CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

VRBZO Ontwerpbegroting 2026 _v1.4

Raad (besluitvormend) 13 mei 2025, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Zienswijzen Begrotingen 2026 van de 5 gemeenschappelijke regelingen21.051 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Werken aan natuurbrandbeheersing Natuurbrand is voor de brandweer in onze regio al ruim 10 jaar het zogenaamde ‘maatgevende scenario’. Dat wil zeggen dat vooral de effecten van natuurbranden bepalend zijn voor onze repressieve slagkracht. Landelijk komt er steeds meer aandacht voor natuurbranden, omdat het natuurbrandrisico groeit als gevolg van de klimaatverandering. Op landelijk niveau is aan het Rijk een financiële bijdrage gevraagd. Bij het opstellen van deze begroting is dit nog niet besproken in de Tweede Kamer. Er is wel al een landelijke visie op natuurbrandbeheersing. Deze visie wordt uitgewerkt in plannen die ook in onze regio impact hebben en vragen om diverse investeringen in 2026. Zo gaan we natuurbrandbestrijding slimmer organiseren. Dit doen we onder andere door intensievere landelijke samenwerking, het introduceren van een landelijke doctrine voor de bestrijding van natuurbranden en aangepaste eisen aan ons materieel (voertuigen) en materiaal. We gaan bijvoorbeeld 17 tankautospuiten vervangen, waarbij we aangescherpte eisen voor natuurbrandbestrijding meenemen. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden om meerdere specifieke natuurbrandbestrijdsingsvoertuigen (CCFM’s) aan te schaffen. Dit type natuurbrandbestrijdingsvoertuig is al vele jaren van grote operationele waarde tijdens omvangrijke natuurbranden in bijvoorbeeld Zuid-Europa.

Pagina 24 Versie: 1.3

Begroting 2026

Meerjareninvesteringsplan (MIP): duurzaam investeren in veilig materieel en materiaal Tijdens een inzet moeten onze brandweermensen op straat kunnen vertrouwen op de voertuigen en hulpmiddelen die ze gebruiken. Het materieel (voertuigen) en materiaal (gereedschappen) moet de taken tijdens de inzet ondersteunen. Brandweermensen moeten er veilig en effectief mee kunnen werken. Op een gegeven moment is het materieel of materiaal afgeschreven en moeten we het vervangen. Duurzaamheid is daarbij een steeds belangrijkere factor. Dit betekent investeringen, waarbij we keuzes moeten maken. En soms geen keus hebben om mee te gaan met hedendaagse eisen; 1-op-1 vervangen is dan geen optie. Door deze veranderende eisen zijn aanbestedingen complexer en arbeidsintensiever geworden. We moeten aan de voorkant goed nadenken wat we nodig hebben, wat er op de markt is en of dat voldoet om nieuwe incidenten te bestrijden. Het voorwerk en de implementatie vergen daarmee meer van onze mensen. De afgelopen jaren liepen we achter de feiten aan en zijn achterstanden in investeringen ontstaan. Met de extra capaciteit vanuit bestuurlijke deelopdracht 1 lopen we de komende jaren deze achterstanden in. En om bij toekomstige vervangingen die vragen om ander beleid, bijvoorbeeld door verduurzaming of nieuwe operationele eisen, dit goed uit te werken.

Het lijkt onvermijdelijk dat hieraan een kostenverhogend effect is verbonden.

4.2.2

Wat mag het kosten?

De kosten voor brandweerzorg bedragen in 2026 € 49,3 miljoen. De stijging van de lasten ten opzichte van 2024 komt door indexering van budgetten en verandering in de verwachte rentelasten. We verwachten in 2026 € 0,7 miljoen inkomsten. Dit sluit aan bij de begroting van 2025. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat we enkele medewerkers gedetacheerd hebben, bijvoorbeeld bij het NIPV. Omdat deze detacheringen incidenteel zijn, begroten we deze inkomsten niet volledig.

Pagina 25 Versie: 1.3

Begroting 2026 4.3

Programma Crisisbeheersing

Pagina 26 Versie: 1.3

Begroting 2026

4.3.1

Ontwikkelingen crisisbeheersing

De komende jaren is het versterken van crisisbeheersing en informatiemanagement een belangrijke taak voor de veiligheidsregio’s. Het Rijk onderkende eerder deze noodzaak en stelt (landelijk) extra budget beschikbaar via een brede doeluitkering (BDuR). De bestedingsdoelen voor de gewenste versterking zijn gerelateerd aan de Landelijke Agenda Crisisbeheersing. Deze agenda bepaalt de koers op het gebied van de crisisbeheersing voor een periode van 6 jaar (20242029). De focus van de eerste versie van deze agenda ligt vooral op de eerste jaren, daarna vindt er een integrale actualisatie plaats. De agenda formuleert de ambities via 3 pijlers: 1.

het versterken van de voorbereiding en paraatheid;

2.

het versterken van een weerbare samenleving;

3.

het bevorderen van kwaliteit en professionaliteit.

In een landelijke werkgroep bepalen we de thema’s die doorontwikkeling vergen. We gebruiken dit als uitgangspunt voor het programma crisisbeheersing waarin de regionale ambities en bijbehorende doelstellingen van VRBZO staan. Om deze doelen te bereiken krijgen we van het Rijk extra structureel budget via de BDuR. Het totale bedrag loopt landelijk op tot €83 miljoen in 2026. Voor 2025 verwachten we ongeveer € 2,2 miljoen extra BDuR voor VRBZO. Dit loopt op tot een structurele extra bijdrage van ongeveer €2,5 miljoen in 2026 voor de versteviging van crisisbeheersing en informatiemanagement in onze regio. Kanttekening hierbij is de potentiële 10% efficiencykorting op het de totale BDuR door het Rijk (zie ook hoofdstuk 2.1), die een negatief effect heeft op de structurele inkomsten van de BDuR. Versterken van de voorbereiding en paraatheid We leven in een tijd waarin een goede informatiepositie en -analyse van vitaal belang is. Afgelopen jaren hebben data- en informatiemanagement in het domein crisisbeheersing zich enorm ontwikkeld. Dat biedt ons kansen om beter zicht te krijgen op veiligheidsrisico’s en ons hierop in een vroeg stadium voor te bereiden. We noemen dat monitoring en signalering. Dat betekent wel dat we moeten investeren in deze vorm van informatiegestuurde veiligheid.

Versterken voorbereiding en paraatheid Het Rijk en de veiligheidsregio’s versterken de komende jaren de samenwerking in de prioritering van (landelijke) risico’s en de uitwerking hiervan in planvorming. Dit is één van de lessen uit eerdere crises en de aanbevelingen uit de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s. We werken toe naar plannen voor meerdere regio’s (soms ook landelijk), het in de praktijk oefenen van deze plannen met de partners en capaciteitsplanning voor de paraatheid en (langdurige) inzetbaarheid van crisisfunctionarissen. Doel is om op deze manier beter voorbereid te zijn op nieuwe crises, die over de grenzen van de regio kunnen gaan en lang kunnen duren. Robuuste informatiedeling en verwerking We moeten de manier waarop we informatie delen met crisisfunctionarissen, verbeteren. We werken aan een informatieomgeving, waarin we relevante informatie voor crisisfunctionarissen snel en makkelijk bereikbaar maken. Denk aan risicobeelden, contactgegevens van ketenpartners en actuele, operationele crisisplannen. De juiste actuele informatie is dan altijd beschikbaar op het moment dat het er toe doet. Is er geen crisis, dan helpt het platform om VRBZO te verbinden met crisisfunctionarissen buiten de eigen organisatie, zoals gemeenten, politie en andere partners.

Pagina 27 Versie: 1.3

Begroting 2026

Aansluiten bij landelijk platform voor crisismanagement Met het Knooppunt Coördinatie regio’s-Rijk (KCR2) maken het ministerie van Justitie en Veiligheid, veiligheidsregio’s en crisispartners een functionaliteit die nu en in de toekomst hard nodig is om de crisisbeheersing te versterken. KCR2 wordt het centrale koppelvlak voor bovenregionale en landelijke informatiestromen. Onder andere vanuit de vitale ketens naar regio’s en andersom. KCR2 ontwikkelt het landelijke beeld, heeft het overzicht en verbindt de ketens in iedere fase (koud, lauw en warm) met elkaar. Het onderhoudt en activeert netwerken voor een eenduidig informatiebeeld, duiding en gezamenlijke coördinatie, en draagt bij aan eenduidige communicatie richting inwoners. In de komende jaren volgt KCR2 een zorgvuldig ontwikkelingsproces om te kunnen voldoen aan de gezamenlijke ambities. Wij sluiten aan op dit ontwikkelingsproces en zorgen voor de verbinding met de regionale informatieknooppunten. Doorontwikkeling dynamische preparatie Planvormig bestaat vooral uit wettelijke rampenbestrijdingsplannen en crisisbeheersplannen maken voor enkele risicovolle bedrijven (Seveso-inrichtingen; bedrijven die vallen onder het ‘Besluit activiteiten leefomgeving’ (Bal) en die werken met veel gevaarlijke stoffen) en luchthavens.

