VRBZO Ontwerpbegroting 2026 _v1.4
Tekst van het document
Ontwerpbegroting 2026 Veiligheidsregio
Provincie
Dienstjaar
Brabant-Zuidoost
Noord-Brabant
2026
Het Algemeen Bestuur van voormelde gemeenschappelijke regeling
BESLUIT: de begroting van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost voor bovengenoemd dienstjaar vast te stellen; Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het Algemeen Bestuur d.d. 2 juli 2025. Het Algemeen Bestuur voornoemd,
De voorzitter
De heer J.R.V.A. Dijsselbloem
Begroting 2026
Colofon Opdrachtgever Directeur Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost Eindredactie MT VRBZO
Pagina 3 Versie: 1.3
Begroting 2026
Inhoudsopgave Inleiding ..............................................................................................................................................................................6
1
Bestuurlijke opdracht ...............................................................................................................................................7 1.1
Deelopdracht 1.......................................................................................................................................................7
1.2
Regionaal beleidsplan............................................................................................................................................9
2
Inhoudelijke ontwikkelingen ..................................................................................................................................10 2.1
Efficiencykorting brede doeluitkering rampenbestrijding (BDuR) .........................................................................10
2.2
Landelijke strategische agenda brandweerzorg en crisisbeheersing ...................................................................10
2.3
Ontwikkelingen bedrijfsvoering ............................................................................................................................ 14
2.4
Overige ontwikkelingen en risico’s .......................................................................................................................14
3
Opbouw gemeentelijke bijdrage en investeringsbegroting ...............................................................................16 3.1
Indexering ............................................................................................................................................................ 16
3.2
Samenvatting gemeentelijke bijdrage 2026 .........................................................................................................17 Programma’s ........................................................................................................................................................... 19
4 4.1
Inleiding ............................................................................................................................................................... 19
4.2
Programma Brandweerzorg .................................................................................................................................21
4.3
Programma Crisisbeheersing............................................................................................................................... 26
4.4
Ondersteuning organisatie ...................................................................................................................................31
5
Financiële overzichten ...........................................................................................................................................35 5.1
Schatkistbankieren...............................................................................................................................................35
5.2
Investeringsbegroting...........................................................................................................................................35
5.3
Overzicht incidentele baten en lasten ..................................................................................................................35
6
Verplichte paragrafen .............................................................................................................................................36 6.1
Risicomanagement en weerstandsvermogen ......................................................................................................36
6.2
Staat van reserves en voorzieningen ...................................................................................................................43
6.3
Onderhoud kapitaalgoederen .............................................................................................................................. 46
6.4
Financiering .........................................................................................................................................................46
6.5
Bedrijfsvoering .....................................................................................................................................................47
6.6
Wet open overheid (WOO) ..................................................................................................................................48
6.7
Verbonden partijen...............................................................................................................................................48
6.8
Lokale heffingen en grondbeleid ..........................................................................................................................48
Bijlagen .............................................................................................................................................................................49
Bijlage 1: Staat met gemeentelijke bijdragen ................................................................................................................50
Pagina 4 Versie: 1.3
Begroting 2026
Bijlage 2: overzicht van baten en lasten ........................................................................................................................53 Bijlage 3: Meerjarenraming 2026 – 2029.........................................................................................................................54
Bijlage 4: Begroting ingedeeld naar taakvelden ............................................................................................................55
Bijlage 5: Renteschema ...................................................................................................................................................56
Bijlage 6: EMU saldo ........................................................................................................................................................57
Bijlage 7: Meerjarenbalans en weerstandsvermogen ...................................................................................................58
Bijlage 8: Investeringsbegroting .....................................................................................................................................60
Pagina 5 Versie: 1.3
Begroting 2026
Inleiding Het bieden van een veilige werk-, woon- en leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven, gemeenten en vele andere instellingen. Een belangrijke schakel hierin is de Veiligheidsregio: de organisatie die risico’s in beeld brengt, zelfredzaamheid en weerbaarheid bevordert, veiligheidsmaatregelen adviseert en voorschrijft, partners samenbrengt en samenwerken stimuleert. En, als het dan toch fout gaat, treden we op en proberen wij de maatschappelijke continuïteit zo snel mogelijk terug te brengen tot een aanvaardbaar peil. In een maatschappij waarin de (veiligheids)risico’s alsmaar toenemen en complexer worden, groeit het belang van een sterke en daadkrachtige Veiligheidsregio. Een Veiligheidsregio die kwantitatief op sterkte is, kwalitatief van een goed professioneel niveau en snel wendbaar om op allerlei (on)denkbare scenario’s in te spelen. Deze vereisten zien we terug in steeds strenger wordende wet- en regelgeving, in brancherichtlijnen en overeenkomsten en in maatschappelijke betrokkenheid. De lat ligt steeds hoger. Met het bestuur constateerden we in het voorjaar van 2024 dat we er niet goed in slagen om te voldoen aan deze zwaardere eisen. Op diverse vlakken voldoen we niet aan geldende wet- en regelgeving of brancherichtlijnen.
Hierbij gaat het om zaken die direct ons primaire proces raken, zoals de vakbekwaamheid van onze brandweermedewerkers en de benodigde formatie van vrijwilligers en beroepskrachten om de paraatheid te garanderen. Maar het raakt ook organisatiegebieden waar de ontwikkelingen de afgelopen jaren een enorme sprong hebben genomen, zoals informatieveiligheid. We bespraken deze uitdagingen met ons bestuur. Het Algemeen Bestuur gaf opdracht om het beeld te concretiseren en om richting te geven aan de ontwikkeling van VRBZO in de komende jaren. Omdat deze begroting voor een deel uitwerking kent van de uitkomsten van deelopdracht 1 wordt gestart met deze opdracht en wordt vervolgens de ook een beeld gegeven van de uitwerking van de uitkomsten van de 1e deelopdracht (voldoen aan wet- en regelgeving) beschreven en wat hiervan het financiële effect is weergegeven. Bij de besprekingen over wat nodig is om te voldoen aan wet- en regelgeving, werd duidelijk dat er een brede behoefte is aan een toekomstgerichte koers voor de veiligheidsregio. Wat voor een veiligheidsregio past bij onze regio? Hoe kunnen we dat gezamenlijk bereiken en wat is daarvoor nodig? In een nieuw op te stellen regionaal beleidsplan moet een antwoord komen op deze -terechte- vragen. Dat doen we in 2025 en 2026, waarbij we input vanuit diverse perspectieven meenemen.
Denk hierbij aan het bestuur, onze crisispartners en natuurlijk gemeenten. Het regionaal beleidsplan moet voor koers van de toekomst voor VRBZO.
Pagina 6 Versie: 1.3
Begroting 2026
Bestuurlijke opdracht
1
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) constateert al enige tijd dat zij niet langer kan voldoen aan eisen en verwachtingen, die aan een veiligheidsregio mogen worden gesteld. De organisatie heeft lange tijd met moeite kunnen en willen voldoen aan deze vereisten en verwachtingen. Maar de zorg voor veiligheid van inwoners, bedrijven én eigen medewerkers legt inmiddels een onevenredige druk op het personeel. Er zijn grote zorgen over de bedrijfscontinuïteit, op onderdelen wordt niet of onvoldoende voldaan aan wettelijke vereisten en er is onvoldoende slagkracht voor het uitvoeren van zowel reguliere activiteiten als de werkzaamheden in crisissituaties. Lange tijd is getracht om binnen de bestaande middelen te voldoen aan de minimale vereisten van een gezonde organisatie en daadkrachtige hulpverleningsdienst. Maar blijven zoeken naar nog enige ruimte in de begroting is niet langer mogelijk en verantwoord. Deze constateringen zijn in 2024 gedeeld met het Algemeen Bestuur. Ook zijn de gemeenteraden schriftelijk en via raadsinformatie bijeenkomsten over de situatie geïnformeerd. Het bestuur gaf opdracht om het beeld te concretiseren en om richting te geven aan de ontwikkeling van VRBZO in de komende jaren. Deze bestuurlijke opdracht is uitgewerkt in 3 deelopdrachten: 1. voldoen aan wet- en regelgeving; 2. basis op orde brengen; 3. komen tot een regionaal beleidsplan.
