CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering - Wijziging Omgevingsplan gemeente Veldhoven - Deelplan Zonderwijk

Raad (besluitvormend) 7 juli 2026, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Vaststellen wijziging Omgevingsplan Veldhoven 'Deelplan Zonderwijk'32.923 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Detailhandel • Concentratie detailhandel is uitgangspunt.

35 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

•

• •

Reduceren plancapaciteit detailhandel: de gemeente Veldhoven gaat actief aan de slag met het saneren van (harde) plancapaciteit van supermarkten en andere vormen van detailhandel op ongewenste, onbenutte en potentieel structuur verstorende locaties, zoals op bedrijventerreinen of andere solitaire plekken. Volumineuze detailhandel concentreren De Run 3000. Maatwerk voor overige vormen van detailhandel.

Horeca • Concentratie in centra. • Focus op bruisende kwaliteit en diversiteit. • Balans tussen leefbaarheid en levendigheid. • Aandacht voor alcoholmatiging, gokverslaving en drugsgebruik. • Investeren in aantrekkelijke terrassen. • Eerlijke concurrentie, gelijk speelveld horeca. Doorwerking projectgebied In het plan is ruimte geboden voor functies die passend zijn binnen de omgeving. Voor het noordelijke gedeelte waarin op de begane grond als voorzieningen zijn toegestaan blijft dit ongewijzigd. Hiermee wordt geborgd dat er sprake is van functiemenging. Aan de zuidzijde waar nu enkel woningen zijn gesitueerd wordt het mogelijk om voorzieningen te realiseren, waarbij deze met name georiënteerd dienen te zijn richting de Sterrenlaan. Door het handhaven en toevoegen van commerciële voorzieningen binnen de Stadse Woonstraten wordt er aangesloten op de uitgangspunten van de handreiking: namelijk een plek waar mensen kunnen spelen, ontmoeten en verblijven. Dit sluit ook aan de ambities en uitgangspunten van de visie waarin staat dat voorzieningen (horeca en detailhandel) zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden. Om te waarborgen dat de balans tussen levendigheid en leefbaarheid blijft bestaan zijn in de regels van het omgevingsplan regels opgenomen dat er enkel functies zijn toegestaan die geen hinder opleveren voor omliggende gevoelige functies.

Er wordt hierdoor voldaan aan de detailhandels- en horecavisie.

Ambitiedocument ‘Samen voor ruimtelijke kwaliteit’ Het ambitiedocument, zoals vastgesteld op 14 mei 2019, bevat 4 kernwaarden en 5 architectuurprincipes. Het projectgebied is gelegen binnen ‘aantrekkelijke woonwijken’ en grenst aan ‘sterk stedelijke structuur’. Binnen het gebied ‘aantrekkelijke woonwijken’ is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid gericht op het bewaken van de basiskwaliteit en het respecteren van de bestaande omgeving. De nadruk ligt op het handhaven van de bestaande omgevingskwaliteiten van de bebouwing. In het algemeen wordt gestreefd naar een rustig straatbeeld, dat wil zeggen dat bij verbouwplannen geen al te opvallende wijzigingen plaatvinden. In principe luidt het advies, inventariseer de ruimtelijke kenmerken van je omgeving en sluit daarbij aan.

36 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Figuur 9: Kernwaardenkaart

Uitgangspunt voor iedere ontwikkeling is dat het moet leiden tot een kwaliteitsimpuls. Iedere ontwikkeling moet op een logische locatie en op een zodanig goede wijze worden ingepast, dat er sprake is van een meerwaarde voor iedereen. Voor de woningbouwopgave moet worden ingezet op diversiteit in wonen. De gemeente Veldhoven staat open voor vernieuwende ideeën die passen binnen het tijdsbeeld en beleidskader. Hiervoor worden de Brainport Principes gehanteerd. Na de realisatiefase, worden verbouwplannen getoetst aan de kernwaarde 'aantrekkelijke woonwijken'. De bestaande kwaliteit is altijd het uitgangspunt. In gebieden die in het Besluit ruimtelijke ordening zijn gedefinieerd als achtererfgebied gelden geen regels. Voor alle overige bouwwerken worden de 5 architectuurprincipes gehanteerd. Het betreft de volgende basiselementen: 1. 2. 3. 4. 5.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving Samenhand vormgeving, functie en constructie Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Schaal en maatverhoudingen Materiaal, textuur, kleur en licht