We onderhouden deze plannen en maken afspraken met de vitale partners, om in crisissituaties goed samen te werken aan maatschappelijke continuïteit. Ons goed voorbereiden op nieuwe gekende en ongekende crisistypen, betekent dat we meer mensen nodig hebben. Alleen dan kunnen we aansluiten bij landelijke en regionale netwerken en werkgroepen, zoals we nu al doen. En daarnaast kunnen we netwerken opzetten over thema’s als maatschappelijke continuïteit, veiligheid op luchthavens, cyber, klimaatadaptatie, hoog water, energievoorziening. Die zijn belangrijk om kennis te vertalen naar de praktijk, bij actuele dreigingen. Door de extra BDuR-gelden kunnen we de mensen inzetten die we nodig hebben, om al deze taken te blijven doen. Doorontwikkeling zorgrisicoprofiel In 2024 is de eerste versie van het zorgrisicoprofiel in onze regio vastgesteld, samen met onder meer de GGD. In 2025 wordt er een landelijke werkwijze zorgrisicoprofiel opgesteld op basis waarvan we in Brabant-Zuidoost in 2026 een nieuw zorgrisicoprofiel gaan opstellen. In lijn met het regionaal risicoprofiel geven we het zorgrisicoprofiel ook op een dynamische wijze vorm.

Versterken van een weerbare en veerkrachtige samenleving We hebben ook in Nederland te maken met een toenemend aantal risico’s, die de potentie hebben om de samenleving te ontwrichten. De Trendanalyse Nationale Veiligheid 20244 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) benoemt 5 domeinen waarbinnen risico's optreden die de potentie hebben om de samenleving te ontwrichten: klimaat, technologische ontwikkelingen, geopolitiek, economie en sociaal-maatschappelijk. Gezien de toename van dergelijke risico's zetten we, samen met onze partners, in op het vergroten van het veiligheidsbewustzijn en het versterken van de paraatheid voor een weerbare samenleving. Versterken van een weerbare samenleving Via een landelijke aanpak willen veiligheidsregio’s, samen met het Rijk, de weerbaarheid en veerkracht van de samenleving versterken. Dit doen we door ons voor te bereiden op crises, samen met inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. We maken gebruik van de maatschappelijke veerkracht die er al is. We vertellen inwoners wat ze wel en niet van de overheid kunnen verwachten tijdens crises. We ondersteunen het eigen initiatief van mensen, zowel voor als tijdens een crisis. We streven naar een samenleving die samen met de overheid actief kan bijdragen aan zowel de aanpak van crises, als het herstel. Onze doelen zijn onder andere:

4 Zie ook de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024 | NCTV

Pagina 28 Versie: 1.3

Begroting 2026

•

Maak het voor inwoners, (vitale) bedrijven en maatschappelijke organisaties mogelijk om zelf verantwoordelijkheid te nemen bij crises. Landelijk beleid lokaal toepasbaar maken, bijvoorbeeld door informatie makkelijk en snel beschikbaar te maken of belemmeringen weg te nemen.

•

Meer risicocommunicatie vanuit de overheid. Risicocommunicatie moet de bewustwording vergroten van risico’s in de samenleving. En duidelijk maken wat je zelf kunt doen. Dit verbetert de veerkracht en samenredzaamheid van de maatschappij.

•

Meer en specifieke aandacht voor de voorbereiding op nazorg en herstel na een crisis.

Effectieve risicocommunicatie Het belang om risicocommunicatie te intensiveren vanuit de overheid neemt toe in de huidige geopolitieke situatie. Er komen dreigingen op onze samenleving af die we tot voor kort niet voor mogelijk hielden. Veranderingen waarop de overheid geen 100% garantie kan bieden op hulp en veiligheid. Risicocommunicatie moet bijdragen aan het vergroten van begrip van burgers en bedrijven, door mensen bewust te maken van de risico’s en de rol die zij zelf kunnen vervullen in de voorbereiding op en tijdens crises. Mensen zijn daarmee beter in staat om zelf maatregelen te nemen, waardoor ze veerkrachtiger zijn in tijden van (dreigende) crises. De veiligheidsregio is vanuit kennis en ervaring een belangrijke schakel in de risicocommunicatie, waarbij we ook samen optrekken met gemeenten. Uniform kwaliteitsniveau Bevolkingszorg Eén van de adviezen uit de evaluatie van de Wet Veiligheidsregio’s betrof de versterking van het kwaliteitsniveau van Bevolkingszorg. Het Veiligheidsberaad startte een project met als doel een uniform landelijk kwaliteitsniveau voor bevolkingszorg inclusief crisiscommunicatie. Dit kwaliteitsniveau is onder andere gericht op landelijke kwaliteitsnormen en het eenduidig beschrijven van bevolkingszorg (in relatie tot gemeentelijke crisisbeheersing).

Afgeleid van het landelijk Uniform Kwaliteitsniveau Bevolkingszorg maakten we afspraken waar de gemeentelijke crisisorganisatie in onze regio aan moet voldoen. Dit hebben we het Lokaal Uniform Kwaliteitsniveau Bevolkingszorg genoemd. Jaarlijks belijken we samen met de gemeenten hoe zij ervoor staan en welke stappen er eventueel nodig zijn om aan het (minimale) niveau te voldoen. Regionaal investeren we de komende jaren met name op de vakbekwaamheid van de crisisfunctionarissen Bevolkingszorg en crisiscommunicatie. Dit is vastgelegd in een meerjarenbeleidsplan en opgenomen in het programma voor opleiden, trainen en oefenen van crisisfunctionarissen.

Bevorderen van kwaliteit en professionaliteit De ontwikkelingen die we hierboven noemen, staan voor proactief crisismanagement. Het doel is om te weten welke risico’s op ons afkomen en ons daarop voor te bereiden. Bij reële dreigingen bepalen we met onze netwerkpartners wat nodig is om een crisis te vermijden of de impact te verkleinen. Dit betekent dat onze werkwijzen tijdens een crisis veranderen. En dat we de nieuwe werkwijze goed moeten afstemmen met onze crisisfunctionarissen en -partners. Bevorderen van kwaliteit en professionaliteit crisisorganisatie Rijk en veiligheidsregio’s blijven samen de crisisbeheersing en de crisisfunctionarissen professionaliseren. Ons doel is om tijdens de voorbereiding en bij de aanpak van crises, effectief samen te werken. Daarbij de meest actuele inzichten en innovatieve werkwijzen en middelen te gebruiken. En te blijven leren. We gaan daarvoor: •

Een uniform opleidingsniveau voor professionals in crisismanagement ontwikkelen, samen met kennisinstellingen vanuit een gedeelde landelijke doctrine.

•

Een leercultuur opzetten en kennisontwikkeling en innovatie coördineren en bevorderen.

Pagina 29 Versie: 1.3

Begroting 2026

4.3.2

Wat mag het kosten?

De lasten voor crisisbeheersing komen in 2025 uit op € 6,5 miljoen. Een stijging van € 0,6 miljoen ten opzichte van 2025. Deze stijging komt vooral door de hogere BDuR uitkering van het Rijk en reguliere indexatie. We verwachten bij crisisbeheersing nagenoeg geen baten.

