8.b Zienswijzen ontwerp TAM-omgevingplan.FGZ, dgb 3.geanonimiseerd
Tekst van het document
INGEKOMEN
0 9 FEB. 2026 GEMEENTE VEENENDAAL
II1111illlIIIIIIIINu
AANGETEKEND
De gemeenteraad van Veenendaal Postbus 1100 3900 BC VEENENDAAL
09 feb 2026 / 001005
RRRG SE Nederland Postbus 230 5.1.2e
Leusden
5.1.2e
Tevens per mail: info@veenendaal.nl
5.1.2e
Leusden
T 5.1.2e F 5.1.2e www.arag.nl
Dotum Ons kenmerk Uw kenmerk Onderwerp
6 februari 2026 01483007 2456 Aanvulling zienswijze
Behandeld door E-moil Telefoonnummer
5.1.2e 5.1.2e
@arag.nl
5.1.2e
Faxnummer
Geachte heer, mevrouw, Namens cliënte, 5.1.2e , wonende op 5.1.2e , 5.1.2e te Veenendaal, heeft mijn collega, 5.1.2e , in mijn opdracht per brief van 23 januari 2026 een pro-forma zienswijze ingediend tegen het "TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3". Voornoemd ontwerp TAM-omgevingsplan lag eerder vanaf 16 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage. Bij uw brief van 26 januari 2026 hebt u mij in de gelegenheid gesteld om namens cliënte de zienswijze tot en met maandag 9 februari 2026 aanvullend te motiveren. Hierbij ontvangt u derhalve de aanvullende gronden van de zienswijze.
99000(01-25)
Bouwen buiten de bestaande bouwvlakken en toename van de bouwhoogte
Middels het ontwerp TAM-omgevingsplan (hierna: het plan) wordt beoogd om maximaal 168 woningen mogelijk te maken op de locatie Franse Gat, deelgebied 3 te Veenendaal. Momenteel is ter plaatse het bestemmingsplan 'woongebieden 2018' van toepassing, op basis waarvan achter de woning van cliënten enkel aaneengebouwde woningen mogen worden gerealiseerd. Daarbij geldt op basis van het thans geldende planologische regime een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 10,00 en 6,00 meter. Op basis van het voorgenomen plan wordt beoogd om gestapelde woningen te realiseren met variërende bouwhoogten tussen de 10,00 en 13,00 meter. Omdat het gaat om gestapelde woningen zal er geen sprake zijn van daken met een kapvorm, maar 'platte daken', waardoor de goot- en bouwhoogte gelijkluidend zijn. Dit betekent dat cliënte in de toekomstige situatie tegen een grote massa aan blokbebouwing gaat aankijken, waarbij de bebouwing ook — in vergelijking met de bestaande aaneengebouwde woningen - dichter op haar perceel wordt gesitueerd. Ik merk voor de volledigheid tevens op dat nergens in de directe omgeving, voor zover de planologische mogelijkheden reiken, een bouwhoogte van 13,00 meter aanwezig is. Op basis van het bestemmingsplan "Woongebieden 2018" geldt immers dat de omliggende woningen allen een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 10,00 en 6,00 meter mogen hebben.
Daarnaast geldt voor de woningen in het Franse Gat deelgebied 1 dat deze woningen maximale een bouw- en goothoogte van respectievelijk 11,00 (deelgebied 1) en 6,00 meter mogen hebben. Voor deelgebied 2 mogen de woningen een maximale bouw- en goothoogte RRRG SE Nederland stotutalr gevestigd te D'usseldorf (Duitsland) KvK 55794173 . IBRN 5.1.2f
BTW 6:230b
Pogina
2 van 4
Onderwerp
Aanvulling zienswijze
van respectievelijk 8,00 meter en 6,00 meter hebben. Het vorenstaande toont te meer duidelijk aan dat een bouwvlak voor gestapelde woningen met een maximale bouwhoogte (en
googhoogte) in de vorm van gestapelde woningen in deze omgeving een 'vreemde eend in de bijt' betreft en niet als ruimtelijk passend kan worden beschouwd. De voorgenomen
bebouwing voor deelgebied 3 zorgt daarom ook voor een niet aanvaardbare en onevenredige impact op het woon- en leefgenot van cliënte, hetgeen maakt dat het voorgenomen plan niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Cliënte verzoek u gelet op het vorenstaande op dit punt dan ook om het plan zodanig aan te passen,
dat de maximale bouwhoogte wordt afgestemd op de woningen in de omgeving (lees: maximaal 10,00 meter bouwhoogte). Parkeren en verkeer Achter de woning en het perceel van cliënte is voorts ruimte gemaakt om parkeervoorzieningen ten behoeve van de nieuwe woningen te realiseren. Naast dat dit
zodanig planologisch is bestemd (door aan deze gronden de enkelbestemming'Verkeer — activiteiten binnen verkeer — toegestaan' toe te kennen, waarbij onder meer het aanleggen
van voorzieningen ten behoeve van het wegverkeer zijn toegestaan) is dit eveneens terug te zien op afbeeldingen die in de toelichting van het ontwerp TAM-omgevingsplan zijn opgenomen. Ik wijs u voor de volledigheid daarbij op de onderstaande afbeelding van bouwblokken 3A en 3B, welke achter de woning c.q. het perceel van cliënte zouden moeten komen.
lJ~
I0+
Cliënte wijst erop er op dit punt wederom onvoldoende is nagedacht over de gevolgen die de
beoogde wijzigingen met zich mee zal brengen voor haar. In de huidige situatie is het namelijk zo dat cliënte de achtertuin kan bereiken via een brandgang die grenst aan de Bart Poesiatstraat. In de voorgenomen nieuwe situatie, na realisatie van het plan, is dit gebied
Pagina
3 van 4
Onderwerp
Aanvulling zienswijze
bestemd voor parkeerplaatsen ten behoeve van de te realiseren koopappartementen voor de woningen in blokken 3A en 3B. Het is voor cliënte niet duidelijk in hoeverre zij daarmee nog steeds de mogelijkheid heeft om de brandgang tot haar tuin te bereiken. Daarnaast wijst cliënte erop dat zij ook regelmatig — door parkeerproblemen in de buurt die uw gemeente zelf
ook in de toelichting van het ontwerp TAM-omgevingsplan omschrijft — genoodzaakt is te parkeren op de openbare parkeerplaatsen in de Bart Poesiatstraat. Deze parkeergelegenheid gaat voor cliënte nu ook verloren, doordat er parkeerplaatsen worden beoogd voor de nieuwe koopappartementen. Cliënte heeft bovendien ook tijdens een van de inloopavonden vernomen dat het zou gaan om een gesloten parkeerterrein, waardoor zij dus in zijn geheel
niet meer achter haar woning kan parkeren dan wel de brandgang en toegang tot haar achtertuin kan bereiken. Kort en wel wordt cliënte hiermee onevenredig in haar woon- en leefbelangen geschaad en voldoet het voorgenomen plan op dit punt eveneens niet aan een
ETFAL. Het plan is door een onevenwichtige belangenafweging en ontbreken van enige motivering hieromtrent ook evident in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Open galerijen van de gestapelde woningen Cliënte wil u er verder nog op wijzen dat in de toekomstige situatie er galerijen komen die direct uitzicht en inkijk geven op hun perceel alsmede in hun woning. Hierover is nu niets in het ontwerp TAM-omgevingsplan opgenomen. Cliënte meent derhalve dat haar zwaarwegende woon- en leefbelangen alsmede haar privacy op dit punt onvoldoende wordt
gewaarborgd in het ontwerp TAM-omgevingsplan. Zodoende is er sprake van een onevenwichtige belangenafweging en voldoet het ontwerp TAM-omgevingsplan niet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Indien u toch middels een
nadere motivering zou menen dat de realisatie van gestapelde woningen met dergelijke galerijen ter plaatse is gerechtvaardigd, verzoek ik u namens cliënten om in het voorgenomen plan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin u expliciet vastlegt dat eventuele galerijen aan de achterzijde — die uitzicht en inkijkgeven op het perceel en de woning van cliënte — dienen te worden voorzien van een dichte galerij (en indien het zou gaan om een
semi-dichte galerij van ondoorzichtig glas, voor zover er ramen worden gerealiseerd). Gestapelde woningen komen immers niet voor in de directe omgeving en galerijen op dusdanige hoogte (gelet op de toename van de bouwhoogte) zijn volgens cliënte evident in strijd met een ETFAL. Verzoek(en) Gelet op het vorenstaande wil ik u namens cliënte verzoeken om het thans voorliggende ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen. Mocht u menen dat de bouwplannen toch
doorgang dienen te krijgen, dan verzoek ik u in ieder geval om het TAM-omgevingsplan conform de zienswijze(n) van cliënte aan te passen en deze gewijzigd vast te stellen. Tevens wil ik u namens cliënte verzoeken om in het vervolg nadere correspondentie in deze kwestie aan ARAG te richten, onder vermelding van mijn naam en ons boven deze brief genoemde kenmerk. Het verzoek is daarbij uiteraard conform de wet ook om ons in te lichten wanneer er sprake is van nieuwe ontwikkelingen in de procedure alsmede het nemen van een definitief besluit omtrent het voorgenomen plan.