Daarnaast stimuleert de gemeente initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium duurzaamheidsmaatregelen integraal onderdeel te laten uitmaken van het ontwerp. Doorwerking projectgebied De locatie ligt/grenst binnen/aan de 'Sterk stedelijke structuur'. Op deze locatie wordt ingezet op opwaardering en doorontwikkeling van de stedelijke structuur en mag de stedelijke kant van de Veldhovense identiteit worden versterkt. Aan deze ambitie wordt invulling gegeven. De maximale hoogte in bouwlagen en de minimale bouwhoogte van de eerste bouwlaag is in het omgevingsplan vastgelegd. De bouwhoogtes sluiten aan bij de bestaande bouwhoogtes in de directe omgeving. Dit draagt bij aan de uitstraling die de gemeente Veldhoven wil bereiken. De hoogteaccenten zoals beoogd zijn verder besproken in paragraaf 3.1.

37 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Mobiliteitsvisie 2040 De Mobiliteitsvisie 2040, zoals vastgesteld op 21 november 2023, ziet op heel Veldhoven in relatie tot haar omgeving. Eén van de uitdagingen is rekening te houden met de bestaande -en mogelijk ook toekomstige- differentiatie qua belangen, mogelijkheden of juist beperkingen van bepaalde groepen of gebieden, binnen Veldhoven. Niet elke inwoner of werkgever beschikt over dezelfde verplaatsingsmogelijkheden, bijvoorbeeld vanwege de locatie in Veldhoven, persoonlijke voorkeuren of aard van werkzaamheden. Met de Mobiliteitsvisie Veldhoven 2040 wordt daarvoor een kader gemaakt op strategisch niveau. Met de Mobiliteitsvisie Veldhoven 2040 worden navolgende effecten beoogd: 1. De toekomstige bereikbaarheid van Veldhoven waarborgen, door bij te dragen aan de transitie naar duurzame mobiliteit en andere doelen m.b.t. de schaalsprong, als ook leefbaarheid en duurzaamheid. 2. Het maken van toekomst-vaste keuzes rondom verkeer en bereikbaarheid. De Mobiliteitsvisie biedt het kader om besluiten te kunnen nemen over verkeer en bereikbaarheid in directe of indirecte zin. Strategische kaders De gemeente Veldhoven maakt de transitie naar duurzame mobiliteit mogelijk. Daarbij nemen ze vier strategische kaders als uitgangspunt. 1. 2. 3. 4.

Groei van autoverkeer beperken, aanwezige autoverkeer verduurzamen; Faciliteren en stimuleren van lopen, fietsen, OV en deelmobiliteit; Gebiedsgerichte aanpak voor wonen en werken; Aandacht voor doelgroepen, gedrag en leefstijlen.

Doorwerking projectgebied Het initiatief stimuleert voetgangers op de eerste plek te zetten en het fietsers ook zo comfortabel mogelijk te maken. Er wordt ingezet op het stimuleren van actieve mobiliteit en het verminderen van de auto-afhankelijkheid. De Sterrenlaan blijft wel een belangrijke doorgaande nood-zuid verbindingsweg. De ontsluiting voor auto’s zal hierop plaatsvinden om de bestaande wijken te ontlasten. Het initiatief is hiermee in lijn met de Mobiliteitsvisie 2040.

38 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a.

onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.