1.1
Deelopdracht 1
Voor diverse onderwerpen is geïnventariseerd welke wettelijke bepalingen gelden, welke brancherichtlijnen of -normen (moeten) worden gehanteerd, wat de status is van uitvoering en implementatie binnen VRBZO en wat nodig is om het uitvoeringsniveau te laten voldoen aan wet- en regelgeving. Aan de hand van deze informatie en afwegingen door het management is een document voor het bestuur opgesteld. Hierin staan constateringen die relevant zijn voor deelopdracht 1: het gaan voldoen aan wet- en regelgeving. Ook staat in dit document wat nodig is om blijvend te kunnen voldoen aan wet- en regelgeving. Het Algemeen bestuur stelde in december 2024 de uitwerking van deelopdracht 1 vast. Dit betekent dat we in 2025 en 2026 vooral bezig zijn met het uitvoeren van de deelopdracht. Op hoofdlijnen gaat het hierbij om de volgende thema’s: Taakuitvoering primair proces De Wet veiligheidsregio’s is duidelijk in wat de taken en verantwoordelijkheden van een veiligheidsregio zijn en waaraan ook VRBZO moet voldoen. Het op orde hebben van de primaire taakuitvoering is van groot belang. Zeker omdat het hierbij gaat om het voorkomen en beperken van levensbedreigende situaties en het in belangrijke mate bijdragen aan de maatschappelijke continuïteit. Een verhoging van de formatie van vrijwilligers en beroepsbrandweer is daarvoor noodzakelijk.
We kunnen momenteel onze repressieve taken nog uitvoeren, maar het piept en het kraakt. De limiet van wat nog verantwoord is, is bereikt of wordt hier en daar al overschreden. Dankzij de loyale inzet van onze medewerkers lukt het nog de primaire taken uit te voeren, maar zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin loopt het systeem vast.
Pagina 7 Versie: 1.3
Begroting 2026
Veranderingen in veiligheidsrisico’s vragen om andere vormen van opgeleid worden en opgeleid blijven. Inzet van moderne methoden en didactische inzichten zijn nodig om de vakbekwaamheid van onze mensen op peil te brengen en houden, aangezien het traditioneel oefenen te beperkt in mogelijkheden is en aanloopt tegen praktische en milieutechnische grenzen. Mede vanwege de komst van de Omgevingswet wordt een steeds hoger kennisniveau van onze veiligheidsadviseurs gevraagd. En een heel belangrijke constatering is dat voor het uitvoeren van alle taken binnen het primair proces beschikbaarheid van de juiste, op de taken van de veiligheidsregio toegespitste informatie, steeds belangrijker is. Ook hiervoor ontbreekt het aan de juiste middelen. Personele zorg De loyaliteit van onze medewerkers aan het vak en aan de inwoners en bedrijven waar ze het allemaal voor doen, is groot. De samenwerking binnen de organisatie is sterk en dienend aan de gezamenlijke missie ‘Zorg voor veiligheid’. Met die instelling zijn we tot op heden in staat gebleken om de taken van een veiligheidsregio in voldoende mate te kunnen uitvoeren.
Maar als werkgever bieden we lang niet altijd datgene, waar onze medewerkers recht op hebben en wat onontbeerlijk is voor hun werk en inzet; een veilige en gezonde werkomgeving, goede implementatie van arbeidsvoorwaarden en voldoende begeleiding bij rechtspositionele vraagstukken. Juist een veiligheidsorganisatie als VRBZO zou de arbeidsomstandigheden goed op orde moeten hebben om het risicovolle werk veilig te kunnen uitvoeren en een goed voorbeeld te kunnen stellen. Een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) heeft echter aangetoond dat er een groot aantal tekortkomingen zijn. Die kunnen alleen worden opgepakt met behulp van voldoende deskundig personeel en beschikbaarheid van voldoende financiële middelen. Huisvesting en materieel In de laatste fase van de regionalisering van de brandweer in 2014 zijn de huurafspraken voor gebruik van brandweerkazernes vastgelegd. Duidelijk was daarbij welk deel van de huurovereenkomst de verantwoordelijkheid is van verhuurder en van huurder. Inmiddels is duidelijk dat ook vanuit huurderszijde een goede beheersorganisatie nodig is om toekomstbestendige huisvesting te kunnen blijven garanderen. Dit vraagt om samenwerking tussen gemeenten, deskundige inbreng vanuit VRBZO en beschikbaarheid van voldoende middelen. Verduurzaming is ook aan de orde bij het beheren en vervangen van materialen en materieel.
De organisatie is niet in staat om de verzwaringen in eisen en processen, de toename in werkzaamheden en de kostenverhogingen bij vervangingen op te vangen. En dit terwijl de onvoorwaardelijke beschikbaarheid van materialen en materieel essentieel is voor het veilig en effectief kunnen uitvoering van de hulpverleningstaken, zoals goed functionerende communicatiemiddelen tijdens brandweerinzetten. Ondersteuning organisatie Het primair proces binnen de Veiligheidsregio kan alleen goed functioneren als het kan leunen op de goede ondersteuningsprocessen en ondersteunende middelen. Een essentieel onderdeel is het kunnen werken met betrouwbare hard- en software, netwerken en informatiebronnen. Voor veel aspecten is deze ondersteuning niet gegarandeerd; het netwerk valt met regelmaat uit, applicaties vertonen storingen en de informatie en werkomgevingen zijn onvoldoende beschermd tegen aanvallen van buitenaf. De bedrijfscontinuïteit is niet altijd te garanderen, terwijl dat juist van een hulpdienst en crisisorganisatie mag worden verwacht. Elke overheidsorganisatie, dus ook VRBZO, wordt geacht een goede bedrijfsvoering te voeren, die voldoet aan de specifieke wettelijke eisen. We streven ernaar een transparante organisatie te zijn die aan kan tonen in control te zijn en informatie kan delen met inwoners, media en gemeenteraden.
Dat vraagt om capaciteit en deskundigheid die momenteel nog onvoldoende aanwezig is.
Pagina 8 Versie: 1.3
Begroting 2026
Om op deze onderwerpen te kunnen voldoen aan wet- en regelgeving is structurele verhoging van de gemeentelijke bijdrage is nodig. Ervan uitgaande dat overhead meegroeit met de rest van de organisatie kunnen de vereiste maatregelen met betrekking tot bedrijfsvoeringstaken worden gefinancierd uit de generieke opslag voor overhead. Uitzondering hierop zijn kosten voor het versterken van informatievoorziening en ICT-middelen die grotendeels behoren tot middelen voor het primair proces. In deze begroting voor 2026 houden we rekening met uitvoering van de bestuurlijke deelopdracht 1 die voor een deel is gestart in 2025 en waar deze begroting op verder gaat.. Het financiële effect voor gemeentelijke bijdragen staat in hoofdstuk 3.2 over de gemeentelijke bijdrage.
1.2
Regionaal beleidsplan
Het besluit over deelopdracht 1 vond plaats in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 12 december 2024. In het verlengde van deze deelopdracht gaan we een meerjarig regionaal beleidsplan 2027-2030 opstellen zoals bedoeld in de Wet Veiligheidsregio’s. In dit beleidsplan staat de koers van de organisatie voor de komende jaren. Het gaat hierbij om inhoudelijke beleidsthema’s van brandweerzorg en crisisbeheersing. Denk hierbij aan de nieuwe beleidsrichtingen voor natuurbrandbestrijding, hulpverlening en de landelijke agenda crisisbeheersing. Maar ook andere strategische thema’s nemen we mee in het beleidsplan, zoals huisvesting, duurzaamheid en wat ontwikkelingen in de schaalsprong en ruimtelijke infrastructuur zoals Knooppunt XL voor ons betekenen. We hebben tijd nodig om het beleid hierover helder en op orde te krijgen. Dat zal onder meer gevolgen hebben voor onze investeringsbegroting die volgend is aan het beleid. Daar waar het bestuurlijke beleidskeuzes betreffen leggen we een onderbouwd investeringsplan voor aan het bestuur. De richting van de koers wordt in het eerste halfjaar van 2025 door het bestuur besproken. Na ambtelijke uitwerking van de koers in een samenwerking tussen bestuur, directie en organisatie, raden en partners wordt een concept regionaal beleidsplan begin 2026 voor verdere besluitvorming ingebracht.
