RB 6e wijziging integrale verordening Sociaal Domein
Tekst van het document
Raadsbesluit tot zesde wijziging van de Integrate verordening sociaaI domein Veenendaat (6e w¡jz¡g¡ng van de lntegrate verordening sociaal domein Veenendaa[). De raad van de gemeente Veenendaat;
getezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 januari 2Q26 nummer 4004; overwegende dat de gemeente VeenendaaI beschikt over een lntegrale verordening sociaal domein en het wensetijk is deze periodiek te actualiseren, mede naar aanleiding van gewijzigde inzichten, uitvoeringspraktijk en vastgesteld beteid, waaronder het door de raad unaniem vastgestelde raadsvoorste['Hervormingsagenda: Grenzen aan onze )eugdzorg'; getet op artiket 149 van de Gemeentewet, de Wet maatschappetijke ondersteuning 201 5, de Jeugdwet en de Participatiewet; bestuit: vast te stetten de Verordening tot zesde wijziging van de lntegrate verordening sociaaI domein Veenendaat (6e wijziging van de lntegrate verordening sociaaI domein Veenendaat).
Artikel,I De lntegrale verordening sociaaI domein VeenendaaI wordt ats volgt gewijzigd. A.
Het onderdeel' lnteiding' vervatt. B.
ArtikeL l .1 .'l komt te [uiden
Artiket 1.1.1 Atgemene definities ln deze verordening en de daarop berustende bepatingen wordt verstaan onder
college; college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaat; ge meente: gemeente Veenendaat; gesprek: een of meerdere gesprekken in het kadervan het onderzoekvanwege een ondersteuningsvraag, als bedoetd in: i. artikel,2.3.2, eerste [id, van de Wmo; ii. artikel 4 tid 1 Wgs; ingezetene of inwoner: een natuurtijke persoon die zijn woonstede heeft in Veenendaah maatschappelijk werk: het bieden van individuele begeteiding ats atgemene voorziening aan een ingezetene met probtemen in zijn dagetijks leven of zijn werk, zodat deze ingezetene (weer) op eigen kracht zijn problemen kan hanteren of oplossen; mantelzorg: mantetzorg ats bedoetd in artikel 1.1.1 van de Wmo; ondersteuningsvraag: de behoefte aan ondersteuning op het gebied van:
i. maatschappetijke ondersteuning ats bedoetd in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo; ii. arbeidsinschaketing en de vertening van bijstand ats bedoetd in de Pw; of iii. schul,dhutpvertening ats bedoetd in artikel 4 tid 1 Wgs; pgb: persoonsgebonden budget ats bedoetd in artikel 1.1.1 van de Wmo dan wel artikel, 8.1.1 van de Jw; uitkering: een uitkering op grond van de Pw, de IOAW en de lOÊZ.
c. Artikel, 2.1 .1 komt te luiden
Artiket 2.1 .1 Definities ln dit hoofdstuk en de daarop berustende bepatingen wordt verstaan onder:
g: een voorzi e n i n g d i e : niet specifiek bedoetd is voor personen met een beperking; daadwerketijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het reatiseren van een situatie waarin de ctiënt tot (meer) zeltredzaamheid of participatie ¡n staat is; en iv. betaatd kan worden met een inkomen op minímumniveau; andere voorziening: een voorziening anders dan in het kader van de Wmo; beschermd thuis: een maatwerkvoorziening voor inwoners met comptexe psychische of psychosociale probtematiek die doorgaans hun ondersteuningsvraag kunnen uitstelten tot geplande momenten van begeteidin g, maar wel moeten kunnen terugvalten op 24/7 bereikbaarheid of beschikbaarheid van een hutpvertener.
Beschermd Thuis kan geleverd worden in een geclusterde woonvorm of in een situatie waarin de ctiënt zetfstandig woont; bijdrage: bijdrage als bedoetd in artikel 2.1.4a van de Wmo; budgethouder: een persoon die pgb ontvangt; budgetplan: door ctiënt of zijn vertegenwoordiger opgestetd ptan, volgens het door de gemeente vastgestetde format, waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed; eigen kracht: het vermogen van de ctiënt om zelf tot verbetering van zijn zetfredzaamheid of participatie of tot een optossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen; melding: metding aan het cottege ats bedoeld in artikel 2.3.2, eerste [id, van de Wmo; ondersteuningsplan: doorde aanbiedervan individuete- en groepsondersteuning, in overteg met de ctiënt, opgestetd document votgens het door de gemeente vastgestel,de format, waarin de doeten en inhoud van de ondersteuning zijn vastgetegd; pa rti ci p atie; deetnemen aan het maatscha ppetij ke verkeer; persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde [id, van de Wmo, beschrijft en aangeeft wetke maatschappetijke ondersteuning naar zijn mening het meest passend is; sociaal netwerk: personen uit de huisetijke kring of andere personen met wie de ctiënt een sociate relatie onderhoudt; verslag: schriftetijke weergave van het gesprek door middel, van een format dat bestaat
uit vaste stappen; a lge m e e n ge b ru i ke lij ke vo o rzi e n i n
i. ii. ¡ii.
Wmo : Wet maatsch a ppetijke ondersteu n i ng 2O1 5;
zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzaketijke atgemene dagel,ijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. D.
Artike[ 2.1.2, vierde lid, verva[t. E.
Artiket 2.1.4 komt te [uiden:
Artiket 2.1.4 lnformatie en identificatie 1. De cliënt verstrekt het cotlege de gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college nodig zijn voor het onderzoek en waarover hij redetijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoetd in artike[ 2.1 .5, stett het col[ege de identiteit van de cl.iënt vast aan de hand van een getdig identiteitsbewijs. F.
Artiket 2.1.5 wordt ats votgÏ gewijzígd: 1. ln de aanhef wordt 'Het gesprek' vervangen door'Onderzoek'; 2. ln het eerste tid wordt'in een gesprek'vervangen door'in samenspraak'; 3. ln het eerste [id, onderdeel c, wordt na 'eigen kracht' ingevoegd 'of' en vervatt 'zodal de cl,iënt zo min mogetijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorzie n ing'. G.
ln artikel 2.1.6 vervalt'Het cotlege betrekt de ctiënt of diens vertegenwoordiger of mantetzorger bij de adviesaanvraag en informeert de ctiënt of diens vertegenwoordiger over de uitkomsten daarvan.'. H.
Artiket 2.1.9 wordt ats volgt gewijzigd: 1. Het eerste tid komt te luiden: 'Een aanvraag kan pas worden ingediend nadat het onderzoek, bedoetd in artikel 2.1 .5, heeft ptaatsgevonden, tenzij het onderzoek niet heeft ptaatsgevonden binnen zes weken na metding.'. 2. Het derde lid vervatt. t.
Artikel, 2.1.1O wordt ats votgt gewijzigd: 1. ln het tweede lid, onderdeeta, wordt'De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.5 bedoetde vooronderzoek en gesprek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de ctiënt in staat wordt gestetd tot tot een aanvaardbare mate van zelfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo Lang mogetíjk in de eigen leefomgeving kan bl.ijven; en'vervangen door'De maatwerkvoorziening tevert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.1.5 bedoetde onderzoek, een passende bijdrage aan het reatiseren van
een situatie waarin de cliënt in staat wordt gestetd tot een aanvaardbare mate van zetfredzaamheid of een aanvaardbare mate van participatie en zo [ang mogetijk in de eigen leefomgeving kan btijven; of '. 2. Het derde en vierde lid vervatlen, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot derde en vierde lid.