39 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is er een quickscan activiteiten en milieuzonering uitgevoerd of sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving bij het projectgebied. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Onderzocht is of er ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd, en of omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen worden geschaad. Op moment van schrijven is de nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ officieel vastgesteld, echter is het aan gemeenten of ze gebruik willen maken van de ‘nieuwe stijl’ of de ‘oude stijl’. in onderhavige toetsing wordt gebruik gemaakt van de ‘oude stijl’ (Handreiking Bedrijven en Milieuzonering 2019, VNG). Het projectgebied ligt in een gebied wat kan worden gekenmerkt als een ‘gemengd gebied’. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen die kunnen worden gezien als kwetsbare gebouwen conform bijlage VI, onderdeel C van het Bkl. Daarnaast biedt het plan ruimte voor andere functies.

Er worden derhalve ook milieubelastende functies mogelijk gemaakt. Nieuwe kwetsbare gebouwen ten opzichte van bestaande milieubelastende functies In de directe omgeving zijn reeds milieubelastende activiteiten aanwezig. Dit zijn twee supermarkten, een massagetherapeut en een slijterij. Deze functies hebben op grond van de brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ een milieucategorie 1. Geluid is hier maatgevend en hiervoor geldt een afstand van 10 meter. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied, kan de afstandstap worden verlaagd. Er wordt hiermee dus voldaan aan de richtafstand. Vooralsnog wordt aangenomen dat met het hanteren van deze richtafstanden het geluid van een activiteit op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de geluidnormen zoals opgenomen in artikel 22.63 van het omgevingsplan. De geluidruimte is immers op een vergelijkbare manier bepaald en genormeerd als dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zou hebben plaatsgevonden. Het geluid op het geluidgevoelige gebouw is daarom aanvaardbaar. Nieuwe milieubelastende functies ten opzichte van bestaande kwetsbare gebouwen Het initiatief biedt ruimte voor functiemening en dus functies die milieubelastend zijn. Aangezien het initiatief niet concreet is, is het niet mogelijk te onderzoeken of de functie mogelijk milieuhinder oplevert voor de omgeving.

Initiatiefnemer zal derhalve bij de invulling aan dienen te tonen dat wordt voldaan aan artikel 22.63 van het omgevingsplan. De onderzoeksplicht wordt derhalve doorgeschoven naar de vergunningverlening. Gelet op bovenstaande wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.

Conclusie Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Geluid – (spoor)wegverkeer Toetsingskader Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Tabel Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Rijkswegen en provinciale

50 Lden

wegen Gemeentewegen en

53 Lden

waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale

55 Lden

spoorwegen

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast vindt de beheersing van het geluid plaats: •

bij provinciale wegen en door de provincie aangewezen lokale spoorwegen: met geluidproductieplafonds (op referentiepunten);

•

bij gemeentelijke en waterschapswegen en andere lokale spoorwegen: met de

basisgeluidemissie. Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron.

Onderzoek Binnen het projectgebied worden woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen in de zin van het Bkl. Daarnaast wordt op de begane grond de ruimte geboden om gemengde functies toe te staan die passend zijn binnen de omgeving. Deze functies kunnen effect hebben op de bestaande en nieuw te realiseren woningen binnen het projectgebied en in de omgeving.

41 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Het initiatief is op bijna 6 kilometer afstand van een spoorweg gelegen. Gelet op de afstand heeft de spoorweg geen beperkend effect op het projectgebied. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd 3 om de contouren van het plan te bepalen. Het plan maakt maximaal 105 extra woningen mogelijk met daarin de combinatie van commerciële voorzieningen. Echter, om een goed beeld te geven van de akoestische effecten is er gerekend met een drietal scenario’s, om daarmee de akoestische effecten in beeld te brengen. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hierna worden de conclusies en de aanbevelingen van het onderzoek besproken. Conclusies De standaardwaarde wordt bij de gevels aan de Oortlaan, Mullerlaan en de Sterrenlaan overschreden met maximaal +5 dB. Bij voorkeur worden hier tweezijdig georiënteerde woningen gerealiseerd, die een geluidsbelaste en een geluidsluwe zijde hebben. Aan de luwe zijde wordt bij voorkeur de (hoofd)slaapkamer gesitueerd en de buitenruimte. Als tweezijdig georiënteerde woningen (bijvoorbeeld aan een centrale midden ontsluiting) worden gerealiseerd moet aan de belaste zijde rekening gehouden worden met maatregelen om alsnog bij de gevel van de buitenruimte (en een verblijfsruimte bij voorkeur een slaapkamer) te voldoen aan de standaardwaarde.