Pagina 30 Versie: 1.3

Begroting 2026 4.4

Ondersteuning organisatie

Pagina 31 Versie: 1.3

Begroting 2026

4.4.1

Toelichting thema’s

In control Informatiebeveiliging De afgelopen jaren is de wet- en regelgeving op het gebied van informatiebeveiliging fors toegenomen. De bekendste voorbeelden zijn privacywetgeving (AVG) en de baseline informatieveiligheid overheid (BIO). Daarbij zien we de komende jaren nog significante verzwaringen komen rondom informatiebeveiliging, wat een sterke stijging van de structurele kosten betekent. Onze informatieveiligheid moet als organisatie in het veiligheidsdomein aan een hoger volwassenheidsniveau gaan voldoen. Dat ligt hoger dan het basale niveau dat in de BIO is opgenomen. Per oktober 2024 treedt officieel de Europese Netwerk & Information Security richtlijn (NIS2) in werking. Om daaraan te voldoen moeten we aan strenge informatiebeveiligings- en continuiteïtseisen voldoen die een voorwaarde zijn om te kunnen samenwerken met andere (landelijke) hulp- en veiligheidsdiensten. Vooral de hoge eisen voor de NIS2 betekenen een flinke investering om de informatieveiligheid in onze organisatie naar het vereiste niveau te krijgen en te houden. Hieronder vallen onder andere het opstellen, implementeren en uitdragen van diverse beleidsdocumenten ten aanzien van risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen, incidentbehandeling, noodplannen en continuiteïtseisen. Daarnaast wordt verwacht dat we dit ook gaan toetsen en beoordelen bij de leveranciers/dienstverleners.

Deze richtlijn zal ook meegenomen worden in de eisen van de nieuwe versie van de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO 2.0). Om allereerst op het basisniveau van informatieveiligheid te komen hebben we in bestuurlijke deelopdracht 1 geschetst wat we nodig hebben om daaraan te voldoen en hoe we dit in 2025 en 2026 gaan inrichten. De extra ontwikkelingen nemen we mee in het beleidsplan. Continuïteit en risicobewustzijn in bedrijfsvoering We zijn gestart in 2025 met de grootste kwetsbaarheden aan te pakken, dit namen we op in bestuurlijke deelopdracht 1. In 2026 gaan we hiermee verder zodat we de bedrijfscontinuïteit kunnen borgen. In het beleidsplan zal aandacht zijn voor de ontwikkelingen. Naast techniek is bewustwording bij medewerkers een belangrijke pijler waarop we investeren. Goed omgaan met dynamische bedrijfsrisico’s is steeds belangrijker. Door ontwikkelingen als de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), BIO/NIS2 en de rechtmatigheidsverklaring, moeten we ons bewust zijn van de risico’s in de organisatie. En daarnaar handelen. Want sommige risico’s kunnen we niet op traditionele manieren afdekken. Alle medewerkers moeten zich hier bewust van zijn en hun verantwoordelijkheid nemen. We moeten werken aan een cultuur, waarin risicogericht denken over processen normaal is. Niet alleen bij incidenten en crises, maar ook in het andere werk en in rustige tijden.

Duurzaamheid In 2030 moeten overheidsinstanties op diverse vlakken voldoen aan duurzaamheidseisen. Het gaat hierbij niet alleen om klimaatneutrale huisvesting, maar ook om mobiliteit, duurzaam inkoopbeleid en duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Op deze deelgebieden moeten we als organisatie investeren om op het minimale niveau te komen. In 2025 starten we een ambitie- en uitvoeringsplan en maken we de eerste stappen die we in 2026 verder kunnen vormgeven.

Pagina 32 Versie: 1.3

Begroting 2026

Passende huisvesting VRBZO huurt haar kazernes van de gemeenten in de regio. Met gemeenten maakten we afspraken over gebruikersonderhoud. Eerste schattingen voor 2027 en daarna, laten een financieel tekort zien voor dit type onderhoud. Ook moeten de kazernes duurzamer worden en zijn er aanvullende eisen voor een moderne en veilige werkplek, bijvoorbeeld vanuit arbeidsveiligheid. In 2024 bespraken we het strategisch huisvestingsplan met het bestuur en gemeenten en stelden we de afspraken vast in het bestuur. Zo zijn er plannen voor groot onderhoud of zelfs nieuwbouw van kazernes en moeten we diverse huurcontracten verlengen. De uitvoering van deze plannen loopt nog in 2026 en daarna. Op lange termijn verwachten we een tekort vanwege het onderhoud en de effecten van het doorvoeren van duurzaamheidseisen van de kazernes. We hebben nog geen beeld van de kosten van het duurzaam maken. Dit nemen we mee in het regionaal beleidsplan en maken daar met de gemeenten, als eigenaren van de kazernes, afspraken over. Efficiënt en effectief Processen en regelingen uniformeren en optimaliseren Zoals uit de vorige programma’s al blijkt: de primaire processen van de organisatie zijn volop in beweging. Dat betekent dat bestaande processen, werkwijzen en regelingen niet altijd meer goed passen bij de toekomst.

Deze moeten mee veranderen met de hogere eisen die samenhangen met een veilige, moderne en flexibele organisatie. Daar gaan we mee aan de slag op het gebied van de administratieve organisatie en soms (oude) arbeidsvoorwaarden. In een paar jaar tijd willen we deze doorontwikkeling van de organisatie realiseren. Het voldoen aan wet- en regelgeving, is het startpunt in 2025 en 2026. We willen de bedrijfsvoeringprocessen zo efficiënt mogelijk inrichten. VRBZO zoekt steeds naar manieren om (ondersteunende) werkzaamheden efficiënter en effectiever uit te voeren, bijvoorbeeld door steeds meer administratieve taken te automatiseren. Het eerlijke verhaal hierbij is dat we eerst kosten maken, omdat we moeten investeren in mensen en middelen. Over een paar jaar hebben we er pas voordeel van. Zorg voor ons personeel Duurzame inzetbaarheid, diversiteit en inclusie Beroepsbrandweermensen die vanaf 2006 in dienst zijn gekomen, mogen maximaal 20 jaar in een repressieve functie werken. Deze groep medewerkers helpen we in de voorbereiding op hun 2 e loopbaan. We volgen hier in de basis de landelijke lijn, maar we willen meer doen voor onze medewerkers vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap. We moeten hiervoor zelf beleid ontwikkelen. Landelijk vindt onderzoek plaats naar mogelijkheden om deze regeling aan te passen. De afronding hiervan is in 2026.

Tijdens het onderzoek moeten de medewerkers wel een plan voor een 2 e loopbaan maken, maar ze hoeven de organisatie nog niet te verlaten. Voor 2026 gaan we nog uit van beperkte meerkosten voor omscholing. Ook moet de veiligheidsregio beleid maken en scholing en voorlichting geven ten aanzien van de verhoogde risico’s in het werk en situaties waar medewerkers van een veiligheidsregio in het verleden aan blootgesteld zijn. Denk hierbij aan PTSS-casussen die landelijk in het nieuws waren. Vanuit de bestuursopdracht startten we hiermee in 2025, maar dit loopt nog door in 2026. Verder moet VRBZO aan de slag met de Wet banenafspraak en het quotum arbeidsbeperkten dat streeft naar extra banen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Werken aan diversiteit en inclusie is onderdeel van goed werkgeverschap. Ook is het van belang om nu en in de toekomst nieuwe medewerkers te kunnen vinden en om onbenut arbeidspotentieel te benutten. Gezien de inzet die nodig is om te kunnen werven en nieuwe medewerkers in te werken,

Pagina 33 Versie: 1.3

Begroting 2026

startten we hiermee in 2025 in combinatie met duurzame inzetbaarheid. Vanaf 2026 moet de benodigde capaciteit verder oplopen tot het niveau zoals opgenomen in de uitwerking van de bestuurlijke deelopdracht.

4.4.2

Wat mag het kosten?

De kosten voor ondersteuning van de organisatie komen in 2026 uit op € 11,9 miljoen. De stijging ten opzichte van 2025 wordt veroorzaakt door het effect van het besluit over bestuurlijke deelopdracht 1 en door indexering. Vanuit dit deel van de organisatie worden geen eigen baten genereerd. Wel komt het voor dat medewerkers worden gedetacheerd, die baten zijn echter niet structureel.

Pagina 34 Versie: 1.3

Begroting 2026

5

Financiële overzichten

5.1

Schatkistbankieren

Bij schatkistbankieren moeten de decentrale overheden, dus ook VRBZO, hun tegoeden aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Bij verplicht schatkistbankieren is het niet meer mogelijk beleggingen en deposito’s zelfstandig aan te gaan buiten het drempelbedrag. Het drempelbedrag is gelijk aan 2% van het begrotingstotaal van de decentrale overheid, met een minimum van €1.000.000. Voor VRBZO geldt dat het drempelbedrag in 2026 net iets meer dan €1.000.000 groot is. In de jaarrekening rapporteren we of we aan dit drempelbedrag voldoen.

