiging om te concentreren op de hoofdlocatie (de bestaande schouwburg). Meestal komt dislocatie er in kleinere organisaties op neer, dat de nevenlocatie zich niet optimaal ten opzichte van de hoofdlocatie kan ontwikkelen. Dit leidt meestal tot financieel negatieve
Business case Stadsschouwburg Velsen
63
ontwikkelingen, die na enkele jaren de behoefte kunnen oproepen om de locaties organisatorisch te verzelfstandigen. Bij verzelfstandiging van gesubsidieerde organisaties is dubbele bekostiging nodig, die niet perse per saldo goedkoper uitvalt. Na verzelfstandiging pleegt de nevenlocatie zich financieel beter te ontwikkelen dan de hoofdlocatie, waarmee de continuïteit van de hoofdlocatie onder druk kan komen te staan. Er zijn voor dislocatie geen harde openbare ervaringsgetallen bekend ten aanzien van de financiële impact bij aanbieders van podiumkunsten. Voor de baten maakt dislocatie niet significant verschil. Dat is wel het geval voor de lasten. Verwacht kan worden dat de dislocatie al snel leidt tot 5 tot 10% vermindering van de efficiëntie van de toekomstige organisatie. In de exploitatieramingen voor centrumvariant 1 zijn de lasten met het midden van deze marge verhoogd. Deze marge is een globale schatting van het effect van dislocatie op de toekomstige lasten bij deze variant. Uitgangspunten exploitatiebegroting centrumvariant 1.2 Het inleveren van de huidige theaterzaal (> 700 stoelen) voor een multifunctionele vlakkevloerzaal (200-250 stoelen) leidt tot een vermindering van de activiteiten. De aantrekkelijkheid van het theater voor professionele gezelschappen neemt af. De vlakkevloerzaal is weinig geschikt voor filmvoorstellingen.
Wij zijn van de volgende wijzigingen t.o.v. centrumvariant 1.1 uitgegaan: -
circa 150 professionele voorstellingen per jaar met gemiddeld 120 toeschouwers en met circa € 14 entreebedrag gemiddeld;
-
circa 40 amateurvoorstellingen per jaar met gemiddeld 40 toeschouwers;
-
geen filmvoorstellingen;
-
de helft van de activiteiten cultuureducatie, culturele verhuur en commerciële verhuur met gemiddeld 225 deelnemers per activiteit;
-
circa 20% minder horeca-omzet per bezoeker;
-
halvering van sponsoring en schenkingen;
-
geen andere eigen inkomsten meer;
-
een formatie met 19,3 fte’s om het theater te exploiteren.
Uitgangspunt exploitatiebegroting centrumvariant 2 Voor centrumvariant 2 is van gelijke exploitatieramingen uitgegaan als voor scenario C. Dat is mogelijk, omdat de afschrijvingen op de investeringen apart worden verrekend bij de berekening van de KPDH in de volgende paragraaf. De aanpassing van het aantal m2 bvo in het rekenmodel leidde niet tot verandering van de ramingen van baten en lasten. Ook leidt de hogere efficiëntie van het ontwerp ten opzichte van de bestaande schouwburg niet tot vermindering van bijvoorbeeld het aantal m2 bvo vloeroppervlakte die wordt onderverhuurd en op de horeca-oppervlakte. Bij deze centrumvariant wordt uitgegaan van een formatie met 28,6 fte’s om het theater te exploiteren.
6.2
Het exploitatietekort 2025-2035 en subsidiering De uit de bovenstaande uitgangspunten voortkomende uitkomsten voor het exploitatietekort van de diverse scenario’s en centrumvarianten zijn samengevat in tabel 6.1.