CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_Gewijzigde Verordening sociaal domein Veldhoven

Raad (besluitvormend) 9 december 2025, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Vaststellen actualisatie verordening sociaal domein24.117 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening sociaal domein Veldhoven

Inhoud Inleiding Verordening Sociaal domein Veldhoven De hulpvraag Gezond en veilig opgroeien Vervoer naar school Zelfstandig leven, wonen en meedoen Ondersteunen naar werk Financieel gezond zijn De vorm van de hulp Afspraken tussen inwoner en gemeente Inspraak en inwonerparticipatie Klachten en bezwaren Kwaliteit, inkoop en aanbesteding Tot slot Begrippen

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 2

1 Inleiding Verordening Sociaal domein Veldhoven De verordening Sociaal domein Veldhoven is een verzameling regels die door de gemeente is opgesteld over de volgende onderwerpen:  Gezond en veilig opgroeien  Vervoer van en naar school  Wonen en leven in een veilige en gezonde omgeving  Werken en participeren  Hulp bij schulden  Uitkeringen  Inburgeren

1.1 Waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat:  kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien;  kinderen veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past;  mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen;  mensen een huishouding kunnen runnen en voor zichzelf kunnen zorgen;  mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven;  mensen kunnen werken;  mensen in ieder geval een minimum inkomen hebben;  mensen hun financiën op orde hebben;  mensen kunnen meedoen in Nederland. Het is de taak van de gemeente om inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:  Jeugdwet  Wet op het primair onderwijs  Wet op de expertisecentra  Wet op het voortgezet onderwijs  Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO)  Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ  Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)  Wet Inburgering 2021 (WI)  Gemeentewet De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Als dat zo is, staat dat aangegeven in deze verordening.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 3

1.2 Kernwaarden van de gemeente Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. De gemeente werkt volgens de volgende kernwaarden:  Vakkundig: We zijn professioneel, voelen ons verantwoordelijk en dragen dat uit in ons werk.  Verbinding: We kennen elkaar, zijn in contact met elkaar, helpen elkaar en werken samen.  Vooruitgang: We zijn in ontwikkeling en grijpen onze (groei) kansen aan.

1.3 De pijlers van de Visie sociaal maatschappelijke ontwikkeling Veldhoven Bij het bieden van hulp of ondersteuning werkt de gemeente aan de doelstelling: “In 2040 is Veldhoven een inclusieve, gezonde, zelf- en samen redzame gemeenschap, waar inwoners zich thuis voelen, waar iedereen mee kan doen en zich kan ontwikkelen”. De gemeente werkt daarbij volgens de pijlers van de Visie sociaal maatschappelijke ontwikkeling  Veldhoven 2024-2040 ‘Samen goed voor elkaar’:  We stimuleren zelf- en samenredzaamheid – We moedigen inwoners aan om en helpen inwoners zichzelf en elkaar beter te ondersteunen.  We investeren in sociale cohesie en sociale basis – We versterken verbindingen en ontmoetingen in onze samenleving.  Er is hulp voor wie dat nodig heeft – We bieden een vangnet voor inwoners, die extra (tijdelijke) ondersteuning nodig hebben. Alles wat we nu al doen en tot 2040 gaan doen binnen het sociaal domein, moet bijdragen aan minimaal één van deze pijlers. Preventief werken en normaliseren zijn daarbij de rode draad. Zo zorgen we, samen met alle maatschappelijke partners, voor een sterke focus en samenhang in onze aanpak. Voor inwoners betekent dit dat zij:  Zelf verantwoordelijk zijn om de doelstelling te bereiken.  Zich ervoor inzetten om, samen met het eigen netwerk, deze doelstelling te bereiken.

 De gemeente helpt waar dat nodig is én stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, staan uitgelegd in hoofdstuk 14.

1.4 Uitgangspunten van de verordening De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten: 1. De regels zijn bedoeld om de genoemde doelen te bereiken en de problemen van inwoners op te lossen. 2. De regels zijn goed te begrijpen 3. De regels regelen niet meer dan nodig is 4. De regels houden de administratieve lasten van de gemeente en inwoners zo laag mogelijk 5. De regels kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners 6. De regels zijn onderling afgestemd op elkaar 7. De regels respecteren de wettelijke regels, maar geven daar wel een invulling aan die nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen.

1.5 Artikel en wet Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten zijn de basis voor de artikelen in deze verordening. Niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet er iets over terug te vinden is. Dit verschilt per artikel. Daarom staat bij elk artikel op welke wet het is gebaseerd. Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 4

Als in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 en 147 Gemeentewet). Bij sommige artikelen staat ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht). Die verwijzing staat er als in de Awb regels staan die voor dat artikel gelden. PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Wmo / Jeugdwet / WI/ Gemeentewet / Llv / Awb

2 De Hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp of ondersteuning kan vragen voor één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen en hoe de gemeente hiermee omgaat. Daarnaast staat beschreven wat de gemeente hierin van de inwoner verwacht. Kernwaarden  De hulpvraag van de inwoner staat centraal.  De inwoner is verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.  De eigen mogelijkheden, het sociale netwerk van de inwoner en vrij toegankelijke hulp gaan voor.  De gemeente helpt de inwoner om zijn eigen mogelijkheden te zien en te gebruiken.  De toegang tot ondersteuning of hulp van de gemeente is makkelijk vindbaar.