5.2

Investeringsbegroting

We besteden het grootste deel van ons budget aan loonkosten. Maar we doen ook investeringen, zeker binnen het programma Brandweerzorg. We zien daarbij dat kredieten en kapitaalslasten voor de komende jaren niet meer in balans zijn met het huidige prijspeil. In hoofdstuk 2.4.2 geven we hierover meer context. Voor deze begroting voegen we het jaar 2029 toe. De investeringen die we in dat jaar toevoegen zijn steeds vervangingsinvesteringen, waaronder: •

Ademluchtapparatuur werkplaats;

•

Watertanks;

•

Logistiek voertuig;

•

AGS voertuig;

•

Toegangscontrole installatie.

5.3

Overzicht incidentele baten en lasten

VRBZO heeft slechts beperkt incidentele baten. De meeste baten zijn in hun aard structureel, zoals de gemeentelijke bijdragen en uitkering van het Rijk. Voor baten die soms hoger en soms lager uitvallen, zoals de deelname van derden aan trainingen en detachering van medewerkers, nemen we in de meerjarenbegroting een vast basisniveau op. De beperkte schommelingen in deze baten kan de organisatie opvangen.

Pagina 35 Versie: 1.3

Begroting 2026

Verplichte paragrafen

6

Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) schrijft voor dat een aantal paragrafen verplicht onderdeel uitmaakt van het jaarverslag. Deze verplichte paragrafen staan in dit hoofdstuk. De paragrafen Lokale heffingen en Grondbeleid gelden niet voor onze organisatie en zijn daarom weggelaten.

6.1

Risicomanagement en weerstandsvermogen

In de paragraaf ‘Weerstandsvermogen en risicobeheersing’ worden de risico’s in beeld gebracht en gerelateerd aan de weerstandscapaciteit. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstelling(en) van de organisatie kunnen verstoren. De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor VRBZO op gebied van risicomanagement zijn: •

Risico’s in een cyclisch proces inventariseren, beoordelen en monitoren via een continuïteitsplan.

•

De instelling van een weerstandsvermogen heeft als doel om een stabiele (trendmatige) ontwikkeling van de gemeenschappelijke bijdrage te waarborgen.

•

De hoogte van de algemene reserve is afhankelijk van het begrotingstotaal en moet tussen de € 2,4 miljoen en € 3,2 miljoen liggen. De algemene reserve dient als primair weerstandsvermogen.

6.1.1

Risico-inventarisatie

Het risico-overzicht in het continuïteitsplan bestaat uit de factoren kans en impact. Met kans bedoelen we welke mate van waarschijnlijkheid er bestaat dat een risico zich manifesteert. Bij ieder risico schatten we in hoe waarschijnlijk het is dat dit risico zich in de nabije toekomst zal voordoen. Met impact bedoelen we de negatieve financiële invloed die een risico mogelijk heeft op de continuïteit van de dienstverlening: wat zijn de geschatte kosten? Door het bepalen van kans en (financiële) impact vindt een inschatting van risico’s plaats. Om het benodigd weerstandsvermogen te berekenen vermenigvuldigen we de geschatte impact met een percentage volgens onderstaande tabel. Kans Zeer waarschijnlijk Waarschijnlijk Reëel (50/50) Onwaarschijnlijk Zeer onwaarschijnlijk

Impact 90% 70% 50% 30% 10%

Over het algemeen zien we door toenemende druk van wet- en regelgeving en risico’s in de bedrijfsvoering dat de mate van risico is toegenomen. In onderstaand schema staan de belangrijkste risico’s inclusief de risico-inschatting, kans en impact. De belangrijkste items (grootste kans en/of impact) lichten we vervolgens toe. Tijdens de reguliere planning en control gesprekken worden de risico’s besproken en bijgesteld. De risico’s, en eventueel genomen beheersmaatregelen om de impact te dempen, worden gemonitord en periodiek gewogen door het managementteam.

Pagina 36 Versie: 1.3

Begroting 2026

Risico-inventarisatie

Kans

Impact

Bedrag

i/s

A. Brandweerzorg 1 Wijzigingen in beleid FLO-regeling beroepsbrandweer

Reëel (50/50)

pm

pm

2 Loonkosten irt vrijwilligers en WNRA

Reëel (50/50)

€ 500.000

€ 250.000

s

3 2e loopbaanbeleid

Reëel (50/50)

4 Aansprakelijkheid brand Hapert boven verzekerd bedrag

Zeer onwaarschijnlijk

5 PFAS vervuiling door blusschuim 6 PTSS door inzet bij incidenten

€ 750.000

€ 375.000

i

€ 22.000.000

€ 2.200.000

i

Reëel (50/50)

pm

pm

i

Reëel (50/50)

pm

pm

i

1 Kosten grootschalige of langdurige crisis of incident

Waarschijnlijk

€ 500.000

€ 350.000

i

2 Efficiencykorting 10% op totale BDuR

Reëel (50/50)

€ 1.100.000

€ 550.000

s

Zeer waarschijnlijk

€ 500.000

€ 450.000

s

Onwaarschijnlijk

€ 1.000.000

€ 300.000

i

3 Eigen risicodrager WW

Waarschijnlijk

€ 75.000

€ 52.500

i

4 Bedrijfscontinuït bij calamiteit

Onwaarschijnlijk

pm

pm

i

5 Stijgende rentekosten voor leningen 6 Kosten die voortvloeien t.b.v. bedrijfskritische continuïteit

Reëel (50/50)

€ 400.000

€ 200.000

s

Zeer waarschijnlijk

€ 250.000

€ 225.000

i

B. Crisisbeheersing

C. Ondersteuning organisatie (bedrijfsvoering) 1 Huisvesting gebruikersonderhoud en duurzaamheid 2

Informatieveiligheid (cybersecurity) i.v.m. data- en/of beveiligingslek

(bijvoorbeeld kostbare opleidingen of inhuur op gebied van brand- en omgevingsveiligheid, business intelligence, HRM, ICT, kosten juridische ondersteuning etc.);

TOTAAL A.

€ 4.952.500

Brandweerzorg

1. Wijzigingen in beleid FLO-regeling De functioneel leeftijdsontslag (FLO) regeling is een pensioenregeling die regelmatig aan wijzigingen onderhevig is, hierdoor kunnen financiële verplichtingen ontstaan die invloed hebben op de pensioenvoorziening. De precieze impact van toekomstige wijzigingen in de FLO-regeling is lastig vooraf in te schatten. Om dit risico te beperken wordt de wetgeving omtrent de FLO-regeling actief gemonitord. Voor de FLO-regeling is vanaf 2020 een voorziening aangemaakt, deze is verder toegelicht in de jaarrekening. 2. Loonkosten in relatie tot vrijwilligers en WNRA De wet normalisering rechtspersoon ambtenaren (WNRA) heeft als doel om de rechtspositie van ambtenaren en werknemers in het bedrijfsleven gelijk te trekken. Deze wet is ook van toepassing op het personeel van veiligheidsregio's. Vanwege het vrijwillige brandweersysteem in Nederland heeft de invoering van de WNRA specifieke gevolgen voor deze regio's. Op dit moment hebben brandweervrijwilligers een aparte juridische positie, die verschilt van die van beroepspersoneel. Met de invoering van de WNRA hebben vrijwilligers in de toekomst een arbeidsovereenkomst en

Pagina 37 Versie: 1.3

Begroting 2026

kunnen zij aanspraak maken op toeslagen en voorzieningen die ook voor beroepspersoneel gelden. Dit zou kunnen leiden tot aanzienlijk hogere structurele kosten. De veiligheidsregio’s hebben een uitzonderingspositie gekregen en daarmee is de WNRA voor ons uitgesteld. Kijkend naar andere veiligheidsregio’s zien we dat de kosten eventueel kunnen oplopen tot €1.500.000 per jaar. Inmiddels weten we dat onze regio minder nadeel heeft dan andere regio’s. Dit heeft te maken met het feit dat wij niet aan kazernering doen, waar sommige andere veiligheidsregio’s dit wel toepassen. Kazernering houdt in dat vrijwilligers als een soort beroepskracht op de kazerne blijven om de paraatheid te dekken. Veiligheidsregio’s die dit systeem hanteren zouden bij de intreding van WNRA veel extra kosten ontvangen. Voor ons zal het financiële nadeel daarmee ook lager uitkomen. Er vindt landelijk nog onderzoek plaats naar het effect van de invoering en naar manieren om daar invloed op uit te oefenen. Daarom zijn de ontwikkelingen rondom de invoering van de WNRA voor vrijwilligers op dit moment nog onzeker. 3. 2e loopbaanbeleid beroepsbrandweer Medewerkers die vanaf 2006 in dienst kwamen bij de beroepsbrandweer, werken in principe maximaal 20 jaar in een repressieve functie. De eerste medewerkers begonnen daarom in 2021 met de voorbereidingen voor hun 2 e loopbaan.

