CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1d_Erfgoed uitgediept gemeente Veldhoven_Juli2025

Raad (besluitvormend) 9 september 2025, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Vaststellen actualisatie Erfgoedbeleid14.426 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

geengeengeengeengeengeengeengeen

ERFGOED UITGEDIEPT TOELICHTING OP DE ERFGOEDKAART VAN DE GEMEENTE VELDHOVEN

Foto’s voorzijde: -

’t Oude Slot Zeelst (foto Erfgoedhuis Veldhoven);

-

Kapel van Onze-Lieve-Vrouw ter Eik in Veldhoven (foto Erfgoedhuis Veldhoven);

-

Villa Kapelstraat Zuid 8 in Meerveldhoven (foto Monumenten.nl);

-

Romeinse munt sestertius met zittende Victoria uit Veldhoven (foto Rijksmuseum van Oudheden);

-

Grafheuvels Toterfout (foto Erfgoedhuis Veldhoven);

-

Historisch topografische kaart van 1794 (foto Erfgoedhuis Veldhoven);

-

Opgraving Zilverakkers (foto Erfgoedhuis Veldhoven).

2

BIJLAGE 4 bij de Erfgoednota Veldhoven

ERFGOED UITGEDIEPT TOELICHTING OP DE ERFGOEDKAART VAN DE GEMEENTE VELDHOVEN

In opdracht van

Gemeente Veldhoven

Opgesteld door

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven

Auteur

Ria Berkvens

Datum

Juli 2025

Status

Versie 2.1

3

Inhoudsopgave 1 Inleiding...................................................................................................................6 1.1 Aanleiding............................................................................................................................... 6 1.2 Doelstelling............................................................................................................................. 6 1.3 Toelichting op de kaarten.......................................................................................................7 2 Beschrijving van de bewoningsgeschiedenis..............................................................9 2.1 Van Prehistorie tot Romeinse tijd........................................................................................... 9 2.2 De Middeleeuwen................................................................................................................. 12 2.3 Zelfstandige heerlijkheden...................................................................................................15 2.4 Onder de Republiek..............................................................................................................

20 2.5 Opkomst van vervoer en industrie........................................................................................22 2.6 Vier kerkdorpen samengevoegd...........................................................................................25 2.7 Onstuimige groei.................................................................................................................. 28 3 Werkwijze Erfgoedkaart...........................................................................................32 3.1 Inventarisatie fysieke landschap.......................................................................................... 35 3.2 Inventarisatie historisch landschap...................................................................................... 35 3.3 Inventarisatie archeologisch landschap................................................................................36 3.4 De basis voor de erfgoedkaart..............................................................................................38 4 Archeologie.............................................................................................................40 5 Cultuurhistorische waarden.....................................................................................41 5.1 De waardering van cultuurhistorische elementen en structuren..........................................41 1.

Beleefde kwaliteit.......................................................................................................... 41 2. Fysieke kwaliteit............................................................................................................ 42 3. Inhoudelijke kwaliteit.....................................................................................................42 5.2 Onderscheiden cultuurhistorische waarden..........................................................................44 5.3 De opbouw van de cultuurhistorische waardenkaart............................................................47 5.3.1 Historische bouwkunst..............................................................................................48 5.3.2 Historische stedenbouw............................................................................................49 5.3.3 Historische zichtrelaties............................................................................................50 5.3.4 Historisch groen........................................................................................................51 5.3.5 Historische geografie................................................................................................52 5.3.6 Cultuurhistorische ensembles...................................................................................53 5.4 Beperkingen van de

cultuurhistoriekaart..............................................................................55 6 Literatuur...............................................................................................................57

Losse Bijlagen 4

Bijlage 3: Overzicht van waardevol cultureel erfgoed in de gemeente Veldhoven Bijlage 5: Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Erfgoedkaart gemeente Veldhoven Kaartbijlage 6: Cultuurhistorische waardenkaart Kaartbijlage 8: Archeologische verwachtingen- en waardenkaart

5

1 Inleiding

1.1 Aanleiding Het waarborgen van de erfgoedwaarden in de fysieke leefomgeving is sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. Een instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht gemeenten om bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Het doel van deze instructieregel is om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het in het desbetreffende gebied aanwezige cultureel erfgoed om dit voldoende te kunnen beschermen. Bovendien komt de nadruk bij het beschermen van cultureel erfgoed te liggen op de omgevingskwaliteit en niet meer op het individuele monument. Het erfgoedbelang moet uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Door de stevige verankering van het brede erfgoedveld in de Omgevingswet, heeft de gemeente Veldhoven gevraagd om een erfgoedkaart op te stellen waarin naast archeologie, ook het cultuurlandschap en de gebouwde monumenten zijn opgenomen. De erfgoedkaart betreft een brede inventarisatie van cultuurhistorische relicten in de fysieke leefomgeving en zal digitaal worden ontsloten via https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie.

In ruime zin worden hieronder naast de disciplines archeologie en historische geografie (historisch cultuurlandschap), ook historische bouwkunde en stedenbouw, aardkunde, historische ecologie en volksverhalen begrepen. Uit de waardering van de al deze cultuurhistorische relicten volgen enerzijds de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en anderzijds de cultuurhistorische waardenkaart. De cultuurhistorische waardenkaart en de geactualiseerde archeologische verwachtingen- en waardenkaart met bijbehorend rapport en catalogus kunnen vervolgens als ruimtelijk instrument op het gebied van archeologie en cultuurhistorie gebruikt worden in het omgevingsplan en bij de beoordeling van beide aspecten in omgevingsvergunningen. In 2014 heeft de gemeente Veldhoven de eerste versie van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart vastgesteld.1 De archeologische verwachtingen- en waardenkaart heeft echter een beperkte houdbaarheid als gevolg van nieuwe inzichten die worden verkregen uit nieuw archeologisch onderzoek. Het geregeld actualiseren (minimaal eens in de tien jaar) van de kaarten leidt dan ook tot voordelen: meer actuele gegevens leiden tot betere keuzes en kostenbesparing, maar ook tot doeltreffender onderzoek.

Tien jaar na vaststelling is het dan ook tijd om de archeologische verwachtingen- en waardenkaart te actualiseren aan de hand van de meest recente inzichten en de diverse uitgevoerde onderzoeken binnen de gemeente Veldhoven.

1.2 Doelstelling Het doel van de erfgoedkaart is om een actueel overzicht te krijgen van de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden én in de te verwachten archeologische resten en cultuurhistorische waarden die binnen de gemeente (in de ondergrond) aanwezig kunnen zijn. Deze archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen worden als puntlocaties en als omgrensde zones aangegeven op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de cultuurhistorische waardenkaart. 1

Van de Water, Kortlang, Van der Weele & Hos 2014.

6

De archeologische en cultuurhistorische kaarten maken verder inzichtelijk welke locaties en gebieden in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. De beleidskaarten vormen samen met het erfgoedbeleid de basis van de door het gemeentebestuur te maken keuzes inzake onderzoek en selectie bij ruimtelijke ingrepen. De erfgoedkaart is daarnaast bedoeld om de archeologische en cultuurhistorische waarden te benutten voor het versterken van Veldhoven als een prettige woon- en leefomgeving voor nu en in de toekomst. Om dit te kunnen borgen is het noodzakelijk dat de erfgoedkaart en de daaruit voortvloeiende archeologische en cultuurhistorische beleidskaarten worden vastgesteld met daaraan gekoppeld de beleidsregels, die gelden voor de verschillende erfgoedwaarden. Met het opstellen van beleidsregels wordt het voor plantoetsers, toezichthouders en eigenaren/initiatiefnemers duidelijk wanneer bijvoorbeeld een vergunningplicht geldt en wanneer verdiepend archeologisch, bouwhistorisch en/of cultuurhistorisch onderzoek noodzakelijk is.

