Bijlage 1_Gewijzigde Verordening sociaal domein Veldhoven
Tekst van het document
6.1 Voorzieningen – werk PW / IOAW / IOAZ
6.1.1 Voorzieningen 1.
2.
3.
4.
De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel hiervan is het vinden of behouden van betaald werk. De ondersteuning kan worden aangevraagd door de inwoner. Als de voorziening ook door de werkgever aangevraagd kan worden, wordt dit genoemd in het betreffende artikel van deze verordening. Voorzieningen die kunnen worden ingezet zijn: sociale activering participatieplaats beschut werk scholing trajecten gericht op arbeidsontwikkeling ondersteuning op een leerwerkplek werkstage proefplaatsing wettelijke loonkostensubsidie tijdelijke loonkostensubsidie uitstroompremie persoonlijke ondersteuning jobcoach persoonlijke ondersteuning interne werkbegeleider nazorg werkgeverspremie vergoedingen en voorzieningen om betaald werk te krijgen en te behouden. De gemeente beoordeelt per persoon of het inzetten van een voorziening bijdraagt aan arbeidsinschakeling of het behoud van arbeid. Als dit zo is, beoordeelt de gemeente na overleg met de inwoner en de eventuele werkgever, welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren zoals; gezondheid, financiële situatie, welzijn, wonen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.
De gemeente legt in een plan of in de beschikking vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en welke afspraken hierover met de inwoner worden gemaakt. Ook wordt hierin opgenomen wat de gevolgen zijn als de inwoner niet meewerkt aan de ondersteuning. Er worden geen voorzieningen ingezet die leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties of verdringing van reguliere werknemers. Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 24
5. 6.
De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen voor ondersteuning. De gemeente kan de ondersteuning stoppen als: a. de inwoner betaald werk heeft gekregen waarbij de voorziening niet nodig is; b. de inwoner de afspraken over de ondersteuning niet nakomt; c. de voorziening onvoldoende blijkt bij te dragen aan het krijgen of behouden van betaald werk.
6.1.2 Sociale activering De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden ter voorbereiding op een traject gericht op werk. Deze activiteiten helpen de inwoner om sociale contacten op te bouwen en de dag zinvol in te vullen. De activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner.
6.1.3 Participatieplaats 1.
De gemeente kan een inwoner, die voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. Dit is met behoud van uitkering. De inwoner moet hiervoor 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval: het doel van de participatieplaats; de beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid; afspraken over de begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden; afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten; de beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats; de noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen; afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de persoon. 2. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3. De inwoner ontvangt na iedere zes maanden een premie van € 350,00. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk.
6.1.4 Beschut werk 1.
De gemeente kan een beschutte werkplek aanbieden aan inwoners die hiervoor een indicatie van het UWV hebben ontvangen. 2. De gemeente maakt het mogelijk dat een inwoner beschut kan werken, door: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 3. De gemeente kan een andere voorziening aanbieden aan de inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen, omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken voor dat jaar al is bereikt. Dit geldt tot het moment dat er een beschutte werkplek beschikbaar is voor de inwoner. 4. Daarnaast kan de gemeente voorzieningen aanbieden die gericht zijn op het behoud of vergroten van het arbeidsritme en de kansen voor duurzame uitstroom in aangepast werk.
6.1.5 Scholing 1. 2. 3. 4.
De gemeente kan een inwoner een kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode. De scholing is arbeidsrelevant, maar kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. Als een inwoner jonger dan 27 jaar is en onderwijs kan volgen wat door het Rijk wordt betaald, vergoedt de gemeente de scholing niet.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 25
6.1.6 Trajecten gericht op arbeidsontwikkeling 1. 2. 3.
De gemeente kan een inwoner een arbeidsontwikkelingstraject aanbieden met behoud van uitkering als dit traject nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode. Het doel van een arbeidsontwikkelingstraject is het aanleren van werknemersvaardigheden. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van het traject.
6.1.7 Ondersteuning op een leerwerkplek 1. 2. 3.
De gemeente kan een inwoner van 16 of 17 jaar die nog leer- of kwalificatie plichtig is ondersteuning bieden op een leerwerkplek. De gemeente kan een inwoner van 18 tot 27 jaar zonder startkwalificatie, ondersteuning bieden op een leerwerkplek. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de ondersteuning.
6.1.8 Werkstage 1. 2.
3. 4. 5. 6.
De gemeente kan een inwoner een werkstage aanbieden met behoud van uitkering. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval: a. het doel van de werkstage; en b. de manier waarop de begeleiding plaatsvindt; c. de duur van de werkstage. Het doel van een werkstage is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring en/of -vaardigheden op te laten doen. En/of het leren werken bij een werkgever. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. De werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan eenmalig verlengd worden met 3 maanden, als hierdoor de kans op betaald werk aanmerkelijk wordt vergroot.
6.1.9 Proefplaatsing 1.
2. 3. 4. 5.
6.
7. 8.
De gemeente kan een inwoner als proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk. Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. De proefplaatsing is niet mogelijk als de inwoner eerder bij de werkgever betaald of onbetaald werk heeft gedaan. De gemeente bepaalt de duur en de omvang van de proefplaatsing waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. Of als meteen na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet. Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
De gemeente kan een persoon tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen volgens de bepalingen van deze verordening.