De artiketen 2.1.10a tot en met 2.1.10c worden vervangen door etf artiketen, [uidende:
Artiket 2.l.l0aVoorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1. De maatwerkvoorziening wordt atteen verstrekt indien deze, gezien de beperking van de ctiënt, naar het oordeel van het cottege veil,ig is voor de ctiënt en zijn omgeving, geen gezondheidsrisico's met zich meebrengt en niet antirevatiderend werkt. 2. Een maatwerkvoorziening ter vervanging van een eerder door het cottege verstrekte voorziening, wordt stechts verstrekt indien uit onderzoek btijkt dat vervanging noodzaketijk is en de maatwerkvoorzieningvertoren is gegaan door omstandigheden die niet aan de ctiënt zijn toe te rekenen of de ctiënt de restwaarde van de voorziening die vertoren is gegaan geheet of gedeettetijk vergoedt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien: a. voor de probtematiek die aanteiding geeft tot de noodzaak van ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettetijke bepal,ing bestaat; b. de ctiënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gereatiseerd of geaccepteerd, tenzij sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzaketijk was de voorziening te treffen; c.
de ctiënt de gevraagde voorziening na de melding en voor de datum van het bestuit heeft gereatiseerd of geaccepteerd, tenzij het cottege daarvoor schriftetijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak, passendheid en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordeten; d. de voorziening niet noodzaketijk was geweest wanneer de ctiënt rekening had gehouden met zijn bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikketing daarvan; e. de voorziening met name op therapeutische basis wordt aangevraagd of een therapeutisch doel dient; f. de aanspraak niet kan worden vastgestetd doordat de cl.iënt niet of onvoldoe nde votd oet aa n de in [ichtingen- en medewerki ngsverptichti ng, waaronder het verstrekken van informatie over zijn leefsituatie en de mogetijkheden van huisgenoten om gebruiketijke hulp te bieden. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zetfredzaamheid en participatie wordt verstrekt indien deze niet tangdurig noodzaketijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeteiding. Artiket 2.1.1Ob Gebruiketijke hutp
1. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde [id, onder b, van de Wmo, beoordeett het cottege of er gebruiketijke hutp van huisgenoten ats bedoetd in artikel 1.1.1, eerste [id, van de Wmo beschikbaar is. 2. Het cottege maakt bij de beoordeting of van huisgenoten gebruiketijke hutp verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en tangdurige situaties. Van een kortdurende situatie is sprake ats er uitzicht bestaat op herstel van het (gezondheids)probteem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de ctiënt. Een kortdurende situatie betreft ten hoogste een periode van zes maanden in één jaar. 3. ln een kortdurende situatie valt een grotere inzet van huisgenoten binnen het begrip gebruiketijke hutp, zolangdat redel,ijk is en niet tot overbetasting leidt. 4. Bij de beoordeting of van huisgenoten gebruiketijke hutp verwacht mag worden, houdt het cottege indien daartoe aanteiding bestaat, rekening met: a. de samenstel.ting van de leefeenheid van de ctiënt en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de retatie tussen de ctiënt en diens huisgenoot of huisgenoten; c. de inhoudetijke aard, de omvang, de duur en de comptexiteit van de ondersteu ningsbehoefte van de ctiënt; d. de beschikbaarheid en de praktische, [ichamelijke en geestetijke mogel.ijkheden van de huisgenoot of huisgenoten; e.
de mate waarin en de wijze waarop de ctiënt voorafgaand aan de metding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten; f . overige relevante omstandigheden van de huísgenoot of huisgenoten die redetijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogetijkheid om de ctiënt hul.p te bieden. Arti kel, 2.1 .1 Oc Aa nvu [[e nde voorwaa rd e n e n we ige ri ngsgron de n voor
woonvoorzieningen ln aanvutting op de artikete n 2.1 .10 en 2.1.10a kan een ctiënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening, indien sprake is van een aantoonbare beperking bijhet norma[e gebruikvan de noodzakelijke gebruiksruimten in de woning. 2.Een woonvoorziening kan worden geweígerd: a. ats de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materiaten, de sl,echte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de gel,dende wettetijke eisen; b. ats de ctiënt zijn hoofdverbtijf niet heeft of niet za[ hebben in de woning waarvoor de voorziening gevraagd wordt; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning; d. ats het om voorzieningen in gemeenschappetijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hel.l.ingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhutpen of vtonders of het aanbrengen van een opstetptaats bij de toega ngsdeu r van de gemee nscha ppel'ij ke ru i mte; e. als de noodzaak het gevotg is van een verhuizingwaarvoor geen aanteiding was op grond van beperkingen bij de ze\fredzaamheid of participatie en er geen bel,angrijke reden voor de verhuizing is; 1.
f. ats de ctiënt is verhuisd, maar dit niet naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning is, tenzij daarvoor vooraf schriftetijk toestemming is gegeven door het cottege; g. ats de voorziening in het gevat van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
Artiket 2.1.1Od Bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning 1 . Het cottege kan een woonvoorziening treffen voor het bezoekbaar of logeerbaar maken van één woning indien de ctiënt verbtijft in een instetting op grond van de Wet [angdurige zorg. a. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan het reatiseren van de mogetijkheid voor de ctiënt om de woningvan naasten te bezoeken door toegang te verschaffen tot ten minste de woonkamer en één toitet. b. Onder het logeerbaar maken van een woning wordt verstaan het reatiseren van de mogetijkheid voor de ctiënt om tijdetijk in de woning van naasten te verblijven door toegang te verschaffen tot ten minste een staapkamer, een toitet en de woonkamer. 2. Een voorziening kan worden geweigerd indien de totate kosten voor de woonaanpassing meer bedragen dan: a. € 2.800, - voor het bezoekbaar maken van een woning; b. € 5.600, - voor het logeerbaar maken van een woning. Arti kel 2.1 .1Oe Aa nvu [[e nde voorwaa rde n vervoersvoorzien ing 1. ln aanvutting op de artiketen 2.1.10 en 2.1.10a kan een ctiënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van cottectief vraagafhankel,ijk vervoer indien hij door zijn beperkingen niet of onvotdoende gebruik kan maken van het open baar vervoer. 2. Het college hanteert hierbij een maximum van 2.500 kitometer per kalenderjaar. 3.