2.1 Melding bij de gemeente 2.1.1 Indienen hulpvraag Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI 1. Een inwoner die hulp nodig heeft kan zich melden bij de gemeente. Dat kan schriftelijk met een brief, mondeling bij de balie van het gemeentehuis, telefonisch via het telefoonnummer van de gemeente of digitaal op de website van de gemeente of per email naar gemeente@veldhoven.nl. 2. Hier zijn 2 uitzonderingen op: a. Een melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, kan alleen digitaal worden gedaan via www.werk.nl. b. Een melding over een hulpvraag waarbij deelname aan de collectieve zorgverzekering gewenst wordt, kan alleen digitaal worden gedaan via www.gezondverzekerd.nl. 3. De gemeente bevestigt de melding zo snel mogelijk mondeling, per brief of per e-mail aan de inwoner en gaat de hulpvraag onderzoeken.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 5

2.2 Onderzoek na de melding 2.2.1 Gegevens Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI 1. De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde tijd aan de gemeente aan te leveren. 2. Als de gegevens volgens de gemeente voldoende informatie geven om een goed beeld te hebben van de persoonlijke situatie van de inwoner en van het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken, kan de gemeente afzien van een gesprek. Tenzij de inwoner een gesprek wenst.

2.2.2 Doel en procedure gesprek Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI 1. Meestal vindt na de melding van een hulpvraag een gesprek met de inwoner plaats. Het doel van het gesprek is een goed beeld te krijgen van:  de hulpvraag van de inwoner;  het effect dat de inwoner wil bereiken; en  de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. De gemeente nodigt de inwoner uit voor dit gesprek. In de uitnodiging schrijft de gemeente waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek gaat. 3. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als dat nodig is, om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. Ook kan het gesprek telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. 4. De gemeente geeft in de uitnodiging ook informatie over:  de mogelijkheid om iemand mee te nemen naar het gesprek. Bijvoorbeeld; een familielid of een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner), en  de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe de persoonlijke situatie is en wat de inwoner wil bereiken met de hulpvraag.

2.2.3 Inhoud gesprek Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI 1. In het gesprek onderzoekt de medewerker van de gemeente: a. De hulpvraag van de inwoner: welk probleem ervaart de inwoner, wat is de vraag die de inwoner heeft en wat wil de inwoner bereiken? b. De persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. De mogelijkheden en onmogelijkheden van de inwoner: wat kan de inwoner zelf doen aan de oplossing van het probleem? d. De omgeving van de inwoner: welke hulp of ondersteuning kan het sociale netwerk van de inwoner of kunnen andere organisaties bieden? 2. Als de inwoner zelf een plan heeft gemaakt, betrekt de medewerker van de gemeente het plan bij het gesprek. 3. De medewerker van de gemeente vertelt de inwoner, als dat nodig is, over: a. De mogelijkheden die de gemeente kan bieden om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Zoals de soorten hulp of ondersteuning die door de gemeente geboden kunnen worden. En of de inwoner zelf moet bijdragen aan de kosten van de hulp of ondersteuning. b. De mogelijkheid dat de gemeente gebruik kan maken van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige. c.

De manier waarop het sociale netwerk en het professionele netwerk van de inwoner betrokken wordt bij het in beeld krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner en de mogelijkheden en onmogelijkheden om tot een oplossing te komen.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 6

2.2.4 Verslag onderzoek en ondersteuningsplan Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / WI 1. De medewerker van de gemeente maakt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 2. Als de hulpvraag gaat over hulp of ondersteuning die onder de Jeugdwet of de Wmo vallen, kan de medewerker van de gemeente een ondersteuningsplan maken, waarin staat:  welke hulpvraag de inwoner heeft;  welke problemen de inwoner ervaart;  welke behoefte aan hulp of ondersteuning de inwoner heeft;  op welke manier en in welke mate de inwoner zelf in deze behoefte kan voorzien of in welke mate het sociale netwerk van de inwoner in deze behoefte kan voorzien;  op welke manier en in welke mate door vrij toegankelijke voorzieningen, of met hulp of ondersteuning van een andere organisatie (dan de gemeente) in deze behoefte kan worden voorzien;  welke hulp of ondersteuning nodig is van de gemeente (op de korte en op de lange termijn).

2.3 Aanvraag 2.3.1 Aanvraag Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Awb / WI / Llv Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning gaat verlenen en welke vorm die hulp of ondersteuning dan heeft. De aanvraag kan schriftelijk met een brief aan de gemeente of digitaal per email aan gemeente@veldhoven.nl worden gedaan. 1. Een aanvraag voor Wmo kan pas na het onderzoek of maximaal 6 weken na melding van de hulpvraag worden gedaan. 2. Een door de inwoner ondertekend ondersteuningsplan ziet de gemeente als een aanvraag voor jeugdhulp. 3. De melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, ziet de gemeente als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt. 4. De hulpvraag van de inwoner voor schuldhulpverlening, stelt de gemeente in het eerste gesprek vast. 5. Een aanvraag voor vervoer van kinderen naar school, kan zonder melding vooraf worden gedaan. Het gesprek met een medewerker van de gemeente vindt, als dat nodig is, plaats nadat de aanvraag is ingediend.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 7

2.3.2 Voorwaarden voor hulp of ondersteuning Jeugdwet / Wmo / PW / Wgs / WI / Llv 1. Om in aanmerking te komen voor hulp of ondersteuning, moet:  de hulp of ondersteuning noodzakelijk zijn om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;  de inwoner geen mogelijkheden hebben om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken; en  de hulp of ondersteuning passen bij de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van hulp of ondersteuning zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.