1.3 Toelichting op de kaarten De erfgoedkaart bestaat uit meerdere kaartlagen, gekoppeld aan een geografisch informatiesysteem (GIS met databases) met exacte gegevens over de geografische ligging en aard van de diverse waarden, die een overzicht geven van de bestaande kennis over het erfgoed in de gemeente Veldhoven. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: •

de inventarisatiekaarten van het fysieke, archeologische en historische landschap.

•

de archeologische verwachtingen- en waardenkaart.

•

de cultuurhistorische waardenkaart.

1. Inventarisatiekaarten van het fysieke, archeologische en historische landschap: Op de inventarisatiekaarten zijn de fysieke kenmerken van het landschap, de bekende archeologische vindplaatsen en onderzoeken alsmede de cultuurhistorische objecten en gebieden aangegeven, ingedeeld naar thema. Binnen deze hoofdindeling zijn de geïnventariseerde gegevens verder onderverdeeld naar subthema. Elk object of gebied bezit een eigen “uniek nummer” dat opgebouwd is uit themanummer.subthemanummer.volgnummer (bijv. 14.4.002). In de bijbehorende catalogus (bijlage 5) wordt elk uniek element of gebied zo mogelijk nader beschreven en toegelicht. Het historische landschap laat zien hoe het landschap onder invloed van de mens tot stand kwam. Diverse (sub)thema’s kunnen in de toekomst nog verder uitgewerkt worden, waaronder bijvoorbeeld de industrie en woonwijken. Er kunnen zich echter ook nieuwe thema’s voordoen of thema’s die nu nog niet aan de orde zijn gekomen, waaronder het immateriële erfgoed zoals tradities en voorwerpen. De catalogus is dan ook zo opgezet dat het systeem gemakkelijk aan te vullen is, mocht dat nodig zijn. 2. Archeologische verwachtingen- en waardenkaart: Hierop zijn de zones aangegeven waar een kans is op het aantreffen van archeologische vindplaatsen, evenals de gebieden met een al aangetoonde archeologische waarde. 3.

Cultuurhistorische waardenkaart: Hierop zijn de punten, lijnen en vlakken aangegeven die een cultuurhistorische waarde bezitten, alsook de wettelijk beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten.

7

In deze rapportage zal de gevolgde werkwijze voor het samenstellen van de kaarten worden toegelicht waarna wordt ingegaan op de waardering van de diverse objecten en elementen en de verschillende zoneringen op de verwachtingen- en waardenkaarten. Eerst wordt echter ingegaan op de regionale bewoningsontwikkeling waarbij zo mogelijk wordt ingezoomd op vindplaatsen in de gemeente Veldhoven.

Het bodemarchief is het resultaat van opbouw en vooral ook heel veel afbraak. Van alles wat de bewoners van een gebied ooit hebben gebouwd, gegraven, verloren, weggegooid en begraven is maar een klein deel overgebleven in de grond. Het hangt erg van de aard van de resten en van de plaatselijke omstandigheden af, hoe goed resten zijn geconserveerd.

8

2 Beschrijving van de bewoningsgeschiedenis2

2.1 Van Prehistorie tot Romeinse tijd Lang voordat er sprake was van de dorpen Veldhoven, Zeelst, Oerle en Meerveldhoven bood het landschap in dit gebied voldoende bestaansmogelijkheden voor een kleine groep mensen. Aan het einde van de Laatste IJstijd, 10.000 tot 15.000 jaar geleden, leek het land schap op een toendra, een grote vlakte begroeid met planten die bestand waren tegen felle kou. Dat wil niet zeggen dat de grond continu bevroren was en dat hier een ijskap voorkwam. In de zomer werden aangename temperaturen bereikt, zodat planten goed konden gedijen. Op deze toendra kwamen onder andere rendieren voor. Zodra het voedsel in een gebied opraakte of als het kouder werd, trokken de rendierkudden zuidwaarts. Gedurende de zomermaanden verbleven veel rendieren in het gebied dat we nu kennen als de Kempen. Het was een streek die bestond uit dekzandruggen, beekdalen en moerassen. Vooral op de randen tussen de dekzandruggen en de beekdalen graasden rendieren. Zij vonden daar voldoende eetbare planten, terwijl drinkwater in de directe nabijheid was. De mensen in die tijd verbleven niet permanent in dit gebied. Zij leefden vooral van de rendieren en trokken zodoende met de kudden mee. Jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare knollen, noten en bessen waren hun voornaamste bronnen van bestaan.

Vuursteen Voor de jacht maakten deze rendierjagers gebruik van pijl en boog. De pijlpunt was doorgaans gemaakt van vuursteen. Ook gebruikten deze jagers krabbers van vuursteen om de huiden van de rendieren of ander wild schoon te schrapen. De benodigde vuursteen werd gevonden in ZuidLimburg of Duitsland. De werktuigen werden door de jagers zelf gemaakt, soms in een kampement dat opgetrokken werd nabij een vlakte waar rendieren graasden. Archeologen vinden van zo’n kampement de vuurstenen werktuigen terug, het stenen afvalmateriaal en soms werktuigen van rendiergewei. Alle andere sporen zijn in de loop der tijd vergaan. Ook in de Kempen zijn werktuigen gevonden die zeker 10.000 jaar oud zijn en die ooit gebruikt zijn door deze rendierjagers.

Tekening van een vuurstenen bijl uit de Nieuwe Steentijd die in 1963 nabij Halve Mijl in Oerle werd gevonden (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

2

Historie Veldhoven in Vogelvlucht (bron: Geheimen van Veldhoven): Samenvatting van Veldhoven, van Toterfout tot heden. Auteur: Jean Coenen. Uitgave: Stichting Veldhoven van Gisteren naar Morgen, 2006.

9

Landbouw en veeteelt Tijdens de Nieuwe Steentijd (5300 tot 2100 voor Christus) vond de overgang plaats van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt. Op het grondgebied van de huidige gemeente Veldhoven zijn nog geen bewoningssporen uit die tijd gevonden, maar wel stenen werktuigen en aardewerk.

Bronzen bijlen en speerpunten Na de Nieuwe Steentijd volgde de Bronstijd (2100 tot 700 voor Christus), een periode die gekenmerkt wordt door het gebruik van bronzen voorwerpen. Rondreizende bronsgieters verkochten bronzen bijlen en speerpunten aan de bevolking of beter gezegd ruilden tegen vee of graan. Deze handelaren/ ambachtslieden kwamen uit Engeland. Daar werden ook de grondstoffen koper en tin gevonden, die benodigd waren voor het vervaardigen van de bronzen voorwerpen.

Grafheuvels De bevolking was godsdienstig. De grafheuvels met urnen en grafgiften wijzen op een geloof in een leven hiernamaals. In de gemeente Veldhoven werden diverse grafheuvels uit de Bronstijd opgegraven. In de 19de eeuw was de belangstelling voor deze grafheuvels al volop aanwezig. Schatgravers maakten een gat in een grafheuvel in de hoop een gave urn daarin aan te treffen. Op deze manier zijn veel vondsten in musea in Nederland en België terecht gekomen, maar de informatie bij de vondsten is onvolledig en meestal onbruikbaar. Tussen 1948 en 1951 verrichtte de Rijksdienst voor Oudheid kundig Bodemonderzoek (ROB) in Oerle opgravingen gehouden, die belangrijk zijn voor de kennis van de Bronstijd in Nederland.

Gerestaureerde grafheuvel uit de Bronstijd op Toterfout in 2016 (uit Theunissen, de Kort, Derickx & Van der Heiden 2018).

Toterhout en Halve Mijl In de gehuchten Toterhout en Halve Mijl onder Oerle bevindt zich nog een groot aantal

10

gerestaureerde grafheuvels uit de Bronstijd. Bij deze grafheuvels zijn door de gemeente bronzen plaquettes geplaatst, die informatie geven over de verschillende soorten monumenten. Ook werden daar enkele bijzondere urnen aangetroffen, waaruit duidelijk bleek dat dit volk contacten onderhield met het zuiden van Engeland. De urn van Toterfout, die in Den Bosch wordt bewaard, is zelfs internationaal bekend in de archeologie.