Voorafgaand aan vaststelling door het bestuur worden gemeenteraden in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven en plegen de burgemeesters (daarbij) met hun gemeenteraden het overleg over de inhoud van het ontwerp-beleidsplan zoals de Wet veiligheidsregio’s dat voorschrijft.
Pagina 9 Versie: 1.3
Begroting 2026
Inhoudelijke ontwikkelingen
2
Naast de bestuurlijke opdracht zijn er nog andere beleidsontwikkelingen met een financieel effect. In dit hoofdstuk wordt daar verder op ingegaan. Uiteraard blijven we ook zoeken naar manieren om deze kostenstijgingen te dempen.
2.1
Efficiencykorting brede doeluitkering rampenbestrijding (BDuR)
Het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) stelt de brede doeluitkering rampenbestrijding (BDuR) beschikbaar aan veiligheidsregio’s via de systematiek van een specifieke uitkering (SPUK). Het kabinet is voornemens het aantal SPUK’s te verminderen en over te hevelen naar het gemeentefonds. Daarnaast past het ministerie tevens een efficiencykorting van 10% toe op de uitkering. Het Veiligheidsberaad heeft bij de minister haar zorgen geuit over deze voornemens. De minister erkent de zorgen en heeft inmiddels besloten om de BDuR via een speciale uitkering te blijven voldoen. Daarbij blijft de onzekerheid over het doorvoeren van de 10% efficiencykorting. In de departementale Rijksbegroting 2025 van het ministerie JenV is de korting op de BDuR van in totaal € 27,7 miljoen per 2026 al opgenomen1. Voor VRBZO gaat dit om een bedrag van structureel € 1,1 miljoen per jaar. Het Veiligheidsberaad is nog in gesprek met de minister over de effecten van deze efficiencykorting. De minister gaf eind 2024 aan pas bij de komende voorjaarsnota meer duidelijkheid te geven in hoeverre deze korting blijft bestaan. Op dit moment ervaren alle veiligheidsregio’s in het land ervaren onduidelijkheid over de korting. Gezien de tijdsgeest, de geopolitieke situatie en de aard van de BDuR achten wij het niet waarschijnlijk dat de 10%-efficiencykorting structureel zal blijven bestaan.
We zien dat andere veiligheidsregio’s de korting als risico opnemen in de risicoparagraaf. De kans dat de korting daadwerkelijk plaatsvindt wordt dan als ‘onwaarschijnlijk’ ingeschat. VRBZO hanteert dezelfde methode. Indien de structurele korting vervalt in de voorjaarsnota, dan vervalt daarmee ook het risico. Blijft de structurele korting in stand, dan moeten we alsnog bepalen hoe we de lagere BDuR opvangen in de (meerjaren)begroting 2026. Ambtelijk worden hier eerste scenario’s voor voorbereid, waarbij we voorstellen uitwerken over welke taken dan komen te vervallen.
2.2
Landelijke strategische agenda brandweerzorg en crisisbeheersing
Uit de Toekomstverkenning Brandweer 2030 en de Toekomstverkenning Crisisbeheersing door het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) zijn voor de komende jaren 3 grote opgaven (zogenaamde “3 Grote Werken”) benoemd voor de landelijke strategische agenda: 1)
Versterken (boven)regionale crisisbeheersing en daaraan gerelateerde informatievoorziening (aansluiting op KCR2);
2)
Organiseren van toekomst vaste brandweerzorg;
3)
Verbeteren en vereenvoudigen van het brandweeronderwijsstelsel, en inrichting van een daarop geïnspireerd stelsel voor crisisonderwijs.
Duurzame inzetbaarheid wordt hierbij als een overkoepelende 4e opgave beschouwd. Hiermee wordt bedoeld dat we bij alle Grote Werken aandacht moeten geven aan ‘goed werkgeverschap’, ‘boeien en binden van personeel’ en inspelen op ‘de medewerker van de toekomst’. Daarmee is duurzame inzetbaarheid van medewerkers een belangrijk onderwerp dat komende jaren nadrukkelijk op de landelijke en regionale agenda staat.
1 Begroting 2025 ministerie Justitie en Veiligheid pagina 159
Pagina 10 Versie: 1.3
Begroting 2026
2.2.1
Versterken (boven)regionale crisisbeheersing en informatievoorziening
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid maakte in 2022 de contourennota ‘Versterking crisisbeheersing en brandweerzorg’. Aanleiding van deze nota was de evaluatie van de Wet Veiligheidsregio’s, door de commissie Muller. In de contourennota staan acties om vernieuwing en verandering tot stand te brengen op de verschillende aandachtsgebieden binnen crisisbeheersing en brandweerzorg. Landelijk is de contourennota op het gebied van crisisbeheersing inmiddels vertaald naar een Landelijke Agenda Crisisbeheersing (LAC). Deze landelijke agenda is voor ons de leidraad voor de versterking van het domein van crisisbeheersing voor de komende jaren en wordt vertaald naar regionale doelstellingen. De landelijke agenda past binnen de reeds ingezette lijn van onze visie en de verdere versterking van het domein. Voor het uitvoeren van de landelijke agenda crisisbeheersing zijn de extra BDuR middelen beschikbaar. Voor 2026 bedraagt de structurele extra BDuR naar verwachting € 2.500.000. Dat is een structurele verhoging ten opzichte van 2025 van € 300.000. De snelheid van doorontwikkeling van het domein van crisisbeheersing en de versterking van de informatievoorziening houdt nauw verband met de beschikbaarheid van voldoende geschikt personeel en de ontwikkelingen rondom de korting op de BDuR (paragraaf 2.1).
2.2.2
Organiseren van toekomstvaste brandweerzorg
Op basis van het rapport van de evaluatiecommissie Muller over de evaluatie Wet Veiligheidsregio’s (Wvr) heeft het Kabinet eind 2022 een contourennota ‘Versterking crisisbeheersing en brandweerzorg’ opgesteld. In de contourennota staan acties om de verschillende aandachtsgebieden binnen crisisbeheersing en brandweerzorg te vernieuwen en veranderen. De contourennota geeft aan dat de brandweerzorg moet veranderen omdat de maatschappij voortdurend met nieuwe risico’s wordt geconfronteerd. Een toekomstbestendige brandweer moet over voldoende capaciteit en slagkracht beschikken om naast de lokale en regionale basisbrandweerzorg het hoofd te kunnen bieden aan grootschalige en nieuwe incidenttypen. De brandweer moet doorontwikkelen om adequaat te kunnen anticiperen op nieuwe risico’s. Voor de beoogde verandering van (nationale) brandweerzorg zijn de belangrijkste acties uit de landelijke contourennota: a)
Versterking regierol minister van Justitie en Veiligheid voor brandweerzorg, door onder meer opstellen van een landelijk dekkingsplan en onderzoek naar verbreden en borgen adviesfunctie brandveiligheid;
b)
Wettelijk verankeren van brandweerzorg als cyclisch proces;
c)
Verkennen mogelijkheden instellen Besluit brandweerzorg;
d)
Organiseren actueel inzicht in de parate slagkracht;
e)
Onderzoek naar het stelsel van brandweeronderwijs;
f)
Onderzoeken aanpassing huidige aanwijzing voor bedrijfsbrandweer.