ARAG ~
Pogino
4 van 4
Onderwerp
Aanvulling zienswijze
Met vriendelijke groet, ARAG Rechtsbijstand
5.1.2e
5.1.2e
Jurist bestuurs- en omgevingsrecht
PostNL Port Betaald Port Payé Pays-Bas
Postbus 230, 5.1.2e
Leusden
kenmerk 01483007 / 5.1.2e the Netherlands , Frankering betaald
R Aangetekend D-A-1 POSTNL
De gemeenteraad van Veenendaal Postbus 1100 VEENENDAAL
5.1.2e
5.1.2e
01-25)
6:230b
6:230b
ll 11
11
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkennend bodemonderzoek (tb2)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkennend bodemonderzoek (tb2)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan is gebaseerd op het verkennend bodemonderzoek (rapport tb2). Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze richt zich uitsluitend op: •
het verkennend bodemonderzoek, inclusief asbest en PFAS (rapport tb2);
•
de wijze waarop dit onderzoek is gebruikt ter onderbouwing van de bodemgeschiktheid voor wonen.
Andere milieu- of planaspecten blijven in deze zienswijze buiten beschouwing.
2. Locatie expliciet aangemerkt als ‘verdacht’ In het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd: “Op basis van de gegevens van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht gekarakteriseerd met betrekking tot de aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de bodem.” (Verkennend bodemonderzoek, p. 8) Dit betekent dat niet kan worden uitgegaan van een ongestoorde of schone bodem. Juist in dat geval vereist de Omgevingswet een zorgvuldige, volledige en onvoorwaardelijke onderbouwing dat de bodem geschikt is voor een gevoelige functie als wonen.
3. Asbest: reëel risico, onvoldoende onderzocht
Het rapport stelt expliciet: “Gezien de aanlegperiode van de bebouwing (1950–1960) kan de bouw indirect geleid hebben tot een bodemverontreiniging met asbesthoudend materiaal.” (p. 8) Daarnaast wordt vastgesteld: “Aangezien de woningen momenteel bewoond zijn, kan er geen onderzoek in de gebouwen plaatsvinden.” (p. 9) Hieruit volgt dat: •
asbestrisico’s niet zijn uitgesloten;
•
delen van de locatie niet onderzocht konden worden;
•
onzekerheden blijven bestaan over de bodemkwaliteit onder en nabij bestaande bebouwing.
Desondanks wordt geconcludeerd dat de bodem geen belemmering vormt. Deze conclusie is onvoldoende gemotiveerd, nu niet is uitgesloten dat bij sloop en grondverzet gezondheidsrisico’s ontstaan voor bewoners en omwonenden.
4. PFAS: aanvullend onderzoek vereist, maar niet afgerond Het rapport vermeldt: “Vanwege het landelijk ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond’ dient de grond van de gehele locatie aanvullend onderzocht te worden op PFAS.” (p. 8) Dit betekent dat: •
het bodemonderzoek niet compleet is;
•
essentiële gegevens over PFAS ontbreken;
•
nog niet vaststaat of hergebruik of afvoer van grond mogelijk is.
Het ontwerp-omgevingsplan gaat hieraan voorbij en baseert zich op een onvolledig onderzoek, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
5. Voorwaardelijke conclusies en doorschuiven naar uitvoeringsfase
Hoewel het rapport meerdere onzekerheden benoemt, wordt geconcludeerd dat de bodem geen belemmering vormt voor woningbouw. Deze conclusie is echter voorwaardelijk en afhankelijk van: •
aanvullend onderzoek;
•
eventuele sanering;
•
naleving van uitvoeringsmaatregelen.
Deze voorwaarden zijn niet juridisch bindend vastgelegd in het omgevingsplan. Daarmee wordt de beoordeling van bodemgeschiktheid feitelijk doorgeschoven naar de uitvoeringsfase, terwijl deze planologisch moet zijn verzekerd.
6. Strijd met zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel Gelet op: •
de kwalificatie van de locatie als ‘verdacht’;
•
het ontbreken van volledig asbest- en PFAS-onderzoek;
•
het feit dat niet alle gronden onderzocht konden worden;
•
het ontbreken van planologische borging van vervolgmaatregelen,
is het verkennend bodemonderzoek onvoldoende basis voor de vaststelling van het ontwerp TAM-omgevingsplan. Dit is in strijd met: •
het zorgvuldigheidsbeginsel;
•
het motiveringsbeginsel;
•
het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. Conclusie: bodemgeschiktheid onvoldoende aangetoond Op basis van het rapport tb2 kan niet onvoorwaardelijk worden vastgesteld dat: •
de bodem geschikt is voor wonen;
•
geen gezondheidsrisico’s bestaan voor (toekomstige) bewoners;
•
sanerings- en beheersmaatregelen niet noodzakelijk zijn.
Daarmee ontbreekt een deugdelijke planologische onderbouwing.