6.1.10 Wettelijke loonkostensubsidie 1.
De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners die in het Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 26
2. 3. 4.
5. 6.
doelgroep register voor de banenafspraak staan omdat het UWV dat heeft bepaald. Of omdat de gemeente heeft vastgesteld dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen via de praktijkroute. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt afgestemd op de loonwaarde. De gemeente hanteert het preferente werkproces voor het verlenen en vaststellen van de subsidie. Als bij aanvang van het dienstverband de loonwaarde niet bekend is, kan een forfaitaire loonkostensubsidie afgesproken worden tussen werkgever en gemeente, voor de duur van maximaal 6 maanden. Na afloop van de toegekende periode, wordt de loonkostensubsidie op basis van de werkelijke gemeten loonwaarde toegekend en vindt geen verrekening plaats over de voorgaande periode. De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd.
6.1.11 Tijdelijke loonkostensubsidie 1.
2. 3. 4. 5. 6.
7.
De gemeente kan een werkgever die niet in aanmerking komt voor de wettelijke loonkostensubsidie, een tijdelijke loonkostensubsidie geven als hij een inwoner in dienst neemt die tijdelijk een lagere productiviteit heeft, en/of extra begeleiding nodig heeft bovenop de reguliere begeleiding van de werkgever. De subsidie is een vergoeding voor de extra kosten die de werkgever maakt voor begeleiding van de inwoner en een tegemoetkoming voor de eventuele lagere productiviteit. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 7 maanden met een mogelijkheid voor verlenging met 5 maanden. De werkgever komt in aanmerking voor loonkostensubsidie als de inwoner voor minimaal 6 maanden in dienst wordt genomen. De gemeente stelt in de uitvoeringsregels vast hoe de subsidie wordt verleend en vastgesteld. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen, in verband met de indiensttreding van de werknemer of de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd.
6.1.12 Uitstroompremie 1. 2. 3. 4.
De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie van € 1.000 toekennen aan een langdurig werkloze inwoner die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor geen recht meer heeft op een uitkering van de gemeente. Onder een langdurig werkloze inwoner wordt verstaan: een persoon van 27 jaar of ouder die twaalf maanden of langer aan één stuk, aangewezen is geweest op een uitkering van de gemeente. Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden door inkomsten uit werk. De premie kan worden aangevraagd in de periode van 7 tot en met 12 maanden na de beëindigingsdatum van de uitkering door werkaanvaarding.
6.1.13 Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk 1. 2. 3. 4. 5. 6.
De gemeente kan op aanvraag of ambtshalve persoonlijke ondersteuning naar en bij werk verstrekken aan inwoners behorend tot de doelgroep. De inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij de persoon VSO/PROonderwijs heeft genoten. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning mogelijk bijstandsgerechtigd worden. De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden. Met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week. Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning naar- en bij werk moet binnen 12 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Tenzij de noodzaak voor deze ondersteuning redelijkerwijs niet bekend kon zijn vóór of bij aanvang van het dienstverband. Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 27
7.
De gemeente stelt in nadere regels de omvang van de persoonlijke ondersteuning vast, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
6.1.13a. Jobcoaching in natura 1. 2.
3.
4.
5.
De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt, moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk en aangesloten zijn bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen: Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’ Oval beroepsvereniging Hobeon NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’. De gemeente bepaalt de hoeveelheid in te zetten jobcoaching op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende inwoner. De jobcoaching bedraagt de eerste 6 maanden maximaal 26 uur. Indien nodig kan de inzet worden verlengd met telkens 6 maanden tot een maximum van 3 jaar. Als het aantal uren in het voorgaande lid niet genoeg is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het nodig is voor de arbeidsinschakeling van de inwoner, kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. Als door of namens de gemeente een of meer jobcoaches gecontracteerd zijn, biedt de gemeente deze bij voorrang aan.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 28
6.1.13b. Subsidie voor jobcoaching 1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het inzetten van jobcoaching verlenen aan de werkgever. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar- of bij werk verzorgt moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk en zijn aangesloten bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen:. Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’ Oval beroepsvereniging Hobeon NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’. Subsidie voor het inzetten van jobcoaching kan worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de inwoner behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende de inwoner en bedraagt de eerste 6 maanden maximaal 26 uur.
Als het nodig is kan de inzet worden verlengd met telkens 6 maanden tot een maximum van 3 jaar. Als het aantal uren in het voorgaande lid niet genoeg is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het nodig is voor de arbeidsinschakeling van de inwoner, kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij de gemeente ervoor zorgt dat de tarieven voor dat jaar duidelijk zijn. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
6.1.13c. Interne werkbegeleiding 1.
2. 3.
Als een inwoner voor het verrichten van werk extra begeleiding nodig heeft die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en collega's, kan de gemeente een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde extra kosten van het organiseren van deze begeleiding. De subsidie bedraagt 10% van het aantal uren dienstverband, vermenigvuldigd met het uurtarief van de begeleider, voor een periode van 6 maanden. Indien nodig kan deze periode 2 keer met 6 maanden worden verlengd. Als de richtlijn in het eerste lid niet voldoende is voor de begeleiding, kan er subsidie worden verleend voor de extra kosten van interne werkbegeleiding. De gemeente kan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers, zodat zij personen uit de doelgroep interne werkbegeleiding kunnen bieden.