De medische begeteider, waar de ctiënt naar het oordeel van het cottege bij het vervoer op is aangewezen, reist gratís mee. De sociaal begeteider, waar de ctiënt naar het oordeel van het coltege bij het vervoer op is aangewezen, reist mee op de kortingspas cottectief vraagafhanketijk vervoer van de ctiënt. 4. ln aanvu[[ing op het eerste tid kan een cliënt in aanmerking komen voor een individuete vervoersvoorziening, indien deze langdurig noodzaketijk is en het collectief vervoer niet toereikend is. 5. Bij de beoordeling van de vervoersbehoefte in het kader van participatie wordt uitstuitend rekening gehouden met verplaatsingen binnen de woon- en leefomgeving, niet zijnde woon-werkverkeer, vervoer naar dagbesteding of vervoer in het kader van schoot of opl.eiding. 6. Voor een individuete vervoersvoorziening getdt dat de ctiënt in staat moet zijn de voorziening veitig te gebruiken en dat er een staltingsmogetijkheid beschikbaar is of gereatiseerd kan worden. Arti ket 2.1 .1Of Aa nvutlen d e voorwaa rden begeteid i ng i nd ivid u eet 1 . ln aanvu lting op de artikete n 2.1 .10 en 2.1 .1 0a kan een ctiënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van begeteiding individueel indien de ctiënt door beperkingen niet in staat is zonder ondersteuning zijn
zeLtredzaamheid of participatie te behouden of te vergroten. Dit kan zich voordoen bij de votgen d e on dersteu n i ngsbehoeften : a. het aanteren, behouden of herstetlen van praktische vaardigheden; b. het aanbrengen van structuur of het voeren van regie over het dagetijks leven; c. het vergroten of behouden van de zetf redzaamheid; d. het vergroten of behouden van maatschappetijke participatie en het voorkomen van sociaaI isolement. 2. Het cottege maakt bij de toekenning van begeteiding individuee[ onderscheid naar de mate van comptexiteit en regieverties van de situatie van de ctiënt: a. Regutier: indien de probtematiek niet dermate comptex is dat een hoge graad van deskundigheid nodig is in de omgang met de ctiënt of om escalaties te voorkomen; b. Specialistisch: indien sprake is van complexe of onvoorspelbare situaties die specif ieke deskundigheid vereisen; c. Casusregie: indien sprake is van meervoudige probtematiek waarbij coördinatie tussen meerdere betrokken partijen noodzaketijk is; d. Speciatistisch persoonsgericht maatwerk: indien sprake is van zeer comptexe probtematiek in combinatie met veitigheidsvraagstukken of maatschappetijke onrust, die een hoog niveau van deskundigheid en intensieve begel.eiding vraagt. Een persoonsgerichte aanpak is noodzaketijk. Arti ket 2.1 .1 Og,Aa nvu ltend e voorwaa rd e n da gbested i ng 1.
ln aanvutling op de artiketen 2.1.1O en 2.1.10a kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dagbested¡ng indien de ctiënt door beperkingen ondersteuning nodig heeft bij één of meer van de votgende ondersteuningsbehoeften : a. het verkrijgen of behouden van een passende en zinvotte daginvulting en dagstructuur; b. het vergroten of behouden van de zetfredzaamheid; c. het onderhouden of aangaan van sociate contacten; d. het ontlasten van mantetzorgers. 2. Dagbesteding betreft groepsgerichte begeleiding, uitgevoerd door een professiona 1,. Daa rbij wordt onderscheid gemaa kt naa r doetstetti ng: a. Dagbesteding [anger thuis: gericht op het behouden van structuur, stabiliteit en vaardigheden; b. Dagbesteding perspectief: gericht op het ontwikkelen van vaardigheden en het vergroten van maatschappetijke participatie, waaronder indien van toepassing toeteiding naar werk of opl,eiding. Onder dagbesteding wordt tevens verstaan het noodzaketijke vervoer van en naar 3. de dagbestedingstocatie voor zover dit nodig is om van de voorziening gebruik te kunnen maken. Arti kel 2.1 .1 Oh Aa nvu ltend e voorwaa rd e n kortdu rend verbtijf 1. ln aanvulting op de artiketen 2.1 .1O en 2.10a kan het cottege een maatwerkvoorziening in de vorm van kortdurend verbtijf vertenen indien: a.
dit noodzaketijk is om de mantelzorger tijdetijk te onttasten en daarmee overbetasting te voorkomen; en
b. de ctiënt aangewezen is op permanent toezicht of begel.eiding in de nabijheid.
2. Kortdurend verbtijf omvat al,tijd ten minste een etmaaI inctusief overnachting in een instetling of andere geschikte locatie waar toezicht aanwezig is. 3. Het kortdurend verbtijf bevat niet de benodigde geneeskundige zorg of behandeting die onder de Zorgverzekeringwet of de Wet tangdurige zorg valt.
Artikel, 2.l .lÛt Aanvuttende voorwaarden hu lp bij het huishouden 1. ln aanvulting op de artiketen 2.1.10 en 2.1.10a kan het coltege een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden vertenen indien de ctiënt door een beperking de ruimten die noodzaketijk zijn voor het normate gebruikvan de woning niet schoon en leefbaar kan houden. 2. Hutp bij het huishouden is gericht op: a. het uitvoeren en overnemen van huishoudeLijke taken of het samen met de ctiënt organiseren en uitvoeren daarvan; b. de beschikking hebben over schone kteding en textiet; c. het aanteren van vaardigheden die bijdragen aan het zelfstandig uitvoeren van huishoudeLijke taken. Artikel, 2.1.1OjAanvultende voorwaarden beschermd wonen, beschermd thuis, safehouse en tijdetijk verbtijf 1 . ln aanvu tting op de artikete n 2.1 .1O en 2.1.1 0a, verteent het cottege de maatwerkvoorziening beschermd wonen ats: a. de ctiënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe psychische of psychosociale problematiek; b. de ctiënt, indien aan de orde, een intramurale behandeting voor zijn psychiatrische aandoening heeft afgerond; en c.
de ctiënt (op termijn) een herstet- of ontwikkettraject accepteert dat met inachtnemingvan zijn mogetijkheden gericht is op het reatiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gestel.d zich zo sne[ mogetijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenteving. 2. Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verbtijf in een accommodatie van een instelting waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Hiertoe is persone el24 uur per dag fysiek aanwezigop de locatie van de instetting. 3. ln aanvutting op de artiketen 2.1 .10 en 2.1.'l 0a verteent het cotlege de maatwerkvoorziening beschermd thuis als: a. de cliënt is aangewezen op bescherming en toezicht in de nabijheid getet op com plexe psyc h isc he of psychosocia [e probtematiek; b. de ctiënt zetfstandig of in een gectusterde woonvorm kan wonen; c. de ctiënt zelfstandig een ondersteuningsvraag kan stetten en zo mogel,ijk kan uitstetten, maar wel de zekerheid nodíg heeft dat begeteiding oproepbaar en indien nodig beschikbaar is; en d. de ctiënt (op termijn) een herstet- of ontwikkettraject accepteert dat met inachtneming van zijn mogetijkheden gericht is op het reatiseren van een situatie waarin hij in staatwordt gestetd zichzo snel mogelijkweer op eigen krachtte handhaven in de samenteving.
4. ln aanvutting op de artikete n 2.1 .10 en 2.1.10a verteent het co[[ege de maatwerkvoorzieningen safehouse of tijdetijk verbtijf ats de ctiënt door een terugvaI of dreigende terugvat in het ziekteproces, waar verstavingsprobtematiek, psychiatrische of gedragsprobtematiek onderdeel van uítmaakt, (tijdetijk) is aangewezen op ondersteuning in een beschermde setting. Arti kel 2.1 .1 OkAa nvu lte nd e c rite ria voor ee n f i na nciëte tegemoetkom i n g 1 . ln aanvutting op het gestetde in de artiketen 2.1 .1O en 2.1.10a komt een cliënt in aanmerking voor een f inanciëte tegemoetkoming voor de kosten van: a. de aanschaf, aanpassing en het onderhoud van een sportvoorziening als uit het in artiket 2.1.4 bedoetde onderzoek btijkt dat de ctiënt ondersteuning nodig heeft voor sporten in het kadervan zetfredzaamheid en participatie, waarbijgel,dt dat: i. de gebruiksduur van de sportvoorziening minimaaI drie jaar is en bij technische keuring moet btijken dat deze technisch niet meer functioneel is; en ii. de hoogte van de financiëte tegemoetkoming voor een sportvoorziening maximaa[ €
3.000,- bedraagt. b. een verhuizing en herinrichting ats uit het in artíket 2.1 .4. bedoelde onderzoek blijkt dat verhuizing naar een aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, getet op de beperkingen van de ctiënt, een goedkoopst passende bijdrage levert aan ziin zelfredzaamheid en participatie, waarbij getdt dat de hoogte van de financië[e tegemoetkoming maximaa[ € 3.250,- bedraagt. 2. Het cotlege kan in afwijking van het eerste lid een hogere financiëte tegemoetkoming toekennen indien de in het eerste tid opgenomen bedragen zo ver afstaan van de werkel,ijke kosten van de compenserende maatrege[, dat de financiëte tegemoetkoming geen passende bijdrage meer tevert aan het verminderen of wegnemen van de gevotgen van de beperkingen. K.