Regionaal zijn er meerdere inhoudelijke thema’s waarop de komende jaren veel ontwikkelingen zijn. Hierbij gaat het concreet om bijvoorbeeld de landelijke strategie natuurbrandbestrijding, de landelijke visie op hulpverlening (HV) en de landelijke systematiek van het gebied gebonden dekkingsplan en de uitwerking hiervan in capaciteit en middelen. Dit zal ook invloed hebben op het meerjareninvesteringsplan (MIP), want de toekomst vraagt om andere voertuigen en gereedschappen dan we op dit moment hebben. Regionaal vormen de ontwikkelrichtingen van deze thema’s belangrijke bouwstenen voor het nieuwe regionaal beleidsplan. Op sommige vlakken vraagt dit om een stevige investering in de beleidsmatige uitvoering om de aansluiting met het land op gelijkwaardig niveau te houden. En om te kunnen (blijven) voldoen aan het niveau van brandweerzorg waarover we met
Pagina 11 Versie: 1.3
Begroting 2026
het bestuur afspraken maken. Hieraan is ook een structurele financiële component verbonden die we in het regionaal beleidsplan verder uitwerken op basis van de koers en ambitie van het bestuur.
2.2.3
Verbeteren en vereenvoudigen van het onderwijsstelsel
Het huidige onderwijsstelstel past niet meer goed bij de snel veranderende wereld. Het moet flexibeler worden en beter passen bij de praktijk. Dit blijkt onder meer uit de rapportage ‘Onderwijsstelsel veiligheidsregio’s; de zoektocht naar verbetering’, die in september 2023 verscheen. Het landelijke programma Onderwijs Onderweg van het NIPV richt zich op het verbeteren van het onderwijsstelsel voor brandweer en crisisbeheersing. De ambitie van het programma is samen op weg te gaan naar een goed werkend onderwijsstelsel met praktijkgericht, flexibel en up-to-date onderwijs voor alle mensen van de brandweer en crisisbeheersing in de veiligheidsregio’s. Er is een koersplan opgesteld, waarin staat beschreven hoe de verbetering van het onderwijsstelsel de komende jaren wordt aangepakt. Er zijn 6 belangrijke ontwikkeldoelen waar we met het programma naartoe werken: a)
beter samenspel door meer rolduidelijkheid, rolbewustzijn en rolvastheid;
b)
betere sturing en aansluiting op de vraag vanuit de beroepspraktijk;
c)
meer flexibiliteit in het functiestelsel en de kwalificatiedossiers;
d)
meer flexibiliteit in het onderwijs, waarin de deelnemer centraal staat;
e)
efficiëntere en effectievere uitvoering;
f)
gezamenlijke evaluatie en snellere aanpassing van onderwijs.
2.2.4
Duurzame inzetbaarheid
Bij voorgaande opgaven moeten we expliciet aandacht geven aan ‘goed werkgeverschap’, ‘boeien en binden van personeel’ en inspelen op ‘de medewerker van de toekomst’. Duurzame inzetbaarheid van medewerkers is daarmee een belangrijk onderwerp dat komende jaren nadrukkelijk op de landelijke en regionale agenda staat. Onze medewerkers zijn ons belangrijkste kapitaal. Als goed werkgever willen we onze medewerkers zoveel mogelijk blijven binden en boeien en daarmee inspelen op de medewerker van de toekomst. Daarbij hebben we te maken met een aantal uitdagingen waar we op willen en moeten inzetten. De minimaal vereiste maatregelen die gerelateerd zijn aan (arbo)wetgeving namen we mee in deelopdracht 1. De overige nemen we mee in het nieuwe regionaal beleidsplan. Inzetten op het binden en blijven boeien van vrijwilligers De afgelopen jaren hebben we veel verloop van vrijwilligers gehad. De periode dat een brandweervrijwilliger actief is, daalt. De landelijke trend is dat deze ontwikkeling zich doorzet en zelfs sterker wordt. We moeten sneller nieuwe vrijwilligers zoeken om paraat te kunnen blijven. Enerzijds zorgt verloop en nieuwe vrijwilligers voor hogere kosten, onder andere bij vakbekwaamheid om de mensen op te leiden. Anderzijds is de maatschappelijke trend dat het steeds moeilijker is om nieuwe vrijwilligers te werven. Met name in de kleinere dorpen is het lastig.
Bij de ene brandweerpost slagen we er beter in om nieuwe mensen te werven dan bij de andere brandweerpost. Het vraagt vaak om een intensieve en structurele wervingscampagne om een vrijwillige brandweerpost op sterkte te houden of te krijgen om de paraatheid te organiseren. We proberen actief onze vrijwilligers te boeien en aan ons te binden, onder andere met hulp van de posthoofden.
Pagina 12 Versie: 1.3
Begroting 2026
Koesteren van het betaalbare stelsel van vrijwilligheid De Wet normalisering rechtpositie ambtenaren (WNRA) is uitgesteld voor medewerkers van veiligheidsregio’s. Vooral voor de rechtpositie en loonkosten van vrijwilligers zou dit grote gevolgen hebben. Door te kijken naar landelijke gemiddelden, namen we aan dat de kosten konden oplopen tot €1.500.000 per jaar. Inmiddels weten we dat onze regio minder nadeel heeft dan andere regio’s, bijvoorbeeld omdat wij niet werken met kazernering van vrijwilligers. Het financiële nadeel is daardoor ook kleiner. Landelijk vindt nog onderzoek plaatsnaar het effect van de invoering en naar manieren om daar invloed op uit te oefenen. Daarom zijn de ontwikkelingen rondom de invoering van de WNRA voor vrijwilligers nog onzeker. We kunnen deze daarom nog niet opnemen in de begroting van 2026. Post traumatische stressstoornis (PTSS) en andere psychosociale klachten Als hulpverleningsorganisatie komt de brandweer, net als andere diensten, bij incidenten die heftig kunnen zijn. Voor slachtoffers en hun omgeving. Maar zeker ook voor ons eigen personeel. We hebben hier al oog voor via de inzet van het team collegiale opvang en vertrouwenspersonen. Zij praten met de betrokken collega’s na een heftig incident.
Wanneer iemand zich bij hen, bij de bedrijfsarts of bij hun leidinggevende meldt met mogelijke PTSS klachten of andere psychosociale klachten, dan zetten we ons in om ervoor te zorgen dat hij/zij de juiste hulp krijgt. Landelijk is er binnen de brandweer steeds meer aandacht voor collega’s met PTSS gerelateerde klachten. Vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap vinden wij het belangrijk dat collega’s ook dan op de organisatie kunnen rekenen. En dat zij zich gezien en gehoord voelen als ze ergens tegenaan lopen en als ze klachten ervaren. Naast de zorg voor onze mensen vinden we het belangrijk dat zaken ook in juridische en financiële zin goed geregeld zijn. Daarom hebben we een werkgroep opgestart die aan de slag gaat met het maken van regionaal beleid. Hierbij kijken we uiteraard ook naar landelijke ontwikkelingen en sluiten we daarbij aan wanneer dat mogelijk en wenselijk is. Wanneer een medewerker met PTSS of andere psychosociale klachten door het werk zich nu al meldt, leveren we maatwerk tot we beleid hebben. Per medewerker kijken we dan hoe en welke hulp het meest passend is.