6.1.13d. Externe werkbegeleiding of nazorg Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 29
1.
2.
Als een inwoner uit de doelgroep voor het verrichten van werk extra begeleiding nodig heeft, die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en collega's, kan de gemeente extra begeleiding of nazorg na plaatsing bieden aan de werknemer en de werkgever voor de noodzakelijke ondersteuning bij het inwerken of het gaan functioneren op de werkplek. De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen inwoner uit de doelgroep vervolgens zelf te begeleiden.
6.1.14 Werkgeverspremie Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om mensen met een bijstandsuitkering in dienst te nemen is er een premieregeling. Werkgevers ontvangen deze premie als zij iemand die langdurig in de uitkering zit in dienst nemen. 1. Een werkgeverspremie kan op aanvraag worden verleend. De premie wordt verleend aan werkgevers die iemand in dienst hebben genomen, die minimaal 12 maanden aaneengesloten een bijstandsuitkering heeft ontvangen en door het dienstverband geen beroep meer hoeft te doen op bijstand. 2. De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 1.000,00 bij een dienstverband van minimaal 6 maanden. 3. De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 2.000,00 bij een dienstverband van minimaal 12 maanden. 4. De premie wordt eenmalig verstrekt, bij de start van het dienstverband. 5. De werkgeverspremie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een ander artikel van de Verordening Sociaal domein Veldhoven of de beleidsregels aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming in verband met indiensttreding van de werknemer.
6.1.15 Vergoedingen om werk te krijgen of te behouden 1.
2.
De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken om werk te krijgen of te behouden, zoals: a. een vergoeding voor kinderopvang; b. een vergoeding voor reiskosten, waaronder ook de kosten van een fiets. De gemeente stelt in uitvoeringsregels de hoogte van de vergoeding vast en aan welke voorwaarden de inwoner of de werkgever moet voldoen om de vergoeding te krijgen.
6.1.16 Vervoersvoorziening 1.
2.
3. 4. 5.
De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner uit de doelgroep die door zijn beperking niet zelfstandig kan reizen naar zijn werkplek of activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met vervoersvoorzieningen die vanuit het UWV worden verstrekt of kunnen worden verstrekt. De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvoorziening maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. Als de werkgever een bedrag voor een vervoersvoorziening vergoedt aan de medewerker, dan brengt de gemeente dit in mindering op de vervoersvoorziening voor de inwoner.
6.1.17 Intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1.
De gemeente kan een voorziening toekennen in de vorm van een intermediaire activiteit. Deze is gericht op de vervanging of ondersteuning van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele- of Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 30
2.
motorische lichaamsfunctie door ziekte of gebrek, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken of bij arbeidstoeleiding. Voor de vaststelling van de omvang van de intermediaire activiteit, maakt de gemeente gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen.
6.1.18 Meeneembare voorzieningen 1. 2.
3. 4. 5. 6. 7. 8.
De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. Het gaat om het verstrekken van de meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats. En bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. De meeneembare voorziening wordt in bruikleen beschikbaar gesteld. Als een voorziening op maat is gemaakt voor de inwoner, kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Het gaat niet om een meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie. Er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd. De kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
6.1.19 Werkplekaanpassingen 1.
2. 3. 4.
De gemeente kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een inwoner, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. Elk product kan als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn; Het gaat niet om een aanpassing die tot de standaard aanpassing van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; Er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en De kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 31
6.2 Tegenprestatie PW / IOAW / IOAZ
6.2.1 Doel van de tegenprestatie 1. 2.
De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.
6.2.2 Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar. En maximaal 10 uur per week. Dit is om de volgende redenen: 1. De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten. 2. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.
6.2.3 Voorwaarden tegenprestatie 1. 2.
Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.
6.3 Inburgeren PW/WI
6.3.1 Vergoedingen voorzieningen inburgeringstraject 1.
2.
De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken om het inburgeringstraject te volgen, zoals: a. een vergoeding voor de eigen bijdrage van kinderopvang; b. een vergoeding voor reiskosten, waaronder ook de kosten van een fiets; c. een laptop of een ander device. De gemeente stelt in uitvoeringsregels de hoogte van de vergoeding vast en aan welke voorwaarden de inwoner moet voldoen om de vergoeding te krijgen.
6.3.2 Handhaving inburgeringstraject 1.
2.
3. 4.