Gezien de overschrijdingen lopen de maatregelen, afhankelijk van de situering, van een gesloten borstwering tot een verhoogde gesloten borstwering met geluidsabsorberend plafond of tot een afsluitbare buitenruimte. Voor wat betreft het uitstralingseffect moet rekening worden gehouden met een beperkte toename van geluid door wegverkeer bij bestaande woningen aan de omliggende wegen. Aanbevelingen In het omgevingsplan kunnen verschillende ingrediënten uit het onderzoek worden gebruikt om ‘uitnodigingsplanologie’ mogelijk te maken. Denk aan verplichting voor tweezijdig georiënteerde woningen op te nemen en als alternatief eenzijdig georiënteerde woningen toe te staan mits bijvoorbeeld de buitenruimte geluidsluw is en er een (hoofd)slaapkamer gesitueerd is aan een luwe gevel.

Conclusie Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat door het nemen van maatregelen en het opnemen van randvoorwaarden in het omgevingsplan voor het aspect geluid een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden gegarandeerd. In de beoordelingsregels voor de ontwikkeling van de Stadse Woonstraten is geborgd dat de benodigde maatregelen onderdeel moeten uitmaken van de planontwikkeling, zodat voldaan wordt een voldoende geluidsniveau ter plaatse van de ontwikkeling van de Stadse Woonstraten.

Archeologie Toetsingskader Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

3

M+P raadgevende ingenieurs BV, ‘Plan Zonderwijk te Veldhoven – akoestisch onderzoek’, rapportnr.: M+P.BRO-26006.1, d.d. 22 februari 2026.

42 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

• het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; • het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

Onderzoek Om veel kleinschalig onderzoek en versnippering van onderzoek te voorkomen en om initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen beter van dienst te kunnen zijn, heeft de gemeente voor zijn volledige grondgebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd en een gespecificeerde archeologische beleidsadvieskaart opgesteld (Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Veldhoven, 10 maart 2014). Op basis van dit archeologische beleidsadvieskaart is te zien dat op de locatie geen archeologische verwachtingen zijn.

Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidsdadvieskaart 2014 (rood omlijnd)

Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

43 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Bodem Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.

Onderzoek Uit de bodemfunctieklassenkaart uit de Nota bodembeheer van de gemeente Veldhoven blijkt dat projectgebied binnen de functie ‘wonen’ is gelegen. Op grond van de bodemkwaliteitskaarten blijkt niet dat er sprake is van bodemverontreiniging binnen het projectgebied. Aangezien de ontwikkelingen nog niet concreet zijn en er op voorhand geen onoverkoombare belemmeringen worden verwacht, wordt het bodemonderzoek doorgeschoven naar de vergunningverlening. In de beoordelingsregels van de bruidsschat is een regeling opgenomen dat initiatiefnemers een bodemonderzoek dienen aan te leveren bij de vergunningaanvraag van hun project.

Conclusie Doordat de regeling uit de bruidsschat van toepassing is, vormt bodem geen belemmering voor het opnemen van de ontwikkelmogelijkheid. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het initiatief.

Cultuurhistorie Toetsingskader Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed (par. 5.1.5.5 Bkl). In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

44 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

In de gemeente Veldhoven is de nieuwe Erfgoednota ‘Stad van Vele Gezichten’ (20252030) het beleidsdocument voor de visie op erfgoed. Deze nota vervangt oudere beleidsdocumenten en sluit aan op de Omgevingsvisie Veldhoven (2024) en Kerkenvisie (2024). De nota brengt alle vormen van erfgoed samen: van archeologie en monumentaal groen tot historische dorpsgezichten en immaterieel erfgoed zoals tradities. Doel van het erfgoedbeleid is om erfgoed zichtbaar en beleefbaar te maken én te gebruiken als inspiratie voor de toekomst.

