201021 - GRO Nic Beetslaan versie 2.1
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PROJECT
Nicolaas Beetslaan Driehuis
STATUS
Versie 2.1
PROJECTNUMMER
19345
DATUM
21 oktober 2020
AUTEUR
drs. I.M. Dias
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
pagina 5
2
Projectbeschrijving 2.1 Projectlocatie 2.2 Projectplan 2.3 Vigerend bestemmingsplan
6 6 6 10
3
Ruimtelijk beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening / Omgevingsverordening 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Velsen 2025 3.3.2 Woonvisie Velsen 2040
12 12 12 12 12 13 13 13 14 14 15
4
Omgevingsaspecten 4.1 Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking 4.1.1 Algemeen 4.1.2 Relatie tot ontwikkeling 4.1.3 Conclusie 4.2 Verkeer en parkeren 4.2.1 Algemeen 4.2.2 Relatie tot ontwikkeling 4.2.3 Conclusie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Algemeen 4.3.2 Archeologie in relatie tot ontwikkeling 4.3.3 Cultuurhistorie in relatie tot ontwikkeling 4.3.4 Conclusie 4.4 Water 4.4.1 Algemeen 4.4.2 Relatie tot ontwikkeling 4.4.3 Conclusie 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Algemeen 4.5.2 Relatie tot ontwikkeling 4.5.3 Conclusie 4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Algemeen 4.6.2 Relatie tot ontwikkeling 4.6.3 Conclusie 4.7 Geluid 4.7.1 Algemeen 4.7.2 Relatie tot ontwikkeling 4.7.3 Conclusie 4.8 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) 4.8.1 Algemeen 4.8.2 Relatie tot ontwikkeling 4.8.3 Conclusie
18 18 18 18 18 18 18 19 21 21 21 22 22 22 22 22 23 23 23 23 24 24 25 25 25 26 26 26 27 27 27 27 28 28
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 3
5
6
4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Algemeen 4.9.2 Relatie tot ontwikkeling 4.9.3 Conclusie 4.10 Natuur 4.10.1 Algemeen 4.10.2 Relatie tot ontwikkeling 4.10.3 Conclusie 4.11 Bodem 4.11.1 Algemeen 4.11.2 Relatie tot ontwikkeling 4.11.3 Conclusie 4.12 (Vormvrije) m.e.r-beoordeling 4.12.1 Algemeen 4.12.2 Relatie tot ontwikkeling
28 28 29 30 30 30 31 32 32 32 32 33 33 33 33
Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Participatie 5.2.2 Planologische procedure
35 35 35 35 35
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
36
Bijlagen Archeologisch onderzoek Akoestisch onderzoek Quickscan flora en fauna Nader vleermuisonderzoek Stikstofberekening Bodemonderzoek Aanmeldnotitie m.e.r. Participatiedocument
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 4
1
Inleiding
In opdracht van Middenduin Project BV heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van 16 woningen ter plaatse van de Nicolaas Beetslaan 5-7 te Driehuis. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 5
2
Projectbeschrijving
2.1
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen aan de Nicolaas Beetslaan 5-7 te Driehuis. Aan de Nicolaas Beetslaan staat opstallen van de voormalige vestiging van Kenter Jeugdhulp. Het betreft hier een gebouw met een footprint van 420m² verdeeld over 2 delen aan de Nicolaas Beetslaan nummer 5 en nummer 7. De tuinen lopen rondom en zijn aan de achterzijde voorzien van bergingen (ca. 140m²). Het object is gelegen op een kavel van ca. 2.690m². figuur 1. luchtfoto projectlocatie
2.2
Projectplan
Het doel is om de bestaande gebouwen op de locatie te slopen en hiervoor in totaal 16 nieuwe woningen te realiseren. De 16 woningen worden onder verdeeld in: zes twee-onder-één kap woningen; zes sociale huurappartementen; vier rijwoningen. De twee-onder-één kap woningen krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de overige woningen worden parkeerplaatsen gerealiseerd in de openbare ruimte op maaiveld in een parkeerhof. Achtergrond In 2017 heeft Middelduin Project BV “Het Witte huis” aangekocht. De gemeente Velsen heeft ingestemd met de ontwikkeling van deze gronden gelegen in het centrum van Driehuis en hiervoor een aantal uitgangspunten voor opgesteld. In samenspraak met de gemeente Velsen zijn vanuit deze uitgangspunten de mogelijkheden voor ontwikkeling van het gebied verkend, waarbij tevens het karakter van het nieuwe woongebied is bepaald. Hiertoe zijn als vertrekpunt door Middenduin Project BV ontwikkeling in
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 6
samenwerking met architect Peter van Duyn vier stedenbouwkundige modellen opgesteld, met elk een eigen invalshoek. De sterke punten van deze vier stedenbouwkundige modellen zijn samen met de gemeente gevormd tot het huidige plan. Identiteit Binnen de opgegeven stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente is de verdieping gezocht in de compleetheid en maatvoering van het stedenbouwkundige model. Het is voor de locatie van belang om de aanwezige bomen daar waar de kwaliteit hoog is, te behouden. De grondgebonden woningen sluiten aan bij de uitgangspunten en worden in kapvorm gespecificeerd om de toegang tot de achterliggende woningen zo vriendelijk mogelijk vorm te geven en de massa’s aan te laten sluiten op de Nicolaas Beetslaan en het Anna Kaulbachhof. Door de kap te draaien en de goot naar beneden te trekken ontstaat er meer ruimte ter plaatsen van de toegang. De woningen langs de Nicolaas Beetslaan zijn hierop georiënteerd en hebben middels een langskap aansluiting met de aanliggende bebouwing. Op het binnenterrein vindt een schaalverkleining plaats om zo aan te sluiten bij de bestaande bebouwing van de Anna van Kaulbachhof. Bovendien wordt de nieuw te realiseren openbare ruimte verbonden met het Kaulbachhof. figuur 2. Situatietekening toekomst (bron: Scholz Groep)