Investeren in de 2e loopbaan beroepsbrandweer Medewerkers die vanaf 2006 in dienst kwamen bij de beroepsbrandweer, werken in principe maximaal 20 jaar in een repressieve functie. De eerste medewerkers begonnen daarom in 2021 met de voorbereidingen voor hun 2 e loopbaan. De kosten die hieraan verbonden zijn, zijn nog beperkt. We deden toezeggingen, die vooral waardevol waren voor de medewerker. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om een jaar parttime te werken of een terugkeergarantie voor een jaar. Oplossingen, waardoor een medewerker relatief veilig een eigen bedrijf kan starten of ergens anders ervaring op kan doen. De kosten zijn daarmee nog beperkt. We verwachten wel extra kosten te moeten maken, maar we hebben nog geen uitgebreide ervaringscijfers om die te onderbouwen. We zien andere regio’s bedragen opnemen in hun begroting tot €70.000 per medewerker of er een jaarlijks bedrag van €750.000 voor reserveren. Als we kijken naar de cijfers van nu, denken we dat dit voor ons nog niet nodig is. We bekijken dit periodiek en stellen ons beleid bij als er aanleiding voor is. Op verzoek van de sector en sociale partners doet de Universiteit van Maastricht onderzoek naar de regeling en naar mogelijkheden om de regeling aan te passen. Het onderzoek startte in 2022 en duurt 4 jaar. Zolang het onderzoek loopt, moeten de medewerkers wel een plan voor een 2 e loopbaan maken.
Maar zij hoeven de organisatie nog niet te verlaten. Ook in de begroting van 2026 gaan we nog uit van beperkte meerkosten voor omscholing.
Pagina 13 Versie: 1.3
Begroting 2026
2.3
Ontwikkelingen bedrijfsvoering
Randvoorwaarde om op een gestructureerde manier met bovengenoemde ontwikkelingen aan de slag te gaan is dat reguliere bedrijfsvoering processen op orde zijn. De ondersteuning van de organisatie willen we effectief en doelmatig maken en houden. In control op rechtmatigheid, efficiency en goede personele zorg zijn hierbij de belangrijkste uitgangspunten. Op dit vlak hebben we diverse uitdagingen, zoals ook blijkt in bestuurlijke deelopdracht 1. In hoofdstuk 4.4 over ondersteuning organisatie geven we aan wat we in 2026 op dit domein willen bereiken en wat we ervoor gaan doen.
2.4
Overige ontwikkelingen en risico’s
2.4.1
Schaalsprong Brainport
De Brainportregio Eindhoven maakt een flinke groei door, zowel economisch als demografisch. De uitvoering van ons werk en organisatie is ingericht op het niveau van voordat deze ontwikkeling op gang kwam. De schaalsprong in de regio heeft ook effect op onze organisatie. Onze budgetten groeien niet automatisch mee met de schaalsprong van de regio. Dit zorgt voor spanning op onze capaciteit in de uitvoering van ons werk. Dat geldt niet alleen voor mensen en voertuigen op straat, maar zeker ook in de randvoorwaarden aan de voorkant, zoals in vakbekwaamheid en bij advisering van bevoegd gezag. Op het vlak van risicobeheersing is bijvoorbeeld de adviescapaciteit en inhoudelijke kennis niet in balans met de ontwikkelingen. In het nieuwe regionale beleidsplan schetsen we de voor ons relevante ontwikkelingen die samenhangen met de schaalsprong in de Brainportregio. Daarbij geven we aan hoe de veiligheidsregio hierop moet anticiperen om passende dienstverlening te kunnen bieden aan de samenleving op het gebied van brandweerzorg, bevolkingszorg, crisisbeheersing en de medische keten bij rampen of crises.
2.4.2
Invloed economische en technische ontwikkelingen op investeringen
Economische en technologische ontwikkelingen buiten onze directe invloedssfeer gaan effect hebben op onze investeringsbegroting. In economische zin zien we de afgelopen jaren stevige prijsstijgingen. In 2023 werd de gemeentelijke bijdrage verhoogd als prijscompensatie voor de extreem hoge inflatie op dat moment. De noodzaak om structurele verhoging als compensatie voor inflatie door te voeren, onderbouwden we in een notitie en begrotingswijziging die in 2023 door het Algemeen Bestuur is vastgesteld. In de notitie constateerden we dat industriële prijzen de afgelopen jaren met ongeveer 30% zijn gestegen. De prijsstijgingen in de industrie zijn veelal direct van invloed op onze (vervangings)investeringen in voertuigen en gereedschappen. Het Algemeen Bestuur besloot bij de vaststelling destijds in de 1e begrotingswijziging 2023 dat investeringskredieten en bijbehorende kapitaalslasten alleen voor de jaarschijf 2023 aanvullend zouden worden geïndexeerd, in de verwachting dat de prijzen weer zouden gaan dalen. Deze daling heeft niet ingezet. Daardoor moeten we deze nu per dossier kredietverhoging voorleggen en het vervolgens meenemen in de betreffende kadernota en begroting. We constateren nu dat dit voor bijna al onze toekomstige investeringen aan de orde zal zijn. We zullen deze stijgingen daarom verwerken in de voorstellen voor het beleidsplan.
Pagina 14 Versie: 1.3
Begroting 2026
Verder zien we dat technologische ontwikkelingen en moderne maatschappelijke normen zorgen voor nieuwe standaarden waar onze mensen, maar ook onze voertuigen en gereedschappen aan moeten voldoen: •
De energietransitie brengt nieuwe uitdagingen op het gebied van veiligheid. Dit vraagt om andere en/of nieuwe blusmiddelen, gereedschappen en inzettechnieken dan de conventionele middelen en methoden. Denk hierbij aan blusrobots en drones.
•
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld Knooppunt XL nabij het centraal station in Eindhoven brengt specifieke veiligheidsrisico’s met zich mee. Nieuwe en innovatieve ideeën, die tegelijk ook zorgen voor nieuwe veiligheidsvraagstukken. We beschikken nu niet over de geschikte middelen en vaktechnische vaardigheden om dit soort voor onze regio nieuwe incidenttypen te kunnen bestrijden.
•
De moderne eisen aan brandweervoertuigen zijn hoger dan voorheen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om het voertuig in te zetten bij natuurbrandbestrijding.
•
Gelet op de landelijke klimaatdoelstellingen zijn duurzaamheidseisen steeds strenger. Dat geldt ook voor onze voertuigen, gereedschappen en kazernes. Deze eisen hebben vaak een prijsverhogend effect; een alternatief aangedreven brandweervoertuig is fors duurder in zowel de aanschaf als en afschrijving in vergelijking met een voertuig op fossiele brandstof. In onze investeringsbegroting hielden we daar nog geen rekening mee.
Deze ontwikkelingen hebben invloed op onze investeringsbegroting. Het vervangen van voertuigen, gereedschappen en installaties is de komende jaren duurder dan geraamd.
2.4.3
Algemene reserve
Om de verhoging van de gemeentelijke bijdrage in 2026 en 2027 te dempen, doen we in deze jaren een onttrekking uit de algemene reserve. Door deze onttrekkingen loopt de algemene reserve vrijwel leeg. De algemene reserve gebruiken we ook als weerstandsvermogen voor risico’s. Dat betekent dat we geen reserve hebben om onverwachte grote incidentele tegenvallers op te vangen binnen de organisatie. De gemeenten in de gemeenschappelijke regeling staan garant voor de financiële positie van de veiligheidsregio.
2.4.4
Structureel budget voor projecten
In de begroting van de organisatie is nog geen structureel budget beschikbaar voor de uitvoering van projecten bovenop die voor voldoen aan wet- en regelgeving. De huidige begroting is gericht op de groei naar voldoen aan wet- en regelgeving en bedrijfscontinuïteit. In het beleidsplan zal het geld voor projecten worden meegenomen.