2.3.3 Beoordelen aanvraag Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Awb / WI / Llv 1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die nodig zijn. 2. Om te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning verleent, stelt de gemeente het volgende vast:  de hulpvraag van de inwoner;  welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn;  welke hulp of ondersteuning nodig is en hoe veel;  wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met hulp van anderen uit het sociale netwerk (gebruikelijke hulp), met hulp van een andere organisatie, of met andere voorzieningen;  welke aanvullende hulp of ondersteuning nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

2.3.4 Deskundigheid beoordeling Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Awb / WI / Llv De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker van de gemeente die een melding of aanvraag behandelt, de deskundigheid heeft die daarvoor nodig is. Als de medewerker van de gemeente die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies geeft. Dit advies heet een deskundig oordeel. De gemeente betrekt het deskundig oordeel bij de beoordeling van de aanvraag. De gemeente laat de inwoner weten welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.4 Beslissing 2.4.1 Toekennen of weigeren aanvraag Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Awb / WI / Llv 1. De hulp of ondersteuning die door de gemeente wordt toegekend, is niet duurder of langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste hulp die passend is om het probleem van de inwoner op te lossen of te verminderen. 2. De gemeente kan hulp of ondersteuning weigeren als: a. de ondersteuning niet in overwegende mate op de inwoner is gericht; b. de voorziening niet veilig is voor de inwoner of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; c. de inwoner iets heeft gedaan (of niet gedaan) waardoor hij zelf de hulpvraag heeft veroorzaakt en dit had kunnen voorzien; of d. de inwoner de gevraagde hulp of ondersteuning al zelf heeft geregeld of gekocht zonder dat de gemeente daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 8

2.4.2 Inhoud besluit Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs / Awb / WI / Llv 1. De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de gemeente hulp of ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of dit in natura (= in de vorm van hulp of spullen), in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2. Biedt de gemeente hulp in natura, dan staat in elk geval in het besluit geschreven: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp zijn. 3. Biedt de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in elk geval in het besluit geschreven: a. waarvoor het pgb bedoeld is; b. hoe hoog het pgb is; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb stopt (eindigt); d. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb zijn. 4. Biedt de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in elk geval in het besluit geschreven: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c. hoe vaak het geld wordt betaald; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er zijn. 5. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele te betalen eigen bijdrage.

2.4.3 Beslistermijn besluit Jeugdwet / Wmo / PW / IOAW / IOAZ / Wgs/ Awb / WI / Llv 1. De gemeente besluit binnen 8 weken over een aanvraag voor een PW-uitkering, een IOAWuitkering of leerlingenvervoer. 2. De gemeente besluit binnen 13 weken over een aanvraag voor ondersteuning aan zelfstandigen op grond van de PW (Bbz 2004). 3. De gemeente besluit binnen 8 weken na het eerste gesprek over een hulpvraag voor schuldhulpverlening. 4. De gemeente besluit binnen 2 weken over een aanvraag voor hulp of ondersteuning Wmo. Deze 2 weken zijn na het 6 weken durende onderzoek dat de gemeente doet, na de melding van een hulpvraag. 5. De gemeente besluit binnen 8 weken over een aanvraag voor jeugdhulp. Deze 8 weken bestaan uit een onderzoeksperiode van 6 weken en een beslisperiode van 2 weken.

2.4.4 Verval van recht Jeugdwet / Wmo Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 9

2.5 Uitzonderingen 2.5.1 Jeugdhulp via arts e.a. Jeugdwet 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige of zijn ouders gespecialiseerde jeugdhulp krijgen, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of de bevoegde rechter de jeugdige of zijn ouders verwijst naar een jeugdhulpaanbieder. 2. De gemeente informeert de inwoner per brief over de toewijzing. 3. Bij een verwijzing door een gecertificeerde instelling (GI) informeert de gemeente de GI per brief over de toewijzing. 4. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mag alleen doorverwijzen naar gecontracteerde aanbieders.

2.5.2 Spoedeisende gevallen Jeugdwet / Wmo / PW / Wgs / Llv In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: 1. Het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen. 2. Het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp. 3. Vervoer van en naar school (vervoersvoorziening gaat op zijn vroegst in op de dag van de aanvraag). 4. Het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning. 5. Het garanderen van basisvoorzieningen voor inwoners of ondernemers met problematische schulden.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 10

3 Gezond en veilig opgroeien Alle jeugdigen in Veldhoven moeten passend bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau:  zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien;  kunnen groeien naar zelfstandigheid;  voldoende zelfredzaam zijn; en  kunnen meedoen aan de maatschappij. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de jeugdige zelf, zijn ouders en zijn netwerk. Als een jeugdige of zijn ouders daar hulp bij nodig hebben, dan kunnen zij met de hulpvraag bij de gemeente terecht. De gemeente kijkt dan samen met de jeugdige en zijn ouders wat er nodig is. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en het versterken van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar. Bij pleegzorg en andere uitzonderingen kunnen het ook jongvolwassenen tot uiterlijk 23 jaar zijn. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in de Jeugdwet. Kernwaarden  De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien.  De ouders zijn en blijven in de eerste plaats verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen.  De gemeente ziet de jeugdige altijd in relatie tot zijn gezin en zijn directe omgeving.  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders en vrij toegankelijke hulp gaan voor.

 Hulp aan de jeugdige en zijn ouders is maatwerk en wordt integraal vormgegeven.  De hulp is zo kort als mogelijk en zo lang als nodig, zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.  De hulp is in principe altijd gericht op herstel van het normale leven van de jeugdige en zijn ouders.

3.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp Jeugdwet 1. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, de ouders en hun sociale netwerk. 2. Als het gewenste effect voor de jeugdige en zijn/haar ouders niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt gekozen voor die hulp. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het Centrum voor jeugd en gezin (CJG) of door een vrijwilligersorganisatie. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt gespecialiseerde jeugdhulp ingezet. 3. Als gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet, hebben de jeugdige en zijn ouders de keuze om, binnen de door de gemeente vastgestelde hulpbehoefte, te kiezen welke hulp (aanbieder) dit is. 4. Pleegouders kunnen in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht voor hulp. Als het nodig is, kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente.

