201021 - GRO Nic Beetslaan versie 2.1
Tekst van het document
Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.5) de NIBMrekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. figuur 14. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 25 augustus 2020)
In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentraties voor een bepaald jaar zijn ter plaatse van een projectgebied. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van een planlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 29
De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 31 maart 2020) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 18,0 µg/m3, van fijnstof PM10 19,4 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,8 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3. De maximale bijdrage van het extra verkeer is niet van zodanige omvang dat de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide de grenswaarden overschrijden. tabel : Achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Jaar
GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 15870567 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)
2020
18,0
19,4
10,8
Grenswaarden
40
40
25
4.9.3 Conclusie Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
4.10
Natuur
4.10.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de Regeling PAS (Programmatische aanpak Stikstof) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden, en kan al sprake zijn van een negatief effect op het moment dat de rekenresultaten meer depositie dan 0,00 mol/ha/jr weergeven. Natuurnetwerk Nederland Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 30
Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. 4.10.2 Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door EcoTierra in oktober 2019 een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden en een nader vleermuizenonderzoek in de periode meiseptember 2020. De rapportages zijn bijgevoegd in de bijlagen (bijlage 3 en 4) bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten zijn hieronder per onderdeel integraal overgenomen. Soortenbescherming Quickscan Er zijn tijdens het veldbezoek uit de quickscan geen beschermde planten, jaarrond beschermde nesten van vogels of concrete beschermde verblijfplaatsen/ exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde soorten waargenomen. Echter, vaste verblijfplaatsen van vleermuizen konden in het te slopen gebouw niet worden uitgesloten. De beoogde sloop kan tot gevolg hebben dat verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Dit is niet toegestaan bij de wet natuurbescherming. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied voor vleermuizen of vogels. Er wordt door algemeen voorkomende soorten (zonder jaarrond beschermd nest) gebroed binnen het plangebied.
Zo is er een oud duivennest aanwezig in een van de bomen. Nader onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan kon worden geconcludeerd dat in de onderzochte situatie procedurele gevolgen vooralsnog niet zijn uit te sluiten. Er dient een nader onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden bij het gebouw en de mogelijk te kappen/ snoeien bomen met holtes. Dit onderzoek is in de periode mei tot september van 2020 uitgevoerd. Op basis van het nadere onderzoek is beoordeeld of er procedurele gevolgen zijn betreffende de vigerende (natuur)wetgeving. De conclusies van dit onderzoek worden hieronder weergegeven: Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen vastgesteld; Er zullen door de beoogde ingrepen geen vaste verblijfplaatsen verloren gaan; Door de ingreep zal geen significant foerageergebied verloren gaan. Tevens zullen geen vliegroutes worden aangetast. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie hanteert geen externe werking als het gaat om het NNN, de Nee-tenzij toets is derhalve niet aan de orde. Het plangebied betreft tevens geen weidevogelgebied of een ander gebied dat is beschermd overeenkomstig het provinciale natuurbeleid. Dergelijk beschermd gebied zal derhalve niet verloren gaan of aangetast worden.
Het plangebied is gelegen nabij het Natura2000-gebied ’Kennemerland-Zuid’. Door de aard van de ingreep (het amoveren van de aanwezige opstallen ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen) en de tussenliggende gebouwen en infrastructuur is er geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) te verwachten op soorten die voor het nabijgelegen Natura2000-gebied zijn aangewezen. Verdere toetsing aangaande soorten wordt niet noodzakelijk geacht. Er worden in het kader van de voorgenomen ingrepen mogelijk enkele bomen gekapt. Aangezien deze bomen op eigen terrein staan en geen onderdeel uitmaken van ‘houtopstanden’ in het kader van de Wet natuurbescherming, is de wet niet van toepassing op de bestaande en te kappen bomen binnen het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 31
Stikstofberekening Wel is er in het kader van mogelijke stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ een stikstofberekening uitgevoerd. Scholz Groep heeft deze berekening in mei 2020 uitgevoerd (zie bijlage 5). De conclusies zijn hieronder integraal weergegeven. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een berekening met de AERIUS Calculator (2019A) uitgevoerd, welke geen rekening meer houdt met de vrijstellingen in het voormalige PAS. Op grond van de berekende stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase dient per relevant stikstofgevoelig habitattype beoordeeld te worden wat de mogelijke gevolgen zijn van de toename van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen. Er is in de gebruiksfase van de planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden. Ook voor de aanlegfase geldt dat hier geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar is. Hierbij is wel rekening gehouden met een gepaste bouwmethodiek en inzet van mobiele elektrische torenkranen. De initiatiefnemer gaat deze methodiek en inzet ook daadwerkelijk toepassen om in de uitvoering geen toename van stikstofdepositie te genereren. 4.10.3
Conclusie
Ten aanzien van de soortenbescherming kan geconcludeerd worden dat er geen verblijfsplaatsen van vleermuizen worden verstoord en het foerageergebied niet verloren gaat. Op basis van de stikstofberekeningen kan geconcludeerd worden dat het project niet leidt tot significant negatieve effecten op het gebied van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Het aspect natuur staat de uitvoering van het project niet in de weg.
