6. Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Lindewijck - toelichting
Tekst van het document
TOELICHTING Bestemmingsplan Lindewijck Veenendaal NL.IMRO.0345.BPLindewijck-vg01 Vastgesteld
www.SPAWNP.nl
BOUW - MILIEU - RUIMTE
TOELICHTING Bestemmingsplan Lindewijck Veenendaal NL.IMRO.0345.BPLindewijck-vg01
Veenendaal Vastgesteld 07 april 2021 SPA WNP ingenieurs 21800566 All-in Care Residence BV
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
DENKKRACHT
Gemeente: Status: Datum: Opgesteld door: Projectnr.: Opdrachtgever:
IN
Vastgesteld
info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015
| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP ingenieurs
21800566
INHOUD
PAGINA
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende(e) plan(nen)
4 4 4 5
HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur
6 6 6
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijke beleid
6 6 7 9
HOOFDSTUK 4 PLANBESCHRIJVING
14
HOOFDSTUK 5 MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Bodem 5.2 Waterhuishouding 5.3 Externe veiligheid 5.4 Archeologie 5.5 Cultuurhistorie 5.6 Ecologie 5.7 Bedrijven en milieuzonering 5.8 Geluid 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Verkeer en parkeren 5.11 M.e.r.-beoordeling
16 16 17 19 20 22 22 23 24 25 27 28
HOOFDSTUK 6 JURIDISHE PLANOPZET 6.1 Inleiding 6.2 De indeling van de planregels 6.3 Bestemmingen
29 29 29 30
HOOFDSTUK 7 FINANCIEEL- ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
31
HOOFDSTUK 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
32
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
21800566
Bijlagen: 1:
Bodemonderzoek
2:
Resultaat digitale watertoets
3:
Quickscan Flora en fauna
4:
Onderzoek vleermuizen
5:
Onderzoek stikstofdepositie
6:
Onderzoek milieuzonering
7:
Onderzoek Wet geluidhinder
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
21800566
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Aanleiding voor dit bestemmingsplan is de beoogde realisatie van appartementen aan de Industrielaan in Veenendaal. Het plan past niet binnen de kaders van het ter plaatste vigerende bestemmingsplan ‘woongebieden 2018’. Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een regeling voor de realisatie van het plan. 1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt ten noorden van de Industrielaan in Veenendaal en wordt omringd door de wegen; Het Holle Goed, Vijftien Morgen en Spanjaardsgoed. Afbeelding 1 en 2 geven een indruk van de ligging van het plangebied. het plangebied Afbeelding 1: Ligging plangebied ter plaatse van marker
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
21800566
Afbeelding 2: Plangebied (globaal omlijnd)
1.3 Vigerende(e) plan(nen) Voor het plangebied geldt bestemmingsplan ‘Woongebieden 2018’ dat is vastgesteld op 20 september 2018. Het plangebied is in de huidige situatie bestemd als ‘bedrijf’, ‘maatschappelijk’ en ‘groen’. Afbeelding 3 geeft een weergave van de vigerende verbeelding. Afbeelding 3: Weergave vigerende verbeelding
Het plan om appartementen te realiseren is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om het plan mogelijk te maken moet het vigerende bestemmingsplan worden herzien.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
21800566
HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Ruimtelijke structuur Het plangebied is centraal gelegen in de kern Veenendaal en is vanwege de nabijheid van het station en doorgaande wegen goed bereikbaar voor openbaar vervoer, auto’s en fietsers. De omgeving van het plangebied bestaat uit diverse functies waaronder; woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Het gebied ten noordwesten van het plangebied is in gebruik door een zorggroep. Ten noorden en zuidoosten van het plangebied bevindt zich een kerk. Aan de overzijde van de Industrielaan zijn de gronden de afgelopen jaren getransformeerd naar woningbouw. De Industrielaan is een hoofdontsluitingsweg en daarmee een belangrijke vervoersas voor Veenendaal. In de huidige situatie bevinden zich binnen het plangebied bedrijfsgebouwen die slechts voor een deel in gebruik zijn, de toekomstbestendigheid van het plangebied staat hiermee onder druk. 2.2 Functionele structuur Door dit bestemmingsplan komen enkele bestemmingen binnen het plangebied te vervallen. De toegevoegde bestemming 'Wonen' past binnen de karakteristiek van de omgeving. Daarnaast past de herziening van het bestemmingsplan binnen de transformatie die voor dit gebied beoogd is.