Rondom de achterliggende kastanjeboom ligt een creatieve ontwerpopgave om afwijkend van de grondgebonden woningen invulling te geven aan andere woondoelgroepen. Het ontwerp van het gebouw en de kastanje moeten elkaar uiteindelijk versterken. Er ontstaan hier twee soortgelijke blokken om de kastanje heen welke ieder ruimte geven aan 4x een beukmaat van 3,6m1 die op verschillende manieren
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 7
ingevuld kunnen worden. De voorste 4 beuken zullen benut worden voor appartementen en de achterste vier als grondgebonden woningen. De overgangen van erf/tuin van de woningen naar de openbare ruimte worden met hagen vormgegeven. Deze groene erfafscheidingen zorgen samen met het behoud van de waardevolle bomen voor een sfeervolle en groene leefomgeving. figuur 3. impressie toekomstige situatie
figuur 4. impressies toekomstige situatie
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 8
Duurzaamheid Groen Het groen heeft een prominente rol in het plangebied, omdat het behouden en goed inpassen van bomen en overig kwalitatief groen in een woonomgeving bijdraagt aan: Een kwalitatieve en prettige woonomgeving; De waterhuishouding; Een gezond leefklimaat; De Instandhouding van biodiversiteit en fauna; De reductie van hittestress. Natuur In het plan wordt er rekening gehouden met de aanwezige fauna door ‘natuurinclusief’ te bouwen. Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt dat een bouwwerk bijdraagt aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. figuur 5. impressie toekomstige situatie parkeerhof en groen
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 9
2.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Driehuis en Velsen-Zuid” vigerend. Dit plan is op 20 januari 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Velsen. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’. Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden met een bouwhoogte van 6 meter. Figuur 6 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. figuur 6. uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 18 maart 2020)
Artikel 12: Maatschappelijk (M) 12.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding: b. “begraafplaats”, is tevens een begraafplaats toegestaan c. “te bebouwen erven”, is het bebouwbaar erf behorende bij het perceel gelegen met de daarbijbehorende: d. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; f. groenvoorzieningen; g. parkeervoorzieningen; h. speelvoorzieningen; i. wegen en paden 12.2 Bouwvoorschriften Voor het bouwen op de gronden ten behoeve van de bestemming gelden de volgende bepalingen, tenzij op de plankaart anders is aangeduid: 12.2.1 Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; b. de goot (-of boeibord)hoogte van een gebouw mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen; c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen;
Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van 16 woningen is op een drietal onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: Woningen passen niet binnen de bestemming Maatschappelijk; De woningen worden voor een deel buiten het bouwvlak gerealiseerd;
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 10
De woningen overschrijden de maximum bouwhoogte.
Paraplubestemmingsplan parkeren Velsen Naast het bestemmingsplan “Driehuis en Velsen-Zuid” geldt op deze locatie tevens het “Paraplubestemmingsplan parkeren Velsen“. Dit parapluplan is op 28 juni 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van Velsen. In dit bestemmingsplan zijn de parkeerbeleidsregels vastgelegd waaraan getoetst moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. In paragraaf 4.5 wordt dit project getoetst aan de beleidsregels uit dit bestemmingsplan. Om de eerder genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 11
3
Ruimtelijk beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, vastgesteld 13 maart 2012) is een structuurvisie van het Rijk, waarin zij ambities schetst voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. De SVIR bundelt alle infrastructurele en ruimtelijke onderwerpen in één structuurvisie voor Nederland. Met de SVIR is een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het Rijk in de eerste plaats verantwoordelijkheden over heeft gedragen aan provincies, gemeenten en waterschappen. Op die manier is de decentralisatie ingezet en brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat. Het Rijk zit daarmee zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel. Door te kiezen voor de selectieve inzet van het Rijksbeleid op 13 nationale belangen, krijgt de overheid de ruimte om haar hoofddoelstelling na te streven: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Die nationale belangen betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Verder blijft het Rijk uiteraard verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Het gaat om het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot ontwikkeling Geen van de dertien nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 12
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. Relatie tot ontwikkeling In de eerste fase van de omgevingsvisie, zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte.
Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af. De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en er wordt voorzien in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening / Omgevingsverordening De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland.
Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening is op dit moment nog in procedure en is derhalve nog niet van kracht. Naar verwachting wordt de
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 13
Omgevingsverordening op 22 oktober vastgesteld door Provinciale Staten. Dit biedt inzage in de onderwerpen die zullen worden geregeld in de toekomstige Omgevingsverordening. Omdat de Omgevingsverordening nog niet van kracht is, is op dit moment nog de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vigerend. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. De gewijzigde PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden. De regels gaan onder andere over stedelijke ontwikkeling in het buitengebied en de daaraan te stellen ruimtelijke kwaliteitseisen, de Ruimte voor Ruimte-regeling en de mogelijkheden voor verbrede landbouw. Deze regels zijn overigens in de nieuwe Omgevingsverordening opnieuw opgenomen en vrijwel ongewijzigd. Uitgangspunt is dat stedelijke ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de in de regio gemaakte afspraken en dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet zondermeer mogelijk zijn. De focus ligt op de bescherming van het landelijke grondgebied binnen de provincie. Relatie tot ontwikkeling De genoemde onderwerpen zijn voor voorliggend project niet aan de orde, omdat de projectlocatie onderdeel uit maakt het ‘Bestaand Bebouwd Gebied’ op basis van de PRV. Wel relevant voor de beoogde ontwikkeling is het bepaalde ten aanzien van nieuwe stedelijke ontwikkeling, hetgeen geldt voor het gehele provinciale grondgebied.
Artikel 5a van de PRV geeft aan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in overeenstemming dient te zijn met binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken daaromtrent. Gelet op de aard van de ontwikkeling zijn regionale afspraken ten aanzien van woningbouw relevant. Hierop wordt ingegaan in paragraaf 3.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Kortheidshalve wordt hier vermeld dat de ontwikkeling past binnen de regionale visie ten aanzien van woningbouw en het daarin opgenomen woningbouwprogramma. Een toets aan de nog vast te stellen Omgevingsverordening levert, gezien het feit dat de projectlocatie niet in het landelijk gebied ligt en in overeenstemming is met de in de regio gemaakte woningbouwafspraken, geen andere conclusie op dan dat het initiatief in overeenstemming is met de regels uit de verordening. Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de PRV en nieuwe Omgevingsverordening wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Velsen 2025 De structuurvisie Velsen 2025 is de integrale visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie moet niet worden gezien als een blauwdruk voor de toekomst, maar als een kompas waarmee de gemeente de koers bepaalt. De structuurvisie zet de stip op de horizon in 2040, toont de ruimtelijke vertaling tot 2025 en laat de uitvoering zien in een uitvoeringsprogramma. Verder is de structuurvisie niet alleen een toetssteen maar vooral ook een inspiratiebron voor nieuwe initiatieven. Velsen is door de strategische ligging en meerdere samenwerkingsverbanden verknoopt met een zeer sterke regio. Binnen de MRA neemt Velsen een bijzondere positie in. Dit geldt zeker voor IJmuiden, dat met de zeesluis in het Noordzeekanaal, de poort van Amsterdam vormt. De structuurvisie spreekt zich uit over de (gewenste) kernkwaliteiten van de gemeente. Daarbij gaat het vooral om die kwaliteiten die van ‘metropolitaan’ niveau zijn en dus ook iets toevoegen aan de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Het is belangrijk om die kwaliteiten aan elkaar te koppelen door goede verbindingen. De structuurvisie legt ook de verbinding met de regio, met mensen en met verleden en toekomst.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 14
De metropolitane functies onderscheiden Velsen van de rest van de MRA. Zodoende zijn ze de basisingrediënten waarmee de bestaande kernkwaliteiten van Velsen kunnen worden omschreven. De volgende vijf kernkwaliteiten zijn onderscheiden. Velsen is de nautische toegangspoort; Velsen is de slimme werkplaats/techport; Velsen is het nationaal park; Velsen is het actieve landschap; Velsen is de duinstad & landgoed. Het ruimtelijk raamwerk zet de te behouden/versterken kernkwaliteiten en de te verbeteren onderlinge verbindingen op de kaart en toont de gewenste ontwikkelrichting voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente. Het ruimtelijk raamwerk laat de ‘stip op de horizon’ zien waar de gemeente naar toe wil, op weg naar 2040. Relatie tot ontwikkeling De belangrijkste ambitie voor Driehuis is op het gebied van voorzieningen en leefbaarheid. In de Structuurvisie wordt gestreefd naar het behoud van adequate voorzieningen in of in de nabijheid van de dorpen, met IJmuiden als hoofdvoorzieningencentrum. Met de transformatie van het voormalige Witte Huis naar 16 woningen wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid in de wijk en wordt draagvlak voor de aanwezige voorzieningen toegevoegd. Conclusie De herontwikkeling van de locatie naar woningbouw past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.