De kosten voor deze medewerkers zijn nog beperkt. We deden toezeggingen, die vooral waardevol waren voor de medewerker. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om een jaar parttime te werken of een terugkeergarantie voor een jaar. Oplossingen, waardoor een medewerker relatief veilig een eigen bedrijf kan starten of ergens anders ervaring op kan doen. Maar ze kostten de organisatie weinig. We dachten dat de daling van de FLO-kosten groter zou zijn dan de kosten voor het 2 e loopbaanbeleid. Zodat de kosten van het nieuwe beleid, die van het oude beleid konden vervangen. Per saldo zouden daardoor de financiële effecten worden gedempt. Inmiddels weten we dat de FLO-kosten, na opnieuw een wijziging in het landelijke beleid, nog tot ten minste 2029 per saldo stijgen. Dit brengt een risico met zich mee voor kosten rondom het 2 e loopbaanbeleid. We verwachten wel extra kosten te moeten maken, maar we hebben nog geen uitgebreide ervaringscijfers om die te onderbouwen. We zien andere regio’s bedragen opnemen in hun begroting tot €70.000 per medewerker of een bedrag van €750.000 reserveren. Als we kijken naar de cijfers van nu en de genoemde ervaringen met de eerste uittreders, denken we dat dit voor VRBZO nog niet nodig is. We bekijken dit periodiek en stellen ons beleid bij als er aanleiding voor is.

Op verzoek van de sector en sociale partners doet de Universiteit van Maastricht onderzoek naar de regeling en naar mogelijkheden om de regeling aan te passen. Het onderzoek startte in 2022 en duurt 4 jaar. Tijdens het onderzoek moeten de medewerkers wel een plan voor een 2e loopbaan maken, maar ze hoeven de organisatie nog niet te verlaten. 4. Aansprakelijkheid brand Hapert boven verzekerd bedrag De brandweer is namens de dakdekker die betrokken was bij de brand in een bedrijfsgebouw in Hapert aansprakelijk gesteld voor schade. Het incident vond in 2020 plaats. De rechtszaak over deze casus bevindt zich nog in een onderzoekend stadium. VRBZO is verzekerd voor materiele schade tot een bedrag van € 5 miljoen. De totale claim bedraagt maximaal € 27 miljoen. De kans dat we dit bedrag in geheel moeten uitbetalen, achten wij zeer onwaarschijnlijk. Doordat het om een aanzienlijk bedrag gaat, drukt het zwaar op de benodigde weerstandscapaciteit. 5. PFAS vervuiling door blusschuim De brandweer heeft tijdens inzetten en oefeningen gebruik gemaakt van blusschuim dat PFAS kan bevatten. Hierdoor kan de bodem van oefenlocaties en incidentlocaties mogelijk verontreinigd zijn geraakt. Een (mogelijke) PFAS-verontreiniging

Pagina 38 Versie: 1.3

Begroting 2026

brengt mogelijk gezondheidsrisico’s of juridische, financiële en/of bestuurlijke risico’s met zich mee. Onderzoeken en eventuele bodemsaneringen zijn kostbaar. Daarnaast bevatten diverse onderdelen van de voertuigen en bepakking sporen van PFAS. Denk hierbij aan de slangen op de voertuigen, de bluskleding van de brandweer en wordt PFAS toegepast in het was-proces van bluskleding. De mogelijke impact van PFAS is nog onduidelijk. 6. PTSS door inzet bij incidenten De brandweer wordt ingezet bij allerlei soorten incidenten. Sommige incidenten zijn dermate heftig dat de betrokken medewerkers mogelijk (een vorm van) post-traumatische stressstoornis (PTSS) oplopen. Dit kan leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en psychische klachten. Wij ondersteunen de medewerkers onder meer via de bedrijfsarts, een team collegiale opvang en vertrouwenspersonen. Voor alle veiligheidsregio’s wordt op dit moment een landelijke regeling voor PTSS uitgewerkt. Met deze regeling wordt PTSS voor veiligheidsregio’s als beroepsziekte erkend. Dit in navolging van bijvoorbeeld Defensie en Politie. Een belangrijk onderdeel van de regeling zijn preventieve maatregelen om PTSS te voorkomen. In de regeling is een bepaling opgenomen dat ook erkende PTSS-gevallen met terugwerkende kracht rechten kunnen ontlenen aan de regeling.

Verder is de minister gevraagd bij te dragen aan de collectieve kosten voor uitvoering van de regeling. Afhankelijk van de parlementaire besluiten over de voorjaarsnota worden hiervoor gelden toegekend. Bij het ingaan van deze regeling bestaat een (financieel) risico voor toepassing van de regeling met terugwerkende kracht en de mogelijke negatieve uitkomst over de voorjaarsnota waardoor alle inspanningen en de daaruit voorvloeiende financiële consequenties op dit gebied door de eigen veiligheidsregio moeten worden gedragen. B.

Crisisbeheersing

1. Kosten grootschalige of langdurige crisis of incident Een grootschalige of langdurige crisis of incident (bv. grote natuurbrand, coronacrisis, cybercrisis of energiestoring) zal van ons als organisatie veel vragen. Onze capaciteit zal op volle toeren moeten draaien. Dit brengt extra kosten met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan een grootschalige inzet van materieel en mensen. 2. Efficiencykorting 10% op totale BDuR Het ministerie VenJ heeft in haar begroting een efficiencykorting opgenomen van 10% opgenomen in de departementale Rijksbegroting. Voor VRBZO betekent dit een korting op de BDuR van structureel ruim € 1,1 miljoen (zie ook hoofdstuk 2.1). Gelet op het huidige landelijke politieke klimaat is het moeilijk om een goede voorspelling te geven. Alle veiligheidsregio’s in het land ervaren dezelfde onduidelijkheid. Gezien de tijdsgeest, de geopolitieke situatie en de aard van de BDuR achten wij het niet waarschijnlijk dat de 10%-efficiencykorting structureel zal blijven bestaan. We zien dat veiligheidsregio’s de korting als risico opnemen in de risicoparagraaf. De kans dat de korting doorgaat, wordt dan als ‘onwaarschijnlijk’ ingeschat. VRBZO hanteert dezelfde methode. Indien de structurele korting vervalt in de voorjaarsnota, dan vervalt daarmee ook het risico. C.

Ondersteuning organisatie

1. Huisvesting: gebruiksonderhoud en duurzaamheid VRBZO huurt haar kazernes van de gemeenten in de regio. Met gemeenten maakten we afspraken over gebruikersonderhoud. Eerste schattingen voor 2027 en daarna, laten een financieel tekort zien voor dit type onderhoud. Ook moeten de kazernes duurzamer worden en zijn er aanvullende eisen voor een veilige werkplek. We hebben nog geen

Pagina 39 Versie: 1.3

Begroting 2026

beeld van de kosten van het duurzaam maken. Daar maken we met de gemeenten, als eigenaren van de kazernes, afspraken over. Op lange termijn verwachten we een tekort voor het onderhoud van de kazernes. Daarom beschouwen we eventuele tussentijdse voordelen als incidenteel. 2. Informatiebeveiliging (cybersecurity) / BIO De afgelopen jaren stegen de risico’s en kosten bij een data- of beveiligingslek flink. We zijn continu bezig met , bijvoorbeeld via monitoring, scans en detectoren als meer technische maatregelen en blogs en waarschuwingen om het bewustzijn te verhogen. Ook is de maatschappelijke aandacht voor dit thema hoog. Daarom schatten we de kans iets lager in. De kosten bestaan bijvoorbeeld uit boetes en herstel na een lek of uit kosten voor de uitval en herstart van de operatie. Dit zijn vooral incidentele kosten. In bestuurlijke deelopdracht 1 hebben we veel aandacht voor dit risico en maatregelen die we nemen om het risico te verkleinen. Een belangrijke maatregel is het verhogen van de formatie van gespecialiseerd personeel om op die manier de kwetsbaarheid van informatie- en IT-beveiliging tijdig te signaleren en hierop te acteren. Om de risico’s te verlagen, heeft de VRBZO deels in huis en deels uit huis de informatievoorziening georganiseerd. De kwetsbaarheid is deels in 2025 al verlaagd door in de cloud te werken en beheer en beveiliging van netwerk (o.a.