3.2 Preventieve maatregelen Jeugdwet 1. De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken zorgt de gemeente ervoor dat alle jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval ondersteund kunnen worden door: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang, peuterspeelzalen en vrijwilligersorganisaties samenwerken en elkaar aanvullen; b. informatie, advies en trainingen; c. jeugdgezondheidszorg; Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 11

2.

d. activiteiten voor jeugdigen die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk; e. opvoedondersteuning; f. cliëntondersteuning. Deze hulp is voor iedereen beschikbaar. De inwoner heeft hier geen toewijzing van de gemeente voor nodig. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp voor wordt gegeven.

3.3 Kinderopvang en Sociaal Medische Indicatie (SMI) Jeugdwet 1. Een inwoner kan een bijdrage krijgen voor de noodzakelijke kosten van kinderopvang van een thuisinwonend kind van maximaal 12 jaar oud of de laatste groep van het primair onderwijs als is vastgesteld dat: a. er sprake is van eén of meer lichamelijke-, zintuigelijke-, verstandelijke- of psychische beperkingen bij de ouder, wat opvang van het kind of de kinderen noodzakelijk maakt; b. kinderopvang voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is; en c. voorliggende voorzieningen of het eigen netwerk geen passende oplossing kunnen bieden. 2. De bijdrage die voor kinderopvang verstrekt wordt is altijd tijdelijk van aard. 3. De overige voorwaarden zijn te vinden in de Beleidsregels Sociaal Medische Indicatie.

3.4 Gespecialiseerde jeugdhulp Jeugdwet 1. De gemeente kan de volgende gespecialiseerde jeugdhulp aanbieden: a. gespecialiseerde begeleiding of behandeling aan de jeugdige bij het opgroeien; b. gespecialiseerde ondersteuning aan ouders bij het opvoeden; c. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur; d. persoonlijke verzorging voor de jeugdige; e. diagnostiek voor de jeugdige; f. vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdhulp wordt aangeboden. Deze hulp is niet voor iedereen beschikbaar. De inwoner heeft voor deze hulp een toewijzing van de gemeente nodig. 2. Toekennen van vervoer van en naar de plek waar de gespecialiseerde jeugdhulp wordt aangeboden, gebeurt onder de volgende voorwaarden: a. het vervoer maakt onderdeel uit van de afspraken die de gemeente heeft met de jeugdhulpaanbieder; b. de jeugdige en zijn ouders zijn zelf niet in staat om in het vervoer te voorzien; c. de jeugdige en zijn ouders bekijken samen met de gemeente wat er nodig is om op een later moment wel (deels) zelf of met behulp van het sociale netwerk het vervoer te kunnen regelen.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 12

3.4.1 Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling Jeugdwet 1. De gemeente zet voor het onderzoek, naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp, de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat deze deskundigheid bekend is bij de aanvrager. 2. Het onderzoek wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van medewerkers met een SKJ- of BIG- registratie. Als het nodig is, vraagt de gemeente extern (medisch) advies. 3. De uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet kunnen extern zijn belegd of de besluitvorming op aanvragen voor jeugdhulp kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders. In die gevallen zorgt de gemeente ervoor dat rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van individuele voorzieningen door deze partijen wordt voorkomen. 4. Het gestelde in de voorgaande leden is ook van toepassing op heronderzoek zoals vermeld in artikel 8.1.3 Jeugdwet.

3.5 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) Jeugdwet 1.

Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen pas in aanmerking komen voor een individuele voorziening als zij zelf – binnen hun eigen kracht - geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Bij iedere hulpvraag vindt een beoordeling van de eigen kracht plaats. Onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) om zelf of met behulp van het sociale netwerk te voorzien in of bij te dragen aan het vinden van een oplossing voor de hulpvraag. Hieronder valt: 

gebruikelijke hulp van ouders en/ of andere verzorgers op opvoeders.

bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan.

De ondersteuning vanuit het sociale netwerk.

Andere mogelijkheden die er zijn om de eigen kracht te versterken, zoals het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. Of het gebruiken van een andere voorziening of algemene voorziening.

2.

Onder gebruikelijke hulp verstaan we hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

3.

Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt de gemeente of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Hiervoor hanteren we de richtlijn “Opgroeien en opvoeden, normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders (NJI)”. De gemeente houdt hierbij rekening met de volgende factoren: Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 13

a. b.

de leeftijd van de jeugdige; de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/ stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

c.

de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

4.

d.

de mate van planbaarheid van de hulp;

e.

de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

5.

Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt (de bovengebruikelijke hulp), dan zijn ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze hulp. De gemeente beoordeelt of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties:

-

Kortdurend: er is zicht op herstel van het (gezondheid)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten eenmalige periode van maximaal drie maanden in een kalenderjaar.

-

Langdurend: het gaat om een chronische situatie waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in een kalenderjaar.

De gemeente verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp van de jeugdige.

6.

Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: a.

de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

b.

de mate van planbaarheid van de hulp;

c.

het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

d.

de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

e.

vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden;

f.

of er sprake is van problematiek bij ouders, zoals relationele problemen of schulden;

g.

welke verplichtingen de ouders hebben, zoals voor werk en sociale verplichtingen;

h.

het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

i.

de woonsituatie;

j.

de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden;

k.

of er een sociaal netwerk is en zo ja, wat de mogelijkheden en de bereidheid van het netwerk zijn om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

l.

overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht. Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 14

Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij: -

het kunnen verlenen van de hulp door de ouders;

-

de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp;

-

de belasting van de ouders;

-

de financiële situatie van de ouders

Dan verwacht de gemeente van de ouders dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) zelf verlenen. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

7.

Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: a.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

b.

Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

c.

Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt de gemeente wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

d.

Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

e.

Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

f.

Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

8.

Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. De gemeente verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

9.

Als de jeugdige en/of ouders een beroep kunnen doen op een algemene of overige voorziening voor het vinden van een oplossing voor de hulpvraag, dan wordt verwacht dat jeugdige en/of ouders hier gebruik van maken. De gemeente verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 15

4 Vervoer naar school Ieder kind heeft recht op onderwijs. Onderwijs dat past bij de mogelijkheden van het kind of aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouder(s). Soms kan het kind door een beperking niet zelfstandig reizen naar school. Of is de afstand van huis naar school te groot voor het kind. In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van het kind naar school. Als in dit hoofdstuk het woord ‘ouders’ staat, dan vallen daar ook pleegouders en wettelijke vertegenwoordigers onder. Kernwaarden  Ieder kind heeft recht op onderwijs dat bij zijn mogelijkheden past.  De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen.  De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de kinderen en ouders.  Ouders zijn er zelf voorverantwoordelijk dat hun kind naar school gaat.

4.1 Uitgangspunten Llv

4.1.1 Algemene voorwaarden 1. 2. 3. 4.

5. 6. 7. 8. 9.

De gemeente kent ouders van een kind, dat in de gemeente verblijft, op aanvraag een vervoersvoorziening toe als ze voldoen aan de voorwaarden in deze verordening. De gemeente kijkt naar de leeftijd van het kind op 1 augustus van het schooljaar waarvoor de ouder leerlingenvervoer aanvraagt. Een vervoersvoorziening wordt verstrekt voor de afstand tussen de woning van het kind of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor het kind. De gemeente kan bij het aangepast vervoer gebruik maken van opstapplaatsen. De ouder is er zelf voor verantwoordelijk dat het kind naar de opstapplaats gaat en zo nodig begeleid wordt. Alleen als het kind om medische redenen geen gebruik kan maken van een opstapplaats, wordt het thuis opgehaald. Aangepast vervoer rijdt op de vaste schooldagen en schooltijden, zoals opgenomen in de schoolgids van de school waar het kind ingeschreven staat. Als de school van het kind verschillende lesroosters gebruikt binnen de vaste schooltijden, kan het zijn dat het kind maximaal twee lesuren moet wachten op de taxi(bus). Als het kind door een structurele beperking op afwijkende schooltijden vervoerd moet worden, moet dit door een deskundige zijn vastgesteld.

Als het kind gebruik kan maken van een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, dan komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening. In gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de gemeente.

4.1.2 Samenwerking 1.

2.

De gemeente maakt met het samenwerkingsverband afspraken in het OOGO (Op Overeenstemming Gericht Overleg) over: a. een goede spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden naar die scholen; b. de deskundige die de gemeente adviseert over de vervoersmogelijkheden van het kind. Er wordt gekeken naar de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het kind en het gezin (zoals bedoeld in artikel 4.3.2 lid 4); c. de manier waarop zij kinderen verwijzen naar de voor hen best passende school. Waarbij voor het toekennen van leerlingenvervoer gekeken wordt naar dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de manier waarop scholen ondersteund kunnen worden om ouders zo goed mogelijk te informeren over leerlingenvervoer; e. hoe zij samen ervoor zorgen dat de vervoerskosten beheersbaar blijven. De gemeente heeft regelmatig overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg bespreken zij: a. de ontwikkelingen in het onderwijs; Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 16

b. c. d.

het beleid van de gemeente over leerlingenvervoer; het samenwerkingsverband; en de manier waarop invulling wordt gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan (zoals bedoeld in artikel 4.3.2 lid 6).

4.2 Doelgroepen Llv

4.2.1 Basisonderwijs (Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra) De gemeente kan op aanvraag van de ouders een vervoersvoorziening toekennen als: a. het kind in de gemeente Veldhoven verblijft; b. het kind een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs bezoekt; c. de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 6 kilometer bedraagt; en d. het kind op 1 augustus van het schooljaar minimaal 4 jaar oud is. Bij speciaal onderwijs voor kinderen met een beperking aan het gehoor geldt een leeftijd van minimaal 3 jaar.

4.2.2 Voortgezet (speciaal) onderwijs (Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra) 1.

2.

De gemeente kan op aanvraag van de ouders een vervoersvoorziening toekennen als: a. het kind in de gemeente Veldhoven verblijft; b. de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor voortgezet (speciaal) onderwijs meer dan 6 kilometer bedraagt; en c. het kind het voorgezet (speciaal) onderwijs bezoekt maar door een structurele lichamelijke-, verstandelijke-, zintuigelijke- of psychische beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer. De gemeente kan aan ouders een vervoersvoorziening voor stagevervoer toekennen als: a. het kind naar een school voor voortgezet (speciaal) onderwijs gaat en al in aanmerking komt voor leerlingenvervoer; b. de stage onderdeel is van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids (de gemeente kan het stagecontract opvragen); c. de stagetijden overeenkomen met de schooltijden; d. de stage op één adres plaatsvindt; en e. de stage binnen een maximale afstand van 15 kilometer van de woning of school van het kind ligt.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 17

4.2.3 Tijdelijke vervoersvoorziening In eerste instantie hanteert de gemeente voor een tijdelijke vervoersvoorziening een periode van 6 weken. De gemeente kan op aanvraag van de ouders een tijdelijke vervoersvoorziening toekennen: 1. Als het kind als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Veldhoven verblijft. Er moet voldaan zijn aan de volgende punten: a. het kind blijft zijn eigen school bezoeken; b. het kind krijgt al een tegemoetkoming voor het leerlingenvervoer; en c. de verwachting is dat het kind na deze periode van 6 weken weer in Veldhoven gaat verblijven. 2. Als het kind in de loop van een schooljaar bij een in Veldhoven gevestigde instelling komt te verblijven. Dan is het mogelijk dat het kind de eigen school kan blijven bezoeken.