3.3.2 Woonvisie Velsen 2040 De afgelopen jaren is er veel veranderd op de woningmarkt, zowel lokaal als regionaal, waardoor het huidige woonbeleid niet meer aansluit bij de ambities van Velsen. De gemeenteraad van Velsen heeft in haar vergadering van 30 januari 2020 de Woonvisie Velsen 2040 vastgesteld. Met de Woonvisie Velsen 2040 wordt de eerste stap gezet om de Velser woonkwaliteit te versterken en te borgen, de woningvoorraad betaalbaar en beschikbaar te houden, het thema wonen en zorg nog beter op elkaar af te stemmen en duurzaamheidsmaatregelen te borgen in het woonbeleid. Dit doet de gemeente door onder andere een gewijzigd nieuwbouwprogramma vast te stellen, ruimte te geven aan bewonersinitiatieven en nieuwe woonvormen, meer eisen te stellen aan duurzaamheid bij nieuwbouw en te sturen op meer differentiatie in de woningvoorraad. De voorgestelde wijzigingen in het woonbeleid zullen in de Woonagenda’s en Prestatieafspraken met de woningcorporaties verder geconcretiseerd worden. De druk op de woningmarkt in de MRA is momenteel enorm hoog. Vanuit Amsterdam worden woningzoekenden naar de randen van de regio gedrukt. Door stijgende huizenprijzen, vooral in Amsterdam en Haarlem, komt een versterkte verhuisbeweging richting de rest van de regio op gang. Ook in Velsen is dit merkbaar en dit zal naar verwachting nog verder toenemen.
De nieuwbouwproductie in de MRA ligt als gevolg hiervan onder een vergrootglas en het (al bestaande) woningtekort loopt gestaag op als er niet snel meer woningen worden gebouwd. De woningbehoefte in de MRA is gesteld op 230.000 woningen tot 2040. Het aandeel van Velsen hierin is een toevoeging van 1.900 woningen tot 2030. Op basis van de nu bekende plancapaciteit en rekening houdend met planuitval heeft Velsen precies voldoende plannen om aan de berekende behoefte te voldoen. Het huidige woningtekort is hierbij niet meegerekend, wat betekent dat de opgave groter is dan deze behoefteberekening. De meest recente prognose van de provincie (2019) geeft aan dat de behoefte voor Velsen nog steeds groeit: van +1.500 woningen (vanaf 2017) naar +1.900 woningen (vanaf 2019) tot 2030. Een nieuwe prognose tot 2040 is er (nog) niet. De stilgevallen nieuwbouwproductie tijdens de crisis heeft het woningtekort in de laatste vier jaar verder vergroot. Op het schaalniveau van de MRA is het huidige woningtekort ruim 37.000 woningen. Groot risico in regionaal opzicht is planuitval. Amsterdam en Zaandam, bijvoorbeeld, hebben een grote zachte planvoorraad waarvan het niet zeker is of deze plannen daadwerkelijk gerealiseerd worden. Planuitval waarbij duizenden woningen uiteindelijk niet gebouwd
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 15
worden, leidt tot extra druk op de omliggende gemeenten, dus ook Velsen. In dit scenario zijn de 1.900 woningen die Velsen extra bouwt niet voldoende. Kwalitatieve behoefte In 2017 is er een woningmarkt- en woonbehoefteonderzoek uitgevoerd in de MRA met voldoende respons op gemeenteniveau om richtinggevende uitspraken te doen op wijkniveau. De belangrijkste uitkomsten ten aanzien van de woonbehoefte: Tot 2030 is de behoefte aan koop- en huurwoningen ongeveer even groot; op korte termijn is er vooral behoefte aan koopwoningen (segment € 250.000 - € 363.000), op middellange termijn vooral aan (sociale) huur (400 woningen tot 2025, 300 woningen tot 2030). Deze toevoeging stimuleert de doorstroming op de lokale woningmarkt. Doorstromers zoeken met name naar woningen tussen de 80 en 100 vierkante meter en 120 en 160 vierkante meter. De belangrijkste verhuisredenen zijn groter en mooier wonen. De aanvullende woningbehoefte aan appartementen is wat groter dan aan eengezinswoningen, vooral op middellange termijn. Uit de raming blijkt een kleine behoefte aan middenhuur, maar: een deel van de vraag naar goedkope koopwoningen zal landen in middenhuur en ook niet iedereen die in sociale huur wil wonen kan hier terecht (onder andere vanwege een te hoog inkomen). In de praktijk zal er daarom naar verwachting meer vraag naar middenhuur zijn dan uit het (kwantitatieve) onderzoek blijkt.