SOCSIEM) oor een gespecialiseerde partij gebeurt. Andere maatregelen zijn onder meer verwerkersovereenkomsten afsluiten met leveranciers en het protocol melden datalek. Ook voeren we bewustwordingscampagnes gericht op medewerkers over de risico's van digitaal verkeer. Als laatste investeren we in het project BIO ter versterking van de informatieveiligheid. 3. Eigen Risicodrager WW Werkgevers in de overheidssector zijn verplicht eigenrisicodrager WW. Voor VRBZO is dit dus ook het geval. Dit betekent dat er geen premie afgedragen moet worden. Daarentegen moeten wij de kosten betalen van de WW-uitkering wanneer iemand werkloos raakt. Dit brengt een risico van aanvullende uitgaven met zich mee. Om dit te verminderen, is het belangrijk om de arboveiligheid te garanderen. Hiervoor is onder andere een actualisatie van het risico inventarisatie & evaluatie (RI&E) plan gemaakt. Nieuwe Arbo-medewerkers pakken de punten uit deze RIE op. 4. Bedrijfscontinuïteit bij calamiteit De kans bestaat dat door een calamiteit de bedrijfscontinuïteit in het geding komt. Het zou kunnen dat de centrale infrastructuur niet functioneert als gevolg van bijvoorbeeld opzettelijk vernieling, waterschade, stroomuitval, ondercapaciteit of cyberterrorisme/-crime.

Om dit te voorkomen zijn er back up generatoren, een fysieke toegangsbeveiliging en investeren we in de beveiliging van onze ICT-infrastructuur door onder meer uitbesteden van bepaalde facetten aan gespecialiseerde bedrijven. 5. Stijgende rentekosten bij leningen Kapitaalmiddelen van VRBZO worden gefinancierd met vreemd vermogen (leningen). Bij een stijging van de rente op de kapitaalmarkt stijgen de structurele financieringslasten van VRBZO. Wij monitoren de renteontwikkeling continu bij het aantrekken van vreemd kapitaal. Mocht het nodig zijn zal het financieringsbeleid herzien worden. 6. Kosten die voortvloeien t.b.v. bedrijfskritische continuïteit Door krapte op de arbeidsmarkt is het steeds lastiger om mensen in vaste dienst aan te nemen. Vooral voor specialistische functies ervaren we problemen om mensen te vinden. Omdat de werkdruk op de organisatie wel blijft voortbestaan, is het nodig om mensen extern in te huren. Een andere manier de bedrijfscontinuïteit te waarborgen, is mensen om te scholen door opleidingen aan te bieden. Dit leidt tot extra uitgaven om onze werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren.

Pagina 40 Versie: 1.3

Begroting 2026

Conclusie Op basis van de gekwantificeerde actuele risico’s is de benodigde weerstandscapaciteit bepaald op € 4,7 miljoen. De benodigde weerstandscapaciteit ligt boven het weerstandsvermogen van € 3,2 miljoen. Het is niet reëel dat bovengenoemde risico’s zich gelijktijdig voordoen. Tevens zijn kans en impact van enkele risico’s lastig in te schatten, waarbij met name de impact van aansprakelijkheid bij de brand in Hapert zwaar meeweegt en we het risico als zeer onwaarschijnlijk inschatten. In het uiterste geval, als risico’s zich daadwerkelijk voordoen en het beschikbare vermogen overschrijden, zal VRBZO terugvallen op de gemeenten in de gemeenschappelijke regeling om de kosten te dekken.

6.1.2

Financiële kengetallen VRBZO

Het BBV schrijft voor dat we een aantal financiële kengetallen standaard opnemen in de verplichte paragraaf Risicomanagement en Weerstandsvermogen. Het overzicht van deze financiële kengetallen is opgenomen als bijlage.

6.1.3

Weerstandsvermogen en –capaciteit

Het weerstandsvermogen is het vermogen van de organisatie om (financiële) risico’s op te vangen. Het vormt als beheersmaatregel het sluitstuk van risicomanagement. Het weerstandsvermogen geeft de financiële robuustheid aan van de begroting, de jaarrekening en de financiële positie. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding tussen de beschikbare

weerstandscapaciteit

en

de

benodigde

weerstandscapaciteit

(gekwantificeerde

risico’s).

De

weerstandscapaciteit wordt gevormd door de gemeenschappelijke middelen (reserves) en is bedoeld om niet begrote kosten te dekken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Incidentele weerstandscapaciteit De incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen dat ingezet kan worden om eenmalige tegenvallers op te vangen. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •

de algemene reserve en de reserves waaraan het Algemeen Bestuur een bestemming heeft gegeven die kan worden gewijzigd (bestemmingsreserves);

•

de in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven;

•

de stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn (reserves waarvan de omvang en/of het bestaan niet uit de balans blijkt, voortkomend uit de onderwaardering van activa of overwaardering van schulden bij het volgen van normale waarderingsmethoden).

Behalve de algemene reserve heeft VRBZO geen andere (stille) reserves of risicoposten in de begroting die kunnen dienen als incidentele weerstandscapaciteit. De hoogte van de algemene reserve is op verzoek van de diverse besturen met de andere grote gemeenschappelijke regelingen vastgesteld in de beleidsnotitie kaders P&C 4-GR. Hierbij is een bandbreedte voor de omvang van de algemene reserve bepaald op basis van de omvang van de begroting. In het geval van VRBZO is deze gewenste bandbreedte € 2,4 – 3,2 miljoen voor de begroting van 2026. In 2026 doen we een geplande onttrekking uit de algemene reserve van € 1,8 miljoen als demping voor de impact van de bestuurlijke opdracht. Met de onttrekking uit de algemene reserve in 2026 wijkt het bestuur bewust af van de nota reserves en voorzieningen. Hiermee valt de algemene reserve niet meer binnen de afgesproken bandbreedte. Een toekomstig eventueel positief jaarresultaat zal primair worden gebruikt voor het weer aanvullen van de algemene reserve.

Pagina 41 Versie: 1.3

Begroting 2026

Structurele weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit heeft betrekking op het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •

bezuinigingsmogelijkheden (voor zover nog niet meegenomen in de begroting en meerjarenramingen);

•

cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven;

•

de resterende (onbenutte) belastingcapaciteit (dit is niet van toepassing voor VRBZO).

Het overzicht van weerstandscapaciteit op basis van de jaarrekening 2024 is opgenomen in Bijlage 7: Meerjarenbalans en weerstandsvermogen.

Pagina 42 Versie: 1.3

Begroting 2026 6.2

Staat van reserves en voorzieningen

6.2.1

Overzicht staat van reserves en voorzieningen

Reserves Algemene reserve

2024 Eindstand € 2.251.205

Toevoeging

Totaal

€ 2.251.205

€0

€0

€ 709.057 € 2.072.793 € 12.053 € 352.530 € 378.045

Toevoeging € 70.000 € 1.657.353 €0 €0 €0

2025 Onttrekking -€ 220.753 -€ 2.380.268 €0 -€ 198.320 €0

€ 3.524.479

€ 1.727.353

-€ 2.799.341

Voorzieningen Onderhoud Gebouw ROC FLO regulier FLO compensatie stelselwijziging Oud medewerkers Verlofsparen CAO Totaal

2024 Eindstand

Primaire begroting 2025 Onttrekking

Eindstand € 2.251.205

Primaire begroting 2026 Toevoeging Onttrekking -€ 1.870.000

Eindstand € 381.205

-€ 1.870.000

€ 381.205

€ 558.304 € 1.349.879 € 12.053 € 154.210 € 378.045

Primaire begroting 2026 Toevoeging Onttrekking € 70.000 -€ 746 € 1.696.450 -€ 2.061.796 €0 €0 €0 -€ 154.210 €0 €0

Eindstand € 627.558 € 984.533 € 12.053 €0 € 378.045

€ 2.452.491

€ 1.766.450

€ 2.002.189

€ 2.251.205

Eindstand

Pagina 43 Versie: 1.3

€0

-€ 2.216.752

Begroting 2026

6.2.2

Toelichting staat van reserves en voorzieningen

Voorziening groot onderhoud Regionaal Opleidingscentrum (ROC) In 2022 is groot onderhoud aan het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) in Waalre uitgevoerd. Er is daarom ook een nieuw onderhoudsplan opgesteld. In het plan is vanuit 2023 voor 10 jaar vooruit de verwachte onderhoudskosten in beeld gebracht. Op basis van dit plan is een jaarlijkse toevoeging aan de voorziening nodig van €70.000. Voorziening FLO regulier Deze voorziening is eind 2020 ingesteld. We voegen jaarlijks een bedrag toe aan deze voorziening en brengen de werkelijke lasten van de FLO regeling ten laste van deze voorziening. Naar aanleiding van het jaarrekeningtraject 2023 is de voorziening geëvalueerd. Het beleid is in december 2024 door het Algemeen Bestuur opnieuw vastgesteld. In 2024 was, naast de jaarlijkse stortingen, een eenmalige extra toevoeging nodig van €2.000.000. Voorziening FLO compensatie stelselwijziging In 2006 is het FLO-overgangsrecht afgesproken; de levensloopregeling was een belangrijke pijler in dat FLOovergangsrecht. In de levensloopregeling spaarde de werkgever d.m.v. een bruto werkgeversbijdrage levensloop voor de medewerker. Deze bruto bijdrage werd via de salarisstrook van de medewerker gestort op een zogenaamde Levenslooppolis Loyalis (later a.s.r.).