Wanneer een inburgeringsplichtige inwoner een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken die voortvloeien uit het inburgerinstraject, wordt bij voorkeur de uitkering verlaagd op grond van artikel 18 van de Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op. Bij de keuze tussen handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en handhaving op grond van de Wet Inburgering via een boete, weegt de gemeente ook af welke manier van handhaving, rekening houdend met de gevolgen voor de inburgeringsplichtige inwoner, het best bijdraagt aan het beoogde effect: het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige inwoner vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet. Wanneer de inburgeringsplichtige inwoner een boete op grond van de wet wordt opgelegd in de periode dat de gemeente aan de inburgeringsplichtige inwoner een uitkering verstrekt, dan kan de gemeente de boete met de uitkering verrekenen.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 32
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 33
7 Financieel gezond zijn De gemeente heeft een aantal mogelijkheden om inwoners met een laag inkomen op aanvraag extra te ondersteunen. Daarnaast biedt de gemeente ondersteuning aan inwoners met een beperking die een opleiding volgen en daardoor niet in staat zijn om hun inkomen (studiefinanciering) aan te vullen met betaald werk (bijbaan). De gemeente biedt ook ondersteuning aan inwoners met schuldenproblemen. In dit hoofdstuk wordt dit beschreven. Kernwaarden De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner en vrij toegankelijke voorzieningen gaan voor. De gemeente zet zich in voor het voorkomen van armoede en schulden. De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner. Financieel gezond zijn is van belang voor alle leefgebieden van de inwoner. De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. Iedereen doet mee aan de samenleving.
7.1 Studietoeslag PW
7.1.1 Doelgroep De gemeente verstrekt op aanvraag studietoeslag aan de inwoner die recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de schoolkosten die door een structurele medische beperking niet in staat is om te werken naast hun studie. Inwoners die recht hebben op een WAJONG-uitkering kunnen geen studietoeslag ontvangen.
7.1.2 Vaststellen beperking De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast op welke manier de beperking wordt vastgesteld.
7.1.3 Hoogte van de toeslag De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast wat de hoogte is van de studietoeslag.
7.2 Individuele Inkomenstoeslag PW
7.2.1 Doelgroep Een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, kan op aanvraag een inkomenstoeslag ontvangen als hij of zij in de afgelopen 36 maanden gemiddeld minder dan 110% van de bijstandsnorm, geldend op de peildatum, heeft gehad. De kostendelersnorm wordt hierbij niet toegepast. Inwoners die op de peildatum of in de referteperiode op enig moment een vermogen hebben gehad, dat hoger was dan de bedragen genoemd in artikel 34 lid 3 PW, komen niet in aanmerking voor de toeslag. Het vermogen in de eigen woning wordt niet meegerekend. Bij de beoordeling kijkt de gemeente naar zicht op inkomensverbetering en de inspanningen van de inwoner om dit te bereiken. De gemeente legt in uitvoeringsregels vast wanneer er sprake is van zicht op inkomensverbetering en voldoende inspanningen.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 34
7.2.2 Hoogte van de toeslag 1.
2. 3. 4.
De inkomenstoeslag is per kalenderjaar: a. Alleenstaande: 45% van de uitkeringsnorm exclusief vakantietoeslag, geldend op 1 januari van het aanvraagjaar voor een alleenstaande die ouder is dan 21 jaar; b. Alleenstaande ouder: 55% van de uitkeringsnorm exclusief vakantietoeslag, geldend op 1 januari van het aanvraagjaar voor een alleenstaande die ouder is dan 21 jaar; c. Gehuwden of samenwonenden: 45% van de uitkeringsnorm exclusief vakantietoeslag geldend op 1 januari van het aanvraagjaar voor gehuwden die ouder zijn dan 21 jaar. Bij de vaststelling van het vermogen wordt de waarde van de eigen woning waarin de inwoner woont niet meegeteld. De inkomenstoeslag wordt in één keer uitbetaald. De inkomenstoeslag kan niet met terugwerkende kracht worden toegekend.
7.3 Bijzondere bijstand PW
7.3.1 Bijzondere bijstand De gemeente kan onder voorwaarden bijzondere bijstand verstrekken voor noodzakelijke uitgaven van inwoners die een laag inkomen en vermogen hebben. En die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of andere voorzieningen om deze uitgaven te kunnen betalen. De inwoner moet de noodzakelijke uitgaven hebben door bijzondere omstandigheden, waarbij alleen het hebben of maken van schulden geen bijzondere omstandigheid is. De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast wat de hoogte van de bijzondere bijstand is en wat de voorwaarden zijn die hiervoor gelden.
7.4 Meedoenvoorziening Gemeentewet
7.4.1 Doelgroep De inwoner van 18 jaar of ouder die geen of een beperkt eigen vermogen heeft, een inkomen dat lager is 120% van de bijstandsnorm en geen recht heeft op studiefinanciering, kan van de gemeente op aanvraag een meedoenvoorziening krijgen. De kostendelersnorm wordt niet toegepast bij het bepalen van het inkomen. Een beperkt eigen vermogen wil zeggen: een vermogen dat lager is dan de vermogensgrenzen genoemd in artikel 34 lid 3 PW. Vermogen gebonden in de eigen bewoonde woning telt hierbij niet mee.
7.4.2 Budget 1. 2.
Het budgetplafond voor meedoen-voorzieningen bedraagt het bedrag wat daarvoor is opgenomen in de gemeentebegroting per jaar. Aanvragen voor een meedoen-voorziening worden op volgorde van binnenkomst behandeld.