8. Verzoek
Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. het bodemonderzoek volledig is afgerond, inclusief PFAS en asbest; 2. eventuele sanerings- en beheersmaatregelen planologisch bindend zijn vastgelegd; 3. is aangetoond dat de bodem onvoorwaardelijk geschikt is voor een woonfunctie. Hoogachtend, 5.1.2e
26-1-26 Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op onderzoek stikstofdepositie (tb4)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op onderzoek stikstofdepositie (tb4)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan is gebaseerd op het onderzoek stikstofdepositie (rapport tb4), opgesteld door Sweco Nederland B.V. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze richt zich uitsluitend op: •
het onderzoek stikstofdepositie Franse Gat fase 3 (rapport tb4);
•
de conclusies over het al dan niet kunnen uitsluiten van significante effecten op Natura 2000-gebieden;
•
de wijze waarop dit onderzoek is gebruikt als onderbouwing voor de vaststelling van het ontwerp-omgevingsplan.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Relevantie Natura 2000-gebieden en overbelaste habitats In het rapport wordt vastgesteld dat meerdere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het project liggen: “Rondom het projectgebied zijn de volgende Nederlandse Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden aanwezig.” (Rapport tb4, p. 6) Daarbij wordt expliciet benoemd dat in deze gebieden sprake is van een structurele overbelasting:
“In de Nederlandse Natura 2000-gebieden is door een overbelasting met stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) de staat van instandhouding van veel soorten en habitats niet gunstig.” (p. 5) Dit betekent dat het plan zich afspeelt in een juridisch zeer gevoelig stikstofkader, waarin slechts bij volledige zekerheid kan worden geconcludeerd dat significante effecten zijn uitgesloten.
3. Vastgestelde toename stikstofdepositie tijdens realisatiefase Het rapport concludeert dat tijdens de realisatiefase daadwerkelijk een toename van stikstofdepositie optreedt: “Alleen de emissies die vrijkomen tijdens de realisatiefase veroorzaken een toename in stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar.” (p. 13) Concreet wordt vastgesteld: “De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie […] bedraagt 0,02 mol N/ha/jaar.” (p. 14) Deze toename treedt op in het Natura 2000-gebied Binnenveld, waar reeds sprake is van (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW).
4. Juridisch relevante conclusie: significante effecten niet uitgesloten Het rapport trekt zelf een juridisch doorslaggevende conclusie: “Omdat er sprake is van een tijdelijke depositietoename, zijn negatieve effecten in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden niet op voorhand uitgesloten.” (p. 14) Dit betekent dat: •
significante effecten niet kunnen worden uitgesloten;
•
het plan niet vergunningvrij is onder het Natura 2000-regime;
•
een nadere ecologische beoordeling noodzakelijk is.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een plan niet worden vastgesteld zolang deze zekerheid ontbreekt.
5. Ontbreken ecologische beoordeling / passende beoordeling Hoewel het rapport expliciet stelt dat vervolgonderzoek noodzakelijk is: “In een ecologische beoordeling zal worden onderzocht of significant negatieve gevolgen […] kunnen worden uitgesloten.” (p. 14) is: •
deze ecologische beoordeling niet bij het ontwerp-omgevingsplan gevoegd;
•
geen passende beoordeling uitgevoerd;
•
geen mitigerende of compenserende maatregelen planologisch vastgelegd.
Daarmee ontbreekt de vereiste zekerheid “op voorhand”, zoals vereist onder de Omgevingswet en artikel 6 Habitatrichtlijn.
6. Onjuiste doorschuiving naar latere fase Door het ontbreken van een ecologische beoordeling wordt de toetsing: •
feitelijk doorgeschoven naar een later vergunningentraject;
•
losgekoppeld van de planologische besluitvorming.
Dit is in strijd met vaste rechtspraak, waarin is bepaald dat: •
significante effecten planologisch moeten worden uitgesloten;
•
onzekerheden niet mogen worden doorgeschoven naar de uitvoeringsfase.
7. Strijd met Omgevingswet en jurisprudentie Gelet op: •
de vastgestelde stikstofdepositietoename;
•
het ontbreken van zekerheid over het uitblijven van significante effecten;
•
het ontbreken van een ecologische of passende beoordeling;
•
het ontbreken van planologisch geborgde mitigerende maatregelen,
is het ontwerp TAM-omgevingsplan in strijd met: •
artikel 5.1 en 5.10 Omgevingswet;
•
artikel 6 Habitatrichtlijn;
•
het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
8. Conclusie: stikstofonderbouwing onvoldoende Het onderzoek tb4 toont aan dat: •
sprake is van een meetbare toename van stikstofdepositie;
•
significante effecten niet zijn uitgesloten;
•
nadere ecologische beoordeling noodzakelijk is.
Onder deze omstandigheden kan het ontwerp TAM-omgevingsplan niet rechtmatig worden vastgesteld.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. een volledige ecologische beoordeling / passende beoordeling is uitgevoerd; 2. significante effecten op Natura 2000-gebieden met zekerheid zijn uitgesloten; 3. eventuele mitigerende of compenserende maatregelen planologisch bindend zijn vastgelegd. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op evaluatierapport participatieproces (tb5). Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op evaluatierapport participatieproces (tb5)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e
Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met het evaluatierapport participatieproces (rapport tb5), opgesteld door SIR communicatie & participatie d.d. 19 februari 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het Evaluatierapport participatieproces deelgebied 3, Franse Gat Zuid (rapport tb5);
•
de wijze waarop dit rapport is gebruikt ter onderbouwing van de stelling dat aan de participatie-eisen van de Omgevingswet is voldaan;
•
de betekenis die het bevoegd gezag aan dit rapport heeft toegekend in de planologische besluitvorming.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Evaluatierapport heeft geen planologische of juridische toetsingswaarde Het rapport vermeldt expliciet dat het doel van de evaluatie is: “om samen met bewoners, ondernemers en projectgroep terug te kijken op het participatieproces en om ervan te leren voor toekomstige projecten.” (tb5, Managementsamenvatting) Hieruit volgt dat:
•
het rapport niet is opgesteld als juridisch-inhoudelijke toets;
•
het rapport geen beoordeling bevat van de planologische aanvaardbaarheid;
•
het rapport geen analyse bevat van de vraag of participatie daadwerkelijk heeft geleid tot evenwichtige belangenafweging.
Desondanks wordt het rapport in de toelichting bij het ontwerp-omgevingsplan kennelijk gebruikt als onderbouwing dat het participatieproces “zorgvuldig” is geweest. Daarmee krijgt het rapport een juridische betekenis die het zelf niet pretendeert en ook niet kan dragen.
3. Methodiek gericht op procesbeleving, niet op rechtsbescherming Het rapport is opgesteld aan de hand van de Relevant Gesprek®-methodiek, welke – blijkens het rapport – is gericht op: •
proceservaring;
•
communicatie;
•
verwachtingsmanagement;
•
tevredenheid van deelnemers.
Deze methodiek toetst niet: •
of alle relevante belangen daadwerkelijk zijn meegewogen;
•
of inhoudelijke bezwaren serieus en verifieerbaar zijn beoordeeld;
•
of keuzes planologisch en juridisch zijn gemotiveerd.
Daarmee kan deze evaluatie niet dienen als vervanging van een juridischinhoudelijke motivering, zoals vereist onder de Omgevingswet.
4. Beperkte en niet-representatieve deelname Het rapport vermeldt dat: •
360 adressen tot de participatiecirkel behoorden;
•
slechts 66 bewoners de enquête hebben ingevuld.