Onderzoek Op de Erfgoedmonitor van het Rijk4, de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant, de cultuurhistorische waardenkaart van de regio Zuidoost-Brabant en beleidskaart cultuurhistorie van de gemeente blijkt dat binnen het projectgebied geen objecten van cultuurhistorische waarde aanwezig zijn.

Figuur 11: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant met ligging projectlocatie (rood omlijnd)

4

https://rce.webgispublisher.nl/?map=RCE%5FErfgoedmonitor

45 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Figuur 12: Uitsnede erfgoedmonitor Rijk met ligging projectlocatie (rood omlijnd)

Figuur 13: Uitsnede interactieve erfgoedkaart Zuidoost-Brabant met ligging projectlocatie (blauw omlijnd)

46 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Figuur 14: Uitsnede interactieve erfgoedkaart Veldhoven(blauw omlijnd)

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het project.

Duurzaamheid Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van de mens. Iedereen wil immers welvarend, gezond en veilig leven. Duurzame ontwikkeling vergt volgens de commissie-Brundtland een balans tussen de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving (planet), de economie (profit) en het sociale vermogen van de mens (people). Dit vraagt om zorgvuldig benutten, ontwikkelen en beheren van de fysieke leefomgeving.

Onderzoek Op grond van artikel 5.55 TAM-omgevingsverordening Noord Brabant dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Daar is onder andere sprake van als optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie, rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water en de mogelijkheid voor duurzame mobiliteit worden benut. Daarnaast heeft de gemeente Veldhoven een beleidskader hernieuwbare elektriciteit en besparing vastgesteld.

47 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Met het Beleidskader hernieuwbare elektriciteit en besparing wordt aangesloten bij verschillende ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie en actuele inzichten die deze ambities in een nieuw daglicht plaatsen. Onze ambities zijn als volgt: • In 2040 wordt minimaal 50% van de elektriciteitsvraag van het referentiejaar 2019 duurzaam opgewekt binnen de gemeentegrens. • De benodigde opwek, infrastructuur en opslag van duurzame energie is op een kwalitatieve manier ingepast in de fysieke leefomgeving; • Er moet worden gestreefd naar een betaalbare en betrouwbare energievoorziening voor de Veldhovense inwoners en bedrijven. Het aspect duurzaamheid is verder uitgewerkt in paragraaf 3.2. Hierin wordt gesproken over de verschillen de ambities die in het Omgevingsplan zijn opgenomen voor dit projectgebied. Daar uit blijkt dat wordt voldaan aan artikel 5.55 TAMomgevingsverordening Noord-Brabant en Beleidskader hernieuwbare elektriciteit en besparing. Daarnaast is in de handreiking ook specifiek aandacht besteedt aan de duurzaamheidsambities in dit plan. Verder zijn in de planregels doelen en ook beoordelingsregels opgenomen dat bij een initiatief een positieve bijdrage moet worden geleverd aan duurzaamheid.

Conclusie Op dit aspect is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Klimaatadaptatie Toetsingskader Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen, is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden. Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering. In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee programma’s: 1. De Nationale klimaatadaptatiestrategie; en, 2. Het Deltaprogramma Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn, enkele voorbeelden zijn: -

meer hittestress bij mensen door extreem weer;

-

vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie, telecom en IT-voorzieningen;

-

oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector;

-

verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang;

-

mogelijk meer infecties en allergieën, zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten;

48 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

-

cumulatieve effecten: uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties.

Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid, Zoetwater, en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. Deze programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan.

Decentrale overheden hebben de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's.

Onderzoek Het aspect duurzaamheid is verder uitgewerkt in paragraaf 3.3. Hierin wordt gesproken over de verschillen de ambities die in het Omgevingsplan zijn opgenomen voor dit projectgebied.