De urn van Toterfout is een begrip in de internationale archeologie. Dankzij deze vondst kon aardewerk uit de Bronstijd beter worden gedateerd (foto Noordbrabants Museum, collectie.hetnoordbrabantsmuseum.nl). In de IJzertijd (700 tot 50 voor Christus) werden de stoffelijke resten van doden in een urn bijgezet in een grafheuvel, urnenveld of grafveld. Er vonden ook begravingen plaats. Dankzij een aantal opgravingen in Veldhoven is de kennis van die periode de laatste halve eeuw flink toegenomen. In museum ’t Oude Slot in Veldhoven en het Noord-Brabants Museum in Den Bosch worden voorwerpen uit deze periode bewaard die in de loop der tijd in Veldhoven zijn gevonden.

Kelten Tijdens de IJzertijd bestonden in alle delen van de huidige gemeente al kleine boerennederzettingen. De inheemse bevolking uit de IJzertijd wordt gerekend tot de Kelten. De Romeinen (50 voor Christus tot begin 4de eeuw na Christus) lijfden het grondgebied van de Kelten in bij het Romeinse Rijk.

11

Romeinse soldaten De Kempen werd in de Romeinse tijd bewoond door inheemse stammen en enkele Romeinse legionairs. Vermoedelijk ging het om voormalige Romeinse soldaten die zich op het platteland terugtrokken of die zich vestigden in hun geboortestreek. In Veldhoven zijn veel overblijfselen uit de Romeinse tijd opgegraven, zoals huisplattegronden, aardewerk uit Romeinse pottenbakkerscentra of uit lokale productie, Romeinse munten, aardewerk beeldjes van Romeinse goden en sieraden.

Pijpaarden beeldje van de Romeinse godin Diana, gevonden op Heers. Dit beeldje wordt momenteel bewaard in het Noord-Brabants Museum (foto Noordbrabants Museum, Dianabeeldje van pijpaarde uit Veldhoven). Vermoedelijk doorkruiste een Romein de weg of route, die van de stad Tongeren (B) naar Rossum liep, het grondgebied van Veldhoven. Dat zou ook het grote aantal vondsten uit die tijd kunnen verklaren, voornamelijk in de beekdalen. Zo zijn in de loop der tijd talloze Romeinse voorwepen gevonden in het Veldhovense gehucht Heers. Het Romeinse rijk liep aan het begin van de 4de eeuw ten einde. Vermoedelijk vond toen een ontvolking van die gebied plaats.

2.2 De Middeleeuwen Van de 4de tot en met de 7de eeuw is vrijwel geen informatie bekend over bewoning van delen van Veldhoven. Ook in plaatsen in de omgeving is die periode een duistere tijd. De eerste gegevens uit de vroege Middeleeuwen dateren uit de 7de eeuw. Vermoedelijk was Meerveldhoven, één van de

12

latere parochies en dorpskernen van Veldhoven, een belangrijk centrum. In Meerveldhoven werd een rijk grafveld gevonden uit de Merovingische tijd (5de-8ste eeuw), een periode die genoemd is naar de Frankische koning Merovech, die leefde in de 5de eeuw.

Abdij van Lorsch Uit de Karolingische tijd, genoemd naar keizer Karel de Grote, dateren de oudste documenten die betrekking hebben op de parochie en een aantal hoeven in Meerveldhoven. Deze stukken behoren tot de oudste geschreven bronnen van Nederland. Uit die documenten komt naar voren dat Meerveldhoven een gebied was van de benedictijnenabdij van Lorsch. Lorsch ligt in Duitsland nabij de Rijn. De kerk van Meerveldhoven en enkele hoeven waren geschonken door edellieden. Dit domein van de abdij van Lorsch ging verloren en kwam op den duur in handen van het kapittel van de SintLambertuskathedraal in Luik. Het laatmiddeleeuwse domein van dit Luikse domkapittel bleef bestaan tot in de 18de eeuw. De gebruikers van deze hoeven en landerijen betaalden jaarlijks aan het dom kapittel een cijns.

13

De koningshal van de abdij van Lorsch is een van de belangrijkste Karolingische gebouwen in Duitsland. Deze abdij ontving geld uit bezittingen in Meerveldhoven, die in de 8ste eeuw geschonken waren door lokale edellieden (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Kerken In de loop van de Late Middeleeuwen ontstonden in de dorpen Veldhoven, Zeelst en Oerle eveneens parochies, ieder met een eigen kerk. In de 13de eeuw kreeg de norbertijnenabdij van Postel de rechten in handen van de kerken van Oerle en Veldhoven. De priorij van Hooidonk, onder Nederwetten in de gemeente Nuenen, bezat de rechten van de kerk van Zeelst.

Schepenbank van Oerle Juridisch behoorde het grondgebied van de dorpen Oerle, Veldhoven, Meerveldhoven en Zeelst in de 13de eeuw tot de schepenbank van Eersel. Deze omvatte vrijwel heel het zuidelijke gedeelte van het kwartier van Kempenland. Dit gebied viel onder het hertogdom Brabant. Aan het begin van de 14de eeuw werd de schepen bank van Eersel opgesplitst. Toen ontstond de zelfstandige schepenbank van Oerle. De bank van Oerle omvatte de dorpen Oerle, Veldhoven, Zeelst, Meerveldhoven, Blaarthem, Vessem, Knegsel en Wintelre. Oerle werd in de 14de eeuw een vrijheid, dat wil zeggen dat de bevolking dezelfde vrijheden kreeg als die van de stad Den Bosch. Daarmee werd Oerle echter nog geen stad met stadsrechten.

Deze 17e eeuwse boerderij annex herberg op Zandoerle heet de Dingbank, waar de schepenen van Oerle vergaderden. Toen er nog geen raadhuis was vergaderde men in een herberg of bij de kerk (foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 1963).

Hoeven van adellijke families Uit deze periode zijn de vroegste schriftelijke gegevens bekend over de gehuchten en boerderijen in dit gebied. De belangrijkste boerenbedrijven waren grote hoeven van adellijke families, vooraanstaande plaatselijke groot grondbezitters, de abdij van Postel en kerkelijke instellingen in Den Bosch, zoals het clarissenklooster.

14

Deze hoeve op het Heike, nabij Cobbeek en beter bekend als Clarissenhoeve, was in 1390 bezwaard met een erfpacht dat in bezit kwam van het Geefhuis in Den Bosch en werd uiteindelijk verkocht aan de Clarissen (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Overlast van oorlogen In de 15de eeuw ondervond de bevolking veel overlast van oorlogen. De oorlogvoering was zodanig veranderd dat niet meer de adellijke heren en hun leenmannen tegenover elkaar stonden, maar huurlegers van machtige vorsten. Doortrekkende en plunderende soldaten teisterden de dorpen in Kempenland. Toch viel het in de 15de eeuw nog mee in vergelijking met de 16de eeuw, toen brandstichting, plundering en brandschatting door legers vrijwel aan de orde van de dag waren.

2.3 Zelfstandige heerlijkheden De bank van Oerle lag in het gebied dat rechtstreeks viel onder de hertog van Brabant. In de 16de eeuw waren keizer Karel V (1515-1555) en koning Philips II van Spanje (1555-1598) hertog van Brabant. Het rijk van Philips II strekte zich uit over vijf continenten. Hij moest zijn legers overal inzetten om dit enorme gebied in stand te houden. Het spreekt voor zich dat de legers handenvol geld kostten. Een deel van de benodigde gelden kwam uit de koloniën in Zuid-Amerika, maar ook uit de rijke Nederlanden. Vanaf 1557 liet koning Philips II hertogelijke dorpen verkopen en omzetten in heerlijkheden. Dat hield in dat een plaatselijke heer rechten kreeg over het grondgebied, de bevolking en de rechtspraak daar. Koning Philips II liet de bank van Oerle opsplitsen en bood de afzonderlijke dorpen als heerlijkheid aan. Vier van de zeven dorpen werden verkocht. Oerle en Meerveldhoven kwamen in 1560 in handen van jonkheer Willem de Borchgrave.