Artikel, 2.1 .11wordt als votgt gewijzigd: 1 . ln de aanhef van het tweede l,id wordt 'tid 1 ' vervangen door 'het eerste [id'. 2. ln het tweede lid, onderdeel c, vervatt', zoats de kostprijs van de voorziening' 3. ln de aanhef van het derde tid wordt '[¡d 1 ' vervangen door 'het eerste [id'. 4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. De ctiënt mel,dt zich, binnen zes maanden na de beschikkingsdatum bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of gebruikt het pgb binnen zes maanden voor het resultaat waarvoor het is verstrekt. L.
Na artikel 2.1.11wordt een artiket ingevoegd, [uidende:
Artikel, 2.1 .11a Voorschrift bru ikleen 1 . lndien het cottege een voorzíening in bruikteen verstrekt wordt daaraan het voorschrift verbonden dat de cliënt: a. de voorziening zorgvutdig gebruikt; en b. de bruikl,eenovereenkomst ondertekent en zich houdt aan de daarin opgenomen verplichtingen.
M.
Na artikel 2.1.12 wordt een artiket toegevoegd, tuidende:
Artikel,2.1.12a Onderscheid professionele en niet-professionete zorgvertener 1. Bij het vaststetten van de hoogte van het persoonsgebonden budget maakt het cottege onderscheid tu ssen professionele en niet-prof ession ete zo rg. 2. Van professionete zorg is sprake indien de ondersteuning wordt verteend door personen die: a. werkzaam zijn bij een instetting die ingeschreven staat in het Handetsregister (conform artike[ 5 Handetsregisterwet 2O0T), beschikken over een passende kwatificatie of diptoma dat aanstuit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerk van de ctiënt; of b. werkzaam zijn ats zetfstand¡ge zonder personeel (zzp'er), ingeschreven staan in het Handetsregister, beschikken over een passende kwatificatie of diptoma dat aanstuit bij de aard van de ondersteuning, en niet behoren tot het sociaal netwerkvan de ctiënt. 3. Voor professionete zorg getden de kwatiteitseisen zoats opgenomen in artiket 2.1.23a. 4. Van niet-professionete zorg is sprake indien: a. de ondersteuning wordt geboden door personen die níet votdoen aan de criteria genoemd in het tweede tid; of b. de ondersteuning wordt geboden door personen die wel votdoen aan de criteria genoemd in het tweede lid, maar behoren tot het sociaaI netwerk van de cliënt. 5. Voor niet-professionete zorg geLden de kwatiteitseisen, bedoel.d in artiket 2.1.23. N.
Artiket 2.1.13 komt te luiden
Artikel, 2.1.13 Regets voor een pgb 1. De cliënt of diens vertegenwoordiger dient een budgetptan in waarin in ieder gevaI is opgenomen: a. wetke voorziening met het pgb wordt ingekocht en bijwetke uitvoerder; b. de motivatie om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c. hoe de ctiënt zelf of met hutp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociate netwerk, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zal. uitvoeren; d. hoe de kwatiteit van de voorziening is gewaarborgd en op welke wijze wordt vastgestetd dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in eenheden en tarief. 2. lndien met een pgb begeteiding of dagbesteding wordt ingekocht, wordt tevens een ondersteuningsptan toegevoegd. 3. lndien de ctiënt ondersteuning wenst in te kopen bij een persoon uit het sociate netwerk, motiveert de ctiënt of diens vertegenwoordiger dat deze ondersteuning
ten minste een getijkwaardig resuttaat optevert ats ondersteuning door een professionete aanbieder. 4. Het cottege kan door een onafhanketijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon, bedoetd in het derde lid, verantwoorde ondersteuning kan teveren. 5. lndien de ctiënt gebruik maakt van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb wordt het pgb stechts verstrekt indien naar oordeet van het cottege: a. de vertegenwoordiger in staat is tot een redetijke waardering van de belangen van de ctiënt; en b. de vertegenwoordiger in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 6. De vertegenwoordiger van de cliënt, bedoetd in het vijfde [id, die tevens de zorgvertener is wordt geacht niet in staat te zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 7. Het persoonsgebonden budget kan in ieder geval niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeting, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een administratie voor het pgb; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen of beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering of een eenmalige uitkering; e. kosten voor het aanvragen van een VOG. 8. Het pgb bevat geen vrij-besteedbaar bedrag.
o. Artiket 2.1.14 wordt ats volgt gewijzigd: 1 . ln de aanhef van het eerst lid vervatt ', met uitzondering van een pgb voor beschermd wonen,'. 2. ln heteerste [id, onderdeela,wordtna'budgetptan,'ingevoegd'als'en'tid 1' vervangen door', eerste [id'. 3. ln het eerste [id, onderdeel b, onder iwordt'dienstvertener'vervangen door 'zorgvertener'. 4. ln het eerste lid, onderdeel b, onder iiwordt de zinsnede 'iv en v'vervangen door 'iv, v en vi'. 5. ln het eerste tid, onderdeel b, onder iiiwordt'dienstverlener'vervangen door 'zorgvertener' en wordt'vi, vii en viii'vervangen door'vií en viii'. 6. ln het eerste lid, onderdee[ b, onder v, wordt 'voor een dienst'vervangen door 'voor beschermd wonen of een dienst'en wordt'dienstvertener'vervangen door 'zorgvertener'. 7. ln het eerste [id, onderdeel b, wordt, onder vernummering van de subonderdelen vitot en met viiitot vii tot en met ix, een nieuw subonderdeet ingevoegd, luidende: vi. voor beschermd thuis maximaa[ 900/o van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate en tijdig beschikbare voorziening in natura; 8. Het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel vii (nieuw), komt te [uiden: vii.
voor een dienst, geleverd door een niet-professionete zorgvertener of iemand uit het sociaaI netwerk: een tarief dat aansluit bij de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijstag en tegenwaarde van de verlofuren;
9. Het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel viii (nieuw) komt te [uiden: viii. voor kortdurend verbl,ijf binnen het sociaaI netwerk: op basis van een onkostenvergoeding voor een vast bedrag van €52,- per etmaa[; 10. ln het eerste [id, onderdeel b worden na subonderdeel viii (nieuw) twee nieuwe subonderdeten toegevoegd : ix. De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto kitometerprijs die de gemeente betaatt voor het cottectief vervoer vermenigvutdigd met het aantal benodigde kitometers, waarbij het uitgangspunt getdt dat 2500 kil,ometer op jaarbasis binnen de eigen [eef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd; x. De hoogte van het pgb voor vervoer dat wordt uitgevoerd door iemand uit het sociaatnetwerk betreft een vergoedingvan C0,23 per kitometervermenigvutdigd met het aantaI benodigde kilometers, waarbij het uitgangspunt getdt dat 2500 kitometer op jaarbasis binnen de eigen [eef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. 1 1 . ln de aanhef van het tweede lid wordt 'bovenstaande [eden' vervangen door 'bovenstaand [id'. P.