Pagina 15 Versie: 1.3
Begroting 2026
3
Opbouw gemeentelijke bijdrage en investeringsbegroting
3.1
Indexering
3.1.1
Indexering baten
Indexering gemeentelijke bijdrage We stellen voor om de gemeentelijke bijdrage voor 2026 aan te passen aan de verwachte inflatie en daarom te indexeren met 3,95%. Conform het beleidskader P&C 4-GR is dit voorstel gebaseerd op de index voor de loonvoet sector overheid en de index voor prijs overheidsconsumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning 2025 van het Centraal Planbureau2. De indexatie baseren we op de methodiek die we samen met de andere regionale gemeenschappelijke regelingen in onze regio (GGD, ODZOB en MRE) hebben afgesproken met het bestuur. Het toepassen van deze methodiek zal bij elk van de gemeenschappelijke regelingen leiden tot andere uitkomsten gezien de verschillen in verhoudingen tussen loonkosten en overige kosten. In de vergadering van het Algemeen Bestuur van december 2022 is dit beleid opnieuw bekrachtigd. Onderdeel Lonen Prijzen
Kengetal jaarschijf 2025 Loonvoet sector overheid Prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC)
Gewogen indexpercentage
Wegingsfactor 62,50% 37,50%
Indexeringspercentage 4,70% 2,70% 3,95%
Indexering rijksuitkering De afgelopen jaren indexeerde het Rijk elk jaar haar uitkering. De omvang van deze indexering wordt altijd pas tijdens het begrotingsjaar bekend. De afgelopen jaren bleek de indexering van de rijksuitkering een grotere prijscomponent te hebben dan de gemeentelijke bijdrage. In de begroting nemen we daarom aan, dat de indexering van de rijksuitkering voor 75% gebaseerd is op prijzen en voor 25% op lonen. Indexering overige inkomsten In de begroting van 2026 zullen de overige inkomsten even hoog worden geïndexeerd als de gemeentelijke bijdrage, tenzij in specifieke overeenkomsten een andere index is afgesproken.
3.1.2
Indexering lasten
Indexering loonkosten Het is nog onduidelijk hoe de loonkosten zich in 2026 ontwikkelen. De huidige CAO loopt tot en met 1 augustus 2025 en geldt in 2026 niet meer. We gaan daarom voor de begroting van 2026 uit van een gelijke verhoging van de loonkosten als er via indexering beschikbaar komt.
2 Kerngegevenstabel MEV 2025, september 2024 (cpb.nl)
Pagina 16 Versie: 1.3
Begroting 2026
Indexering overige kosten (waaronder investeringskosten) Voor de overige kosten reserveren we een budget in de begroting, waarmee we indexeringen kunnen toepassen als dat nodig is. We reserveren een bedrag per programma, waardoor we de daadwerkelijke verhoging van individuele budgetten als administratieve wijziging kunnen uitvoeren. We hoeven het bestuur niet nog eens om goedkeuring te vragen. We houden in de begroting dezelfde indexering voor overige kosten aan, als de indexering van de gemeentelijke bijdrage. Wel constateren we dat de prijscompensatie voor kredieten en bijhorende kapitaalslasten achterblijft bij wat daadwerkelijk nodig is gelet op de inflatie. Zie voor toelichting hoofdstuk 2.4.2.
3.2
Samenvatting gemeentelijke bijdrage 2026
De basis van de gemeentelijke bijdrage voor 2026 gelijk aan die van 2025. Over het structurele deel van de gemeentelijke bijdrage wordt een indexering van 3,95% toegepast. Uitsplitsing indexering Waarvan loonkosten uit indexering Waarvan prijzen Totaal
Wegingsfactor 62,50% 37,50%
Indexeringspercentage 4,70% 2,70% 3,95%
Totaal € 1.581.762 € 545.203 € 2.126.965
Daarbovenop nemen we de zaken uit bestuursopdracht 1 ‘Voldoen aan wet- en regelgeving’ op. In 2026 is dit een bedrag van € 5.000.000 (prijspeil 2026). In afstemming met het algemeen bestuur lossen we in 2026 incidenteel € 2.870.000 zelf op. Dit gebeurt via een verwachte onderbesteding op afschrijvingen van € 1.000.000 en een onttrekking uit de algemene reserve van € 1.870.000. Voor gemeenten resteert hiermee nog een bedrag van € 2.130.000 . Vanaf 2027 wordt het bedrag vanuit de bestuursopdracht structureel € 6.000.000. Vanuit de reserve wordt dan nog een bedrag onttrokken van € 1.330.000 waardoor de bijdrage van de gemeenten groeit naar € 4.670.000. Vanaf 2028 zijn er geen incidentele middelen meer in te zetten en wordt de structurele bijdrage van de gemeenten € 6.000.000. Met het vaststellen van het beleidsplan zal voor 2027 en verder worden bepaald wat de structurele bijdrage uiteindelijk gaat worden om te kunnen voldoen aan het in een beleidsplan geformuleerd niveau van veiligheid. Jaar
Totaal
Uit onderbesteding
Uit reserve
Van gemeenten
2026 2027
€ 5.000.000 € 6.000.000 € 6.000.000
€ 1.000.000
€ 1.870.000 € 1.330.000
€ 2.130.000 € 4.670.000 € 6.000.000
2028
De algemene reserve gebruiken we tevens als weerstandsvermogen voor risico’s. Door de onttrekkingen uit de algemene reserve loopt deze leeg naar € 0. Dat betekent dat we geen reserve hebben om onverwachte grote incidentele tegenvallers op te vangen binnen de organisatie. De gemeenten in de gemeenschappelijke regeling staan garant voor de financiële positie van de veiligheidsregio. Met de onttrekking uit de algemene reserve in 2026 wijken we bewust af van de nota reserves en voorzieningen. Toekomstige positieve exploitatiesaldo’s zullen worden gebruikt voor het weer aanvullen van de algemene reserve.
Pagina 17 Versie: 1.3
Begroting 2026
De totale gemeentelijke bijdrage komt in 2026 daarmee uit op € 58.104.180. Een uitwerking van de bijdrage per gemeente is opgenomen in Bijlage 1: Staat met gemeentelijke bijdragen. 2026: berekening gemeentelijke bijdrage Gemeentelijke bijdrage 2025 primair
Bijdrage regulier € 53.678.410
Piket bevolkingszorg € 168.805
Totaal € 53.847.215
Indexering 3,95%* Gemeentelijke bijdrage 2026, excl. bestuurlijke opdracht
€ 2.120.297 € 55.798.707
€ 6.668 € 175.473
€ 2.126.965 € 55.974.180
Bestuurlijke opdracht 2026, prijspeil 2026 Gemeentelijke bijdrage 2026, incl. bestuurlijke opdracht
€ 2.130.000 € 57.928.707
€ 175.473
€ 2.130.000 € 58.104.180
Bijdrage regulier € 53.678.410
Piket bevolkingszorg € 168.805
Totaal € 53.847.215
Indexering 3,95%* Gemeentelijke bijdrage 2027, excl. bestuurlijke opdracht
€ 2.120.297 € 55.798.707
€ 6.668 € 175.473
€ 2.126.965 € 55.974.180
Bestuurlijke opdracht 2026, prijspeil 2026 Aanvullende verhoging 2027 bestuurlijke opdracht Subtotaal bestuurlijke opdracht
€ 2.130.000 € 2.540.000 € 4.670.000
Gemeentelijke bijdrage 2027, prijspeil 2026
€ 60.468.707
€ 175.473
€ 60.644.180
Bijdrage regulier € 53.678.410
Piket bevolkingszorg € 168.805
Totaal € 53.847.215
Indexering 3,95%* Gemeentelijke bijdrage 2028, excl. bestuurlijke opdracht
€ 2.120.297 € 55.798.707
€ 6.668 € 175.473
€ 2.126.965 € 55.974.180
Bestuurlijke opdracht 2026, prijspeil 2026 Aanvullende verhoging 2027 bestuurlijke opdracht Aanvullende verhoging 2028 bestuurlijke opdracht
€ 2.130.000 € 2.540.000 € 1.330.000
€ 2.130.000 € 2.540.000 € 1.330.000
Subtotaal bestuurlijke opdracht
€ 6.000.000
€ 6.000.000
Gemeentelijke bijdrage 2028, prijspeil 2026
€ 61.798.707
2027 berekening gemeentelijke bijdrage Gemeentelijke bijdrage 2025 primair
2028 berekening gemeentelijke bijdrage Gemeentelijke bijdrage 2025 primair
€ 2.130.000 € 2.540.000 € 4.670.000
€ 175.473
€ 61.974.180
Pagina 18 Versie: 1.3
Begroting 2026
4
Programma’s
4.1
Inleiding
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost maakt de samenleving veiliger. We willen mensen en bedrijven bewust maken van risico’s in hun omgeving. Zodat ze beseffen dat ze incidenten en rampen vaak zelf kunnen voorkomen. Om dat te bereiken, kijken we verder dan vandaag. We bereiden ons voor op de toekomst. We leren van het verleden, werken nu aan veiligheid en willen meer weten over de risico’s van morgen. Iedereen krijgt voor de eigen situatie een antwoord op de vraag: “Wat kan ík doen voor mijn veiligheid en die van mijn omgeving?”. We clusteren onze activiteiten in 2 inhoudelijke programma’s: brandweerzorg en crisisbeheersing. Daarnaast hebben we 2 ondersteunende programma’s: ondersteuning organisatie (met daarin onder meer de taken van bedrijfsvoering) en financiering. 1.