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Ruimte en Infrastructuur (hierna: SVIR) vastgesteld. De SVIR geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Uitgangspunt van de SVIR is: decentraal wat kan, centraal wat moet. De samenhang tussen nationale en decentrale opgaven en de aanpak hierbij zijn per MIRTregio samengevat. De gemeente Veenendaal valt onder MIRT-regio Utrecht. Opgave van nationaal belang in dit gebied is onder andere de bereikbaarheid van de toenemende verstelijking binnen deze regio. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, december 2011) worden nationale ruimtelijke belangen juridisch geborgd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening gehouden te worden met de regels van het Barro zodat de nationale belangen doorwerken in de beleidsruimte van andere overheden. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) De Ladder duurzame verstedelijking werd geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en trad per 1 oktober 2012 in werking als motiveringsvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het instrument is van toepassing op de functies wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
21800566
art. 1.1.1 Bro) mogelijk maakt. De Ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2, 3 en 4 van de Bro. In het kader van dit bestemmingsplan is artikel 3.1.6 lid 2 onderstaand opgenomen: “3.1.6 lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Toetsing plan Het plangebied ligt ten zuiden van het centrum van Veenendaal. In de oorspronkelijke situatie werden de bestaande opstallen en terreinen bedrijfsmatig gebruikt. Door een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing is er sprake van een bestaand stedelijk gebied. Het plan leidt tot een herontwikkeling van het gebied. De huidige bedrijfsbestemming binnen het plangebied wordt beëindigd. Er is sprak van een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat er meer bebouwing en woningen mogelijk worden gemaakt dan er op grond van het vigerende bestemmingsplan gerealiseerd konden worden. Een beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling is opgenomen in paragraaf 3.3.3. t/m 3.3.5. 3.1.3 Conclusie Er is bij het plan geen sprake van de in de SVIR opgenomen rijksbelangen, het plan kan daardoor verder decentraal worden afgehandeld.
Vanuit het Barro is de ladder voor duurzame verstedelijking van belang. Er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Een beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling is opgenomen in hoofdstuk 3. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale ruimtelijke structuurvisie 2013-2028 Provincie Utrecht heeft haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028 opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS). De herijkte versie van de PRS is vastgesteld d.d. 4 februari 2016. In de structuurvisie zijn doelstellingen van provinciaal belang, het beleid bij de doelstellingen en op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het beleid opgenomen. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) welke tegelijk met de PRS is opgesteld. Op basis van de PRS is het plangebied onder opgenomen onder de Algemene beleidslijn verstedelijking. Verder maakt het onderdeel uit van het Stedelijk programma Veenendaal.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
21800566
Afbeelding 4: Plangebied op basis van PRS
De provincie heeft aangegeven dat het de hoofdkeuze is om in te zetten op binnenstedelijke ontwikkeling en streeft ernaar dat twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren wordt gerealiseerd. Er wordt gestimuleerd dat overheden en marktpartijen zich gezamenlijk inspannen om de binnenstedelijke opgave te realiseren. In het Stedelijk programma voor Veenendaal is er naast uitbreiding ook een aantal inbreidingslocaties. Met binnenstedelijke mogelijkheden kan niet alleen de behoefte van Veenendaal zelf maar ook die van enkele omliggende kernen opvangen. De provincie geeft aan dat Veenendaal een rol kan spelen bij de opvang van de woningbouwbehoefte in de regio Foodvalley. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Zoals voorgaand genoemd geeft de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) deels uitvoering aan het beleid dat is opgenomen in de PRS. Het plangebied valt op basis van de PRV binnen het stedelijk gebied. De regels die zijn opgenomen in de PRV hebben betrekking op nieuwe planologische besluiten. In de PRV is aangegeven dat in de toelichting van een ruimtelijk plan voor uitleglocaties en transformaties, een beschrijving opgenomen dient te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Omdat bij besluit van 26 april 2018 is bepaald dat nieuwbouwwoningen per 1 juli 2018 aardgasvrij moeten zijn, zullen de woningen niet voorzien worden van een gasaansluiting maar voorzien worden van duurzame energie. Initiatiefnemer is daarnaast voornemens om zonnepanelen op het dak te plaatsen.
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
21800566
3.2.3 Conclusie provinciaal beleid Het plangebied ligt op basis van de PRV en PRS binnen de rode contour. Door het realiseren van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan een nieuwe binnenstedelijke ontwikkeling die voorziet in een behoefte. Het plan geeft hiermee invulling aan het provinciaal beleid. 3.3 Gemeentelijke beleid 3.3.1. Strategische Visie Veenendaal 2040 Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik op de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken.
Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En – in lijn met de wensen van inwoners– moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling, functieverandering en voldoende aandacht te blijven houden voor groen. Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting – Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding – werken we uit aan de hand van vier thema’s. Juist binnen deze thema’s liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd:
1. Netwerksamenleving: “niet alleen, maar samen” met ruimte voor ieders eigen identiteit; 2. (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat; 3. Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardige duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum; 4. Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond. 3.3.2 Structuurvisie Veenendaal 2025 De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en verkeerskundige visie op Veenendaal in 2025. De visie geeft hierbij de hoofdlijnen van de beoogde ontwikkeling weer. Zij is geformuleerd aan de hand van de volgende tien ambities:
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
21800566
1. Zichtbare en sterke historische identiteit: Het versterken, zichtbaar en beleefbaar maken van de cultuurhistorische elementen en structuren 2. Woon- en werkgebieden met eigen karakters: De kracht van Veenendaal is niet zozeer gelegen in de samenhang tussen, maar in de diversiteit van de gebieden. 3. Heldere routes met duidelijke entrees; 4. Brandpunten in de stad; 5. Groene stad; 6. Aantrekkelijke woonwijken; 7. Goed gebruik van de beschikbare ruimte; 8. Bereikbare economische gebieden; 9. Een fietsende stad; 10. Goed openbaar vervoer. De visie is ook verbeeld in een structuurkaart. Deze geeft het beeld van de gewenste ontwikkeling van de stad als geheel. Op de structuurkaart is het plangebied aangewezen als gebied voor de functie wonen. Afbeelding 5: Structuurkaart
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
21800566
De kenmerken van de verschillende gebieden versterken en werken aan onderscheid tussen gebieden en de herkenbaarheid van elk gebied. Niet de samenhang is de kracht van Veenendaal, maar de diversiteit van gebieden. Binnen elke zone zijn grotere en kleinere gebieden te onderscheiden die elk een eigen karakter hebben. Denk hierbij aan kleinschalige (her)ontwikkeling met woningbouw, buurtwinkelcentra, groenzones en voorzieningenclusters. In de structuurvisie zijn uitgangspunten gesteld hoe deze kenmerken versterkt kunnen worden:
• • • • • •
Versterken van de identiteit van de verschillende stedelijke zones; Kenmerkende structuren en elementen in de zones herkenbaar maken en versterken; Vormgeving en functies in elk van de verschillende zones op elkaar afstemmen; De onderscheidende kwaliteiten van de zones verder ontwikkelen; Specifieke milieukwaliteitsprofielen hanteren voor de kwaliteit van de leefomgeving in de verschillende gebieden; De karakters van de verschillende zones zichtbaar maken vanaf de doorgaande wegen.
3.3.3 Woonvisie Veenendaal 2014 – 2019 De gemeenteraad heeft de Woonvisie vastgesteld op 28 mei 2015. De centrale visie wonen in Veenendaal is als volgt geformuleerd: “We streven naar een aantrekkelijke leefstad met een daarbij passende woningvoorraad. Daarbij hoort een actieve gemeente die blijft inspelen op de dynamiek en behoeften van haar woningmarkt. De gemeentelijke zorg op het gebied van wonen strekt zich vooral uit tot de doelgroepen in de markt die niet aan geschikte woonruimte kunnen komen, en tot het aantrekken van dynamische woonmilieus. De woningmarkt in Veenendaal zorgt zelf voor evenwicht in vraag en aanbod. De gemeente richt zich in de uitvoering vooral op de 3 speerpunten van deze Woonvisie.” 1. Dynamische woonmilieus; 2. Huishoudens met een zorgvraag 3. Huishoudens met lagere inkomens Dit bestemmingsplan sluit aan op speerpunt 1 en 2 van de Woonvisie. Veenendaal wil wijken aantrekkelijk houden door (zorg)voorzieningen en een gevarieerd woningaanbod. 3.3.4 Nota Ouderenhuisvesting en Wonen met zorg 2030 Op basis van de jaarlijkse evaluatie van de Woonvisie is de ‘Nota Ouderenhuisvesting en Wonen met zorg” opgesteld. Deze nota is in april 2016 door het College van B&W vastgesteld. Door het vaststellen van de Nota is er een antwoord op de vraag welke senior geschikte woningen er bij toekomstige bouwplannen moeten worden toegevoegd.
Er is een verdeling gemaakt per wijk voor de realisatie van in totaal 600 woningen. De woningen kunnen in alle prijsklassen zijn, huur of koop. Een voor senioren geschikte wooneenheid bevat minimaal één slaapkamer en badkamer gelijkvloers. Voor een appartementencomplex geldt dat een lift voorzien moet zijn om dat deze woningen bereikbaar moeten zijn zonder trap. Uit de nota blijkt dat er in 2030 circa 600 senior geschikte woning toegevoegde moeten zijn aan de huidige voorraad om aan de behoefte te voldoen.