Ouderen verhuizen vaak niet of laat uit hun eengezinswoning. Ondanks vergrijzing en huishoudensverdunning blijft er dan ook behoefte aan nieuwe eengezinswoningen. Vooral starters hebben moeite om in de koopsector een geschikte en betaalbare woning te vinden; alleen in Velsen-Noord is voor deze groep voldoende aanbod. Gelet op de bevolkingsontwikkeling (huishoudensverdunning en vergrijzing) ligt de nadruk op de toevoeging van (kleinere) levensloopgeschikte woningen, voor een deel in appartementen. Dit verschilt wel per kern. Bouwprogramma nieuwbouwlocaties Voor een gedifferentieerd aanbod in alle kernen hanteren wij bij locaties waar woningen aan de voorraad worden toegevoegd het volgende bouwprogramma: IJmuiden en Velsen-Noord: 50% doorstroomwoningen (betaalbare/middeldure koop en/of markthuur), 50% vrije invulling; Velsen-Zuid, Driehuis, Santpoort-Noord, Santpoort-Zuid, Velserbroek: minimaal 30% sociale huur, 30% (betaalbare/middeldure koop en/of markthuur), 40% vrije invulling. Voor bouwprogramma’s tot en met 20 woningen geldt de volgende uitzondering: Indien niet kan worden voldaan aan het bouwprogramma van de sociale huurwoningen is er mogelijkheid tot het bouwen van het aandeel sociale huur op een andere plek in de betreffende kern.
Tevens komt er een onderzoek naar het instellen van een gemeentelijk vereveningsfonds voor het faciliteren van spreiding sociale huursegment over de gemeente. Voor ieder woningbouwproject (herstructurering en uitbreiding) gaan wij uit van een gemiddeld gebruiksoppervlak van de woningen van minimaal 60 vierkante meter op projectniveau. Dit betekent dat kleinere woningen mogelijk zijn, mits hier woningen van méér dan 60 vierkante meter tegenover staan. Dit komt ten goede aan de differentiatie van het woningaanbod. Dit biedt mogelijkheden om tegemoet te komen aan de diverse woonwensen van diverse doelgroepen, waaronder starters. Wijkprofiel: Driehuis Zoals de andere duindorpen is ook Driehuis vergrijsd. Zeer vergrijsd zelfs, al komt dit ook (voornamelijk) door de aanwezigheid van verzorgingstehuizen. Een aantal locaties in het dorp zijn interessant voor woningbouw, waarbij dus vooral aandacht moet worden geschonken aan de oudere doelgroep (ter bevordering van de doorstroming) en jonge gezinnen. Het aandeel 25- tot 40-jarigen is bijzonder laag in
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 16
het dorp. De woningprijzen zullen daar wellicht een rol in spelen. Sociale huur buiten het verzorgingstehuis is er niet.
Relatie tot ontwikkeling De realisatie van 16 woningen, verdeeld over 6 twee-onder-één kap woningen, 6 sociale huurappartementen en vier kleine rijwoningen, past binnen zowel de kwalitatieve als kwantitatieve behoefte voor de gemeente Velsen en de kern Driehuis in het bijzonder. Het betreft hier ook een transformatiegebied, waarbij een maatschappelijke functie getransformeerd wordt naar een woonfunctie. De kwalitatieve wensen voor aardgasvrij bouwen en klimaat adaptief zijn tevens verwerkt in dit project. Conclusie De realisatie van de 16 woningen past binnen het beleid van de woonvisie.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 17
4
Omgevingsaspecten
4.1
Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.1 Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
4.1.2
Relatie tot ontwikkeling
De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 16 woningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. In vervolg op het Regionaal Actieprogramma Wonen 2011 - 2015 hebben de gemeenten in de IJmond en Zuid-Kennemerland een RAP 2016 - 2020 ontwikkeld. Hierin heeft de provincie de woningbehoefte voor de regio Zuid-Kennemerland/IJmond geraamd op 8.100 woningen. Het berekende aandeel van Velsen hierin is 872 woningen. De realisatie van 16 woningen in Driehuis past hier binnen. De bouw van de woningen op deze locatie draagt bij aan de regionale behoefte. 4.1.3 Conclusie Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is passend binnen de regionale afspraken. De geplande ontwikkeling voorziet in een behoefte en is gebaseerd op een zorgvuldig gebruik van de ruimte.