7.4.3 Meedoen-voorziening De meedoen-voorziening kan bestaan uit: een lidmaatschap of deelname aan een activiteit van één van de aangesloten organisaties; en een lidmaatschap van de Bibliotheek Veldhoven; en een tegemoetkoming in de kosten van meedoen, zoals kosten voor vervoer, internet, (sport)kleding en/of consumpties.
7.4.4 Lidmaatschap of deelname activiteit Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 35
1. 2.
De inwoner komt een keer per jaar in aanmerking voor een lidmaatschap of deelname aan een activiteit. De aangesloten organisaties staan vermeld op www.veldhoven.nl/meedoen-voorziening.
7.4.5 Lidmaatschap Bibliotheek 1.
De inwoner komt een keer per jaar in aanmerking voor een lidmaatschap van de Bibliotheek Veldhoven.
7.4.6 Tegemoetkoming kosten meedoen 1. 2.
De inwoner komt een keer per jaar in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van meedoen. De hoogte van de tegemoetkoming is € 250,-.
7.5 Zorgkosten PW
7.5.1 Collectieve zorgverzekering 1. 2.
De gemeente stelt een collectieve zorgverzekering beschikbaar. Die verzekering bevat: a. een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen; en b. een extra vergoeding van bepaalde zorgkosten. De collectieve zorgverzekering is bedoeld voor de inwoner die geen of beperkt eigen vermogen heeft en moet rondkomen van een inkomen van maximaal 120% van de bijstandsnorm.
7.6 Zorgkosten chronische ziekte of beperking PW
7.6.1 Bijdragen voor mensen met een chronische ziekte of beperking 1.
2. 3.
De gemeente kan een tegemoetkoming verstrekken voor zorgkosten aan inwoners met een chronische ziekte of beperking. De inwoner moet: a. 18 jaar of ouder zijn; b. een inkomen hebben dat lager is 120% van de bijstandsnorm; c. geen recht hebben op studiefinanciering; en d. een beperkt eigen vermogen hebben. De kostendelersnorm wordt niet toegepast bij het bepalen van het inkomen. Een beperkt eigen vermogen wil zeggen een vermogen dat lager is dan de vermogensgrenzen genoemd in artikel 34 lid 3 PW. Vermogen gebonden aan de eigen bewoonde woning telt hierbij niet mee. De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast wat deze tegemoetkoming is en wat de voorwaarden zijn die hiervoor gelden.
7.7 Ondersteuning bij schulden Wgs De gemeente zet zich in op het voorkomen en oplossen van schuldproblemen van inwoners. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
7.7.1 Voorkomen van (problematische) schuldproblemen 1.
De gemeente werkt samen met andere organisaties om: a. schuldproblemen te voorkomen onder inwoners (preventie); b. schuldproblemen zo vroeg mogelijk in beeld te hebben (vroegsignalering).
7.7.2 Ondersteuning bij schulden Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 36
1. 2. 3. 4.
5.
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner op een eenvoudige manier om ondersteuning kan vragen bij het vinden van een oplossing voor zowel grote als kleine schulden. De gemeente houdt bij de ondersteuning rekening met de hoge impact van de schulden op de inwoner en de invloed van de zelfredzaamheid van de inwoner door de schulden. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Ook in Veldhoven woonachtige ondernemers die ondersteuning nodig hebben bij het vinden van een oplossing voor schuldproblemen, kunnen terecht bij de gemeente. De ondersteuning is bedoeld voor natuurlijke personen (mensen), het is niet bedoeld voor schulden van een VOF, CV, Maatschap, NV of BV. De gemeente stelt uitvoeringsregels op over de manier waarop en de voorwaarden waaronder inwoners met schulden worden ondersteund.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 37
8 De vorm van de hulp In dit hoofdstuk staat geschreven op welke manier de gemeente de hulp of ondersteuning geeft. De mogelijkheden zijn: ‘In natura’: de gemeente betaalt een product of dienst rechtstreeks aan de aanbieder of leverancier. Geld: de gemeente maakt een geldbedrag aan de inwoner over. Persoonsgebonden budget: de gemeente stelt een bedrag beschikbaar waarmee de inwoner de dienst of het product zelf kan kopen. Ook is in dit hoofdstuk geschreven wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. Kernwaarden De inwoner staat centraal. De gemeente stemt de vorm van de hulp af op de persoonlijke situatie van de inwoner.
8.1 Hulp en ondersteuning in natura Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI/ Gemeentewet 1. De inwoner die hulp of ondersteuning van de gemeente krijgt, kan dit in natura ontvangen. Gaat het om een product, dan wordt dit in eigendom verstrekt of in bruikleen gegeven. 2. De gemeente ziet erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alle belangrijke zaken dienst of het product. 3. Als de inwoner Wmo-ondersteuning in de vorm van begeleiding krijgt, bepaalt de gemeente de omvang van de ondersteuning in natura aan de hand van een indicatieprotocol en de zwaarte van de hulpbehoefte.