Brandweerzorg
Brandweerzorg is het grootste programma, met verschillende taken. Allereerst zetten we in op risicobeheersing met preventie. We geven voorlichting en adviseren (en controleren) gebouwen en evenementen op (brand)veiligheid. Ook adviseren we gemeenten over de inrichting van de ruimtelijke omgeving, vanuit een breed veiligheidsperspectief. En gebeurt er toch iets, dan bestrijden we het incident. We blussen branden en redden mens en dier uit onveilige situaties, bijvoorbeeld na een ongeval of extreem weer. Hiervoor zetten we specialistische voertuigen in en leiden we ons brandweerpersoneel op. 2.
Crisisbeheersing
Het programma crisisbeheersing bestaat uit activiteiten van Bevolkingszorg, de GHOR (= de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio) en Crisisbeheersing. Bevolkingszorg ondersteunt de gemeenten bij hun belangrijke werk in de gemeentelijke crisisbeheersing. Bijvoorbeeld bij de communicatie over een incident of crisis en bij de opvang van betrokkenen. Ook zorgt Bevolkingszorg voor een overdracht van taken na de bestrijding van een incident. Als de hulpdiensten klaar zijn met hun inzet, moeten gemeenten vaak nog veel doen. Bijvoorbeeld interne en/of externe onderzoeken begeleiden of de schade inventariseren en afwikkelen. De GHOR coördineert de samenwerking tussen de verschillende geneeskundige diensten (GGD, meldkamer ambulancezorg, ambulancedienst, ziekenhuizen, huisartsen en het Rode Kruis), tijdens grote ongevallen en rampen. Samen vormen ze dan één hulpverleningsketen. Dreigt er gevaar voor mens en/of milieu? Dan is de GHOR het aanspreekpunt van de geneeskundige keten, voor het openbaar bestuur en voor de andere hulpverleningsdiensten zoals brandweer, politie en bevolkingszorg. Tot slot coördineert de GHOR de hele acute en niet-acute zorgketen. Binnen het domein crisisbeheersing begint het met het zicht op risico’s; de monitoring en signalering van risico’s waarmee we risicobeelden van operationeel tot bestuurlijk niveau maken.
Deze beelden helpen de crisisorganisatie om zich in de dreigingsfase voor te bereiden op crises: wat kunnen we doen om een crisis te vermijden of de impact te verkleinen? Want een crisis is niet altijd te voorkomen. Ook in de crisisfase kunnen we het risicobeeld gebruiken. Het geeft de crisisorganisatie inzichten bij het beheersen van de crisis. Crisisbeheersing coördineert en leidt de bestrijding van complexe incidenten.
Pagina 19 Versie: 1.3
Begroting 2026
Het domein crisisbeheersing is de afgelopen jaren flink in ontwikkeling. Dat komt onder andere door verschillende crises de afgelopen jaren en de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s. Ook VRBZO gaat mee in deze ontwikkeling. We willen weten welke risico’s op ons afkomen en ons hier beter op voorbereiden. Het bestuur stelde in 2023 ons nieuwe regionaal crisisplan vast. Daarin maken we nu gebruik van ‘monitoring & signalering’ (focus op het identificeren en beoordelen van dreigingen) en de mogelijke inzet van een ‘planningsstaf’ (anticiperen op dreigingen). Vaak zijn daar meer hulpdiensten, netwerkpartners en gemeente(n) bij betrokken. In de crisisfase zijn er verschillen tussen de aanpak van kortlopende crises, die plotseling optreden (acute ‘flitscrises’) en crises die lang duren, en zich opbouwen (‘sluimercrises’). Beide typen crises vragen om een andere aanpak en bepalen hoe we de crisisorganisatie opbouwen en inzetten. Soms, vooral bij grote incidenten, doen we dit volgens de GRIP-structuur (Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure). Samen zorgen we ervoor dat de situatie zo snel mogelijk stabiel en veilig is, zodat het dagelijkse leven weer kan worden opgepakt.
Pagina 20 Versie: 1.3
Begroting 2026 4.2
Programma Brandweerzorg
Pagina 21 Versie: 1.3
Begroting 2026
4.2.1
Ontwikkelingen Brandweerzorg
Robuust en paraat Bouwen aan een toekomstbestendig brandweerstelsel De brandweer moet zich voorbereiden op nieuwe, grotere en complexere incidenten, met impact buiten de eigen regio. Een belangrijk deel van het werk van de brandweer vindt lokaal en regionaal plaats en dat blijft zo. Maar we krijgen te maken met nieuwe risico’s, die om een andere benadering en risico-inschatting vragen. We werken landelijk aan een toekomstbestendige brandweer, die voldoende capaciteit en slagkracht heeft. Zodat we ook grootschalige en nieuwe incidenttypen aankunnen; lokaal, regionaal én landelijk. Na de evaluatie Wet veiligheidsregio’s kwam er wetgeving om de brandweerzorg te versterken. Bijvoorbeeld door het brandweeronderwijs te verbeteren en een toekomstvaste brandweerzorg te ontwikkelen. Bij deze opgaven moet elke regio duidelijk aandacht geven aan ‘goed werkgeverschap’, ‘boeien en binden van personeel’ en inspelen op ‘de medewerker van de toekomst’. Daarin participeren wij in de landelijke beleids- en werkgroepen om het toekomstige stelsel vorm te geven. Het huidige brandweerstelsel bestaat uit een mix van vrijwilligers en beroepsbrandweer. Alle brandweermensen hebben in principe dezelfde taken en opleidingseisen. Door internationale regels en jurisprudentie kan dit veranderen.
Dit zijn langlopende trajecten en we weten nog niet welke inhoudelijke en financiële effecten we in 2026 kunnen verwachten. Investeren in vrijwilligheid Uit het onderzoek voor deel 1 van de bestuurlijke opdracht bleek dat ons materieel- en personeelspreidingsplan3 gedateerd was. Hanteren we de indicatoren die in het materieel- en personeelspreidingsplan staan, dan zien we dat een tekort dreigt aan vrijwilligers die daadwerkelijk beschikbaar zijn voor een uitruk op de diverse momenten van de dag. Dit kan ertoe leiden dat het vaker voorkomt dat niet kan worden uitgerukt. Om deze redenen moest opnieuw worden vastgesteld wat de juiste factoren zijn voor invulling van de personele en materiële slagkracht. Daarin zien we dat een uitbreiding van het aantal vrijwilligers met 60 personen nodig is. In bestuurlijke deelopdracht 1 is hiermee ingestemd. In de periode 2025-2027 gaan we dit stapsgewijs invullen, waarbij we eind 2026 de uitbreiding voor 70% willen realiseren. Het is een maatschappelijke trend dat vrijwilligers korter bij de brandweer blijven en het steeds moeilijker wordt om nieuwe vrijwilligers te werven. Ook in onze regio zien we dat het een uitdaging blijft om voldoende vrijwilligers te vinden voor onze posten, vooral in de kleine kernen. Om een vrijwillige brandweerpost op sterkte te houden of zelfs uit te bereiden, zijn intensieve wervingscampagnes nodig.