4.2 4.2.1
Verkeer en parkeren Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 18
voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. 4.2.2
Relatie tot ontwikkeling
Parkeren Auto De gemeente Velsen heeft op 28 juni het bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Parkeren Velsen” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke “Nota Parkeernormenbeleid 2015”. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen. In onderstaande tabel wordt het woningbouwplan getoetst aan de parkeernormen uit dit beleid. figuur 7. Woningbouwprogramma en parkeerbehoefte
Type (Gestapelde woning (≤ 60 m2 bvo)) (Rijwoningen woningen (Grondgebonden klein (≤ 80 m2 bvo)) 2^1 kappers (Grondgebonden woning Zeer groot (> 140 m2 bvo)) Totaal
Aantal woningen 6
Parkeernorm Velsen 1
Totaal 6
Theoretische p.p. 6
4
1,2
4,8
5
6
1,9
11,4
12
22,2
23
16
In totaal bestaat er een parkeerbehoefte van 22,2 = 23 parkeerplaatsen voor de 16 te realiseren woningen. In het plangebied worden 23 parkeerplaatsen aangelegd, die als volgt zijn verdeeld: figuur 8. parkeerplaatsen in plangebied
Parkeerplaatsen in plangebied Privé Openbaar Totaal
Aantal 12 11 23
De half vrijstaande woningen krijgen elk twee parkeerplaatsen op eigen terrein. De overige woningen kunnen gebruik maken van de 11 te realiseren parkeerplaatsen op maaiveld in de openbare ruimte. In onderstaande figuur is te zien waar de parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 19
figuur 9. Parkeerplaatsen in plangebied (bron: Scholz Groep)
Zoals in figuur 7 al af te lezen is, geldt op basis van het parkeerbeleid een regeling hoe je parkeerplaatsen op eigen terrein in de berekening mee mag nemen. Zo geldt dat voor twee parkeerplaatsen naast elkaar, deze rekenkundig als 1,7 parkeerplaats meegenomen dienen te worden. Voor twee parkeerplaatsen die achter elkaar liggen, geldt dat deze rekenkundig als 1 parkeerplaats meegenomen dienen te worden. Voor de rijwoningen en appartementen geldt dat voldaan wordt aan de parkeerbehoefte met het realiseren van 11 parkeerplekken voor een behoefte van 10,8 (overschot van 0,2 parkeerplekken). Voor de rekenkundige telling van de tweekappers geldt dat de parkeerbehoefte hier 11,4 is en dat er 12 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd waarmee dit uit zou komen op een overschot van 0,6 parkeerplekken. Zoals hierboven al gesteld, geeft het beleid aan dat deze plekken, afhankelijk van de ligging, niet volwaardig meegerekend mogen worden. Op basis van deze rekenmethodiek komen we op een rekenkundig aantal van 8,1 parkeerplaats, zie figuur 10. figuur 10. Parkeerplaatsen 2^1 kappers
2 pp naast elkaar 2 pp achter elkaar Totaal
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Aantal woningen 3 3 6
Theorie 6 6 12
Rekenkundig 5,1 (3x1,7) 3 (3x1) 8,1
Pagina | 20
De ‘Nota Parkeernormenbeleid 2015 gemeente Velsen’ biedt echter ook mogelijkheden om af te wijken van dit beleid en sturend parkeerbeleid is hier mogelijk. In de praktijk worden plekken achter elkaar wel gebruikt als 2 volwaardige parkeerplekken en naast elkaar zeker. Dit is onder terug te zien aan de Driehuizerkerkweg/Vondellaan/Hoofdstraat, bij woningen die in dezelfde doelgroep vallen en graag aan huis parkeren. Daarnaast zijn er nog een aantal redenen die genoemd kunnen worden om deze rekenkundige afwijking te motiveren. Deze worden hieronder kort opgesomd. Het nabijgelegen OV (station) en de aansluitende doelgroep van de 2^1 kappers zullen mogelijk frequent gebruik maken van het OV. Dit zou kunnen resulteren in 1 auto per huishouden. Door groei van het aantal elektrische fietsen kan de fiets ook voor grotere afstanden een concurrerend alternatief voor de auto worden. Geconcludeerd kan worden dat met het realiseren van de twee parkeerplaatsen op eigen terrein bij de tweekappers, gezien het gebruik in de praktijk en bovenstaande motivering er afgeweken kan worden van het gemeentelijke parkeerbeleid en voldoende in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de kencijfers van het CROW gebruikt (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren, december 2018).
Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – rest bebouwde kom Velsen (sterk stedelijk) – 6 x huur, etage, sociaal: gemiddeld 3,6 motorvoertuigen per etmaal per woning; 4 x koop, rijwoning: gemiddeld 7,1 motorvoertuigen per etmaal per woning; 6 x koop, twee-onder-een-kap: gemiddeld 7,8 motorvoertuigen per etmaal per woning; Op basis van de rekentool betekent dit dat de 16 woningen in totaal gemiddeld 97 (96,8) motorvoertuigen per etmaal genereert. Dit zijn voornamelijk wegrijdende bewegingen in de ochtend en aankomende bewegingen in de middag/avond. Deze verkeersbewegingen worden via de Nicolaas Beetslaan op de Van den Vondellaan afgewikkeld richting de N208 en omliggende snelwegen A22 en A9. De verkeerssituatie op deze wegen laat dit geringe aantal motorvoertuigen verspreidt over de dag toe en verslechtert daardoor niet in relevante mate. 4.2.3
Conclusie
Met deze ontwikkeling wordt voorzien in de parkeerbehoefte op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van het woningbouwplan.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 21
waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken. 4.3.2 Archeologie in relatie tot ontwikkeling Het plangebied ligt binnen een monument van archeologische waarde (AMK-terrein 14909). Dit AMKterrein beslaat een gebied van bijna 1200 ha ten zuiden van het Noordzeekanaal en ten oosten van de duinenrij. In dit gebied zijn complete, gestapelde, cultuurlandschappen en bewoningssporen vanaf het Midden-Neolithicum aanwezig. Zo’n 600 m ten oosten van het plangebied ligt een beschermd monument van zeer hoge waarde (AMK-nr. 14877), waar nederzettingssporen uit de Periode Laat-Neolithicum – IJzertijd zijn aangetroffen. Tot slot is de historische kern van Driehuis, pal ten noorden van het plangebied, aangewezen als monument van hoge waarde (AMK-terrein 13902). Hier worden bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. In dit kader heeft Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd (januari 2020). Het rapport is als bijlage terug te vinden, de resultaten worden hieronder integraal weergegeven. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied duinzanden worden verwacht met een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Middeleeuwen.