8.2 Hulp en ondersteuning in geld Wmo / PW / IOAW / IOAZ / WI / Gemeentewet /Awb 1. De inwoner die hulp of ondersteuning van de gemeente krijgt, kan dit in de vorm van geld ontvangen. 2. De gemeente kan beslissen om het geld niet uit te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner ergens voor moet terugbetalen als dit volgens de wettelijke regels kan. Dat heet een vordering. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
8.3 Persoonsgebonden budget Jeugdwet / Wmo
8.3.1 Voorwaarden 1. 2. 3. 4. 5.
De inwoner die gespecialiseerde jeugdhulp of Wmo-ondersteuning krijgt, kan een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als voldaan is aan de voorwaarden die de Jeugdwet of de Wmo stelt en die in deze paragraaf staan. De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Hierin staat welke hulp of ondersteuning de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren. Als de hulp of ondersteuning wordt gegeven door een professionele hulpverlener maakt de offerte van deze hulpverlener onderdeel uit van het pgb plan. In de offerte moet staan hoe hoog de kosten van de hulp of ondersteuning zijn (kostprijs). De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. Het pgb is bedoeld voor hulp of ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 38
6.
7. 8.
c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). De gemeente verstrekt geen hulp of ondersteuning in de vorm van een pgb in de volgende situaties: a. de kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was; b. uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. c. de inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener als het over Wmo ondersteuning gaat. De inwoner kan met het pgb alleen hulp of ondersteuning inkopen die aan de kwaliteitseisen voldoet die de Wmo of de Jeugdwet stellen en die de gemeente ook stelt aan de hulp of ondersteuning die de gemeente inkoopt. De gemeente kan uitvoeringsregels vaststellen over hoe de gemeente de bekwaamheid van de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) om een pgb te beheren beoordelen.
8.3.2 Pgb bij hulp of ondersteuning door personen uit het sociale netwerk 1.
2.
3. 4. 5. 6.
De persoon die hulp of ondersteuning geeft mag iemand uit het eigen sociale netwerk van de inwoner zijn als: a. deze persoon in staat is om kwalitatief goede hulp of ondersteuning te bieden en planmatig te werken; b. de hulp of ondersteuning die gegeven wordt geen gebruikelijke hulp is; c. deze persoon geen tussenpersoon of belangenbehartiger is; d. deze persoon met goede argumenten kan aangeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt; e. de hulp aan een jeugdige bestaat uit begeleiding, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en/of vervoer. Een hulpverlener uit het sociale netwerk is een persoon uit de huiselijke kring of een andere persoon met wie iemand een sociale relatie heeft. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, zoals ouders, kinderen, broers en zussen, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. Als de persoon hulp verleent aan een jeugdige en niet bij de jeugdige in huis woont, kan de gemeente een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) vragen. Een VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden op het moment dat de hulp aan de jeugdige start.
De persoon die hulp of ondersteuning uitvoert, doet direct melding van calamiteiten en van iedere vorm van geweld of vermoeden van (kinder)mishandeling bij de gemeente en/of bij Veilig Thuis. De gemeente stelt uitvoeringsregels vast over wat wordt verstaan onder gebruikelijke hulp.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 39
8.3.3 Hoogte en tarief pgb 1.
2.
3.
4.
5.
6. 7.
8.
Als de hulp of ondersteuning wordt gegeven door een professionele hulpverlener, bepaalt de gemeente het pgb-bedrag op basis van een offerte van de hulpverlener, tot een maximumhoogte van het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze hulp/ondersteuning in natura: het natura-tarief. Meerkosten betaalt de gemeente niet. Als het gaat om een pgb voor hulp bij het huishouden en begeleiding op grond van de Wmo, en deze wordt geleverd door een professionele hulpverlener die werkt op ZZP basis, dan is het maximumbedrag 12% lager dan de hulp in natura-tarief. Dit is omdat er dan geen overheadkosten worden meegenomen in het bedrag. Als hulp of ondersteuning op grond van de Jeugdwet wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk, dan is de hoogte van het pgb gelijk aan het wettelijk minimumuurloon voor de persoon die de hulp of ondersteuning geeft. Tenzij het gaat om kortdurend verblijf. Als hulp of ondersteuning op grond van de Jeugdwet wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener die niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoort, dan is de hoogte van het pgb minimaal het wettelijk minimumuurloon en maximaal € 25,- per uur.
Als hulp of ondersteuning op grond van de Wmo wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk of door een niet-professionele hulpverlener die niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoort, is de hoogte van het pgb gelijk aan de hoogste periodiek van de betreffende CAO, voor de benodigde hulp, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren, tenzij het kortdurend verblijf betreft. De hoogte van het pgb wordt jaarlijks geïndexeerd. Als hulp of ondersteuning die vrijwillig wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk bestaat uit kortdurend verblijf, bedraagt het pgb een vast bedrag. Als er een hulpmiddel of woningaanpassing wordt verstrekt, dan wordt er een maximaal bedrag bepaald. Het bedrag wordt bepaald op basis van de tarievenlijst (de Ergokostenwijzer) van Casadata. Als dit niet mogelijk is wordt het bedrag bepaald op basis van een offerte die de inwoner aanlevert voor het hulpmiddel/woningaanpassing, tot een maximale hoogte van (indien van toepassing) het natura tarief dat de gemeente betaalt voor het hulpmiddel/woningaanpassing, mits de cliënt voor dat bedrag de woningaanpassing bij minimaal 1 aanbieder kan inkopen. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.