Voor de vrijwillige basiseenheden is en blijft het uitgangspunt dat zij uitrukken met een bezetting van 6 personen. Bij enkele vooraf bepaalde scenario’s kan,is, het mogelijk om in lijn met de landelijke kaders en richtlijnen, het TS Flex-concept toe te passen. De vrijwillige brandweer kan dan met een flexibele bezetting uitrukken (kleiner dan 6, mimimaal 4 én altijd onder leiding van een bevelvoerder). Dit draagt ertoe bij dat we minder posten buiten dienst hoeven te stellen bij onderbezetting zonder in te leveren op slagkracht en continuïteit. Om het concept van TS Flex veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren, is een blijvende investering in vakbekwaamheid nodig.
De Wet veiligheidsregio’s en het daaraan gelieerde Besluit veiligheidsregio’s geven aan, aan welke opkomsteisen en uitvoeringseisen de brandweer moet voldoen. Een materieel- en personeelspreidingsplan geeft hiervan de vertaling naar de situatie in Zuidoost-Brabant. 3
Pagina 22 Versie: 1.3
Begroting 2026
Herijken beroepsbrandweer We maken onze repressieve beroepsdienst robuuster en toekomstbestendig. In bestuurlijke deelopdracht 1 gaven we aan dat we bij de formatie van de beroepsbrandweer aanlopen tegen de gevolgen van aanpassingen in wet- en regelgeving rond diverse vormen van verlof (ouderschaps- en geboorteverlof (WAZO), verlofsparen, 2e loopbaanbeleid, etc.). Om de continuïteit in van de beroepsbrandweer te kunnen blijven borgen, moeten we de roosterfactor aanpassen. Zonder verhoging van de formatie leidt dit tot overschrijdingen van de arbeidstijdenwetgeving (ATW/ATB) en tot het onvoldoende toe kunnen kennen van verlof. Vanuit goed werkgeverschap willen we dit niet. Daarom brengen we conform bestuurlijke deelopdracht 1 de formatie van de beroepsbrandweer de komende jaren op orde. In 2026 verhogen we de formatie met 3 fte en werven we hiervoor nieuwe mensen, die we mogelijk nog (deels) moeten opleiden. Snel en flexibel Dynamisch Risicoprofiel Brandweerzorg en visie op de kerntaken In 2024 startten we met het ontwerpen en uitwerken van het Dynamisch Risicoprofiel Brandweerzorg. Een nieuwe aanpak, met als doel een integraal risicoprofiel op basis van een meer dynamische benadering van de veiligheidsrisico’s in onze regio. Het nieuwe profiel helpt ons om samenhangende en afgewogen keuzes te maken, wanneer we risicobeperkende maatregelen moeten nemen, of erover adviseren.
We verwachten dat we in 2025 weten wat de eenmalige en structurele kosten zijn om een dynamisch risicoprofiel te maken en te onderhouden. Omdat dit een langdurig traject is en er al eerder behoefte was aan een geactualiseerd risicoprofiel, actualiseerden we in 2023 het (statische) risicoprofiel uit het Brandweerzorgplan 2019. Dit vormt het fundament voor de ontwikkeling van een visie op de (repressieve) kerntaken. Die visie hebben we nodig om landelijke visies te vertalen naar onze organisatie. En we kunnen hiermee keuzes maken voor aankomende (vervangings)investeringen van materiaal en materieel. Het maken vanuit onderbouwde keuzes loopt mee in het regionaal beleidsplan. De uitwerking van deze keuzes gaat concreet in 2026 lopen. Professioneel (vakkundig en goed) Vakbekwaamheid brandweermedewerkers Het aanbod aan opleidings- en trainingsmogelijkheden voor brandweermensen voldoet niet volledig aan geldende wet- en regelgeving. En ontwikkelingen in de maatschappij en nieuwe risico's die op ons afkomen, vragen om aanvullende opleiding en training om alle taken goed te kunnen blijven uitvoeren. De brandweer moet sneller inspelen op ontwikkelingen in de omgeving. Daar moeten we ons vakbekwaamheidsprogramma op aanpassen, zodat we het kwaliteitsniveau behouden en veilig blijven werken.
Met de investering in vakbekwaamheid van de brandweer zoals opgenomen in de bestuurlijke opdracht kunnen we in 2026: •
meer en betere bijscholingen aanbieden aan brandweermensen;
•
opleidingen en begeleiding voor nieuwe medewerkers voor de regionale specialisaties adequaat invullen;
•
meer en betere begeleiding inzetten bij het oefenen bij (risicovolle) bedrijven, en;
•
investeren in de vakbekwaamheid van ons onderwijsondersteunend personeel.
Om voldoende invulling te kunnen geven aan deze opleidingen en trainingen, is ook een investering in materiaal en materieel nodig. Denk hierbij aan materieel en materiaal voor het oefenen, met name persoonlijke beschermingsmiddelen zoals ademlucht, bluskleding en sloopvoertuigen. In 2025 en 2026 brengen we deze randvoorwaarden op orde om opleidingen, trainingen en oefeningen goed te laten verlopen.
Pagina 23 Versie: 1.3
Begroting 2026
Risicogericht adviseren over fysieke veiligheid We kijken naar het risico en minder naar de regel. Met de Omgevingswet kunnen gemeenten en provincie meer ruimte bieden aan ontwikkeling en beheer van de leefomgeving. Door deel te nemen aan de Omgevingstafel proberen we al te zorgen voor veiligheid in een vroeg stadium. Zodat belanghebbenden in dan al weten waar ze aan toe zijn. Het gaat vaak om complexe adviesaanvragen, waarbij we diverse risico’s op het gebied van fysieke veiligheid voor de leefomgeving moeten meenemen. Op basis van het regionaal risicoprofiel bepalen we voor de geprioriteerde trends en risico's wat de meest effectieve maatregelen zijn. Dit doen we op basis van de 6 sporen van beïnvloeding: 1)
kennisdeling met en handelingsperspectief voor respons;
2)
communicatie over restrisico's en handelingsperspectief;
3)
kennisdeling met en gedragsverandering bij initiatiefnemers;
4)
beïnvloeding wet- en regelgeving;
5)
inrichten omgeving, en;
6)
vergunningen, toezicht en handhaving.
Dit doen we ook voor risico’s die betrekking hebben op brandweerzorg. In het nieuwe regionaal beleidsplan leggen we onderbouwde keuzes voor om het bestuur in de gelegenheid te stellen de brandweerzorg, waarvan wij in 2024 hebben geconstateerd dat die op punten niet meer voldoet, op orde te brengen. Dat geldt niet alleen voor mensen en voertuigen op straat, maar zeker ook in de randvoorwaarden aan de voorkant, zoals in advisering van bevoegd gezag en vakbekwaamheid. Op het vlak van risicobeheersing is de adviescapaciteit en inhoudelijke kennis niet in klaar voor de uitdagingen van de nabije toekomst. Dit is bijvoorbeeld nodig in verband met ontwikkelingen rondom de energietransitie. De afgelopen jaren zagen we steeds meer nieuwe innovatieve manieren van energieopwekking en -opslag. Deze relatief nieuwe technieken zorgen ook voor nieuwe vragen over veiligheid. We verwachten dat we meer adviesaanvragen krijgen die met de energietransitie te maken hebben en impact hebben op (brand)veiligheid. Denk daarbij aan (ondergrondse) parkeergarages met elektrische auto’s, maar ook aan grootschalige opslag van batterijen, buurtbatterijen, zonnepaneelvelden, windmolens en gebruik van waterstof. Dit zijn relatief nieuwe energiedragers die nieuwe risico’s in de (bebouwde) omgeving met zich mee met zich mee brengen en om specifiek advies vragen.