4.2.4 Vervoersvoorziening voor weekend en vakantie De gemeente kan aan een in de gemeente wonende ouder een vervoersvoorziening toekennen voor het vervoer in het weekend en de vakantie. Dit kan als het kind, voor het volgen van passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft. Het volgende vervoer valt hieronder: 1. Vervoer van het kind, één keer per weekend één reis van het internaat of pleeggezin naar het huis van de ouder en terug. Dit geldt niet wanneer het weekend in een schoolvakantie valt. 2. Vervoer van het kind, tijdens de schoolvakantie van het internaat of pleeggezin naar het huis van de ouder en terug, één keer per schoolvakantie van 2 dagen of langer. De schoolvakantie moet in de schoolgids staan. 3. De regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer. Behalve de bepaling dat de enkele reis naar school met het openbaarvervoer meer dan anderhalf uur duurt en de reistijd met aangepast vervoer minimaal de helft van de tijd korter is.

4.2.5 Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en school 1. Als er recht is op een vervoersvoorziening van de woning of de opstapplaats naar school en terug, kan er op verzoek ook een vervoersvoorziening toegekend worden voor het vervoer van de school naar de buitenschoolse opvang of terug. 2. De buitenschoolse opvang moet in Veldhoven zijn

4.3 Aanvraag van het vervoer Llv

4.3.1 Aanvraagprocedure 1. 2. 3. 4. 5. 6.

De ouder kan een aanvraag voor leerlingenvervoer doen in de gemeente waar het kind verblijft. De ouder gebruikt daarvoor een, door de gemeente vastgesteld (digitaal) formulier, dat de ouder indient bij de gemeente. Als het kind meerderjarig wordt en handelingsbekwaam is, dan wordt de vervoersvoorziening niet meer aan de ouders verstrekt. Het kind kan dan zelf in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als het kind aan de voorwaarden uit artikel 4.2 voldoet. Als een kind verblijft in een in Veldhoven gevestigde instelling, kan de aanvraag door de betreffende instelling worden gedaan. In geval van co-ouderschap moeten allebei de ouders een aanvraag doen in de gemeente waar de ouder woont. De gemeente kan aanvullende gegevens vragen aan ouders als dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is.

4.3.2 Beoordeling aanvraag Nadat de ouder een aanvraag indient, onderzoekt de gemeente of het kind voor leerlingenvervoer in aanmerking komt. En welke vervoersvoorziening passend is voor het kind. Een gesprek met de medewerker leerlingenvervoer kan onderdeel zijn van dat onderzoek. Hierbij kan een medewerker uit

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 18

een ander domein aansluiten als dat nodig is. Ook kan een externe deskundige gevraagd worden om mee te kijken naar welke vervoersvoorziening passend is bij het kind. De gemeente onderzoekt: 1. Of de dichtstbijzijnde toegankelijke school verder weg ligt dan 6 kilometer. De gemeente berekent de kortste afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, waar plaats is. Voor het bepalen van de kortste route gebruikt de gemeente de routeplanner van de ANWB. Met als uitgangspunt ‘kortste’ route. 2. Of het kind naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school gaat. De toelaatbaarheidsverklaring of het arrangement dat het samenwerkingsverband heeft afgegeven is hierbij het uitgangspunt. Tenzij het vervoer naar een verder weggelegen passende school voor de gemeente minder kosten met zich meebrengt en de ouders hiermee schriftelijk instemmen. 3. Of er begeleiding nodig is bij het reizen. 4. De zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het kind (vanaf het schooljaar waarin het kind 12 jaar wordt) en die van het gezin. De gemeente onderzoekt met de ouders, het kind, de school en eventueel het samenwerkingsverband of zelfstandig reizen met het openbaar vervoer of de fiets, al dan niet met begeleiding, (in de toekomst) mogelijk is. Er kan, in samenhang met het ontwikkelingsperspectiefplan, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan worden gemaakt.

Hierin wordt geschreven hoe er wordt gewerkt naar zelfstandig reizen naar school. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. In het vervoersontwikkelingsplan kan de gemeente ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het kind te vergroten.

4.3.3 Vorm en hoogte vervoersvoorziening Als een kind in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, stemt de gemeente het leerlingenvervoer af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen, wordt een fietsvergoeding met begeleiding toegekend. Als fietsen naar school niet lukt is een vergoeding voor het openbaar vervoer met begeleiding de volgende mogelijkheid. Pas als het kind ook niet met het openbaar vervoer kan reizen, kan aangepast vervoer worden ingezet. Dit uitgangspunt is in de volgende punten verder uitgewerkt: 1. Het kind dat naar de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor (voorgezet) speciaal onderwijs gaat, krijgt een bekostiging voor de fiets met begeleiding. Hiervan kan de gemeente afwijken als: a. de afstand vanaf de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan 10 kilometer is; of b. het kind door een structurele beperking niet in staat is (ook niet met begeleiding) te fietsen. 2. Het kind dat naar de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs of school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gaat, krijgt een bekostiging voor openbaar vervoer met begeleiding. Hiervan kan de gemeente afwijken als: a.

de enkele reis vanaf de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur duurt en de reistijd met aangepast vervoer kan worden teruggebracht tot de helft van de reistijd of minder; of b. het kind vanwege een structurele beperking niet in staat is (ook niet met begeleiding) met het openbaar vervoer te reizen. 3. Het kind komt in aanmerking voor aangepast vervoer, op voorwaarde dat: a. de enkele reis vanaf de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur duurt en de reistijd met aangepast vervoer kan worden teruggebracht tot de helft van de reistijd of minder; of b. het kind een structurele beperking heeft waardoor hij niet met de fiets of het openbaar vervoer (ook niet met begeleiding) kan reizen. 4. Van ouders wordt verwacht dat zij begeleiding bieden in het vervoer van hun kind als dat nodig is. Hiervan kan de gemeente afwijken als deze begeleiding leidt tot ernstige benadeling van het gezin: a. de ouders kunnen aantoonbaar niet meer het werk uitoefenen of een (voltijds)opleiding volgen als zij de begeleiding van hun kind naar school moeten verzorgen; b. er sprake is van een éénoudergezin – of vergelijkbare situatie – waarbij een ander jong kind naar school moet worden gebracht op hetzelfde tijdstip en het sociale netwerk dit niet kan opvangen; Vastgesteld d.d.