8.3.4 Verantwoording pgb 1. 2.
De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen. Als een inwoner hulp of ondersteuning in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp of ondersteuning uitbetaald die feitelijk geleverd is.
8.3.5 Betalen pgb 1. 2. 3.
De gemeente stelt het pgb beschikbaar via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Pgb dat wordt verstrekt voor voorzieningen, niet-zijnde hulp bij het huishouden of begeleiding 18+, wordt niet via de SVB verstrekt, maar direct aan de cliënt. De inwoner is verplicht te voldoen aan de regels zoals deze door de gemeente en de SVB worden gesteld.
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 40
8.3.6 Opschorten pgb De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: 1. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; 2. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of 3. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
8.4 Wat is de eigen bijdrage? Wmo 1. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-ondersteuning in de vorm van het abonnementstarief zoals bedoeld in artikel 2.1.4, 3e lid, en 2.1.4a, 4e lid van de Wmo 2015. 2. De inwoner betaalt de bijdrage in de kosten voor Wmo-ondersteuning, zolang de inwoner gebruik kan maken van die ondersteuning of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner de bijdrage totdat de kostprijs is betaald. 3. De inwoner betaalt géén bijdrage in de kosten van Wmo-ondersteuning als: a. de ondersteuning bestaat uit een woningaanpassing voor een inwonend, minderjarig kind; b. de ondersteuning bestaat uit een rolstoelvoorziening; c. de ondersteuning bestaat uit collectief vervoer; d. de ondersteuning bestaat uit een elektrische buitenrolstoel; e. de ondersteuning bestaat uit een verhuisvoorziening; f. de ondersteuning bestaat uit een omzetting van een traplift naar de naam van de partner; g. de ondersteuning bestaat uit onderhoud, reparatie of verzekering van voorzieningen; h. de ondersteuning bestaat uit hulp bij het huishouden hospice of logeerhuis. 4. Voor het collectief vervoer betaalt de inwoner per rit een klantbijdrage. De bijdrage wordt vastgesteld op basis van de tarieven voor openbaar vervoer in ZuidoostBrabant; 5.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die de gemeente voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt en indien van toepassing inclusief een serviceen onderhoudscontract en indien noodzakelijk een verzekering. 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb en indien van toepassing inclusief een service- en onderhoudscontract en indien noodzakelijk een verzekering. 7. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van de toegekende tegemoetkoming. 8. De inwoner betaalt de bijdrage aan het Centraal Administratiekantoor (CAK).
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 41
9 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het maakt duidelijk wat de gemeente en de inwoner van elkaar mogen verwachten. Een inwoner heeft zowel rechten als plichten. Houdt de inwoner zich niet of onvoldoende aan deze plichten, dan kan de gemeente de hulp of ondersteuning verlagen, beëindigen of terugvorderen. Kernwaarden De gemeente ziet de inwoner als volwaardige partner. De gemeente en de inwoner gaan zorgvuldig en respectvol met elkaar om. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over zijn rechten en plichten. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor het nakomen van zijn verplichtingen.
9.1 Hoe gaan we met elkaar om? Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI/ Gemeentewet / Llv / Awb
9.1.1 De rol van de gemeente 1.
2.
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij met respect met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De gemeente zorgt dat de inwoner zo min mogelijk contactpersonen heeft. b. Gesprekken met de inwoner kunnen op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of ergens anders plaatsvinden. c. De gemeente helpt de inwoner om de juiste organisatie te vinden als de hulp of ondersteuning niet door de gemeente geboden wordt. d. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. e. De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. f. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: zijn rechten en plichten; wat er van hem wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b.
De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn reactie te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen. c. De gemeente stemt de reactie op ontoelaatbaar gedrag af op: de ernst van het gedrag; de mate waarin de inwoner dat verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk uitgelegd wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente legt ook uit op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
9.1.2 De rol van de inwoner 1. 2.
De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen. De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn probleem, als de gemeente hulp of ondersteuning verleent door:
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 42
a.
3.
de gemeente op de hoogte te brengen van zijn persoonlijke situatie, als die van belang is in het contact met de gemeente; b. de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk te informeren over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag; de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend; c. de gemeente zo snel mogelijk alle documenten en bewijsstukken te geven die nodig zijn; d. de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van wijzigingen, die van belang zijn voor de hulp of ondersteuning van de gemeente. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp of ondersteuning van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen PW / IOAW / IOAZ / Awb
9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner 1. 2.
3.
De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn zienswijze te geven.
9.2.2 Geen verlaging De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is of als het gedrag meer dan 1 jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden.
9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging 1. 2. 3. 4. 5.
De gemeente maakt het besluit tot verlaging per brief aan de inwoner bekend. De verlaging wordt toegepast op de eerstvolgende maand waarover nog geen uitkering is betaald. De gemeente kan de verlaging over meerdere maanden spreiden als dit nodig is. Een verlaging van een uitkering aan een inwoner die als zelfstandige werkt en die de uitkering in de vorm van een lening ontvangt, wordt toegepast bij de definitieve vaststelling van de uitkering. Soms kan de gemeente de uitkering niet verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 6 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen. De gemeente heroverweegt een besluit als bedoeld in lid 1 van dit artikel binnen 3 maanden.