Conclusie Vanuit het milieuaspect klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Elektromagnetische straling Toetsingskader Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de fysieke leefomgeving zijn met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten, bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus, aanbevolen (PbEG L 199/59, 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is

49 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen, bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor de gehele bevolking. Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstemming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van magneetvelden bij hoogspanningslijnen5. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatregelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla6. De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen.

Onderzoek Het voorzorgsbeleid adviseert de 0,4 microtesla magneetveldzone te berekenen als het project van een gevoelige gebouw zoals een woning, school of kinderopvang binnen de indicatieve magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn zoals opgenomen op de RIVM-netkaart plaatsvindt. Er is een quickscan uitgevoerd waarbij is gebleken dat het projectgebied zich niet binnen de indicatieve magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen bevindt. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op een afstand van 2,5 kilometer. Hierdoor blijft de blootstelling aan magnetische velden ruim onder de vastgestelde referentieniveauwaarden van 0,4 microtesla. Er is geen aanleiding om de 0,4 microtesla magneetveldzone te berekenen.

Conclusie Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Geur Toetsingskader Er dient rekening te worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een 5 6

https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf

50 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Onderzoek Het project voorziet in een geurgevoelig gebouw. Op 1,8 kilometer afstand is een geurveroorzakende activiteit, zijnde een zorgboerderij met geiten, gesitueerd. Gelet op de afstand en de kleinschaligheid kan geuroverlast op voorhand worden uitgesloten. Daarnaast zijn er geurgevoelige gebouwen op een korte afstand gelegen tot de geurveroorzakende activiteit. Derhalve is er geen sprake van een belemmering voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project.

Gezondheid Toetsingskader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een gezonde en veilige leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren (welbevinden/kwaliteit), uitnodigt tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering) en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). De gemeente moet bij de evenwichtige toedeling van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl). Deze aspecten zijn in de vorige paragrafen gemotiveerd. Decentrale overheden hebben de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. Deze zijn in hoofdstuk 5 gemotiveerd.

Onderzoek Uit hoofdstuk 4 blijkt dat wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld ten aanzien van de aspecten ‘geluid’, ‘luchtkwaliteit’, ‘geur’, ‘trillingen’, ‘waterkwaliteit’ en ‘bodem’. Daarnaast is het aspect ‘gezondheid’ verder besproken in paragraaf 2.5.

Conclusie

51 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Luchtkwaliteit Toetsingskader Ons gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Bijvoorbeeld luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden en rijksomgevingswaarden NO2 en PM10 De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM 10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Een gemeente moet soms een activiteit toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.

Dit kan nodig zijn bij activiteiten die buiten een aandachtsgebied liggen maar relatief veel luchtvervuiling veroorzaken tot in het nabijgelegen aandachtsgebied. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Toets aan deze rijksomgevingswaarden binnen aandachtsgebieden mag achterwege blijven indien activiteiten maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling oftewel ‘Niet in betekende mate (NIBM)’ zijn. Niet in betekende mate (NIBM) Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn.

Een andere optie is gebruik te maken van de NIBM-tool om zo op een eenvoudige en snelle manier te onderzoeken of een project in betekende mate bijdraagt aan de

52 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Lokale of strengere omgevingswaarden van gemeente en provincies Gemeenten en provincies kunnen ook lokale omgevingswaarden opstellen, bijvoorbeeld voor roet. Ze kunnen ook strengere omgevingswaarden vaststellen en deze opnemen in het Omgevingsplan dan wel in de Omgevingsverordening. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Onderzoek Aandachtsgebieden en rijksomgevingswaarden NO2 en PM10 Het projectgebied ligt binnen aandachtsgebied van zowel NO 2 als PM10. Hieronder wordt nader onderzocht of de beoogde activiteiten wel of niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan luchtvervuiling. Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in paragraaf 6.10 ‘Verkeersgeneratie, - afwikkeling en parkeren. Bij de berekening is uitgegaan van de maximum verkeersgeneratie, namelijk 1.373 mvt/etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 6.3.1 NIBM-berekening

Deze toename van het aantal verkeersbewegingen kan ervoor zorgen dat de bijdrage in betekenende mate is. Bij de definitieve invulling zal door middel van nader onderzoek aangetoond moeten worden dat het initiatief niet in betekenende mate een bijdraagt aan luchtvervuiling.