Het wegvallen van de levensloopregeling per 01-01-2022 leidde er onder andere toe dat werkgevers en vakbonden ter vervanging hiervan een nieuwe regeling hebben afgesproken: de netto FLO spaarregeling. Dit betekende dat alle gespaarde bruto gelden op de lenslooppolissen overgeheveld moesten worden naar een netto spaarregeling. Met als gevolg uitbetaling van bruto gelden en dus verhoogde inkomens voor de medewerkers. Dit overhevelen en het versneld sparen levensloop kan leiden tot een financieel nadeel. Dit financieel nadeel is reden geweest voor werkgevers en vakbonden om een compensatieregeling af te spreken. De compensatieregeling compenseert alleen een nadeel dat toegerekend kan worden aan de kalenderjaren 2019, 2020 en 2021 omdat in deze jaren sprake is gewest van transitie levenslooptegoed en/of versneld sparen levensloop. Eventuele voordelen in het ene kalenderjaar worden verrekend met een nadeel over een ander kalenderjaar. Alle neveninkomsten, uit loondienst of eigen bedrijf, worden meegenomen tot een bedrag van € 9000. De grens van € 9000 is de uitkomst van onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Per kalenderjaar is een drempel aan de orde van 1% van het inkomen van de medewerker.

Pagina 44 Versie: 1.3

Begroting 2026

De werknemer levert bij de werkgever alle benodigde documenten aan. Deze documenten worden doorgestuurd naar het Expertisebureau. Het Expertisebureau beoordeeld en berekend het bedrag waarvoor de medewerker gecompenseerd wordt. Het kan voorkomen dat een gedeelte van de compensatie door de aard van het nadeel niet meteen uitbetaald kan worden. Denk bijvoorbeeld aan kinderen van medewerkers die door de uitbetaling van het levenslooptegoed een lagere studiefinanciering ontvangen. Dit nadeel doet zich alleen voor indien ze hun studie tijdig afronden. De compensatie wordt dan alleen uitbetaald indien het kind de studie tijdig afrond. We vormen in dat geval een voorziening voor deze verplichting. Voorziening oud medewerkers In 2024 hebben wij een voorziening gevormd voor een aantal medewerkers die middels een minnelijke regeling uit dienst gaan. Naast de loonkosten van deze medewerkers, zijn er over deze minnelijke regelingen RVU-boetes verschuldigd. De kosten die hierbij horen zijn toegevoegd aan de voorziening. Wanneer de medewerkers uit dienst zijn dan zal de voorziening afnemen. Mochten er nieuwe minnelijke regelingen overeen worden gekomen, dan zal er een toevoeging zijn. Voorziening verlofsparen CAO Voor verlofsaldi waarover expliciete afspraken zijn vastgelegd in het kader van verlofsparen moet overeenkomstig de geldende regelgeving een voorziening worden gevormd.

In deze voorziening is alleen de waarde van verlofuren opgenomen die op basis van de CAO tot verlofsparen horen. Algemene reserve Deze reserve is bestemd voor het opvangen van financiële risico’s en van schommelingen in de exploitatiesfeer. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van januari 2018 is de Nota algemene reserve vastgesteld. Daarmee is tevens besloten dat de hoogte van de algemene reserve niet is gebaseerd op de risico’s waar de organisatie mee te maken heeft, maar gekoppeld is aan de totale baten van de organisatie. In 2026 valt de omvang van de begroting in de staffel van € 60 miljoen tot €80 miljoen. Op basis van die notitie is voor VRBZO de gewenste omvang van de algemene reserve vastgesteld tussen de € 2,4 en € 3,2 miljoen. BEGROTINGSTOTAAL van tot €0 € 5.000.000 € 5.000.000 € 10.000.000 € 10.000.000 € 20.000.000 € 20.000.000 € 30.000.000 € 30.000.000 € 40.000.000 € 40.000.000 € 60.000.000 € 60.000.000 € 80.000.000 € 80.000.000 € 100.000.000

ALGEMENE RESERVE minimum maximum € 150.000 € 300.000 € 300.000 € 600.000 € 600.000 € 1.200.000 € 1.200.000 € 1.500.000 € 1.500.000 € 2.000.000 € 2.000.000 € 2.400.000 € 2.400.000 € 3.200.000 € 3.200.000 € 4.000.000

In 2026 doen we een geplande onttrekking uit de algemene reserve van € 1,8 miljoen als demping voor de impact van de bestuurlijke opdracht. Met de onttrekking uit de algemene reserve in 2026 wijkt het bestuur bewust af van de nota reserves en voorzieningen. Hiermee valt de algemene reserve niet meer binnen de afgesproken bandbreedte. Een toekomstig eventueel positief jaarresultaat zal primair worden gebruikt voor het weer aanvullen van de algemene reserve. Meer informatie staat in de paragraaf Risicomanagement en weerstandsvermogen.

Pagina 45 Versie: 1.3

Begroting 2026

6.3

Onderhoud kapitaalgoederen

VRBZO heeft geen kapitaalsgoederen zoals bedoeld in het BBV (wegen, riolering, water, groen en openbare gebouwen). Voor het onderhoud van gebouwen in eigendom van VRBZO, zijn specifieke afspraken gemaakt. De gebouwen die in beheer zijn van VRBZO kunnen we onderverdelen in diverse categorieën, te weten: •

huur van de gemeenten (36 gebouwen);

•

huur van derden (1 gebouw);

•

in eigendom van VRBZO (1 gebouw: ROC Waalre);

Alle gebouwen (behalve het ROC in Waalre) zijn in eigendom van gemeenten en derden. Als eigenaar is het groot onderhoud van deze kazernes bij hen belegd. In de demarcatielijsten is afgesproken wat het gebruikersonderhoud is dat VRBZO moet uitvoeren. Voor het ROC Waalre hebben we een meerjarenonderhoudsplan en -voorziening. In de voorziening wordt jaarlijks een toevoeging gedaan om toekomstig onderhoud te garanderen. Het onderhoud van alle overige kapitaalgoederen (voornamelijk materieel, materiaal en ICT middelen) is er op gericht de om deze activa steeds in voldoende conditie te hebben om de operationele inzet te waarborgen. In de begroting zijn hier structurele budgetten voor gereserveerd.

6.4

Financiering

6.4.1

Hoofdcomponenten

De financiering van VRBZO bestaat uit 2 hoofdcomponenten: 1.

Gemeentelijke bijdragen van deelnemende gemeenten in gemeenschappelijke regeling;

2.

Brede Doeluitkering Rampenbestrijding van het ministerie van Justitie en Veiligheid (BDuR).

Daarnaast ontvangt VRBZO nog diverse kleinere bijdragen, bijvoorbeeld door de detachering van medewerkers bij het Rijk, het NIPV of andere veiligheidsregio’s. In totaal ontvangt VRBZO in 2026 de volgende bijdragen: Onderwerp

Bedrag

Gemeentelijke bijdrage

€ 58.104.180

Rijksbijdrage

€ 11.045.346 € 853.246

Overige Totaal inkomsten

€ 70.002.772

Uit reserve

€ 1.870.000

Totaal baten exploitatiebegroting

€ 71.872.772

6.4.2

Rentelasten

Het overzicht van de rentelasten is opgenomen in Bijlage 5: Renteschema.