9.2.4 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen 1. 2.
De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm. De gemeente kan de verlaging verdelen over drie opeenvolgende maanden als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
9.2.5 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 40% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende proberen werk te vinden; b. het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet; c. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d. bij de inwoner jonger dan 27 jaar: Het niet of niet voldoende proberen werk te vinden of onderwijs te volgen binnen 4 weken na melding bij de gemeente;
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 43
e.
2. 3.
4. 5. 6.
bij de inwoner jonger dan 27 jaar: Het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; f. het niet voldoende meewerken aan het inburgeringstraject (waaronder ook het financieel ontzorgen) op grond van de Wet Inburgering. De gemeente verlaagt een uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner, zonder zich af te melden of zonder geldige reden zich af te melden, niet verschijnt op een uitnodiging van de gemeente voor een gesprek over re-integratie of inburgeringstraject (WI). De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 40% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening; b. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; c. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een aanbod tot betaald werk niet heeft aanvaard of door eigen toedoen niet heeft behouden. De gemeente verlaagt de uitkering van een zelfstandige die niet of niet voldoende meewerkt aan begeleiding, een maand met 40% van de uitkeringsnorm.
De gemeente verlaagt de uitkering van een zelfstandige die de administratie van zijn onderneming niet voldoende heeft bijgehouden, een maand met 20% van de uitkeringsnorm.
9.2.6 Te weinig besef van verantwoordelijkheid 1.
2.
3.
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die voorafgaand of tijdens de bijstandsperiode onverantwoord is omgegaan met zijn inkomen of vermogen, waardoor de gemeente eerder of een hoger bedrag aan bijstand heeft gegeven. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft verstrekt dan dat het geval zou zijn geweest als wel verantwoord met inkomen en vermogen was omgegaan (benadelingsbedrag). De uitkering wordt verlaagd met 20% gedurende: Benadelingsbedrag Duur verlaging Tot € 1.500,00
1 maand
Van € 1.500,00 tot € 5.000,00
3 maanden
Van € 5.000,00 tot € 10.000,00
6 maanden
Van € 10.000,00 tot € 20.000,00
9 maanden
Van € 20.000,00 tot € 40.000,00
12 maanden
Vanaf € 40.000,00
18 maanden
Niet vast te stellen
6 maanden
Een inwoner gaat in ieder geval onverantwoord om met zijn inkomen of vermogen, als: Hij zijn vermogen onverantwoord heeft besteed; Hij in aanmerking komt voor een andere inkomstenbron, maar hier geen beroep op doet; Hij ontslag neemt waardoor een beroep op bijstand noodzakelijk is.
9.2.7 Het niet of onvoldoende nakomen van de overige aan de bijstand verbonden verplichtingen (art 55 PW) 1. 2. 3. 4.
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die niet of onvoldoende de opgelegde verplichtingen op grond van artikel 55 van de wet nakomt. De verlaging bedraagt 20% gedurende 1 maand als de verplichting gaat over arbeidsinschakeling De verlaging bedraagt 20% gedurende 1 maand als de verplichting gaat over de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand De verlaging bedraagt 20% gedurende 2 maand als de verplichting gaat over het verminderen van bijstand
9.2.8 Onacceptabel gedrag
Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 44
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
9.2.9 Samenloop van gedragingen 1.
2.
Eén gedraging waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot één verlaging. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd.
9.2.10 Herhaling (recidive) 1. 2. 3.
De hoogte van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner binnen 12 maanden na de verlaging opnieuw een verplichting niet nakomt. Als de verdubbeling van de hoogte van de verlaging niet mogelijk is, wordt de duur van de verlaging verdubbeld. Als de inwoner meer dan twee keer een verplichting niet nakomt binnen 12 maanden na een verlaging, vindt geen verdubbeling van hoogte of duur plaats. In dat geval wordt een verlaging afgestemd op de persoonlijke situatie van de inwoner.
9.3 Beëindigen en terugvorderen voorziening Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Llv
9.3.1 Beëindiging voorziening 1.
2.
De gemeente kan een voorziening beëindigen als: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek om het recht op de voorziening te bepalen; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
9.3.2 Terugvordering voorziening 1.
2.
De gemeente kan de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 9.3.1. Wmo en Jeugd voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. De gemeente stelt uitvoeringsregels vast over de terugvordering van de kosten van bijstand en uitkering.
9.4 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / WI / Llv
9.4.1 Controle 1. 2. 3. 4.
De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De controle door de gemeente vindt periodiek, themagericht of signaalgericht plaats. De manier waarop de controle wordt uitgevoerd, past bij de situatie. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 45
5.
Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
9.4.2 Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik De gemeente informeert inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
9.4.3 Privacy 1.
2. 3.
De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op, die ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De gemeente maakt de protocollen openbaar. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat de inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. Een inwoner voor wie de gemeente gegevens heeft vastgelegd, heeft op verzoek recht op: Inzage van gegevens. Rectificatie van gegevens. Wissen van gegevens. Beperking van de verwerking van zijn gegevens. Het verzoek van een inwoner wordt door een daartoe aangewezen medewerker van de gemeente (privacy officer) beoordeeld.