CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB2022.122a - Bijlage 1 Verkenning Sweco

Raadscommissie 15 november 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Raadsinformatiebrief inzake Onderwijshuisvesting Veenendaal-Oost (RIB2022.122)19.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

63

1. Op basis van de CROW publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren: kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ genereert een huur appartement (segment midden/goedkoop inclusief sociale huur) in de rest bebouwde kom en matig stedelijk gebied minimaal 3,2 verplaatsing per weekdag. Dit komt neer op 40 (aantal appartementen) * 3,2 (kencijfer) * 1,11 (omrekenfactor weekdag  werkdag) * 10% (spitsintensiteit) = 14 voertuigverplaatsingen in de ochtendspits. 2. Slechts een deel van het IKC betreft een nieuwe school, het andere deel betreft een verplaatsing van een bestaande school in het huidige Ontmoetingshuis naar de nieuwe locatie. In de huidige situatie is de school enkel vanaf de zuidzijde te bereiken. Voor ouders vanuit Buurtstede en Veenderij is te verwachten dat zij ook in de toekomst hun kinderen aan de zuidkant van het IKC wegbrengen en daardoor niet door Groenpoort naar het IKC rijden. Enerzijds omdat men dat in de huidige situatie is gewend, anderzijds omdat dan meer omgereden moet worden. Naar verwachting zal ongeveer 15%-20% van de leerlingen van de scholen in het IKC via de zuidzijde van de school gebracht worden. 3. Een deel van de nieuwe leerlingen op de scholen binnen het IKC zullen vanuit de wijk Groenpoort komen. In dit geval is er sprake van combinatieritten van ouders van de woning via de school naar het werk.

Ingeschat is dat dit circa 5%-10% van de verkeersgeneratie betreft. 4. Een klein deel van de bezoekers van het IKC centrum brengt mogelijk zowel een kind naar de school als naar de kinderdagopvang. Echter, naar verwachting betreft dit een zeer beperkt aantal autoritten. Op basis van bovenstaande aannames is ingeschat dat de overschatting van de verkeersgeneratie circa 20% bedraagt, uitgaande van de nadering van het Kindcentrum via de noordzijde. Daarom is in de aanvullende kruispuntberekening voor het drukste moment in de ochtendspitsperiode uitgegaan van 80% van de verkeersgeneratie berekend door RHDHV. In COCON is het piekmoment in de ochtendspitsperiode berekend, op basis van een gelijke verdeling van rechtdoorgaande verkeer op de Rondweg-Oost over de twee opstelstroken. Voor het drukste moment is uitgegaan van het drukste half uur binnen de ochtendspitsperiode. Het resultaat van de berekening voor de twee varianten is opgenomen in Tabel 1. Hierop is te zien dat de cyclustijd voor de variant met de grote school hoger is dan 120 seconden.

Variant

Maatgevende conflictgroep

Cyclustijd (Max 120s)

Belastingsgraad (Max 0,89)

Grote school

2 - 10

120 – 130 seconden

0,83

Kleine school

2 – 9 – 12

80 – 90 seconden

0,79

Tabel 1: Resultaat kruispuntberekeningen voor het drukste half uur in de ochtendspits.

Uit de aanvullende kruispuntberekeningen blijkt dat in het drukste moment in het spitsuur de maximale cyclustijd van 120 seconden wordt overschreden voor de variant met de grote school, waardoor gedurende enkele cycli motorvoertuigen meer dan 1 keer moeten wachten om het kruispunt te passeren. Dit leidt tot langere wachtrijen Groenpoort in en op de Rondweg-

64

Oost. De overschrijding van de 120 seconden cyclustijd is beperkt en het piekmoment duurt relatief kort. Eventuele langere wachtrijvorming zal naar verwachting binnen enkele cycli weer opgelost zijn. Voor verkeer vanuit Groenpoort kan dit ertoe leiden dat autobestuurders ervoor kiezen om niet via het nieuwe aansluitpunt, maar via de route Buurtlaan-Oost – Grote Beer – Lorentzstraat te rijden (de stippellijn in Figuur 4-1), waardoor de druk op het kruispunt op de Rondweg-Oost afneemt.

Figuur 4-1: De rode stippellijn geeft een alternatieve route weer voor het verkeer richting de A12.

Voor de variant met de kleine school geldt dat uitgaande van een gelijke verdeling van het rechtdoorgaande verkeer over de twee opstelstroken op de Rondweg-Oost de cyclustijd onder de 90 seconden blijft en dat geen afwikkelingsproblemen verwacht worden. Echter, In de praktijk zal waarschijnlijk geen sprake zijn van een gelijke verdeling van het verkeer over de rijstroken voor rechtdoor, met name in noordelijke richting, aangezien het kruispunt dicht bij het kruispunt met de aansluiting A12 gelegen is. Uit aanvullende berekeningen blijkt dat voor beide varianten geldt dat de cyclustijd (ruim) meer dan 120 seconden bedraagt indien wordt uitgegaan van een 45%-55% verdeling over de linker- en rechterrijstrook. Extra nuance is nog dat naarmate een verkeerslicht de cyclustijd van 120 seconden nadert, het aannemelijk is dat het verkeer zich gelijkmatiger over de opstelstroken verdeelt om eventuele vertraging te beperken. Elke weggebruiker herkent dat gedrag. Hoe dan ook, de berekeningen tonen aan dat de situatie op het kruispunt in de piek zeer gevoelig is; de VRI biedt geen restcapaciteit en alleen het verkeersgedrag kan nog voor enige drukvermindering zorgen.