Dit betekent een respons van circa 18%. Het rapport trekt echter conclusies over “bewoners” in algemene zin, zoals: “Bewoners geven aan zich goed geïnformeerd en betrokken te voelen.” (tb5, conclusies)
Deze generaliserende conclusies zijn: •
statistisch en inhoudelijk niet representatief;
•
onvoldoende onderbouwd;
•
juridisch niet geschikt om te concluderen dat het participatieproces breed gedragen is.
5. Kritiek wordt gerelativeerd, niet inhoudelijk beoordeeld Het rapport stelt: “Een kleine groep deelnemers is niet volledig tevreden en uit vooral kritiek op de inhoudelijke keuzes binnen de nieuwbouwplannen.” (tb5, conclusies) Deze passage: •
kwalificeert kritiek als een kwestie van “tevredenheid”;
•
bevat geen inhoudelijke analyse van de bezwaren;
•
laat in het midden of deze bezwaren planologisch relevant zijn.
Onder de Omgevingswet is participatie echter geen tevredenheidsmeting, maar een instrument om belangen inzichtelijk te maken en zorgvuldig af te wegen. Dat blijkt hier niet.
6. Ontbreken van aantoonbare doorwerking van participatie in besluitvorming Hoewel het rapport stelt dat input is “meegewogen”, ontbreekt: •
een concrete koppeling tussen inbreng en planregels;
•
een inzichtelijke belangenafweging;
•
een toetsbare motivering waarom bepaalde wensen of bezwaren zijn verworpen.
Daarmee is niet controleerbaar of participatie daadwerkelijk invloed heeft gehad op het uiteindelijke plan, hetgeen wel vereist is voor een zorgvuldige besluitvorming.
7. Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel Door het evaluatierapport tb5 te gebruiken als onderbouwing dat aan de participatieeisen is voldaan, terwijl:
•
het rapport geen juridisch toetsingskader hanteert;
•
geen inhoudelijke beoordeling van bezwaren bevat;
•
geen verifieerbare belangenafweging inzichtelijk maakt,
handelt het bevoegd gezag in strijd met: •
het zorgvuldigheidsbeginsel;
•
het motiveringsbeginsel;
•
de eisen die de Omgevingswet stelt aan participatie bij planvorming.
8. Conclusie: participatieonderbouwing onvoldoende Het evaluatierapport participatieproces (tb5): •
is primair procesmatig en reflectief van aard;
•
is niet bedoeld en niet geschikt als juridische onderbouwing;
•
toont niet aan dat sprake is van een evenwichtige en navolgbare belangenafweging.
Daarmee kan dit rapport niet dienen als dragende onderbouwing voor de vaststelling van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. inzichtelijk is gemaakt hoe participatie-inbreng concreet is gewogen in de planvorming; 2. inhoudelijke bezwaren expliciet en gemotiveerd zijn beoordeeld; 3. participatie niet enkel procedureel, maar ook inhoudelijk toetsbaar is onderbouwd. Hoogachtend, 5.1.2e
26-1-26 Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op rapport Weging van het waterbelang (tb6)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op rapport Weging van het waterbelang (tb6)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e
Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met het rapport “Weging van het waterbelang – Franse Gat deelgebied 3” (rapport tb6), opgesteld door RB-water d.d. 20 oktober 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het rapport “Weging van het waterbelang – Franse Gat deelgebied 3” (tb6);
•
de wijze waarop dit rapport wordt gebruikt ter onderbouwing van de conclusie dat het waterbelang voldoende is meegewogen;
•
de planologische aanvaardbaarheid van het ontwerp-omgevingsplan vanuit het perspectief van waterveiligheid, waterkwantiteit en grondwater.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader: weging van het waterbelang onder de Omgevingswet Het rapport stelt terecht dat onder de Omgevingswet het instrument “weging van het waterbelang” van toepassing is (artikel 5.37 Bkl). Dit brengt mee dat: •
waterbelangen volwaardig en integraal moeten worden betrokken bij planvaststelling;
•
het bevoegd gezag moet aantonen dat waterveiligheid, wateroverlast, grondwater en klimaatadaptatie voldoende zijn geborgd;
•
onzekerheden niet mogen worden doorgeschoven naar een latere uitwerkingsfase zonder planologische borging.
De enkele aanwezigheid van een beschrijvend rapport is daarvoor onvoldoende; vereist is een navolgbare en juridisch verifieerbare belangenafweging.
3. Structurele onzekerheden in grondwater en infiltratie Het rapport erkent expliciet dat cruciale gegevens ontbreken: “De waterdoorlatendheid is in-situ (nog) niet onderzocht.” (tb6, par. 3.3) Desondanks wordt uitgegaan van infiltratievoorzieningen als dragend onderdeel van de waterhuishouding. Het rapport vermeldt slechts dat: “vooralsnog geen problemen worden verwacht” (tb6, par. 3.3) Deze verwachting is niet onderbouwd met metingen of berekeningen en voldoet daarmee niet aan de vereiste mate van zekerheid. Juist in een gebied waar: •
de GHG plaatselijk op 0,7 m beneden maaiveld ligt;
•
sprake is van kwel en een actief drainagestelsel;
•
water-op-straat reeds voorkomt bij hevige neerslag,
kan infiltratie niet zonder nadere onderbouwing als robuuste oplossing worden aangemerkt.
4. Doorschuiven van essentiële beoordeling naar latere fase Het rapport vermeldt herhaaldelijk dat: •
exacte dimensionering;
•
systeemkeuze;
•
ligging en hoogteligging;
•
civieltechnische uitwerking;
pas in een latere fase zullen worden bepaald. Daarmee wordt de kernvraag – of het plan waterhuishoudkundig aanvaardbaar is – feitelijk doorgeschoven naar de uitvoeringsfase. Dit is juridisch onaanvaardbaar, nu: •
het omgevingsplan het toetsingskader vormt;
•
waterbelangen reeds bij planvaststelling afdoende moeten zijn gewogen;
•
onzekerheden niet mogen worden opgelost via toekomstige vergunningverlening.
5. Onvoldoende borging bij extreme neerslag en klimaatverandering Hoewel het rapport verwijst naar klimaateffecten en water-op-straat bij buien van 46 en 74 mm per uur, blijft de planologische borging beperkt tot algemene uitgangspunten, zoals: “Toekomstige bouwpeilen worden minimaal 20 tot 30 cm hoger aangelegd.” (tb6, par. 3.9) Deze maatregel: •
is niet juridisch vastgelegd in regels of verbeelding;
•
biedt geen bescherming tegen wateroverlast in de openbare ruimte;
•
voorkomt geen toename van risico’s voor omliggende percelen.
Daarmee is niet inzichtelijk gemaakt dat het plan ook onder extreme klimaatscenario’s voldoet aan het beginsel van niet-afwentelen.
6. Afwezigheid van oppervlaktewater en beperkte afvoercapaciteit Het rapport stelt vast dat: “in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater is gelegen.” (tb6, par. 3.7) Dit betekent dat: •
afvoer- en bergingsmogelijkheden beperkt zijn;
•
infiltratie en ondergrondse berging essentieel zijn;
•
falen van deze systemen directe gevolgen heeft voor wateroverlast.
Juist in deze context is het ontbreken van harde, onderbouwde garanties problematisch en kan niet worden volstaan met globale aannames.
7. Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel Gelet op: •
het ontbreken van in-situ onderzoek;
•
het ontbreken van uitgewerkte en geborgde maatregelen;
•
het doorschuiven van essentiële keuzes naar latere fases;
•
de bekende bestaande wateroverlast in het gebied,
kan niet worden geconcludeerd dat het waterbelang zorgvuldig en evenwichtig is meegewogen. Het rapport tb6 heeft daarmee een beschrijvend en verkennend karakter, maar mist de juridische diepgang die vereist is om een omgevingsplan te dragen.
8. Conclusie: weging waterbelang onvoldoende onderbouwd Het rapport “Weging van het waterbelang” (tb6): •
bevat relevante achtergrondinformatie;
•
signaleert terechte risico’s en aandachtspunten;
•
maar laat essentiële onzekerheden bestaan.
Daarmee biedt het rapport onvoldoende basis om te concluderen dat het ontwerp TAMomgevingsplan waterhuishoudkundig aanvaardbaar is.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. aanvullend in-situ onderzoek naar waterdoorlatendheid en grondwater is uitgevoerd; 2. waterbergings- en infiltratievoorzieningen volledig zijn uitgewerkt en berekend; 3. deze voorzieningen planologisch bindend zijn vastgelegd; 4. is aangetoond dat geen toename van wateroverlast optreedt, ook niet bij extreme neerslag. Hoogachtend, 5.1.2e
26-1-26 Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling (tb7)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling (tb7)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met de aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage (rapport tb7), opgesteld door Sweco Nederland B.V. d.d. 19 november 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Franse Gat deelgebied 3 (tb7);
•
de conclusie dat geen milieueffectrapport (MER) noodzakelijk zou zijn;
•
de wijze waarop deze conclusie wordt gebruikt ter onderbouwing van het ontwerp-omgevingsplan.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader: “nee, tenzij” vereist volledige zekerheid De aanmeldingsnotitie stelt dat sprake is van een project-mer-beoordelingsplichtig project (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet toetsen of aanzienlijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Het rapport benadrukt zelf het uitgangspunt: “Nee, tenzij… er sprake is van mogelijke ‘aanzienlijke milieugevolgen’.” (tb7, par. 1.4) Dit vereist:
•
een volledige, samenhangende en verifieerbare beoordeling;
•
dat onzekerheden niet in het nadeel van milieubescherming mogen worden uitgelegd;
•
dat twijfel leidt tot het doorlopen van een MER-procedure.
3. Interne tegenstrijdigheid: significante effecten eerst niet uitgesloten, later wel In hoofdstuk 4.3 wordt expliciet vastgesteld: “Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden kunnen niet op voorhand volledig worden uitgesloten.” (tb7, par. 4.3) Dit is juridisch beslissend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat: •
aanzienlijke milieugevolgen niet zijn uitgesloten;
•
een plan niet zonder MER kan worden vastgesteld.
Desondanks concludeert het rapport in hoofdstuk 5 dat: “significante effecten zijn uitgesloten en stikstof geen belemmering vormt.” Deze conclusie is innerlijk tegenstrijdig met de eerdere vaststelling en ontbeert een nieuwe, zelfstandige onderbouwing.
4. Onvoldoende onafhankelijke beoordeling: doorschuiven naar voortoets De uitsluiting van significante effecten is volledig gebaseerd op een ecologische voortoets. Daarmee wordt: •
een inhoudelijk doorslaggevende beoordeling buiten de m.e.r.-beoordeling zelf geplaatst;
•
de m.e.r.-beoordeling afhankelijk gemaakt van een afzonderlijk rapport;
•
het integrale karakter van de m.e.r.-beoordeling doorbroken.
Volgens het Europese m.e.r.-recht moet de m.e.r.-beoordeling zelfstandig en integraal beoordelen of aanzienlijke milieugevolgen zijn uitgesloten. Dat gebeurt hier niet.
5. Cumulatie structureel onderschat Het rapport stelt dat:
“geen sprake is van significante cumulatieve effecten” (tb7, par. 2.1 en 4.1) Daarbij wordt echter: •
uitsluitend gekeken naar gefaseerde uitvoering in de tijd;
•
uitgegaan van beperkte woningtoevoeging per deelgebied;
•
geen integrale beoordeling gemaakt van gebiedsbrede herstructurering (Zuid + toekomstig Noord).
De herontwikkeling van meerdere deelgebieden binnen één wijk, met in totaal honderden woningen, vormt naar aard en schaal één samenhangend stedelijk ontwikkelingsproject, waarvoor cumulatie niet zonder meer kan worden uitgesloten.
6. Behandeling milieuthema’s grotendeels beschrijvend Voor meerdere milieuthema’s (bodem, water, geluid, verkeer, archeologie) geldt dat: •
risico’s expliciet worden benoemd;
•
maatregelen noodzakelijk worden geacht;
•
maar de effecten desalniettemin als “niet aanzienlijk” worden gekwalificeerd zonder kwantitatieve onderbouwing.
Het rapport vermeldt zelf: “Voor een aanmeldingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek.” (tb7, kader 1.2) Dit ontslaat het bevoegd gezag echter niet van de verplichting om bij bestaande onzekerheden te kiezen voor het veiligheids- en voorzorgsbeginsel.
7. MER-beoordeling feitelijk gebruikt als legitimering De aanmeldingsnotitie lijkt primair gericht op het rechtvaardigen van het niet doorlopen van een MER, in plaats van het objectief toetsen daarvan. Dat blijkt uit: •
het structureel bagatelliseren van risico’s;
•
het doorschuiven van nadere uitwerking naar latere fases;
•
het ontbreken van scenario-analyses bij ongunstige aannames.
Hiermee verwordt de m.e.r.-beoordeling tot een procedureel instrument, hetgeen strijdig is met doel en strekking van de Omgevingswet en de Europese m.e.r.-richtlijn.
8. Conclusie: MER-plicht onvoldoende gemotiveerd uitgesloten De aanmeldingsnotitie tb7 toont aan dat: •
significante effecten niet op voorhand zijn uitgesloten;
•
meerdere milieuthema’s onzekerheden bevatten;
•
cumulatie onvoldoende integraal is beoordeeld;
•
conclusies niet consistent zijn met eerdere vaststellingen.
Daarmee is niet voldaan aan de vereisten om een MER-procedure achterwege te laten.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. alsnog een volwaardige MER-procedure wordt doorlopen; 2. alle milieueffecten integraal, cumulatief en scenario-gewijs zijn beoordeeld; 3. onzekerheden niet langer worden doorgeschoven naar uitvoerings- of vergunningfase. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op luchtkwaliteitsonderzoek (tb8)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op luchtkwaliteitsonderzoek (tb8)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e
Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan is gebaseerd op het luchtkwaliteitsonderzoek ‘Franse Gat fase 3’ (rapport tb8), opgesteld door Sweco Nederland B.V. d.d. 18 juli 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen en in directe nabijheid van het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het luchtkwaliteitsonderzoek Franse Gat fase 3 (rapport tb8);
•
de toepassing van het NIBM-criterium;
•
de toetsing aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL);
•
de wijze waarop dit onderzoek is gebruikt ter onderbouwing van het ontwerpomgevingsplan.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader luchtkwaliteit onder de Omgevingswet Bij de vaststelling van een omgevingsplan moet het bevoegd gezag: •
voldoen aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (Besluit kwaliteit leefomgeving);
•
aantonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ETFAL);
•
een zorgvuldige en gebiedsspecifieke beoordeling uitvoeren.