15

Keizer Karel V was tevens hertog van Brabant. In zijn tijd was de dingbank van Oerle nog hertogelijk gebied (Schilderij door Jakob Seisenegger uit 1532; bron: https://historiek.net/karel-vkeizer-nederlanden/65451/).

Schepenbank van Oerle opgesplitst De heerlijkheden Veldhoven en Zeelst en het naburige Blaarthem werden eigendom van of kwamen kort daarna in handen van de adellijke familie Van Eyck, die woonachtig was op het kasteel van Blaarthem. Het gevolg was dat de voormalige schepenbank van Oerle werd opgesplitst in drie schepenbanken, te weten: VeldhovenZeelstBlaarthem, OerleMeerveldhoven en VessemWintelreKnegsel. Bij de eerste twee schepenbanken is al een groot gedeelte van de huidige gemeente Veldhoven zichtbaar. Op bestuurlijk gebied veranderde er veel, omdat de heer van de heerlijkheid het recht had om alle dorpsbestuurders te benoemen. De schout kreeg de leiding over de schepenbank in zijn hoedanigheid van plaatsvervanger van de heer. De zeven schepenen van de schepenbank hielden zich bezig met bestuur en rechtspraak. Vaak waren de schepenen invloedrijke boeren of pachtboeren. Ieder dorp binnen de schepenbank had zijn eigen bestuur of corpus. Dit bestond uit twee of drie van de zeven schepenen, twee borgemeesters, twee kerkmeesters en twee armmeesters. De borgemeesters werden jaarlijks gekozen uit de grondbezitters om de inkomsten en uitgaven van het dorp bij te houden en daarvan rekening en verantwoording af te leggen.

16

Grafzerk van Roelof van Eyck van 1850 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Oorlogsleed In de 16de eeuw werd de bevolking zwaar getroffen door de oorlogvoering tussen de hertog van Brabant enerzijds en de hertog van Gelre anderzijds. Met name de rooftocht en brandschatting in 1543 door de Gelrese veldheer Maarten van Rossum bracht de bevolking tot armoede. In 1543 werd Gelre ingelijfd bij de Nederlanden door keizer Karel V.

17

De Gelrese veldheer Maarten van Rossum teisterde in 1543 Kempenland (foto Rijksmuseum Amsterdam).

Tachtigjarige Oorlog In 1568 begon de Tachtigjarige Oorlog. Een jaar of tien later verplaatste de strijd tegen de koning van Spanje zich van de noordelijke Nederlanden naar het hertogdom Brabant. In de noordelijke gewesten vormde zich geleidelijk de Republiek der Verenigde Nederlanden. De opstandelingen uit de noordelijke gewesten probeerden hun gebied te vergroten door Brabant binnen te vallen. Tussen 1579 en het bestand van 1609 verbleven telkens Staatse legers van de Republiek en Spaanse legers in Brabant. De bevolking werd geconfronteerd met belegeringen van naburige steden, zoals Eindhoven en Helmond, brandschattingen, voedselleveranties, inkwartieringen, kampementen, rooftochten en andere vormen van overlast van legers. Van 1609 tot 1621 keerde de rust terug tijdens het Twaalfjarig Bestand. In 1621 werd de strijd hervat. Met name de verovering van de stad Den Bosch in 1629 had grote consequenties omdat de Staatse troepen claimden dat zij de hele Meierij van Den Bosch daarmee in handen hadden. Tussen 1629 en 1648 ontstond daardoor een chaotische tijd. De nieuwe machthebber werd schoorvoetend erkend, omdat de dorpsbesturen nog steeds instructies kregen van de Spaanse regering uit Brussel en door Spanje aangestelde overheidsfunctionarissen gewoon aanbleven.

Geleidelijk kreeg de Republiek der Verenigde Nederlanden meer vat op Brabant, zeker nadat in 1637 Breda met het omliggende gebied werd veroverd op de Spanjaarden.

18

Belegering van Eindhoven in 1583 tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Bij deze aanval werden in Oerle en Veldhoven veel huizen in brand gestoken (kaart gemaakt door Frans Hogenberg kaart rond 1585/1590); bron: kaart eindhoven 1583) .

Invoering protestantisme De Republiek stelde zich ten doel om in de Meierij van Den Bosch het protestantisme in te voeren. Direct na de verovering van de stad Den Bosch in 1629 werden de kloosters gesloten en de geestelijken de stad uitgezet. Bisschop Ophovius moest de stad verlaten en trok met zijn gevolg nog enkele jaren rond in de Meierij. Hij verbleef enige tijd als gast van jonkheer Amandus van Horne op het kasteel in Geldrop. Vanuit dat kasteel bestuurde hij het bisdom Den Bosch. In 1633 werden predikanten geplaatst in enkele dorpen en steden in de Meierij, onder meer in Eindhoven. Enkele protestanten uit Veldhoven en Blaarthem sloten zich aan bij de protestantse gemeente in Eindhoven. In 1634 werd getracht een predikant te beroepen voor Veldhoven, maar dat plan ging uiteindelijk niet door. De katholieke geestelijkheid in de Meierij kreeg het steeds moeilijker. Na 1648 moesten zij hun parochies verlaten en werden de kerkgebouwen overgedragen aan de protestanten. Het is kenmerkend voor de norbertijnen dat zij tot 1648 of soms zelfs daarna in hun parochies bleven. Ook in Oerle en Veldhoven lieten de norbertijnen hun parochianen niet in de steek.

19

2.4 Onder de Republiek In 1648 werd de Vrede van Munster getekend. Voor de Meierij van Den Bosch had dit tot gevolg dat het gebied nu definitief deel ging uitmaken van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het hertogdom Brabant werd toen opgesplitst in een noordelijk en een zuidelijk deel. Het noordelijke deel komt grotendeels overeen met de huidige provincie Noord-Brabant. De protestantisering werd nu flink doorgezet. Zowel in Oerle als in Veldhoven werden predikanten benoemd, die voor een handjevol gelovigen in de voormalige katholieke kerken diensten vieren. De eerste protestanten hadden het moeilijk. Zij werden nauwelijks aanvaard door de katholieke bevolking. De katholieken begaven zich aanvankelijk lopend naar de landsgrenzen om daar kerkdiensten te bezoeken in speciaal gebouwde grenskerken. Ook het onderwijs kwam in handen van de protestanten. De school en de schoolmeesterswoning moesten aan de nieuwe schoolmeesters worden overgedragen. In 1658 werden de heerlijke rechten over Oerle en Meerveldhoven ingelost. In Veldhoven, Zeelst en Blaarthem was dat al in 1613 gebeurd, maar gedurende de hele 17de eeuw bleven leden van de familie Van Eyck zich heer noemen van deze dorpen.

Politieke Reformatie In het bestuur probeerde de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden eveneens een protestantisering door te voeren. Deze stond bekend als de Politieke Reformatie. Het was de bedoeling dat alle politieke en bestuurlijke functies alleen door protestanten zouden worden bekleed. In de praktijk mislukte de Politieke Reformatie omdat er te weinig bekwame protestanten beschikbaar waren. Wel werden de functies van schout, secretaris en vorster alleen aan protestanten gegeven.