Bijlage 3: Planologische procedure Reguliere procedure: tijdelijke omgevingsvergunning Artikel 4, lid 11 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) biedt de mogelijkheid om een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor het

65

bouwen of gebruiken van gronden in strijd met de bestemming. De termijn waarvoor deze vergunning kan worden verleend bedraagt ten hoogste tien jaar. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘tijdelijkheid’ is niet van belang of het gebruik of het bouwwerk na tien jaar daadwerkelijk zal worden beëindigd/verwijderd, maar is slechts vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Een dergelijke vergunning mag overigens niet in strijd zijn met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Deze procedure kan niet gevolgd worden als er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. In dat geval dient de uitgebreide procedure gevolgd te worden. In de wet is niet bepaald in welke gevallen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Uitgebreide procedure: omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing Voor een bouwplan/project dat niet passend is binnen het geldende bestemmingsplan en waarvoor niet kan worden afgeweken, middels een (kruimel)afwijking is het mogelijk om op grond van art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 3o een vergunning te verlenen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Deze ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ is vergelijkbaar met de toelichting van het bestemmingsplan.

Aangetoond moet worden dat er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en dat het plan uitvoerbaar is. Onderdeel hiervan zijn ook diverse onderzoeken. Denk aan: geluid, bodem, luchtkwaliteit, archeologie, ecologie, verkeer, etc. De uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) is op dit soort projecten van toepassing. Het bevoegd gezag is (meestal) het college van B&W. De gemeenteraad dient wel hiervoor een zogenaamde ‘verklaring van geen bedenkingen’ af te geven. Daarnaast is het wettelijk vooroverleg (art. 3.1.1 Bro) ook verplicht bij deze procedure (art. 6.18 Bor). Dat betekent dat het plan o.a. aan de provincie, het waterschap en overige betrokken instanties voorgelegd moet worden. Het ontwerpbesluit (én de ontwerpverklaring van geen bedenkingen) van de omgevingsvergunning wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen de termijn van terinzagelegging kunnen er zienswijzen ingediend worden. Indien de provincie een zienswijze indient en daar in het definitieve besluit niet aan wordt tegemoetgekomen, kan de provincie een zogenaamde ‘reactieve aanwijzing’ indienen. Een dergelijke aanwijzing houdt in dat het betreffende onderdeel waar de aanwijzing op ziet geen deel blijft uitmaken van het besluit.

De reactieve aanwijzing ‘overruled’ dus het gemeentelijk besluit Herziening bestemmingsplan (tot 1 januari 2023) De ontwikkeling van de school kan ook mogelijk gemaakt worden door middel van het opstellen van een nieuw (postzegel)bestemmingsplan. De verwachting is dat op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treedt. Tot die tijd geldt nog de Wet ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tot 1 januari 2023 ontwerpbestemmingsplannen ter inzage gelegd kunnen worden. Ook op bestemmingsplanprocedures is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing. De gemeenteraad is het bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Ook bij deze procedure is het wettelijk vooroverleg met de bevoegde instanties (provincie, waterschap, etc.) verplicht. Ook bij deze procedure heeft de provincie de bevoegdheid om een ‘reactieve aanwijzing’ in te dienen, indien niet

66

aan een eventuele zienswijze van de provincie tegemoetgekomen wordt. Wijziging omgevingsplan (vanaf 1 januari 2023) De doorlooptijd van een bestemmingsplanprocedure is circa één jaar, gerekend vanaf start uitvoering onderzoeken en opstellen bestemmingsplan t/m vaststelling van het bestemmingsplan. Vanaf 1 januari 2023 (volgens huidige stand van zaken) hebben alle gemeentes van rechtswege één omgevingsplan voor haar hele grondgebied. Dit omgevingsplan van rechtswege (ofwel: het tijdelijke omgevingsplan) bestaat uit alle ruimtelijke plannen, delen van de gemeentelijke verordeningen en de ‘bruidsschat’. De bruidsschat omvat regels van het Rijk die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen. Tot eind 2029 hebben gemeenten de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan in te richten volgens de eisen van de Omgevingswet. Het opstellen van ‘losse’ bestemmingsplannen is vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk. Om ruimtelijke ontwikkelingen juridischplanologisch te borgen is het onder de Omgevingswet mogelijk om het omgevingsplan te wijzigen. De procedure is vergelijkbaar met de huidige bestemmingsplanprocedure. Hoewel het onder de Omgevingswet niet verplicht is, maar wel wordt aangeraden, gaan we er ook bij het wijzigen van het omgevingsplan vanuit dat er vooroverleg gevoerd wordt met vooroverlegpartners.

Ook onder het regime van de Omgevingswet heeft de provincie de mogelijkheid om een “reactieve interventie” te doen. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Onder de Omgevingswet is het mogelijk om (onder voorwaarden) vergunning te verlenen voor activiteiten die niet passend zijn in het omgevingsplan. In principe is de gemeente (B&W) hierbij het bevoegd gezag. De gemeenteraad kan wel gevallen aanwijzen, waarvoor een (bindend) advies van de gemeenteraad nodig is. Gedeputeerde Staten zijn daarnaast adviseur voor een dergelijke omgevingsvergunning, maar alleen in door hen aangewezen gevallen van een provinciaal belang. De provinciale belangen zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Instemming van de provincie is dan ook nodig (in geval van een aangewezen geval). In beginsel geldt de reguliere procedure voor dit type omgevingsvergunningen (en dus niet afd. 3.4 Awb), tenzij het bevoegd afd. 3.4 Awb van toepassing heeft verklaard. Ook is een deugdelijke onderbouwing van het besluit nodig. Er moet gemotiveerd worden dat de afwijking met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie aanvaardbaar wordt geacht.

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11952651/2