Het enkele beroep op het criterium “niet in betekenende mate” (NIBM) ontslaat het bevoegd gezag niet van de verplichting om te toetsen of lokaal een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd.
3. Onverkorte toepassing NIBM zonder gebiedsspecifieke analyse Het rapport concludeert dat het project NIBM is omdat: “Het aantal te realiseren woningen […] bedraagt maximaal 173. Dit totale aantal valt ruim onder de grens van het NIBM-artikel.” (tb8, par. 3.1) Deze redenering: •
is louter kwantitatief;
•
houdt geen rekening met de feitelijke verkeersafwikkeling;
•
negeert de specifieke stedelijke context van het plangebied.
Het NIBM-regime is bedoeld als vereenvoudiging, niet als automatische vrijstelling van een inhoudelijke beoordeling van lokale effecten.
4. Verkeers- en cumulatie-effecten onvoldoende betrokken Het luchtkwaliteitsonderzoek: •
bevat geen projectspecifieke verkeersberekening;
•
maakt geen onderscheid tussen bouwfase en gebruiksfase;
•
betrekt geen cumulatie met bestaande verkeersdruk op omliggende straten.
Het plangebied ligt in een bestaande woonwijk met: •
smalle straten;
•
bestaande verkeersdruk;
•
nabijgelegen kruispunten en ontsluitingswegen.
Juist in dergelijke situaties kunnen lokale piekconcentraties optreden die niet zichtbaar zijn in algemene achtergrondwaarden.
5. Onvoldoende onderbouwing ETFAL-toets Voor de toetsing aan ETFAL wordt uitsluitend gebruikgemaakt van:
“de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)” (tb8, par. 3.2) Hierbij geldt dat: •
CIMLK-gegevens grofmazige achtergrondconcentraties betreffen;
•
deze gegevens niet zijn bedoeld voor perceels- of straatniveau;
•
lokale effecten van extra verkeer en veranderde verkeersstromen niet worden gemodelleerd.
Daarmee is niet aangetoond dat ter plaatse van woningen, tuinen en verblijfsgebieden daadwerkelijk sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
6. Geen toetsing aan gezondheidskundige advieswaarden Het rapport toetst uitsluitend aan de wettelijke grenswaarden, maar: •
betrekt niet de (strengere) WHO-advieswaarden;
•
gaat niet in op gezondheidseffecten bij langdurige blootstelling;
•
maakt geen onderscheid voor gevoelige groepen, zoals kinderen en ouderen.
Hoewel WHO-waarden juridisch niet bindend zijn, volgt uit vaste jurisprudentie dat deze bij de motivering niet zonder reden buiten beschouwing mogen blijven, zeker bij woningbouw.
7. Conclusie “luchtkwaliteit staat niet in de weg” onvoldoende gemotiveerd De conclusie van het rapport luidt: “Het aspect luchtkwaliteit staat niet in de weg voor een positief besluit op het plan.” (tb8, hoofdstuk 4) Deze conclusie: •
is gebaseerd op algemene aannames;
•
mist een gebiedsspecifieke en projectspecifieke analyse;
•
voldoet niet aan de motiveringseisen onder de Omgevingswet.
Daarmee vormt het rapport tb8 geen deugdelijke en dragende onderbouwing voor het ontwerp TAM-omgevingsplan.
8. Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Door: •
uitsluitend te steunen op NIBM;
•
geen lokale modellering uit te voeren;
•
ETFAL beperkt en abstract toe te passen;
handelt het bevoegd gezag in strijd met: •
het zorgvuldigheidsbeginsel;
•
het motiveringsbeginsel;
•
de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. een gebiedsspecifieke luchtkwaliteitsanalyse is uitgevoerd; 2. verkeersgeneratie en cumulatieve effecten expliciet zijn betrokken; 3. inzichtelijk is gemaakt dat ook op straat- en woningniveau sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 4. de conclusie juridisch navolgbaar en verifieerbaar is gemotiveerd. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Onderwerp Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op onderzoek externe veiligheid (tb9)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op onderzoek externe veiligheid (tb9)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e
Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan is gebaseerd op het rapport “Onderzoek externe veiligheid Franse Gat deelgebied 3” (rapport tb9), opgesteld door Sweco Nederland B.V. d.d. 3 juli 2025. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het rapport Onderzoek externe veiligheid Franse Gat deelgebied 3 (tb9);
•
de wijze waarop dit rapport is gebruikt ter onderbouwing van de conclusie dat externe veiligheid geen belemmering vormt;
•
de planologische aanvaardbaarheid van het ontwerp-omgevingsplan vanuit het perspectief van externe veiligheidsrisico’s voor kwetsbare gebouwen.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader: externe veiligheid onder de Omgevingswet Het rapport stelt terecht dat de te realiseren woningen op grond van bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten worden aangemerkt als kwetsbare gebouwen. Dit brengt met zich dat: •
het plaatsgebonden risico (PR) van 10⁻⁶ per jaar een harde grenswaarde vormt;
•
aandachtsgebieden (brand, explosie, gifwolk) integraal moeten worden beoordeeld;
•
het bevoegd gezag moet aantonen dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt (artikel 5.1 Omgevingswet).
Dit vereist een volledige, actuele en navolgbare analyse van alle relevante risicobronnen en scenario’s.
3. Beperkte onderzoeksreikwijdte en afhankelijkheid van vaste zoekstralen Het rapport baseert zijn conclusies uitsluitend op: •
een straal van 1,0 km voor risicovolle inrichtingen;
•
een straal van 1,5 km voor basisnetroutes en buisleidingen;
•
een raadpleging van de risicokaart.
Daarmee wordt het onderzoek beperkt tot een statische momentopname, terwijl: •
de Omgevingswet uitgaat van voorzorg en robuustheid;
•
toekomstige wijzigingen in transportintensiteit, routering of regelgeving niet zijn meegenomen;
•
cumulatieve of keteneffecten niet zijn beoordeeld.
Het enkele feit dat binnen deze vaste zoekstralen “geen risicobronnen zijn geïdentificeerd” is onvoldoende om externe veiligheidsrisico’s structureel en toekomstbestendig uit te sluiten.
4. Onvoldoende motivering ten aanzien van kwetsbare gebouwen Het rapport erkent expliciet dat: “de woningen worden aangemerkt als kwetsbare gebouwen.” (tb9, hoofdstuk 1) Juist bij kwetsbare gebouwen verlangt het recht een verzwaarde motiveringsplicht. Desondanks: •
wordt geen scenarioanalyse uitgevoerd;
•
wordt geen aandacht besteed aan zelfredzaamheid, bereikbaarheid of evacuatiemogelijkheden;
•
wordt niet gemotiveerd waarom aanvullende beschermende maatregelen niet noodzakelijk zijn.
De conclusie dat “externe veiligheid geen belemmering vormt” is daarmee te algemeen en onvoldoende toegespitst op de aard van de functie.
5. Geen beoordeling van restrisico en verantwoording groepsrisico Het rapport stelt dat het groepsrisico niet hoeft te worden berekend en beperkt zich tot een beschrijvende toelichting. Daarmee ontbreekt: •
een expliciete verantwoording van het restrisico;
•
een bestuurlijke afweging over aanvaardbaarheid van dat restrisico;
•
een inzichtelijke belangenafweging zoals vereist bij nieuwe woningbouw.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een planologische keuze voor kwetsbare functies niet uitsluitend leunen op het ontbreken van normoverschrijding, maar moet ook het restrisico worden betrokken.