ArtikeL 2.1.15 komt te tuiden:
Artikel 2.1.15 Aanvu[[ende voorwaarden pgb beschermd wonen en beschermd thuis 1. De leveringsvorm pgb voor beschermd wonen en geclusterd beschermd thuis is in beginsel atteen mogetijk indien sprake is van een kteinschatige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaa[ 3 en maximaa[ 26 bewoners en waarbij aan de votgende cumutatieve eisen wordt votdaan: a. de bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengestoten adressen of adressen die dichtbij etkaar Liggen (binnen een straalvan 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden; en b. de bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappetijke ruimte voor gezamentijke activiteiten. 2. De leveringsvorm pgb voor beschermd thuis is in beginsel ook mogetijk bij zetfstandig wonen in de wijk zonder dat er een kteinschatige woonvorm bij betrokken is. 3. Verbtijf bij ouders of wettetijke vertegenwoordigers vatt niet onder een kteinschatige woonvorm of zetfstandig wonen in de wijk.
a. Artiket 2.1.16 komt te [uiden:
Artikel 2.l.l6Weigeringsgronden voor een pgb Het cotlege kan een pgb weigeren wanneer naar het oordeeI van het col.l.ege: a. uit het budgetptan onvotdoende btijkt dat het hutpmiddet, aanpassing van een hutpmiddet, dan wel woningaanpassing, of de dienst die de ctiënt inkoopt met het pgb adequaat, veitig, cliëntgericht en kwatitatief verantwoord is; b. het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt of de pgb-vertegenwoordiger probtemen heeft bij het omgaan met een pgb.
R.
ln artikel 2.1.17, vijfde [id, wordt'tweede [id, onder a'vervangen door'derde [id, onder a'.
S. Artiket 2.1.2O wordt ats votgt gewijzigd:
1. Het eerste tid komt te [uiden: 1. Een ctiënt is een bijdrage in de kosten verschutdigd voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, zolang de ctiënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het wordt verstrekt. 2. ln het tweede tid wordt 'het genoemde bedrag in artikel, 2.1.4 derde lid juncto 2.1.4a, vierde lid van de Wmo'vervangen door 'ten hoogste het in 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo genoemde bedrag'. 3. Het derde tid komt te [uiden: 3. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 4. Het vierde [id wordt ats volgt gewijzígd: a. onderdeel a komt te luiden: a. voorziening in natura is getijk aan de kosten die het cottege voor de betreffende voorziening zetf maakt; b. onderdee[ c vervatt onder vervanging van de puntkomm a aan het einde van het vierde lid, onderdeet b door een punt; 5. Het vijfde tid wordt als volgt gewijzigd: a. in de aanheft wordt "votgende maatwerkvoorzieningen" vervangen door "de volgen d e maatwerkvoorzien ingen, producten of d iensten"; b. de onderdeten a, d en j vervatten onder vertettering van onderdeten b en c tot a en b en onderdeten e tot en met itot onderdeten c tot en met g en onder vervanging van de puntkomma aan het eind van het onderdeel g (nieuw) door een punt; c.
in onderdeet f (nieuw) wordt'Specialistisch Persoonsgericht Maatwerk' verva ngen door'specia [istisch persoonsgericht maatwerk'. d. ln onderdeet g (nieuw)wordt'tijdetijkverblijf'vervangen door'kortdurend
verblijf'. T.
ln artikel 2.1.22vervatt', geteverd door een professionete dienstvertener,' en wordt ' zorgaanbied e rs' ve rva n gen d oo r' leve ra n c i e rs'. U.
Artiket 2.1.23 komt te [uiden: Artikel, 2.1 .23 Kwa liteitseisen niet-p rofess ionele zorgvertene r i ngekocht via pgb 1. lndien een ctiënt of diens vertegenwoordiger een pgb wenst in te zetten voor diensten van niet- professionete zorgverteners worden hieraan de votgende voorwaarden gestetd:
a. de zorg aan de ontvanger van het pgb teidt niet tot overbetasting of dreigende overbetasting van de niet-professionat; b. de ctiënt heeft in vrijheid gekozen voor ondersteuning door de nietprofessionete zorgvertener en er is geen druk uitgeoefend bij de bestuitvorming; c. de ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het bereiken van de in het onderzoeksverstag vastgestetde d oelen ; d. de ondersteuning is van goede kwatiteit, waaronder wordt verstaan, veitig, doeltreffend en ctiëntgericht. 2. Het cottege kan de inzet van niet professionele zorg weigeren of beëindigen indien niet aan de in het eerste tid genoemde voorwaarden is votdaan. V.
Artiket 2.1.23a wordt ats votgt gewijzigd: 1. De aanhef komt te [uiden: Kwaliteitseisen gesteld aan diensten van professionele zorgverleners ingekocht met een pgb 2. ln het eerste lid worden twee nieuwe onderdeten toegevoegd, onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel c door een puntkomma, [uidende: d. de professionete zorgvertener beschikt over een getdige Verktaring Omtrent het Gedrag (VOG, screeningsprofie[ 45) conform artiket 28 Wet justitiëte en strafuordertijke gegevens; e. de professionete zorgvertener past de verptichte meldcode huisetijk gewetd en kindermishandeting toe. W. Artike[ 2.1.26 komt te [uiden: Arti ket 2.1 .26 Jaa rtij kse waa rdering ma ntelzorgers 1. De jaarl,ijkse waardering voor mantetzorgers van ctiënten in de gemeente bestaat uit het uitreiken van het mantelzorgcomptiment. 2. Deze btijk van waardering bestaat uit een cadeaubon. 3. Het cottege kan bij nadere regets vaststelten op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarl,ijkse btijk van waardering voor de mantelzorgers van ctiënten in de gemeente. X.