De Nederlands hervormde kerk en pastorie aan Den Broek (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

20

Noodkerken Meestal waren slechts twee of drie van de zeven schepenen lidmaat van de gereformeerde kerk. Toen in 1672 de Franse koning Lodewijk XIV met zijn leger de Republiek binnenviel, was dat een steun in de rug voor de katholieken. In de meeste dorpen werden grote schuren ingericht als noodkerk. In Oerle, Veldhoven, Meerveldhoven, Zeelst en Blaarthem bestonden sinds het laatste kwart van de 17de eeuw schuurkerken. Tot 1798 bleef deze situatie bestaan. De beide geloofsgroepen leefden langzamerhand minder vijandig samen, zij tolereerden elkaar. Door de Staatsregeling van 1798 kregen de katholieken hun kerken terug. In sommige dorpen, zoals Zeelst, kwam de kerk in 1796 alweer in handen van de katholieken. In 1796 telde Oerle 632 inwoners, Veldhoven 759, Zeelst 967 en Meerveldhoven 169.

Ontwerptekening voor de schuurkerk van Blaarthem in 1776 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). Het bleef niet bij één Franse poging om de Republiek te veroveren. Ook van 1689 tot 1697 en van 1702 tot 1713 werd er oorlog gevoerd tegen Lodewijk XIV. Omdat de Franse troepen door Brabant naar de noordelijke gewesten trokken, ondervond de bevolking veel overlast. Berucht was de brandstichting door Franse soldaten in 1688. Toen werden acht dorpen platgebrand omdat de dorpsbesturen niet prompt de vereiste brandschatting betaalden. Tot die dorpen behoorde ook Knegsel.

Oorlogsleed en armoede De economie leed uiteraard onder deze oorlogsomstandigheden. De doortrekkende legers vernielden de oogst van de boeren of vorderden graan en hooi. De wevers in Veldhoven en Zeelst kregen te maken met beperkende maatregelen die opgelegd werden door de Staten-Generaal van de Republiek. Deze besloot vooral de textielnijverheid in de provincie Holland te steunen en goedkope invoer vanuit Brabant aan banden te leggen. Gedurende een groot gedeelte van de 18de eeuw leed de bevolking armoede. De vorderingen en belastingen van de overheid waren nauwelijks op te brengen. Dorpen als Oerle, die in de 15de eeuw nog belangrijk waren, vervielen tot armlastige gemeenschappen. Veel inwoners zochten elders een nieuw bestaan. Met name de trek naar de provincie Holland nam in deze tijd toe. Toen het Franse leger in 1794 Brabant veroverde, veranderde er veel. Aan de machtige positie van de protestanten kwam een einde. De katholieken keerden terug op de bestuurlijke posten en zij kregen het onderwijs geleidelijk weer in handen.

21

Uiteindelijk kan de 18de eeuw worden gekenmerkt als een armoedige tijd. De dorpsbesturen moesten zoveel schulden aflossen dat geen enkele nieuwe ontwikkeling in gang kon worden gezet. In feite stuitte alles op gebrek aan geld.

Tijdens de oorlog die tegen koning Lodewijk XIV van Frankrijk werd gevoerd, moesten de boeren karren met hooi leveren aan de Fransen. De hooikar van Piet Couwenberg en Peer Bierings uit Oerle, omstreeks 1920 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

2.5 Opkomst van vervoer en industrie In de eerste helft van de 19de eeuw zette de armoede zich nog steeds voort. De dorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst kampten voortdurend met geldgebrek. Zij vielen ook een aantal keren buiten de boot toen in Brabant initiatieven werden genomen voor de aanleg van kanalen, wegen en spoorwegen. De eerste verharde weg dateert van 1855. Deze liep van Eindhoven via Zeelst, Meerveldhoven en Veldhoven naar Turnhout. Een gedeelte daarvan staat nog bekend als de Provincialeweg. In 1897 reed de eerste stoomtram over de tramlijn van Eindhoven, evenwijdig aan de Provincialeweg in Veldhoven, naar de grens bij Reusel.

22

De tramlijn in Meerveldhoven. De Provincialeweg heette omstreeks 1905 Tramstraat (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Samenwerking met boeren Landbouw bleef in de 19de eeuw de belangrijkste bestaansbron. De problemen in de landbouw tussen de jaren 1870 en 1895 noodzaakten de boeren om meer samen te werken. Er ontstonden als gevolg van die samenwerking kleine boterfabriekjes, boerenbonden en boerenleenbanken. Vanouds woonden er ook veel linnenwevers in Veldhoven en Zeelst. De burgemeester van Zeelst, Gerardus de Wit, was de eerste lakenfabrikeur. Dit is een koopmanondernemer, die het spinnen en weven uitbesteedde in het dorp en die in Haarlem en omstreken de stoffen liet bleken en nabewerken. De firma De Wit, later HabrakenDe Wit maakte linnen tafelgoed, onder andere damast. In 1857 zette Jan van Nuenen een bescheiden fabriekje op waar hij damast en pellen maakte. Eind 19de eeuw was het een textielfabriek, die beschikte over stoommachines, met een eigen blekerij en wasserij.

23

Luchtopname uit 1923 van de fabriek van de familie Van Nuenen in Meerveldhoven (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). De steenbakkerijen vormden een andere bedrijfstak die in de 19de eeuw in opkomst was. Aanvankelijk waren er veel kleine onder nemingen, in 1898 was de Heibloem in Veldhoven de eerste machinale steenfabriek. Verder nam de schoenenfabricage toe en ontstonden eind 19de eeuw de eerste sigarenfabriekjes. Al deze ontwikkelingen waren de basis voor de industrialisatie aan het begin van de 20ste eeuw, met name nabij de Gender in Meerveldhoven en Veldhoven. De katholieken kregen in de loop van de 19de eeuw steeds meer inspraak. In 1853 werden de bisdommen hersteld. De parochies Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst maakten deel uit van het bisdom Den Bosch. Er vestigden zich religieuze orden en congregaties, zoals de zusters van Tilburg in Oerle, de franciscanessen van Veghel in Veldhoven en Meerveldhoven en de zusters van Schijndel in Zeelst. De zusters gingen zich bezig houden met onderwijs, ziekenzorg en bejaardenzorg. In Oerle verrees een meisjespensionaat dat bekend werd als kostschool voor aankomende onderwijzeressen. Door de komst van de congregaties was er voor meisjes bijzonder onderwijs van de grond gekomen. De openbare scholen in de vier kerkdorpen werden voornamelijk bevolkt door jongens en hier en daar protestantse meisjes.

De Mariabedevaarten naar Meerveldhoven, die al sinds eeuwen bestonden, kregen in de 19de eeuw een nieuwe impuls.

24

De kerk en pastorie van Meerveldhoven omstreeks 1915 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). In de vier kerkdorpen verrezen in de 19de eeuw nieuwe kerken. De meeste waren al snel te klein en werden daarom in de 20ste eeuw vervangen. Aan het einde van de 19de eeuw komt ook het verenigingsleven langzaam op, zoals handboogschutterijen, muziekgezelschappen en koren.

2.6 Vier kerkdorpen samengevoegd De ontwikkelingen die aan het einde van de 19de eeuw opgang maakten, werden onderbroken door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Na die oorlog stegen de lonen en prijzen, brak in de landbouw een crisis uit en zette de industrialisatie zich verder voort. Kort na de oorlog werden in Noord-Brabant veel gemeenten samengevoegd of geannexeerd om de kosten van het gemeentelijke apparaat in de hand te houden. De samenvoeging van de dorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst leverde weinig discussie op. Met ingang van 1 mei 1921 ging de nieuwe gemeente Veldhoven van start. De nieuwe gemeente telde ruim 4900 inwoners. Het aantal inwoners groeide bijzonder snel. In 1950 telde Veldhoven 10.877 inwoners.