Pagina 46 Versie: 1.3

Begroting 2026

6.4.3

Renterisiconorm

VRBZO loopt renterisico op het moment dat nieuwe leningen moeten worden aangetrokken (herfinanciering) of als een renteherziening van toepassing is. Om het renterisico te beheersen is in de Wet FIDO de renterisiconorm geformuleerd. Het doel van deze norm is om overmatige afhankelijkheid van het renteniveau in één bepaald jaar te voorkomen, dit ter bescherming van de financiële positie. Met deze norm bevordert de Wet FIDO een solide financieringswijze bij openbare lichamen. Conform voorschrift van de geactualiseerde Wet FIDO wordt het renterisico in onderstaande tabel voor de komende 4 jaren bepaald, terwijl de renterisiconorm alleen betrekking heeft op het totaal van de rekening van het komende jaar. De norm schrijft voor dat maximaal 20% van het begrotingstotaal in een bepaald jaar gebruik mag worden voor aflossing of herfinanciering van een lening. In 2024 komt de som van aflossing en herfinanciering boven de norm uit, de herfinanciering zelf blijft wel onder de norm. We zullen de daadwerkelijke herfinanciering zo uitvoeren dat we binnen de norm blijven. 2026

2027

2028

2029

Omvang begroting

€ 71.872.772

€ 73.872.772

€ 73.872.772

€ 73.872.772

20% norm

€ 14.374.554

€ 14.774.554

€ 14.774.554

€ 14.774.554

Aflossing

€ 2.056.667

€ 1.726.667

€ 1.134.167

€ 1.046.667

Herfinanciering of renteverandering

€ 5.000.000

€ 3.900.000

€ 4.100.000

€ 700.000

Totaal

€ 7.056.667

€ 5.626.667

€ 5.234.167

€ 1.746.667

Daarnaast is voorgeschreven dat gemeenschappelijke regelingen maximaal 8,2% van het begrotingstotaal mogen financieren met leningen met een looptijd korter dan 1 jaar. Voor onze organisatie bedraagt deze norm daarmee ongeveer €5.900.000. Deze norm ligt boven onze behoefte aan financiering met een korte looptijd.

6.5

Bedrijfsvoering

De inhoudelijke ontwikkelingen rondom bedrijfsvoering zijn in de begroting opgenomen in hoofdstuk 4.4. Beleidsindicatoren Besluit Begroting en Verantwoording Het Besluit Begroting en Verantwoording schrijft een set met verplichte beleidsindicatoren voor. In totaal beschrijft het Besluit Begroting en Verantwoording 39 indicatoren. Slechts een beperkt aantal indicatoren hebben betrekking op de taakvelden van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Het betreft de 6 indicatoren uit het taakveld Bestuur en ondersteuning. Indicator Waarde 2026 Formatie per 1000 inwoners

0,49

Bezetting per 1000 inwoners Apparaatskosten per inwoner

0,49 € 88

Externe inhuur % van loonsom

0,19%

Externe inhuur totaal Overhead als % van totale lasten

€ 84.401 17%

Let op, doordat er een grote stelpost bij financiering is opgenomen komt het % overhead in deze begroting lager uit dan normaal. 17% overhead is niet het nieuwe structurele beeld.

Pagina 47 Versie: 1.3

Begroting 2026

6.6

Wet open overheid (WOO)

Iedereen heeft recht op informatie van de overheid. Overheidsorganisaties moeten die informatie uit zichzelf geven, of als iemand daarom vraagt. De informatie wordt dan openbaar. Dat is geregeld in de Wet open overheid (Woo). Actieve openbaarmakingsplicht De overheid moet uit zichzelf zoveel mogelijk informatie openbaar maken als dat zonder grote moeite of hoge kosten kan. Daarnaast staan in de Woo 17 soorten informatie die overheden uit zichzelf openbaar moeten maken. Deze verplichting is en wordt stap voor stap ingevoerd. Om informatie actief openbaar te kunnen maken, is de website van VRBZO aangepast. De komende periode worden verdere aanpassingen doorgevoerd. VRBZO voldoet aan de reeds in werking getreden verplichtingen. VRBZO streeft er naar ook tijdig te voldoen aan de verplichtingen die de komende periode worden ingevoerd. Het actuele beeld is dat dit realistisch is. Waar dit redelijkerwijs mogelijk is, zal VRBZO eerder soorten informatie actief openbaar maken en hiermee dus niet wachten totdat de wettelijke verplichting wordt ingevoerd. Openbaarmakingsplicht op verzoek De overheid maakt informatie openbaar als iemand erom vraagt. VRBZO ontvangt veel verzoeken om informatie of documenten. Deze verzoeken worden allemaal zorgvuldig behandeld.

Hierbij wordt per verzoek gekeken of dit verzoek kan worden afgehandeld door de gevraagde informatie in overleg te verstrekken of dat een verzoek moet worden aangemerkt als een formeel Woo-verzoek. Formele Woo verzoeken worden door VRBZO conform de procedure en binnen de inhoudelijke kaders op basis van de Woo afgehandeld.

6.7

Verbonden partijen

Een organisatie wordt gezien als een ‘verbonden partij’ als VRBZO belanghebbende is bij de organisatie, zowel vanuit bestuurlijk als financieel oogpunt. VRBZO is een samenwerkingsverband op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan 21 gemeenten deelnemen. VRBZO is voor gemeenten een verbonden partij. Zelf heeft VRBZO geen verbonden partijen.

6.8

Lokale heffingen en grondbeleid

VRBZO kent geen lokale heffingen. Het onderdeel grondbeleid is voor VRBZO niet relevant.

Pagina 48 Versie: 1.3

Begroting 2026

Bijlagen

Pagina 49 Versie: 1.3

Begroting 2026

Bijlage 1: Staat met gemeentelijke bijdragen

Aandeel in bijdrage

Basis 2025, regulier exl bestuurlijke opdracht

Indexering 2026

Asten

2,03%

€ 1.089.243

€ 43.025

€ 1.132.268

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.140.624

€ 43.222

€ 1.183.846

Bergeijk

2,68%

€ 1.437.400

€ 56.777

€ 1.494.178

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.502.534

€ 57.037

€ 1.559.571

Gemeente Best

3,39%

€ 1.818.302

€ 71.823

€ 1.890.125

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.898.481

€ 72.152

€ 1.970.633

Bladel

2,73%

€ 1.468.004

€ 57.986

€ 1.525.990

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.534.346

€ 58.251

€ 1.592.597

Cranendonck

2,59%

€ 1.388.296

€ 54.838

€ 1.443.133

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.451.489

€ 55.089

€ 1.506.578

Deurne

3,75%

€ 2.010.557

€ 79.417

€ 2.089.974

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 2.098.330

€ 79.780

€ 2.178.110

Eersel

2,55%

€ 1.367.471

€ 54.015

€ 1.421.487

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.429.842

€ 54.262

€ 1.484.105

Eindhoven

34,79%

€ 18.673.752

€ 737.613

€ 19.411.365

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 19.419.721

€ 740.989

€ 20.160.710

Geldrop-Mierlo

4,57%

€ 2.452.495

€ 96.874

€ 2.549.368

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 2.557.724

€ 97.317

€ 2.655.041

Gemert-Bakel

3,59%

€ 1.925.633

€ 76.063

€ 2.001.696

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 2.010.052

€ 76.411

€ 2.086.462

Heeze-Leende

1,90%

€ 1.020.181

€ 40.297

€ 1.060.478

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.068.834

€ 40.482

€ 1.109.315

Helmond

10,82%

€ 5.808.272

€ 229.427

€ 6.037.698

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 6.046.054

€ 230.477

€ 6.276.531

Laarbeek

2,72%

€ 1.457.837

€ 57.585

€ 1.515.422

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.523.778

€ 57.848

€ 1.581.626

Nuenen c.a.

2,79%

€ 1.500.231

€ 59.259

€ 1.559.490

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.567.846

€ 59.530

€ 1.627.377

Oirschot

2,19%

€ 1.177.814

€ 46.524

€ 1.224.337

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.232.693

€ 46.737

€ 1.279.430

Reusel-De Mierden

1,73%

€ 929.411

€ 36.712

€ 966.122

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 974.478

€ 36.880

€ 1.011.358

Someren

2,39%

€ 1.283.293

€ 50.690

€ 1.333.983

€ 8.038

€ 318

€ 8.356

€ 1.342.339

€ 50.922

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15460687/1