Hoofdstuk 3 komt te [uiden 3. Jeugdhulp
3.1 Toeleiding en toegang Jeugdhulp
Artikel, 3.1.1 Definities ln dit hoofdstuk en de daarop berustende bepatingen wordt verstaan onder: algemeen toegankelijke voorzieningen: overige voorzieningen ats bedoetd in artiket 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het cottege is vereist; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappetijke ondersteuning of werk en inkomen, welzijn, sport en cuttuur;
eigen kracht: eigen mogetijkheden en probteemoplossend vermogen, ats bedoetd in artikel 2.3, eerste [id, van de wet; familiegroepsplan: het famitiegroepsptan bedoetd in artike[ 1.1 van de wet; hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhutp in verband met opgroei- en opvoedingsprobtemen, psychische problemen en stoornissen ats bedoetd in artikel 2.3, eerste [id, van de wet; individuele voorziening: via een verteningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het cottege in natura of bij pgb
wordt verstrekt; sociaal netwerk: andere personen binnen de kringvan familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en wetbevinden van de jeugdige of zijn ouders; wet: jeugdwet. Artikel, 3.1 .2Vormen va n jeugdhutp 1. De votgende vormen van atgemeen toeganketijke voorzieningen zijn in ieder gevaI beschikbaar: a. ondersteuning door Veens Wetzijn; b. vrijwittigersc i rcu it; c. zelfhulpgroepen; d. themabijeen komsten; e. jongerenwerk; f. informatie, advies en lichte ondersteuning rondom opgroeien en opvoeden; g. atgemene trainingen gericht op weerbaarheid, sociate vaardigheden en opvoedvaardigheden; h. praktijkondersteuning huisarts - Jeugd; i. onafhanketijke ctiëntondersteuning; j. jeugdgezondheidszorg; k. toeteiding door Centrum Jeugd en Gezin naar een passende atgemeen toegan ketij ke voorzien i ng; [. ambutante begeteiding door Centrum Jeugd en Gezin. 2. De votgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder gevaI beschikbaar: a. ambutant; i. diagnostiek; ii. dagbehandeting; iii. dagbesteding; iv. i ndividuete of groepsbegeteiding;
v. crisishutp; vi. vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhutptocatie; b. verbtijf; i. woonvormen; ii. residentieet; iii. gestoten verbtijf; iv. kortdu rend verbl.ijf; v. crisisverbtijf.
Artiket 3.1.3 Toegang jeugdhul,p via de huisarts, medisch speciatist of jeugdarts
1. Het col[ege draagt zorg, overeenkomstig artiket 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhutp na een verwijzing door de huisarts, medisch speciatist of jeugdarts naar een jeugdhutpaanbieder. 2. Het college maakt afspraken met de huisarts, medisch speciatist en jeugdarts over samenwerking om de jeugdige zo goed mogetijk te kunnen helpen, ieder vanuit zijn eigen rot. 3. Jeugdhutp die na verwijzing door de huisarts, medisch speciatist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders wordt verteend door een aanbieder van jeugdhul,p die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het cotlege soortgetijke jeugdhutp kan taten leveren door een jeugdhutpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidieretatie heeft. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich na een verwijzing, bij het beoordeten welke jeugdhutp nodig is in vorm, duur en frequentie aan de regets in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidieretatie. 5. Het cottege kan afwijken van het oordeel van de jeugdhutpaanbieder indien dit oordeet niet tot stand is gekomen conform de stappen, bedoetd in artikel 3.1.5, vierde [id, of nietvotdoet aan de professionete standaard.
Artikel 3.1.4Toegang jeugdhutp via de gemeente
1. Jeugdigen of ouders met een hutpvraag kunnen terecht bij het cotlege.
2. Een aanvraag kan bij het cottege worden ingediend nadat de jeugdige of zijn ouders zich met een hutpvraag hebben gewend tot het Centrum Jeugd en Gezin en er met het Centrum Jeugd en Gezin een gesprek over de hutpvraag heeft ptaatsgevonden. 3. Tijdens het gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin wordt de hu[pvraag onderzocht. lndien btijkt dat de hutpvraag ondervangen kan worden met een atgemene voorziening ats bedoetd in artikel 3.1.2, eerste [id, volgt geen aanvraag en nader onderzoek, tenzij hierom uitdrukketijk wordt verzocht door de jeugdige of zijn ouders. 4. lndien uit het gesprek bt¡jkt dat nader onderzoek nodig is naar de hulpvraag en wetke voorziening passend is, wordt een schriftetijke aanvraag ingediend middets een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend aanvraagformutier. 5. ln afwijking van het tweede tid kan een aanvra agzonder voorafgaand gesprek met het Centrum Jeugd en Gezin bij het cottege worden ingediend ats er sprake is van een veitigheidsrisico, bij uitzondering wanneer het een aanvraag betreft tot vertenging of herindicatie van een reeds toegekende voorziening of bij overige dringende redenen. 6. Voor het indienen van de aanwaag maakt de jeugdige of zijn ouders gebruik van het door het cottege in de nadere regets vastgestelde formulier. 7.
Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld in artikel, 3.1 .5, op de mogetijkheid gebruik te maken van kostetoze ctiëntondersteuning en op de mogeLijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan te verstrekken. 8. ln spoedeisende gevatten treft het cottege zo spoedig mogetijk een passende voorziening. Het cottege Leg[ de bestissing over de inzet van hutp in dat gevaI zo
snel mogetijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hutp, vast in een beschikking. 9. Jeugdigen of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een atgemeen toega n ketij ke voorzie n i ng.
Artikel, 3.1 .5 Onderzoek 1 . Na ontvangst van een aanvraag voert het cottege een onderzoek ats bedoeld in artiket 2.3van de wet uit. 2. Het cottege verzamel.t atte voor het onderzoek van betang zijnde en toeganketijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt zo spoedig mogetijk in overleg een afspraak voor een gesprek met de jeugdige of zijn ouders. 3. Gedurende het onderzoekverschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het cottege alte overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het cotlege voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redetijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. lndien het cottege daarom verzoekt, behoort hiertoe ook een identificatiedocument ats bedoetd in artikel 1 van de Wet op de identif icatiepticht. 4. Het coltege onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, het sociate netwerk en voor zover van toepassing de ctiêntondersteuner, en voor zover nodig: a. wat de hutpvraag van de jeugdige of zijn ouders is en wat die hutpvraag heeft doen ontstaan; b. de behoeften, persoonskenmerken, veitigheid, ontwikketing en de gezinssituatie van de jeugdige; c. of sprake is van opgroei- en opvoedingsprobtemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige en om welke probtemen het concreet gaat; d. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhutp; e.
wetke hul,p getet op de vastgestetde probtematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stetten om gezond en veitig op te groeien, te groeien naar zetfstandigheid of voldoende zetfredzaam te zijn en maatschappetijk te kunnen participeren; f. of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige of ouders of ondersteuning van het sociate netwerk toereikend zijn de hulpvraag (geheet of gedeeLtetijk) op te lossen; g. voor zover de eigen kracht ontoereikend is, of het inzetten van een atgemeen toeganketijke voorziening de hulpvraag geheet of gedeettetijk kan optossen; h. of en wetke ondersteuning aanvuttend nodig is in de vorm van een individuete voorziening; i. hoe bij de bepating van de aangewezen vorm van jeugdhutp rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de cutturete achtergrond van de jeugdige of zijn ouders; j. indien van toepassing, de manier waarop een individuete voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied vanzorg, onderwijs, maatschappetijke ondersteuning, werk en inkomen, wetzijn, sport en cultuur. 5. Ats de jeugdige of zijn ouders een famitiegroepsptan hebben opgestetd, betrekt het coltege dat bij het onderzoek.
6. Het cottege informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en ptichten en de vervotgprocedure. 7. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogetijkheid om te kiezen voor de verstrekkingvan een pgb waarbij in begrijpetijke bewoordingen wordt uitgetegd wat de gevotgen zíjn van die keuze. 8. Het cottege kan, met instemming van de jeugdige of ouders, informatie opvragen bij andere instanties, zoats de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de probtemen en de meest passende hutp. 9. Het cottege wint, met in achtneming van artikel 2.1 , van het Bestuit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, ats het onderzoek of de beoordeting van een aanvraag dit vereist. Dit advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordetijkheid van een adviseur die beschikt over een reg¡stratie ats professionat: a. bij de Stichting Kwaliteitsreg¡ster Jeugd in het kwatiteitsregister jeugd; b. bij het Nedertands lnstituut van Psychotogen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuete gezondheidszorg in het BIG- register. 10. De jeugdige en zijn ouders zijn verpticht om, binnen de eigen mogel,ijkheden, mee te werken aan onderzoek. 1 1 .