25

Dit kaartje uit 1921 geeft niet alleen de vereniging van de gemeente Veldhoven, Zeelst en Oerle aan, maar ook de vrijwel gelijktijdige oprichting van de nieuwe gemeenten Eindhoven en Geldrop (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Rijke Roomse Leven De katholieke kerk maakte in deze periode een bloeiperiode door, die gekarakteriseerd wordt met het begrip Rijke Roomse Leven. Er werden nieuwe kerken gebouwd in Veldhoven, Oerle, Meerveldhoven. Deze kerkgebouwen vervingen 19de eeuwse kerken. Na de invoering van de onderwijswet van 1920 werd het openbare onderwijs grotendeels door de parochies overgenomen. De parochiebesturen hadden grote invloed op het R.K. onderwijs.

26

Het lange gebouw naast de kerk bestond uit een raadhuis, school en schoolmeesterswoning. Het oudste gedeelte dateert uit 1844 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). Gedurende de periode van 1920 tot 1940 nam het aantal bedrijven toe in de textielindustrie, schoenenindustrie en steenfabrieken. Kenmerkend voor Veldhoven waren steenfabrieken, sigarenfabrieken en wasserijen. De werkgelegenheid nam binnen de gemeente daardoor toe. Een aantal arbeiders werkte in Strijp in de Philipsfabrieken. Tijdens de economische crisis van de dertiger jaren werden arbeiders door werkverschaffing aan wegen en ontginningen aan het werk gehouden.

Steenfabriek De Heibloem lag aan de weg van Veldhoven naar Steensel. Foto omstreeks 1910 (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). 27

Een geheel nieuwe impuls was de aanleg in werkverschaffing van het vliegveld Welschap dat gedeeltelijk op grondgebied van Veldhoven tot stand kwam. Dit vliegveld zou na de Tweede Wereldoorlog aan belangrijkheid toenemen. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verdween ook de werkloosheid. Toen was de aanwezigheid van een vliegveld juist nadelig, omdat het terrein door de Duitse bezetter in beslag werd genomen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het vliegveld Welschap door de Duitsers bezet. Het heette toen Fliegerhorst Eindhoven (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). Ook tijdens de bevrijding, die op 17 september 1944 werd ingezet met operatie Market Garden werd het afweergeschut rond het vliegveld Welschap gebombardeerd. Dat was nodig om een veilige landing van parachutisten bij de brug in Son mogelijk te maken. Die dag vielen daardoor in Zeelst 19 dodelijke slachtoffers. Veldhoven behoorde met Eindhoven tot de eerste plaatsen die al op 18 september 1944 werden bevrijd.

2.7 Onstuimige groei Na de Tweede Wereldoorlog zette een ongekende groei in. De gemeente ontwikkelde enkele grootschalige nieuwbouwwijken, die gerealiseerd werden tussen de oude dorpskernen in, zoals de wijk d’Ekker. Daarna volgden nieuwe wijken als Zonderwijk, Cobbeek en ’t Look. Door de aanleg van een nieuwe wegenstructuur en de nieuwe wijken kreeg Veldhoven in enkele tientallen jaren een totaal ander aanzien. Ten noorden van de Heerbaan werden eveneens nieuwe wijken gerealiseerd, zoals de wijk Heikant.

Snelst groeiende gemeente in agglomeratie Eindhoven De gemeente Veldhoven had in toenemende mate te maken met de agglomeratie Eindhoven. Binnen dat gebied was Veldhoven de snelst groeiende gemeente. De invloed van de katholieke kerk nam geleidelijk af na het Tweede Vaticaans Concilie. Aanvankelijk leek het erop dat in Veldhoven in de nieuwbouwwijken ongeveer tien nieuwe kerken moesten komen, maar het bleef beperkt tot nieuwe kerken in de wijken d’Ekker, Zonderwijk (schuurkerk) en Heikant. 28

Door de groei van het inwoneraantal nam ook het aantal protestanten toe. In de wijk d’Ekker werd een nieuwe protestantse kerk gebouwd (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Meer middelbaar onderwijs De afgelopen 30 jaren nam het kerkbezoek steeds verder af. De geestelijkheid trok zich geleidelijk terug uit het onderwijs. De religieuzen hadden de basis gelegd voor het vervolgonderwijs, onder meer in Oerle en op Koningshof. Geleidelijk kreeg Veldhoven steeds meer vormen van middelbaar onderwijs in huis. Al deze vormen van voortgezet onderwijs worden thans geboden door het Sondervickcollege.

De Gemeentelijke LTS Veldhof aan de Sterrenlaan werd in 1973 in gebruik genomen (foto www.geheimenvanveldhoven.nl). 29

Nieuwe economische activiteiten Er vonden grote veranderingen plaats op economisch gebied. Het aantal landbouwbedrijven nam sterk af, maar de bedrijfsgrootte van de overgebleven boerderijen nam toe. Het aandeel van de landbouw in de Veldhovense economie werd jaarlijks geringer. Veldhoven was omstreeks 1960 een echte pendelgemeente. Het grootste gedeelte van de beroepsbevolking werkt immers in Eindhoven of andere plaatsen. Tegenwoordig werken meer mensen in Veldhoven zelf. In de industrie ging er enerzijds werkgelegenheid verloren doordat de oudere fabrieken geleidelijk verdwenen, anderzijds vonden er veel nieuwe ontwikkelingen plaatsen die tot gevolg hadden dat nieuwe bedrijven en industrieën zich gingen vestigen of groeiden. Tot de oude activiteiten die grotendeels verloren gingen, behoren de textielindustrie, de steenfabrieken, sigarenfabrieken, schoenfabrieken en wasserijen. Bij de nieuwe ondernemingen is de ontwikkeling van moderne technologieën de belangrijkste activiteit. De economische activiteiten namen toe door de aanleg en uitbouw van industrieterreinen, zoals bedrijventerrein De Run. De laatste twintig jaar zijn in Veldhoven enkele bedrijven van wereldformaat van de grond gekomen, namelijk ASML, dat sedert 1984 actief is, en Simac ICT Nederland. De dienstverlenende sector groeide soms nog sneller dan de industrie.

Ook de verplaatsing van het Sint Jozephziekenhuis van Eindhoven naar Veldhoven was een belangrijke ontwikkeling. Dit ziekenhuis, dat tegenwoordig Máxima Medisch Centrum (MMC Veldhoven) heet, is één van de grootste werkgevers binnen de gemeente.

Hoofdgebouw van ASML (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Sterke groei dienstverlenende sector De economische activiteiten namen toe door de aanleg en uitbouw van industrieterreinen, zoals 30

bedrijventerrein De Run. De laatste twintig jaar zijn in Veldhoven enkele bedrijven van wereldformaat van de grond gekomen, namelijk ASML, dat sedert 1984 actief is, en SIMAC ICT Nederland. De dienstverlenende sector groeide soms nog sneller dan de industrie. Ook de verplaatsing van het Sint-Josephziekenhuis van Eindhoven naar Veldhoven was een belangrijke ontwikkeling. Dit ziekenhuis, dat tegenwoordig Máxima Medisch Centrum (MMC Veldhoven) heet, is één van de grootste werkgevers binnen de gemeente.

De ingang van het MMC ziekenhuis, een voortzetting van het Sint-Josephziekenhuis uit Eindhoven (foto www.geheimenvanveldhoven.nl).

Cultuur en verenigingsleven Ook op cultureel en maatschappelijk gebied vonden enorme veranderingen plaats. De Schalm, de muziekschool, de bibliotheek en museum het Oude Slot zijn bekende instellingen. Het verenigingsleven maakte een bloeiperiode mee. Er werden sporthallen, sportparken en andere accommodaties ontwikkeld om het verenigingsleven zich verder te laten ontplooien. Door die onstuimige groei, waarbij het inwoneraantal van Veldhoven sinds 1920 bijna vertienvoudigde, zijn de oude historische kerkdorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst kleine wijken geworden binnen de gemeente. Anno 2005 telt Veldhoven ruim 17.000 woningen en ruim 43.000 inwoners. Dit wil zeggen dat de meeste inwoners geen geboren Veldhovenaren zijn en dat de meeste huizen dateren van de afgelopen vijftig jaren. Dat laatste bepaalt in hoge mate het karakter van de gemeente. Gelukkig bestaan er nog oude huizen in sommige gehuchten of in oude dorpskernen en telt de gemeente nog enkele monumenten uit de 18de en 19de eeuw. Die oude plekjes tussen de nieuwe wijken laten de snelle groei van de moderne gemeente Veldhoven zien.