9 december 2025 (concept ter vaststelling) 19

c. d.

de maximale reistijd van de begeleider is meer dan 3 uur per dag. Onder deze reistijd valt zowel de reistijd met het kind als de reistijd zonder het kind; de begeleiding kan om andere redenen in redelijkheid niet worden verwacht. Dit moet worden aangetoond met een verklaring van een deskundige.

4.3.4 Vergoeding kosten begeleiding Als een kind een vervoersvoorziening krijgt van de gemeente en begeleiding nodig heeft bij het reizen naar school, dan verstrekt de gemeente een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 1. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding. 2. Salariskosten worden niet vergoed. 3. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk. 4. Als een begeleider één of meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van één begeleider. 5. Als een kind begeleiding nodig heeft in het aangepast vervoer, dan vergoedt de gemeente alleen de kosten van de begeleiding van het kind (beladen kilometers).

4.3.5 Eigen vervoer Als de gemeente toestemming geeft aan de ouder om het kind zelf te vervoeren met de eigen auto, dan is de vergoeding nooit hoger dan de vergoeding waar het kind recht op heeft. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: 1. Als de ouder meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoert, verstrekt de gemeente éénmaal de kilometervergoeding voor de auto op basis van de hoogte van de belastingvrije kilometervergoeding voor reiskosten auto vergoeding. De route wordt gemeten langs de kortste afstand met de ANWB-routeplanner tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2. De ouder krijgt geen tegemoetkoming als het kind met een andere ouder meereist die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van het eigen kind. 3. De gemeente kan toestemming geven voor een andere passende vervoersvoorziening die goedkoper is dan, of gelijk is aan, de kosten van openbaar vervoer. 4. De kilometervergoeding voor het gebruik van de fiets bedraagt € 0,11 cent per kilometer, gemeten langs de kortste afstand met de ANWB-routeplanner tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 5. Als de ouder vanuit een andere regeling een vervoersvergoeding krijgt, brengt de gemeente die in mindering.

4.3.6 Ingangsdatum vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouder aanvraagt. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat het vervoer zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat.

4.3.7 Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als een ouder een vervoersvoorziening krijgt, kan de gemeente na overleg met de ouders een vergoeding geven voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van openbaar vervoer.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 20

5 Zelfstandig leven, wonen en meedoen Inwoners met een beperking of een psychisch of psychosociaal probleem hebben soms hulp nodig om zo lang zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Ook hebben ze soms hulp nodig om mee te doen in de samenleving en bij het ontmoeten van andere mensen. De gemeente heeft de taak om deze inwoners te helpen. In dit hoofdstuk staan regels over de hulp die de gemeente kan verlenen. Ook staan er regels in over de waardering en hulp voor mantelzorgers. Kernwaarden  Inwoners met een beperking wonen en leven zo lang mogelijk zelfstandig.  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.  De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner en vrij toegankelijke voorzieningen gaan voor.  De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner.  De gemeente biedt ondersteuning die veilig en doeltreffend is en een duurzame oplossing biedt.  De gemeente biedt de goedkoopst mogelijke, passende en toereikende hulp.  Mantelzorgers voeren zo lang mogelijk hun zorgtaken uit zonder overbelast te raken.

5.1 Maatwerkvoorzieningen Wmo WMO

5.1.1 Soorten maatwerkvoorzieningen 1.

2. 3.

Om inwoners te helpen in het zelfstandig wonen, leven en meedoen in de samenleving, kan de gemeente de volgende maatwerkvoorzieningen verstrekken:  Hulp bij het huishouden  Begeleiding in de vorm van dagbesteding, individuele begeleiding en groepsbegeleiding  Kortdurend verblijf in een instelling  Rolstoelvoorziening  Sportvoorziening  Vervoersvoorziening (individueel en/of collectief)  Woonvoorziening  Beschermd wonen  Maatschappelijke opvang. In de beleidsregels Wmo zijn de kaders om in aanmerking te komen voor deze voorzieningen verder uitgewerkt. Ondersteuning in de vorm van Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang, wordt toegekend door (centrum)gemeente Eindhoven. De regels voor Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang zijn vastgelegd in de Verordening Sociaal Domein van de gemeente Eindhoven.

5.1.2 Voorwaarden maatwerkvoorziening 1.

2.

Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of oplossen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere mensen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening draagt, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo, op een passende manier bij aan het krijgen van een situatie waarin de inwoner zelfredzaam is of mee kan doen in de samenleving. En zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. a. Hiermee wordt in ieder geval bedoeld dat de inwoner:  Kan leven in een schoon en leefbaar huis;  kan beschikken over schone en draagbare kleding en linnen- en beddengoed; Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 21

3. 4. 5. 6. 7.

 kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;  kan thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. b. Zich kan verplaatsen in en om de woning. c. Zich lokaal kan verplaatsen. d. Het vermogen heeft om zelfstandig te leven;  kan deelnemen aan het maatschappelijk leven;  dagstructuur heeft;  regie kan voeren;  een bijdrage kan leveren aan de buurt/maatschappij. Als een maatwerkvoorziening nodig is, verstrekt de gemeente de goedkoopst geschikte of passende (adequate) voorziening. De tarieven van de maatwerkvoorzieningen zorg in natura worden jaarlijks aangepast aan de prijsstijging (geïndexeerd). Een collectieve maatwerkvoorziening gaat voor op een andere maatwerkvoorziening. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer per jaar. Een maatwerkvoorziening voor kortdurend verblijf omvat maximaal 156 etmalen per jaar.