6. Ontbreken planologische borging van externe veiligheid Het ontwerp-omgevingsplan bevat: •
geen specifieke regels over externe veiligheid;
•
geen aanduidingen of voorschriftengebieden;
•
geen voorwaarden ten aanzien van bouwkundige of organisatorische maatregelen.
Hierdoor is niet geborgd dat: •
externe veiligheid ook in de toekomst wordt meegewogen;
•
wijzigingen in de omgeving niet alsnog tot onaanvaardbare risico’s leiden;
•
bewoners voldoende worden beschermd bij calamiteiten.
Dit is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid.
7. Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel Gelet op: •
de beperkte onderzoeksopzet;
•
het ontbreken van een toekomstgerichte en scenario-gebaseerde analyse;
•
het ontbreken van een expliciete restrisicoverantwoording;
•
het ontbreken van planologische borging,
kan niet worden geconcludeerd dat externe veiligheid zorgvuldig, volledig en evenwichtig is meegewogen. Het rapport tb9 heeft daarmee een verkennend en beschrijvend karakter, maar mist de juridische diepgang die nodig is om woningbouw met kwetsbare functies te dragen.
8. Conclusie: externe veiligheidsonderbouwing onvoldoende Het onderzoek externe veiligheid (tb9): •
sluit normoverschrijding niet planologisch robuust uit;
•
verantwoordt het restrisico niet;
•
borgt externe veiligheid niet juridisch in het omgevingsplan.
Daarmee vormt dit rapport geen deugdelijke grondslag voor de vaststelling van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. een volledige en toekomstbestendige externe veiligheidsafweging is gemaakt; 2. het restrisico expliciet en bestuurlijk gemotiveerd is aanvaard; 3. externe veiligheidsaspecten planologisch bindend zijn vastgelegd; 4. is aangetoond dat kwetsbare gebouwen duurzaam en adequaat worden beschermd. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkeerscirculatieplan (tb10)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op verkeerscirculatieplan (tb10)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e
Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met het rapport “De verkeerscirculatie in het Franse Gat – Op weg naar een gezond, duurzaam en veilig Franse Gat” (rapport tb10), opgesteld door Sweco Nederland B.V. d.d. 20 maart 2023. Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen herstructurering en de daarmee samenhangende verkeersmaatregelen.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het verkeerscirculatieplan zoals vastgelegd in rapport tb10;
•
de wijze waarop dit rapport is gebruikt als onderbouwing voor de verkeerskundige en planologische aanvaardbaarheid van het ontwerp-omgevingsplan;
•
de gevolgen van de voorgestelde verkeersmaatregelen voor bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en rechtszekerheid.
Andere milieu- of planaspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Karakter van rapport tb10: visie- en procesdocument, geen toetsend verkeerskundig onderzoek Rapport tb10 betreft nadrukkelijk een visiedocument en groeimodel, gericht op: •
beleidsmatige ambities;
•
participatief verkende maatregelen;
•
een gefaseerde verkenning van mogelijke verkeersstructuren.
Het rapport bevat geen normatief toetsend verkeerskundig onderzoek dat: •
de verkeersintensiteiten per straat juridisch bindend onderbouwt;
•
de concrete effecten van maatregelen kwantitatief doorrekent;
•
aantoont dat verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid planologisch aanvaardbaar blijven.
Desondanks wordt het rapport gebruikt als onderbouwing voor een omgevingsplan dat rechtsgevolgen heeft. Daarmee wordt aan een verkennend visiedocument een juridische betekenis toegekend die het rapport niet kan dragen.
3. Structurele onzekerheden doorgeschoven naar latere fases In het rapport wordt herhaaldelijk benadrukt dat: •
maatregelen gefaseerd worden ingevoerd (0–5 jaar, 5–10 jaar, >10 jaar);
•
effecten na iedere fase moeten worden geëvalueerd;
•
aanvullende maatregelen mogelijk noodzakelijk blijken.
Daarmee staat vast dat: •
de uiteindelijke verkeersstructuur nog niet vastligt;
•
de concrete verkeersbelasting per straat niet vooraf is vastgesteld;
•
negatieve effecten pas achteraf worden beoordeeld.
Onder de Omgevingswet is dit juridisch onaanvaardbaar. De planvaststelling vereist een ex ante toets of het plan leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze toets kan niet worden vervangen door een evaluatie achteraf.
4. Sectorenmodel en verkeersknippen: ingrijpende gevolgen zonder planologische borging Het rapport introduceert het zogenoemde sectorenmodel, waarbij: •
doorgaande autoroutes door de wijk worden “geknipt”;
•
bewoners moeten omrijden via wijkranden;
•
verkeersstromen bewust worden verlegd naar andere straten.
Hoewel dit model ingrijpende gevolgen heeft voor: •
bereikbaarheid van woningen;
•
verkeersdruk in omliggende straten;
•
rijafstanden en verkeersbewegingen,
worden: •
exacte locaties van knippen;
•
juridische verankering van maatregelen;
•
maximale verkeersintensiteiten per straat;
niet planologisch vastgelegd. Daarmee ontbreekt rechtszekerheid voor bewoners en kan niet worden getoetst of het plan ruimtelijk aanvaardbaar is.
5. Verkeersveiligheid en leefbaarheid onvoldoende onderbouwd Het rapport erkent expliciet dat: •
snelheidremmende maatregelen kunnen leiden tot geluidtoename en trillingen;
•
verkeersverplaatsing een waterbedeffect kan veroorzaken;
•
sommige maatregelen de verkeersintensiteit in andere straten verhogen.
Desondanks ontbreekt: •
een integrale beoordeling van verkeersveiligheid per straat;
•
een analyse van cumulatieve effecten;
•
een toets aan aanvaardbare normen voor woonstraten.
Het enkele hanteren van een globale richtwaarde van 5.000 motorvoertuigen per etmaal is onvoldoende, nu: •
deze norm niet juridisch bindend is;
•
niet per straat wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan;
•
toekomstige ontwikkelingen (nieuwbouw, deelmobiliteit, gedragsverandering) onzeker zijn.
6. Participatieve input kan planologische toets niet vervangen Hoewel het rapport uitgebreid verwijst naar bewonerssessies en suggesties, geldt dat: •
participatie geen juridisch toetsingskader is;
•
draagvlak geen substituut is voor motivering;
•
keuzes planologisch en juridisch onderbouwd moeten zijn.
Het rapport vermengt participatieve wensbeelden met beleidsambities, zonder een toetsbare belangenafweging inzichtelijk te maken. Daarmee voldoet het niet aan het motiveringsvereiste.
7. Strijd met zorgvuldigheids-, motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel Door rapport tb10 als dragende onderbouwing te gebruiken terwijl: •
de maatregelen globaal, voorwaardelijk en gefaseerd zijn;
•
effecten niet vooraf volledig zijn onderzocht;
•
planologische borging ontbreekt,
handelt het bevoegd gezag in strijd met: •
het zorgvuldigheidsbeginsel;
•
het motiveringsbeginsel;
•
het rechtszekerheidsbeginsel.