31

3

Werkwijze Erfgoedkaart

De erfgoedkaart is een digitale opeenstapeling van gebieden en objecten (GIS-kaart). Hier zijn de te registreren "cultuurhistorische waarden" breed opgevat. Het gaat hierbij, conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, om: -

historisch-geografische landschapselementen (oude akkers, wegen, heideontginningen, laanbeplanting etc.);

-

gebouwde elementen (watermolen, schans, kapel, kruis, etc.);

-

historische bewoningskernen (dorp, gehucht, huizengroep, woonwijk, etc.);

-

archeologische vindplaatsen (grafheuvels, nederzettingen, kasteel, etc.);

-

gebouwde monumenten (boerderijen, landhuis, herberg, café, etc.).

De cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart gaat uit van een onderverdeling naar landschappelijk, historisch en archeologisch thema en vervolgens naar subthema of nadere typering van het object of gebied. Dit is aantrekkelijker dan een rubricering volgens dimensionaliteit (punt - lijn - vlak) omdat het toelaat binnen een thema elementen te behandelen die onderling structureel samenhangen, maar toevallig een verschillende dimensionaliteit hebben. Door te werken met thema’s en subthema’s kan de diversiteit, eigenheid en complexiteit van het landschap beter worden gevangen. De afbakening van de gemeente volgens de huidige gemeentegrenzen komt hier en daar niet overeen met historische grenzen. Daarom beslaat de erfgoedkaart meer oppervlakte dan de huidige gemeente. In de catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (zie bijlage 5) worden de resultaten van de inventarisatie van de erfgoedkaart in detail beschreven. Binnen de hoofdindeling naar fysiek landschap, historisch landschap en archeologisch landschap, zijn alle geïnventariseerde gegevens onderverdeeld naar thema en naar type gebied of object (ofwel subthema genoemd). Elk object of gebied bezit een eigen “Uniek nummer” dat als volgt is opgebouwd: gemeentenummer.themanummer.subthemanummer.volgnummer (bijv. 1.14.4.085).

Bij het maken van de erfgoedkaart zijn de geïnventariseerde cultuurhistorische objecten en gebieden verdeeld naar thema en subthema. In totaal gaat het om 40 thema’s met bij het fysieke landschap 30 nadere typeringen of subthema’s, bij het historisch landschap 219 nadere typeringen en bij het archeologisch landschap 43 nadere typeringen; zie voor het overzicht van de opbouw van de inventarisatie van de erfgoedkaart, tabel 1 op de volgende pagina. Doel van de inventarisatie is om niet alleen een inventarisatie van nog zichtbare overblijfselen uit het verleden op te stellen, maar vooral een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn. Dit biedt de mogelijkheid om gericht archeologische waarden te beschermen (en bij onafwendbare vernietiging te onderzoeken), maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en natuurbeheer en natuurbouw.

Om de relaties tussen de fysieke ruimte en hetgeen in de loop van de eeuwen door de mens tot stand is gebracht te begrijpen, wordt in het kader van deze inventarisatie een analyse gemaakt van zowel fysieke (reliëf en bodem) als antropogene (grondgebruik, bewoning, percelering) landschapscomponenten en hun samenhang. Niet alleen de afzonderlijke historisch bepaalde landschapscomponenten, maar ook hun samenhang met reliëf en bodem worden door de moderne alles gelijkschakelende ontwikkelingen vaak in hun voortbestaan

32

bedreigd. Wellicht kan in toekomstige planvorming ook die samenhang behouden blijven, wanneer informatie daarover eenmaal beschikbaar is.

33

Tabel 1: Thema’s en sub thema’s die voor de Erfgoedkaart van Zuidoost-Brabant van toepassing (kunnen) zijn:

34

3.1 Inventarisatie fysieke landschap De inventarisatiekaart van het fysieke landschap is een reconstructie van het natuurlijke landschap, voor de mens daar grote veranderingen in ging aanbrengen. De kaart is vooral van belang voor het inschatten van archeologische potenties en als basis voor de historisch-geografische ontwikkeling. Met een historisch-landschappelijke analyse zijn ook de huidige verstedelijkte gebieden in de regio qua bodem geïnventariseerd. Deze gebieden zijn namelijk nooit beschreven in de standaard bodemkaarten of geomorfologische kaarten. Voor die bewerking is uitgegaan van de oude topografie en de samenhang tussen landschappelijke structuren uit 1838 met geomorfologische en bodemkenmerken, zoals die juist buiten het stedelijke gebied aanwezig zijn. Verdere verfijning is verkregen door gebruik te maken van de digitale hoogtegegevens. Omdat de mens in het landschap echter altijd al aan het werk is geweest, zowel door directe ingrepen als door gevolgen van ingrepen elders, is niet van één bepaalde tijdsperiode uitgegaan. Er is vooral praktisch te werk gegaan, waarbij de grote "kunstwerken" (ophogingen, afgravingen, kanalisaties etc.) buiten beschouwing zijn gebleven, evenals de in het platteland veel voorkomende kleine zandafgravingen. De kaart van het fysieke landschap vertoont meerderde thema’s, genummerd 01 tot en met 11. Thema nr

Thema naam

01

De lage zandgronden

02

De lage dekzandruggen

03

De hoge dekzandruggen

04

Duinen en stuifkoppen

05

Laagte op het Hoge

06

Dalen op het Hoge

07

Beken

08

De moeren op het Hoge

09

Hei

10

Grote Structuren

11

Restbossen

Tabel 2. Thema’s fysieke landschap De beschrijving van de reconstructie van het fysieke landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 5).

3.2 Inventarisatie historisch landschap Bij de reconstructie van het historische landschap wordt niet uitgegaan van een kaartbeeld dat bij één welgekozen moment in het verleden hoort. Het is een opeenstapeling van landschappelijke elementen uit ruwweg de acht eeuwen tussen 1200 en 1950, voor zover we daar enig zicht op hebben. Dat betekent dat ook de functieveranderingen in zicht komen die een zelfde object of gebied in die lange tijd kan hebben ondergaan. De reconstructie van het historische landschap wordt ook hier beschreven volgens thema’s en subthema’s. Deze thema's zijn gekozen op basis van de belangrijkste vormende krachten in het historische landschap in de regio. Gehuchten zijn een typisch fenomeen in Zuidoost-Brabant. Andere thema's zijn meer van algemene aard, zoals lokale en doorgaande wegen, kerkelijke en bestuurlijke objecten, molens en kanalen. Onder het thema "meubilair" zijn allerlei uiteenlopende elementen van het landschap samengebracht die niet onder een van de voorgaande thema’s 35

geplaatst konden worden. Denk aan een bijzondere boom, gedenkteken, school, zandwinput, e.d. Bij de reconstructie van het historisch landschap zijn niet alleen terreinkenmerken, gebouwen, wegen en wateren opgenomen, maar ook volksverhalen en andere bijzondere herinneringen kunnen er een plaats in vinden als ze aan een aanwijsbare plek verbonden zijn. Ieder element krijgt een beschrijving, waarin de geschiedenis van die plek kort geschilderd wordt. De thema’s worden volgend op het fysieke landschap doorgenummerd van thema 12 t/m 31. Thema nr.