Mogelijk zijn er meerdere overstuivingsfasen aanwezig. De top van de duinafzettingen is in de Nieuwe tijd afgegraven, wat invloed kan hebben op de archeologische verwachting. Uit het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat in ieder geval in een deel van het plangebied nog een archeologisch niveau voorkomt, in de vorm van twee boven elkaar gelegen bodems/akkerlagen. Voor een deel van het plangebied geldt dus nog steeds een hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Romeinse tijd. De top van het archeologisch niveau ligt op 167 cm –mv. Voor de nieuwbouw zal echter niet dieper dan circa 80 cm –mv worden gegraven en vormt dus geen bedreiging voor het archeologisch niveau. Econsultancy adviseert om het plangebied vrij te geven voor vergunningplichtige graafwerkzaamheden tot 140 cm –mv. Hiermee kan dus de voorgenomen nieuwbouw plaatsvinden zonder verder onderzoek. 4.3.3 Cultuurhistorie in relatie tot ontwikkeling In het plangebied staat een gebouw met een oppervlakte van 1116 m2. Het pand heeft een woonfunctie en wordt momenteel gebruikt door Stichting Kraaktheater en Kenter Jeugdhulp. Verder is in het plangebied nog een garage met een oppervlakte van 150 m2. De rest van plangebied is in gebruik als tuin en deels verhard met klinkers en tegels. Het pand in het plangebied dateert uit 1962 en is onderkelderd. De garage is jonger en gefundeerd op staal.
Het pand kent geen monumentale status of andere cultuurhistorische waarden. 4.3.4 Conclusie Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de realisatie van het woningbouwplan.
4.4
Water
4.4.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 22
4.4.2 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van hoogheemraadschap Rijnland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 12 maart 2020 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het waterschap dat zij belang heeft bij de plannen. Op basis daarvan is het plan toegestuurd met een toelichting op de plannen. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit De huidige bebouwing wordt gesloopt en er worden nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Om te beoordelen of hierdoor extra verharding ontstaat (meer dan 500m2) is middels onderstaande tabel een vergelijking gemaakt tussen de huidige en nieuwe situatie. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de toekomstige tuinen in overleg met Rijnland voor 50% meegenomen worden als verharding.
De toename van verharding betreft hier 147,50 m2, waardoor ruim onder de grens wordt gebleven van de 500m2. Watercompensatie is derhalve niet nodig. Beschermde gebieden De planlocatie ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering of watergang. Er is geen watervergunning nodig voor het graven binnen een beschermingszone. Riolering De gemeentelijke LIOR stuurt bij afkoppelen in bestaande wijken op een infiltratiesysteem, en indien dit niet mogelijk is door een hoge grondwaterstand dient dit afgevoerd te worden richting oppervlaktewater door middel van een lamellenafscheider. Het plangebied kent een hoge grondwaterstand, namelijk: 1m1 onder maaiveld en geen oppervlaktewatervoorziening. Met deze wetenschap is het uitvoeringstechnisch alleen mogelijk door de hemelwaterafvoer te koppelen op het hemelwaterafvoerriool. 4.4.3
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen (significant) negatieve invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het wateraspect vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 4.5.1
Bedrijven en milieuzonering Algemeen
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 23
dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. figuur 11. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. 4.5.2
Relatie tot ontwikkeling
De projectlocatie kent de bestemming ‘Maatschappelijk’. Omliggende bestemmingen betreffen ook ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen’. Het projectgebied is omsloten door diverse functies: woningen, een kerk en onderwijsgebouwen. Er is hier derhalve sprake van omgevingstype gemengd gebied. Bij de omliggende maatschappelijke functies hoort een bepaalde milieucategorie. De onderwijsfuncties (sbi-2008: 852, 8531, 8532, 854 en 855) vallen binnen milieucategorie 2 met als bepalende hinderfactor geluid. Een kerkgebouw (sbi-2008: 9491) valt ook onder milieu-categorie 2, met een bepalende hinderfactor geluid. De afstand die aangehouden moet worden ten opzichte van een rustige woonwijk is 30 meter. In een gemengd gebied mag deze afstand verlaagd worden tot 10 meter tot aan de gevels van woningen. De kerk zelf ligt op ruim 100 meter en de aangrenzende begraafplaats is al enige tijd geleden geruimd. Het schoolgebouw aan de westkant ligt op minimaal 10 meter afstand van de te realiseren woningen. Daarbij betreft dit een klaslokaal en zijn de hinderveroorzakende functies (schoolplein en scooter/fietsenstalling aan de andere kant van het gebouw gelegen op ruim 50 tot 100 meter afstand. Daarnaast is in de bestaande situatie reeds sprake van woningen op korte afstand van de maatschappelijke functies.