8. Conclusie: verkeerskundige onderbouwing onvoldoende Rapport tb10: •
is beleidsmatig en verkennend van aard;
•
bevat waardevolle ideeën en aandachtspunten;
•
maar is juridisch en planologisch onvoldoende om een omgevingsplan te dragen.
Daarmee kan op basis van dit rapport niet worden vastgesteld dat het ontwerp TAMomgevingsplan leidt tot een aanvaardbare verkeerssituatie.
9. Verzoek Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. een volledig toetsend verkeerskundig onderzoek is uitgevoerd; 2. verkeersmaatregelen en knippen concreet en planologisch bindend zijn vastgelegd;
3. per straat is aangetoond dat verkeersveiligheid, leefbaarheid en bereikbaarheid gewaarborgd zijn; 4. cumulatieve effecten inzichtelijk en gemotiveerd zijn beoordeeld. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op Beeldkwaliteitsplan (tb11)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op Beeldkwaliteitsplan (tb11)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit plan wordt onderbouwd met het Beeldkwaliteitsplan Franse Gat Veenendaal – Deelgebied 3 (rapport tb11, d.d. 18 november 2025). Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen en direct grenzend aan het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de voorgenomen ontwikkeling.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
het Beeldkwaliteitsplan Franse Gat Veenendaal – Deelgebied 3 (tb11);
•
de rol die dit document vervult binnen de planologische besluitvorming;
•
de vraag of dit beeldkwaliteitsplan kan dienen als dragende en juridisch houdbare onderbouwing van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
Andere milieu-, verkeers- of milieutechnische aspecten blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Beeldkwaliteitsplan heeft geen bindende juridische status Het beeldkwaliteitsplan bevat hoofdzakelijk: •
architectonische uitgangspunten;
•
esthetische richtlijnen;
•
beschrijvende ambities omtrent gevelbeeld, detaillering en erfafscheidingen.
Het document bestaat uit niet-normatieve formuleringen, zoals: •
“extra aandacht is nodig”;
•
“gedacht kan worden aan”;
•
“kunnen een karakteristiek element zijn”.
Dergelijke formuleringen missen: •
rechtszekerheid;
•
handhaafbaarheid;
•
toetsbaarheid bij vergunningverlening.
Het plan bevat geen juridisch bindende normen en is niet rechtstreeks gekoppeld aan planregels. Daarmee kan het beeldkwaliteitsplan niet gelden als juridisch afdwingbaar kader voor de inrichting van het plangebied.
3. Ontbreken van planologische borging in regels en verbeelding Hoewel het beeldkwaliteitsplan uitgebreide eisen en wensen formuleert ten aanzien van: •
gevelindeling;
•
materialisering;
•
erfafscheidingen;
•
hemelwaterafvoer als zichtbaar ontwerpelement;
zijn deze uitgangspunten niet vertaald naar bindende planregels of aanduidingen in het TAM-omgevingsplan. Hierdoor geldt dat: •
naleving niet kan worden afgedwongen;
•
afwijkingen niet juridisch toetsbaar zijn;
•
belangen van omwonenden onvoldoende zijn beschermd.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogen essentiële ruimtelijke randvoorwaarden niet uitsluitend worden vastgelegd in beleidsmatige of esthetische documenten zonder planologische verankering.
4. Beeldkwaliteit wordt gebruikt als compensatie voor planologische ingrepen Het beeldkwaliteitsplan lijkt mede te worden ingezet om: •
hogere dichtheden;
•
gewijzigde woningtypologieën;
•
afwijkingen van de bestaande jaren-’50-structuur;
acceptabel te maken door middel van “kwaliteit” in architectuur en detaillering. Zonder juridische borging is deze veronderstelde kwaliteitscompensatie echter illusoir. Beeldkwaliteit kan planologische nadelen niet compenseren indien deze kwaliteit niet afdwingbaar is vastgelegd.
5. Strijd met rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel Door het beeldkwaliteitsplan: •
wel inhoudelijk zwaar te laten meewegen in de motivering;
•
maar niet juridisch te verankeren in het omgevingsplan,
handelt het bevoegd gezag in strijd met: •
het rechtszekerheidsbeginsel (onduidelijk welke eisen daadwerkelijk gelden);
•
het motiveringsbeginsel (onvoldoende inzicht waarom deze kwaliteit verzekerd is);
•
het beginsel van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Belanghebbenden kunnen niet controleren of, en zo ja hoe, de beloofde beeldkwaliteit juridisch wordt gegarandeerd.
6. Conclusie: beeldkwaliteitsplan onvoldoende als dragende onderbouwing Het Beeldkwaliteitsplan Franse Gat – Deelgebied 3 (tb11): •
heeft een beleidsmatig en esthetisch karakter;
•
bevat geen bindende normen;
•
is niet planologisch verankerd;
•
en is niet handhaafbaar.
Daarmee kan dit document niet dienen als zelfstandige of dragende onderbouwing voor de planologische aanvaardbaarheid van het ontwerp TAM-omgevingsplan.
7. Verzoek
Ondergetekende verzoekt het college het ontwerp TAM-omgevingsplan niet vast te stellen, althans niet voordat: 1. essentiële beeldkwaliteitsvereisten juridisch bindend zijn vastgelegd in planregels en/of verbeelding; 2. duidelijk is welke onderdelen van het beeldkwaliteitsplan afdwingbaar zijn bij vergunningverlening; 3. is verzekerd dat beeldkwaliteit niet vrijblijvend, maar planologisch toetsbaar is. Hoogachtend, 5.1.2e 5.1.2e
Veenendaal
Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op de planregels (Regels deel 3)Zienswijze ontwerp TAM-omgevingsplan Franse Gat deelgebied 3 – uitsluitend gericht op de planregels (Regels deel 3)
Geacht college van burgemeester en wethouders van Veenendaal, Ondergetekende, 5.1.2e , bewoner 5.1.2e
, 5.1.2e Veenendaal,
maakt hierbij, op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet, een zienswijze kenbaar tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan ‘Franse Gat deelgebied 3’ (IMRO-id: NL.IMRO.0345.TAMFranseGat3-ow01), uitsluitend voor zover dit ontwerp bestaat uit en wordt gedragen door de planregels (“Regels deelgebied 3”). Ondergetekende is eigenaar en bewoner binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied en wordt rechtstreeks geraakt door de juridische werking van deze regels.
1. Afbakening van deze zienswijze Deze zienswijze heeft uitsluitend betrekking op: •
de juridische opzet, inhoud en werking van de planregels van het TAMomgevingsplan Franse Gat deelgebied 3;
•
de mate waarin deze regels voldoen aan de eisen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en kenbaarheid;
•
de planologische borging van belangen via bindende regels, in plaats van via vergunningverlening en beleidsruimte.
De toelichting, onderzoeken en bijlagen blijven uitdrukkelijk buiten beschouwing.
2. Juridisch kader: eisen aan planregels onder de Omgevingswet Hoewel de Omgevingswet meer flexibiliteit biedt dan het voormalige bestemmingsplan, blijft gelden dat: •
planregels voldoende concreet en objectief bepaalbaar moeten zijn;
•
essentiële ruimtelijke keuzes in het omgevingsplan zelf moeten worden vastgelegd;