4.11
Bodem
4.11.1 Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. 4.11.2 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Adverbo. De rapportage d.d. 11 februari 2020 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de gemiddelde milieukundige kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) voor het verkrijgen van een Omgevingsvergunning voor de bouw van woningen.
De resultaten van het onderzoek zijn als volgt: In het opgeboorde materiaal zijn bodemvreemde bijmengingen in de vorm van metaal (sporen tot resten) aangetroffen;
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 32
Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn geen asbest(verdachte) materialen aangetroffen. De onderzoekslocatie is als niet asbestverdacht beschouwd, asbestonderzoek heeft niet plaatsgevonden; De grondwaterspiegel is op een diepte van circa 1,05 m-mv. aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten; In de grond zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aan zink en PCB aangetoond; Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de grond beoordeeld als ‘altijd toepasbaar’.
Samenvattend wordt geconcludeerd dat de grond ten hoogste licht verhoogde gehalten zink en PCB bevat. Nader onderzoek wordt op basis van de resultaten uit voorliggend onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.11.3 Conclusie De resultaten uit voorliggend onderzoek vormen op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering voor de herontwikkeling van de locatie en beoogde bouw van woningen.
4.12 4.12.1
(Vormvrije) m.e.r-beoordeling Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. 4.12.2
Relatie tot ontwikkeling
De ontwikkeling omvat de realisatie van 16 woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie en m.e.r.-beoordelingsbesluit Ten behoeve van de ontwikkeling is door Scholz Groep een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 33
met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De conclusie is dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten en dat een m.e.r. beoordeling niet nodig is. Op basis van de aanmeldnotitie en deze conclusie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 34
5
Beschrijving uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Nicolaas Beetslaan te Driehuis wordt een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Velsen en ontwikkelaar. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
5.2 5.2.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie
Vooruitlopend op de te doorlopen procedures is op 10 februari 2020 door Scholz Groep een informatie avond georganiseerd voor de ontwikkeling van de gronden van “Het Witte Huis’’ aan de Nicolaas Beetslaan 5-7 te Driehuis. Hierin zijn de direct omwonenden uitgenodigd middels een brief, en enkele per e-mail. Hiermee hebben we ongeveer 130 personen bereikt, wat resulteerde in een opkomst van circa 70 man. Tijdens deze avond hebben de aanwezigen positieve punten en verbeterpunten aangegeven. Dit is gedocumenteerd (zie bijlage 7) en heeft geleid tot het voorliggende plan. 5.2.2
Planologische procedure
Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 35
6
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
De initiatiefnemer heeft als doel de bestaande opstallen (voormalig Witte huis) te slopen en hiervoor in de plaats 16 woningen te realiseren. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 36
Bijlage
Archeologisch onderzoek
Bijlage
Akoestisch onderzoek
Bijlage
Quickscan flora en fauna
Bijlage
Nader vleermuisonderzoek
Bijlage
Stikstofberekening
Bijlage
Bodemonderzoek
Bijlage
Aanmeldnotitie m.e.r.
Bijlage
Participatiedocument