Ats de jeugdige of zijn ouders naar het oordeet van het coltege niet of onvotdoende meewerkt of meewerken aan het onderzoek en de benodigde jeugdhutp hierdoor niet kan worden vastgesteld, kan door het cottege de aanvr aagwo rden afgewezen.
Artikel 3.1.6 [Vervatten] Arti kel, 3.1 .7 Onderzoeksverslag 1 . Het cottege zorgt voor een schriftel,ijke verstagtegging van het onderzoek, bedoetd in artikel 3.1.5, in een onderzoeksverslag. ln dit onderzoeksverstag wordt ook het oordeel van het coltege over de noodzaak van een individuete voorziening vastgetegd. 2. Binnen tien werkdagen na afronding van het onderzoek verstrekt het cottege aan de jeugdige of zijn ouders het onderzoeksverstag. 3. De jeugdige of zijn ouders kunnen binnen een termijn van twee weken reageren op het verstag. Het college kan deze opmerkingen of aanvuttingen toevoegen aan het verstag.
Artiket 3.1.8 [Verva[[en]
Artiket 3. I .9 Verstrekking individ uele voorziening 1. Het cotlege neemt het onderzoeksverstag als uitgangspunt voor de beoordeting van een aanvraag om een individuete voorziening. 2. Een jeugdige of zijn ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het cotlege of een andere verwijzer vaststelt dat:
a. sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische probtemen of stoornissen bij de jeugdige; b. inzet noodzaketijk is om de jeugdige getet op deze problemen in staat te stetten: i. gezond en veitig op te groeien; ii. te groeien naar zel,fstandigheid; iií. votdoende redzaam te zijn en maatschappetijk te participeren; en c. de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende is om zetf of met behuLp van hun sociate netwerk binnen afzienbare tijd een passende oplossing
voor de hutpvraag te vinden. 3. Een andere of voortiggende voorziening kan de noodzaak tot jeugdh utp wegnemen of verminderen indien deze: a. daadwerketijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hutpvraag. 4. De inzet van een individuete voorziening is in beginsel tijdetijk en gericht op herste[ en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders. Bij het verstrekken van een individuete voorziening wordt attijd uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. 5. Een individuete voorziening jeugdhutp wordt toegekend a[s de inzet van de voorziening doel,treffend geacht kan worden. De doettreffendheid beoordeett het cottege door vast te stetlen of de individuete voorziening wezentijk bijdraagt aan het optossen van de hutpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6. Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgestetd in wetenschappeLijk onderzoek en de interventie is opgenomen als zijnde 'erkend' in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventie van het Nedertands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking. 7.
Ats een deel van de oorzaak van de hutpvraag is getegen in probtematiek bij de ouder dan hoort de ondersteuning van de ouder die voor dat gedeelte van de hulpvraag nodig is in beginsel onder de daarvoor getdende wettel,ijke voorziening voor volwassenen, ongeacht of de jeugdige zetf een beperking heeft. De hu[p die daarnaast nodig is voor de jeugdige is wel jeugdhutp, of noodzaketijke opvoedondersteuning. 8. Het cottege verstrekt a[[een een voorziening ats bedoeld in het tweede Lid a[s de gemaakte kosten zien op een periode vanaf het moment van indienen van de aanvraag. 9. Het cottege kan afwijken van het bepaatde in het achtste Lid in spoedeisende gevatlen ats bedoeld in artikel 3.1.4, achtste lid.
Artikel, 3.1.9a Beoordetingscriteria eigen kracht 1. Onder de eigen mogel,ijkheden van de ouders, bedoel,d in artiket2.3, eerste [id, van de wet, verstaat het cotlege de inzet die redetijkerwijs van ouders mag worden verwacht bij de verzorging, opvoeding en begeteiding van jeugdigen, getet op hun wettelijke verantwoordetijkheid op grond van artiketen 1:82 en 1:247 van
het Burgertijk Wetboek. Hieronder vatt in ieder geva[: a. het bieden van dagetijkse verzorging, opvoeding en toezicht, passend bij de teeftijd en ontwikketingsfase van de jeugdige; b. het aanleren van vaardigheden; c. het inschaketen van beschikbare en bereikbare hutpbronnen binnen het gezin of het sociate netwerk; en d. het bevorderen van de ontwikketingskansen, zetfstandigheid en maatsc ha ppetij ke pa rtici patie va n de jeugd ige. 2. Onder het probleemoplossend vermogen van de ouders, bedoetd in artike[ 2.3, eerste [id, van de wet, verstaat het cottege het vermogen van de ouders om op eigen initiatief, aI dan niet met ondersteuning uit hun sociate netwerk, maatregeten te treffen die de hutpvraag optossen of beperken. Hieronder vatt in ieder gevat: a. het benutten van beschikbare andere voorzieningen, waaronder in ieder geval begrepen: i. opvangmogetijkheden op basis van de Wet kinderopvang, a[ dan niet met gebruikmaking van een tijdetijke tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvangtoestag op basis van een sociaat-medische indicatie; ii. ondersteuning op grond van de Wmo; iii. aanspraak maken op de zorgverzekeringswet; iv. het maken van aanspraak op de aanvultende zorgverzekering, indien aanwezig; b. het benutten van beschikbare atgemeen toegankelijke voorzieningen; c. het herverdelen van zorgtaken of aanpassen van werk- of dagindeting; d.
het zoeken naar passende optossingen binnen het bestaande netwerk. 3. Bij de beoordeling van de eigen kracht van de ouders houdt het college rekening met de objectieve betemmeringen die de ouders ondervinden. 4. Van objectieve betemmeringen ats bedoetd in het derde l,id is sprake wanneer ouders, ondanks aantoonbare en redetijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzaketijke hutp aan hun kinderen te bieden of te organiseren. 5. Bij de beoordeting van de objectieve betemmeringen, bedoel.d in het derde lid, betrekt het cottege in ieder gevat: a. lichametijke of psychische beperkingen van de ouders die aantoonbaar invloed hebben op het bÍeden van de noodzaketijke hutp aan de jeugdige; b. beperkingen in kennis en vaardigheden díe niet binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeteerd; c. de mate waarin ouders gebruik kunnen maken van hun sociate netwerk; d. financiëte of maatschappetijke omstandigheden die een substantiëte betemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzaketijke hutp aan de jeugdige; e. ernst, duur en comptexiteit van de probtematiek van de jeugdige en de aard en omvang van de hulpvraag díe daaruit voortvtoeit; f. de gezinssituatie, waarbij meerdere jeugdigen met zorgvragen of alteenouderschap aantoonbaar een belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzaketijke hutp aan de jeugdige.