Thema naam

12

Oude infrastructuur

13

Doorgaande wegen

14

Lokale wegen

15

Gegraven waterlopen

16

Molens

17

Gehuchten

18

Heerlijkheden

19

Landgoederen

20

Bosbouw

21

De oude akkers

22

Ontginningssystemen

23

De beemden

24

Bestuurlijk

25

Militair

26

Kerkelijk

27

Meubilair

28

Grondstofwinning

29

Industrieel

30

Woonwijk

31

Historische bouwkunst

Tabel 3. Thema’s historisch landschap Het voordeel van deze opzet is dat de “relicten” van onderdelen van het historische landschap beter te begrijpen zijn en dat bij het beschrijven ervan een relevant verhaal gevonden wordt. Doordat de reconstructie van het historische landschap ligt op de ondergrond van de reconstructie van het natuurlijke landschap, is het bovendien eenvoudig om de relatie tussen beide te zien. Je ziet bijvoorbeeld in één oogopslag of een weg op een rug ligt, in een laag gebied of net op de overgang tussen hoog en laag. De beschrijving van de reconstructie van het historisch landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 5).

3.3 Inventarisatie archeologisch landschap De kaart van het archeologisch landschap verschaft kennis over de plaats en aard van nog aanwezige waarden en kennis van de plaats waar deze niet (meer) aanwezig zijn of niet verwacht worden. Op detailniveau kan deze kennis veelal pas verkregen worden door inventariserend onderzoek binnen plangebieden. Het streven bij de vervaardiging van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart, die uit de inventarisatie voortvloeit, is echter om deze kennis ten behoeve van preventief beleid op hoofdlijnen in beeld te brengen en voor zover mogelijk te 36

detailleren in gebieden waar de meeste ruimtelijke druk op staat. Hiertoe is allereerst zoveel mogelijk uitputtend geïnventariseerd van wat er archeologisch bekend is uit het onderzoeksgebied: welke onderzoeken zijn er uitgevoerd, welke vondsten zijn gedaan, welke gebieden hebben een bepaalde archeologische waarde of zijn aangewezen als monument. Al deze informatie is verzameld in een database, die gekoppeld is aan de fysieke kenmerken van het betreffende gebied en op grond waarvan verwachtingen over mogelijk aanwezige archeologie benoemd konden worden (verwachtingsmodel). Om de beschikbare vindplaatsgegevens te kunnen gebruiken in het verwachtingsmodel zijn de gegevens eerst verwerkt, waarbij ze opnieuw zijn ingedeeld naar datering en complextype. Voor de onderverdeling naar perioden is gekozen voor een zo algemeen mogelijke indeling die in belangrijke mate op de indeling van ARCHIS is gebaseerd. Waar dit niet het geval is, is ervoor gekozen de gegevens zoveel mogelijk wel zo in te delen. Dit heeft geleid tot een indeling zoals hieronder is weergegeven. Voor onderhavig onderzoek is een onderscheid gemaakt tussen de volgende archeologische perioden3: 1. Midden Paleolithicum (300.000 - 35.000 jaar geleden); 2. Laat Paleolithicum (35.000 - 9.600 jaar geleden); 3. Mesolithicum (9.600 jaar geleden - 4.900 voor Chr.); 4. Neolithicum (4.900 - 2.000 voor Chr.); 5.

Bronstijd (2.000 - 800 voor Chr.); 6. IJzertijd (800 - 12 voor Chr); 7. Romeinse tijd (12 voor Chr. - 450 na Chr); 8. Vroege Middeleeuwen (450 - 1.050 na Chr.); 9. Volle en Late Middeleeuwen (1.050 - 1.500 na Chr.); 10. Nieuwe tijd (1.500 na Chr. - heden). Helaas kan een aantal vindplaatsen niet exact op periode gedateerd worden. Voor deze vindplaatsen is de periode 'onbepaald' toegevoegd. Indeling in bovenstaande perioden betekent ook dat een aantal vindplaatsen zijn samengevoegd. Op grond van de vindplaatsgegevens kan het archeologisch landschap worden onderverdeeld in 9 thema’s, 32 tot en met 40, met daaronder weer diverse subthema’s (ook wel complextype geheten in de archeologie: nederzetting, grafveld, grafheuvel, kasteelheuvel, rituele depositie, etc.). 4 Thema nr

Thema naam

32

Bewoning (inclusief verdediging)

33

Religie (cultus/heiligdom)

34

Begraving

35

Infrastructuur

36

Agrarische productie en voedselvoorziening

37

Grondstofwinning

38

Industrie en nijverheid

39

Depot

40

Onbekend

Tabel 4. Thema’s archeologisch landschap

3

Brandt, Drenth, Montforts, Proos, Roorda & Wiemer 1992. Lanting & van der Plicht 1995/1996. Lanting & van der Plicht 1997/1998. Lanting & van der Plicht 1999/2000. Lanting & van der Plicht 2001/2002. Lanting & van der Plicht 2005/2006. 4 Wit & Sloos 2008.

37

Dit archeologische landschap sluit qua opzet en indeling aan op de lagen van het fysieke en historische landschap, waardoor een eenduidig geheel ontstaat. We zien bijvoorbeeld ook een overlap in begrippen op plaatsen waar zowel archeologische vondsten zijn gedaan van bijvoorbeeld een kerk of kasteel en waar deze fysiek ook nog steeds aanwezig is.

3.4 De basis voor de erfgoedkaart Om een reconstructie te kunnen maken van het fysisch, historisch en archeologisch landschap van de gemeente Veldhoven zijn verschillende stappen uitgevoerd, die hieronder nader zullen worden beschreven. Allereerst zijn in ArcGIS zoveel mogelijk basisgegevens verzameld waarmee een digitale basisatlas tot stand is gebracht. De basisatlas vormde daarmee de ruggengraat van onze inventarisatie, de geografische kapstop waaraan alle informatie opgehangen werd. De atlas was vooral ook een hulpmiddel om allerlei informatie te koppelen aan een oud of nieuw plekje op de kaart en daarnaast bevatte de atlas zelf ook zoveel informatie dat analyse hiervan hielp bij het opstellen van de eindproducten. Hieronder volgt een overzicht van de digitale bronnen die zijn gebruikt in de basisatlas ten behoeve van de inventarisatie van de erfgoedkaart: -

GBKN en de kadastrale ondergrond (gemeente);

-

Google maps en streetview;

-

Actuele topografie: Top10 kaart van Topografische Dienst Nederland;

-

Actueel Hoogtebestand Nederland, AHN-3, versie 2014-2019;;

-

Hoogtekaarten van voor de ruilverkaveling (1:10.000 bij Top Dienst/Kadaster);

-

Geomorfologische kaart (schaal 1:50.000);

-

Bodemkaart (schaal 1:50.000 en deels schaal 1:10.000/25.000);

-

1790: Kaart van de Meierij van ’s-Hertogenbosch door Hendrik Verhees;

-

Kadaster kaarten 1832 (digitaal via Zeelst schrijft geschiedenis);

-

1838: Manuscriptkaarten TDN, opgenomen 1837 en 1839. Oorspr. Schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wolters-Noordhoff. Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000. Deel 4: Zuid-Nederland 1838 - 1857. Groningen, 1990;

-

Topografie ca 1845: Voordt-Pieck, L. van der, M. Kuijl. Statistiek der provincie NoordBraband volgens de uitkomsten van het kadaster bij deszelfs invoering. Maastricht, 1845 (Geografisch Etablissement F. Desterbecq);

-

Topografie kaarten TDN (Bonnekaartjes) ca 1900 en 1930. Historische Atlas van NoordBrabant. Chromotopografische Kaart des Rijks oorspronkelijke schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wieberdink, G.L. (samensteller). Historische Atlas van Noord-Brabant. Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000. Den Ilp, 1989;

-

Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, editie 2006, 2010, 2016 en 2024;

-

Aardkundige waardenkaart van Noord-Brabant 2023;

-

Historisch Grondgebruik Nederland digitaal 50m raster (Alterra);

-

Topografie ca 1948 (Topografische Kaart 1:50.000);

-

Topografie ca 1985: Wolters-Noordhoff. Grote Provincie Atlas 1:25.000. Noord-Brabant/Oost. Groningen, 1990;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15846909/3