5.1.3 Weigeringsgronden 1.

2.

Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als: a. deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; b. deze niet voor lange tijd nodig is (langdurig noodzakelijk); c. de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorziening de hulpvraag kan oplossen; d. voor de hulpvraag die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, recht bestaat op een voorziening op grond van een andere (wettelijke) bepaling of regeling; e. een inwoner de gevraagde hulp, ondersteuning of voorziening al zelf heeft ingeroepen, aangeschaft, gerealiseerd of geaccepteerd. Tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven; f. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; g. de voorziening niet veilig is voor de inwoner, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of antirevaliderend werkt; h. de economische afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte voorziening nog niet is verstreken; Tenzij er sprake is van de volgende uitzonderingen:  De voorziening verloren is gegaan door redenen die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen.  De inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan helemaal of gedeeltelijk vergoedt.

 De verstrekte voorziening niet langer een oplossing voor de inwoner is om zelfredzaam te zijn en mee te kunnen doen in de samenleving. i. als de economische afschrijvingstermijn voorbij is, maar de maatwerkvoorziening nog passend en kwalitatief in orde is. j. Als een hulpmiddel in de vorm van een scootmobiel niet op een brandveilige plek gestald kan worden. Daarnaast wordt geen woonvoorziening verstrekt als: a. De inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft in de woning waar de voorziening moet worden geplaatst. b. De woning niet geschikt is om permanent te wonen. Zoals; een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een huurwoning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. c. De beperkingen van de inwoner voortkomen uit in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of als de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. d. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals een elektrische deuropener. e. De inwoner verhuist naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen.

Tenzij de gemeente hier schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 22

f. g. h.

De inwoner zonder dringende reden vanuit een woonruimte waarin de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning, is verhuisd naar een woning waar de inwoner dit wel heeft. De inwoner een indicatie heeft voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg De voorziening tegen kleine meerkosten in de nieuwbouw of renovatie kan worden meegenomen.

De regels en kaders voor de specifieke voorzieningen zijn uitgewerkt in de beleidsregels Wmo.

5.2

Mantelzorg

WMO

5.2.1 Ondersteuning mantelzorger 1. 2.

De gemeente zorgt ervoor dat mensen die mantelzorg geven aan een inwoner, ondersteuning kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden. Of om te voorkomen dat zij overbelast raken. De ondersteuning houdt in dat een professionele hulpverlener de mantelzorg voor een korte periode overneemt. Of dat een pgb wordt verstrekt dat kan worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.

5.2.2 Mantelzorgwaardering 1. 2. 3.

De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente een mantelzorgwaardering vast. De gemeente maakt onderscheid in mantelzorg met zware belasting en minder zware belasting: a. De gemeente verstaat onder zware belasting:  zware lichamelijke belasting van de mantelzorger;  psychische belasting van de mantelzorger. Waaronder ook belasting in tijd zoals het kunnen combineren van mantelzorg met het eigen leven en de zwaarte daarvan;  financiële aspecten, waaronder het maken van kosten bij het verlenen van mantelzorg, zoals administratiekosten, reiskosten en het opnemen van vrije dagen. b. De gemeente verstaat onder minder zware belasting: iedere zorg die niet voldoet aan de kenmerken van zware belasting, maar die wel uitgaat boven gebruikelijke hulp.

5.2.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering 1. 2.

3. 4.

Mantelzorgers kunnen zich registreren als mantelzorger bij de uitvoerende organisatie (SWOVE). De mantelzorgwaardering bestaat uit: a. Een pluswaardering bij zware belasting: een bedrag van € 150 per jaar per geregistreerde mantelzorger en/of ondersteuning op het gebied van administratie, training, juridische zaken en sociaal-emotionele hulp. b. De standaardwaardering bij minder zware belasting: een bedrag van € 50 per jaar per mantelzorger. Een geregistreerde mantelzorger krijgt elk jaar de standaardwaardering en de pluswaardering als door de uitvoerende organisatie is vastgesteld dat sprake is van zware belasting. Een niet-geregistreerde mantelzorger kan op aanvraag de standaardwaardering krijgen. De aanvraag kan ook worden gedaan door de inwoner die de zorg ontvangt of een andere betrokkene.

Vastgesteld d.d. 9 december 2025 (concept ter vaststelling) 23

6 Ondersteunen naar werk De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden ondersteund bij het vinden en houden van betaald werk. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke vormen van ondersteuning (voorzieningen) de gemeente hierin kan bieden. Sommige voorzieningen worden toegekend aan een inwoner en sommige voorzieningen worden toegekend aan een werkgever. Dit hoofdstuk gaat ook over de tegenprestatie die de gemeente aan de inwoner kan opleggen. Kernwaarden  De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente ondersteunt als dat nodig is.  De eigen mogelijkheden van de inwoner om (deels) een eigen inkomen te verdienen gaan voor.  De inwoner wordt zo goed mogelijk naar betaald werk geleid.  De ondersteuning is erop gericht dat een uitkering voor een zo kort mogelijke duur of een zo laag mogelijk bedrag nodig is.  Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente.  De gemeente stemt de ondersteuning af op de inwoner.  De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare inwoners.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16147657/4