Artiket 3.1.9b Vervoer 1
. Uitgangspunt is dat ouders zetf verantwoordetijk zijn voor vervoer van de jeugdige
van en naar de jeugdhutpaanbieder. Hierbijwordt het vervoer van en naar de jeugdhutptocatie binnen een straa[ van zes kilometer in beginsel beschouwd ats behorend tot de eigen kracht van de jeugdige of ziin ouders. 2. Een vervoersvoorziening kan uitstuitend worden verstrekt indien dit aantoonbaar in het betang van de jeugdige is en: a. sprake is van een medische noodzaak, waarbij de mate van zetfredzaamheid van de jeugdige bepalend is, of; b. door de ouders ten behoeve van het cottege voldoende wordt aangetoond dat zíj niet in staat zijn, ook niet met behutp van hun sociate netwerk, om het vervoer zelfstandig uit te voeren, dan wel dat dit tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, en er geen andere passende oplossing mogelijk is. 3. Het cottege beoordeelt, overeenkomstig artikel 3.1.5 en 3.1.9a, in etke individuete situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvotdoende zijn om de eigen verantwoordetijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 4. Ats naar het oordeel van het cottege een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, wordt aangestoten bij het bepaatde in artikel 3.1.9, vierde tid. Hierbij getdt dat de kosten worden bepaatd op basis van de voorziening en vervoersindicatie tezamen.
Artike[ 3.1.9c Dystexie 1
. De zorgvoor kinderen van 4 tot 3 jaar met ernstige dystexie (ED), dysl,exie2org, 1
vatt onder de wet. 2. Voor dystexiezorg getdt dat deze atleen toeganketijk is voor de jeugdige nadat de ED- specialist van het Gentrum Jeugd en Gezin op basis van het Protocol Dystexie Diagnostiek en BehandeLing 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeting van Ernstige Dyslexie noodzaketijk is.
Artikel 3.1 .9d Va ktherapie
1. Vaktherapie is een non-verbate behandetvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de votgende vaktherapeutische disciptines: a. beetdende therapie; b. danstherapie; c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; en g. spettherapie. 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professionat die een erkende opteiding op HBO- of master niveau voor vaktherapie heeft votbracht. Een erkende opteiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accred itatieorga n isatie geaccred iteerd e opteid i ng.
3. Vaktherapie kan atteen worden ingezet ats jeugdhutp ats deze naar het oordeel van het coltege een noodzaketijk onderdeeI uitmaakt van de totate behandeting en ats er geen passend atternatief beschikbaar is. 4. Vaktherapie kan atteen worden ingezet onder verantwoordetijkheid van een professionaI die is ingeschreven in het Register Vaktherapie. 5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op dierondersteunende interventies.
Artikel. 3.1.9e Afstemming met voortiggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het cotlege stemt de jeugdhutp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middeten op grond van: a. de Leerptichtwet; b. de Participatiewet; c. d e Wet gemee ntel.ijke sch u td hutpverteni n g; d. de Wet lnburgerin€2021; e. de Wet kinderopvang; f. de Wet langdurige zorg; g. de Wet maatschappetijke ondersteuning 2015; h. de Wet passend onderwijs; i. de Wet pubtieke gezondheid; j. de Wet tijdetijk huisverbod; k. de Wet verptichte geestetijke gezondheidszorg; en [, de Zorgverze keri n gswet, zodat deze zoveet mogetijk op elkaar aanstuiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuiteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2. Het cottege weegt bij de afstemming van de jeugdhul,p de votgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b. de eigen kracht van een jeugdige of een ouder, bedoeld in artikel 3.1.9a, en de mogel,ijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hutp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hutp en ondersteuning getijktijdig kan of moet worden ingezet; d.
wetke hutp en ondersteuning teidt tot de minste maatschappetijke kosten op lange termijn. 3. Het cottege onderzoekt tijdig wetke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige die hul,p ontvangt op grond van de wet. Daarbijwordt beoordeetd op wetke wijze en vanuit wetke andere voorzieningen (Wet maatschappel.ijke ondersteuning, Wet tangdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet)de benodigde ondersteuning kan worden ingezet, met ats doel de continuiTeit van de ondersteuning zo goed mogetijk te waarborgen.
Artiket 3.1 .1 0 Bestistermijn 1. Het cottege bestist binnen I weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het cottege kan deze termijn met ten hoogste 8 weken verlengen
Artikel, 3.1.11 1. Het cotlege Legt de bestissing over het toekennen of afwijzen van een individuete voorziening vast in een beschikking. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura worden in de beschikking in ieder gevat vastgetegd: a. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken; b. de te treffen voorziening; c. de omvang van de voorziening; d. wat de gestetde doeten zijn; e. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; f . hoe de voorziening wordt verstrekt; en g. indien van toepassing, welke andere voorzieningen retevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening ats pgb wordt in de beschikking vastgetegd: a. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken; b. wat de gestetde doeten zijn; c. voor wetke individuete voorziening het pgb kan worden aangewend; d. wetke kwatiteitseisen getden voor de bestedingvan het pgb; e. wetke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; f. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; g. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoetd; en h. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het onderzoeksverstag, bedoetd in artikel 3.1.7, maakt in deel uit van de beschikking
Artikel,3.1.12 Regets voor pgb 1. Het cottege verstrekt een pgb in overeenstemming met artiket 8.1.1 van de wet. 2. Ats een jeugdige of zijn ouders in aanmerking komen voor een individuete voorzienin g, maar de jeugdhutp zetf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouders daartoe een budgetptan in. ln het budgetptan is opgenomen: a. de motivatie om de jeugdhutp in de vorm van een pgb te ontvangen; b. bij wetke aanbieder zij de jeugdhutp wilten inkopen en hoe de jeugdhutp is georganiseerd; c. hoe de kwaliteit van de jeugdhulpvoorziening is gewaarborgd en op wetke wijze wordt vastgestetd dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb
wordt verstrekt; d. hoe de jeugdige of diens ouders, met hutp van een vertegenwoordiger of iemand uit het sociate netwerk, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zal uitvoeren; e. wat de kosten voor de jeugdhutp zijn uitgedrukt in eenheden en tarief . 3. Een jeugdige of zijn ouders kunnen gebruik maken van een vertegenwoordiger bij het beheer van het pgb. lndien gebruik wordt gemaakt van een vertegenwoordiger getden de votgende voorwaa rden: a. de vertegenwoordiger mag niet tevens de zorgvertener zijn; b. de vertegenwoordiger heeft geen directe familiaire of zaketijke retatie met de zorgvertener of met de organisatie waar de zorg wordt ingekocht;
c. de vertegenwoordiger is in staat de belangen van de jeugdige onafhanketijk te behartigen en het pgb op verantwoorde wijze te beheren. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhutp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociate netwerk: a. de jeugdhutp betreft persoontijke verzorging of permanent toezicht; b. deze persoon heeft aangegeven dat het teveren van de jeugdhutp voor hem niet tot overbelasting Leidt. 5. Het cotlege kan, indien nodig, laten toetsen of de persoon, bedoetd in hetvierde [id, verantwoorde jeugd hutp kan leveren. 6. lndien de ouder van de jeugdige zetf optreedt ats zorgvertener, treedt deze niet op als beheerder van het pgb. ln dat gevaI wordt een afzondertijke vertegenwoordiger aangewezen die votdoet aan de voorwaarden, bedoetd in het derde tid. 7. Het coltege kan afwijken van het zesde lid indien: a. dit aantoonbaar in het beLang is van de jeugdige; b. de kwatiteit van de zorgverlening gewaarborgd btijft, en; c. er geen reëel atternatief beschikbaar is in de vorm van een andere geschikte vertegenwoord iger of zorgve rtener. 8. Het pgb wordt in ieder gevaI niet gebruikt voor: a. kosten voor bemiddeting, tussenpersonen of betangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d.