Overigens dient hierbij ook opgemerkt te worden dat in de huidige situatie er reeds woningen op korte afstand van de maatschappelijke functies gelegen zijn. 4.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van de 16 woningen binnen het projectgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 24
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. 4.6.2
Relatie tot ontwikkeling
Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 25
figuur 12. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl)
Op bovenstaande kaart valt af te lezen dat er in de nabijheid van het projectgebied geen Bevi-inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. 4.6.3
Conclusie
Het projectgebied is hiermee op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid niet van toepassing is op de ontwikkelingen die binnen dit gebied plaatsvinden. Externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 4.7.1
Geluid Algemeen
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 26
van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. 4.7.2
Relatie tot ontwikkeling
De te realiseren woningen zijn geluidsgevoelige objecten en liggen binnen de zoneplichtige 50km wegen Van den Vondellaan en Hagelingerweg. Daarnaast wordt de locatie omringd door enkele 30km wegen. Door ASP | Akoestisch adviesburo is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van het woningbouwplan. Het onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten worden hieronder integraal weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de gecorrigeerde geluidbelasting als gevolg van de zoneplichtige weg van den Vondellaan maximaal 40 dB bedraagt. Als gevolg van de Van den Vondellaan en Hagelingerweg bedraagt de geluidbelasting maximaal 31 dB. Hiermee wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Uit de berekeningen blijkt daarnaast dat de gecorrigeerde geluidbelasting als gevolg van de 30 km-wegen maximaal 51 dB bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 3 dB overschreden. Voor deze woningen geldt echter dat het binnenniveau van 33 dB in ieder geval gehaald wordt. Daarmee wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd voor de toekomstige bewoners. Hiermee wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen tezamen inclusief 0 dB aftrek conform artikel 110g Wgh en artikel 110g Wgh en artikel 3.4 Rmg bedraagt maximaal 57 dB op het meest maatgevende waarneempunt 02_B.
De woningen dienen op basis van het Bouwbesluit 2012 te voldoen aan een binnenniveau van 33 dB (eis nieuwbouw). De maximaal benodigde gevelwering (op waarneempunt 02_B) bedraagt hierbij 24 dB. Aan deze eis zal worden voldaan. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de gecorrigeerde geluidbelasting als gevolg van de gezoneerde wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit betekent dat er geen hogere waarden behoeven te worden aangevraagd. De gecorrigeerde geluidbelasting als gevolg van de 30 km-wegen maximaal 51 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee met maximaal 3 dB overschreden. Op basis van het Bouwbesluit wordt echter wel gewaarborgd dat de binnenwaarde van 33dB gehaald wordt, waarmee ene goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden voor de toekomstige bewoners. Hiermee wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Aanvullende geluidreducerende maatregel zijn derhalve niet noodzakelijk.
4.8
Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB)
4.8.1 Algemeen Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit (LIB, geconsolideerd januari 2018) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik nam. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen.
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 27
In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven. Het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes. Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers. De beperkingengebieden LIB 1 t/m 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk (externe veiligheid), gering te houden, door beperkingen te stellen aan de gebruiksfuncties van het gebied rond Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 t/m 5 zijn daarom gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object.
4.8.2 Relatie tot ontwikkeling Middels een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ontwikkelde webapplicatie kan worden beoordeeld of een plan binnen een relevant gebied in het kader van het LIB gelegen is en of een gepland object de aldaar geldende maatgevende toetshoogten overschrijdt. figuur 13. Uitsnede kaartmateriaal LIB-monitor (bron: lib-schiphol.nl)
De projectlocatie is enkel gelegen in de toetszone voor windturbines en lasers. Indien het plan windturbines of een vaste laserinstallatie betreft, geldt de beperking zoals gesteld in artikel 2.2. 4 van het LIB. Hier is in voorliggend plan echter geen sprake van, waardoor het LIB geen belemmeringen kent voor de ontwikkeling van de gewenste woningbouw. 4.8.3 Conclusie Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de realisatie van 16 woningen binnen het projectgebied aan de Nicolaas Beetslaan te Driehuis.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM).
Mees Ruimte & Milieu | 19345
Pagina | 28
In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 4.9.2 Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 16 woningen.