53 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Lokale of strengere omgevingswaarden van gemeente en provincies De gemeente Veldhoven en de provincie Noord-Brabant hebben geen lokale of strengere omgevingswaarden vastgesteld. Emissie milieubelastende activiteiten Het project omvat geen milieubelastende activiteiten, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft.

Conclusie De effecten van het project op luchtkwaliteit zijn getoetst aan de regels zoals gesteld in het Bkl en het Bal. Het aantal verkeersbewegingen op basis van de maximale invulling draagt niet in betekende mate bijdragen aan luchtvervuiling. In de regels is daarnaast geborgd dat bij de definitieve invulling aangetoond moeten worden dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bkl en Bal. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt derhalve geen belemmering.

Milieueffectrapportage Toetsingskader Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

Onderzoek Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

54 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

J11

Projecten

Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet)

Stedelijk ontwikkelingsproje ct met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Niet van toepassing

Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Aanleg, wijziging of uitbreiding

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit Het omgevingsplan

Met dit planvoornemen wordt de realisatie van Stadse Woonstraten aan de Sterrenlaan met maximaal 105 wooneenheden en diverse functies in de plint mogelijk gemaakt. Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 4.1, kolom 2). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3). Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Uit de bevindingen zoals beschreven in de aanmeldnotitie kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met; 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en, 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk project is sprake van invloed op het milieu. Maar bij dit planvoornemen is deze niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken. In de aanmeldnotitie wordt daarom aanbevolen dat voor de verdere planvorming geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat er geen milieueffectrapportage noodzakelijk is.

Natuur en landschap Toetsingskader Natura 2000-gebieden De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden.

55 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

NNN-gebieden Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, dienen binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond nieuwe houtopstand te worden geplant. Er geldt een algehele vrijstelling van deze herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten. Soortenbescherming Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal).

De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: •

vogels

•

Europees beschermde soorten

•

nationaal beschermde soorten

Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en faunaactiviteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie. Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

56 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

Onderzoek Soortenbescherming Bij een concrete ontwikkeling dient aandacht te worden besteed aan beschermde soorten middels een verkennend natuuronderzoek. Mogelijk dient een initiatiefnemer op basis hiervan een aanvullend natuuronderzoek te doen naar bepaalde beschermde diersoorten. Er kunnen mitigerende maatregelen nodig zijn om een ontwikkeling mogelijk te maken. Aangezien de ontwikkelingen nog niet concreet zijn en er op voorhand geen onoverkoombare belemmeringen worden verwacht, wordt de onderzoeksplicht doorgeschoven naar de vergunningverlening. In het omgevingsplan is in de procesregels een regeling opgenomen dat initiatiefnemers een verkennend natuuronderzoek dienen aan te leveren bij de vergunningaanvraag van hun project. Daarnaast is natuurinclusief bouwen het uitgangspunt in zowel openbaar gebied als bij particuliere initiatieven. Gebiedsbescherming Met behulp van de AERIUS Calculator is de stikstofdepositie 7 bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden door het beoogd initiatief. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ op circa 4,0 km afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, in één belastend rekenjaar, geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl.

Conclusie De effecten op natuurwaarden zijn op voorhand geen beperking voor de beoogde ontwikkeling. Om te borgen dat bij de toekomstige realisatie geen effecten zullen optreden, is in de planregels opgenomen dat het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar de effecten op natuurwaarden dient te worden overlegd, om aan te tonen dat het concrete initiatief waar nodig voorziet in de mitigerende maatregelen die dan noodzakelijk blijken.

7

BRO, 'AERIUS-stikstofberekening Stadse Woonstraten te Veldhoven', projectnr. P07052, d.d. 19 maart 2025.

57 Motivering – Stadse Woonstraten Zonderwijk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17005692/1