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
21800566
3.3.5 Woningmarktanalyse 2018 In de (nieuwe) Nota Grondbeleid is opgenomen dat één keer per twee jaar een woningmarktanalyse wordt uitgevoerd. Na de analyse in 2016 is in 2018 de analyse opnieuw uitgevoerd. Uit de analyse blijkt dat de woningmarkt nog steeds erg goed is (aanbodmarkt, meer vraag dan aanbod) en het beleid rijks-, provinciaal en regionaal niveau stuurt op versnelling van de woningproductie. Als de marktvraag zich voordoet, zijn ontwikkelaars ook in staat om aan de vraag te kunnen voldoen. De voorraad blijft voldoen aan de Ladder van Duurzame Verstedelijking. 3.3.6 Archeologie-/monumentenbeleid Aanleiding voor het opstellen van een gemeentelijk archeologiebeleid is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 in werking is getreden. Sindsdien zijn gemeenten verplicht bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met het behoud van belangrijke archeologische waarden. De gemeente Veenendaal heeft in dit kader in 2008/2009 voor het hele grondgebied van Veenendaal onderzoek gedaan naar de kans op aanwezigheid van archeologische resten. Het resultaat hiervan is een archeologische maatregelenkaart die op 30 mei 2011 is vastgesteld door de raad.
De gemeente Veenendaal is nu in staat de archeologische waarden van het hele gemeentelijke grondgebied structureel mee te nemen in het ruimtelijke planvormingsproces. De archeologische maatregelenkaart wordt verwerkt in alle nieuw op te stellen bestemmingsplannen. In hoofdstuk 5 wordt nader op de bescherming van de archeologische waarden ingegaan. De gemeente heeft geen integraal monumentenbeleid. Wel is het wettelijke beleid geïmplementeerd. Hierbij zijn onder andere de erfgoedverordening en de aanwijzing van 108 gemeentelijke monumenten van belang. 3.3.7 Milieukwaliteitsplan 2017 Het Milieukwaliteitsplan beschrijft de milieuambities van de gemeente Veenendaal die moeten leiden tot een integraal milieubeleid. Het plan is vastgesteld op 30 maart 2017. In het plan zijn de hoofddoelen geformuleerd die integraal opgepakt worden:
• • • • • •
Een gezonde en veilige leefomgeving; Een energieneutraal Veenendaal in 2035; Gebiedsgericht milieubeleid (bouwstenen voor een integrale Omgevingsvisie); Veenendaal werkt aan een circulaire economie; Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering; Veenendaalse bewoners, bedrijven en organisaties zetten zich in voor een duurzame samenleving.
In deze periode koerst de gemeente Veenendaal naar een samenleving die in balans is, een duurzame samenleving. Om deze samenleving te bereiken wil Veenendaal de milieuthema's integraal, dus in samenhang met elkaar en met medeneming van ruimtelijk en economische ontwikkelingen bezien. De gemeente wil proactief handelen, doelgroepen op maat benaderen en de verantwoordelijkheid nemen om zelf een voorbeeldfunctie te vervullen. Om de aanwezige kansen in het versterken van de milieu-inbreng in ruimtelijke planvorming te benutten is het noodzakelijk dat naast de strategie inzichtelijk wordt wat per sectoraal
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
21800566
milieuthema de bijdrage kan zijn aan het optimaliseren van de lokale leefomgevingskwaliteit. Het gaat in het milieukwaliteitsplan vooral om bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, duurzaamheid, klimaat, energie, afval, water en biodiversiteit. In de periode tot 2020 wil de gemeente Veenendaal zichtbare voortgang boeken op:
• • • • •
Integrale en gecoördineerde milieu- en duurzaamheidscommunicatie, waarin de leefstijl van onze inwoners en het creëren van een netwerk centraal staat; Het faciliteren van de huidige duurzame initiatieven en het stimuleren van nieuwe; Maatschappelijk verantwoorde inkoop; in elke aanbesteding aandacht voor energiebesparing, duurzame energie, het vermijden van onnodige autokilometers en/of schone vervoersvormen en circulariteit; Het op projectmatige basis centraal stellen van onze milieu- en duurzaamheidsambities bij vergunningverlening, toezicht en handhaving; Meer en beter samenwerken met de gemeenten van de Regio FoodValley, de gemeenten uit het gebied van Waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten die aangesloten zijn bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, de provincie Utrecht en de EBU.
3.3.8 Energieneutraal Veenendaal 2035 De wettelijke eisen voor energiezuinigheid van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend heeft de gemeente Veenendaal beleid opgesteld voor duurzaamheid in het programmaplan "Energieneutraal Veenendaal 2035" (30 maart 2017). De gemeente geeft uitwerking aan de volgende ambities en doelstellingen:
• • •
Veenendaal is energieneutraal in 2035: streven naar energie neutrale woningen en wijken. Het streven is naar energieneutraliteit (EPC=0 of beter: Nul Op de Meter). Deze woningen moeten energieneutraal zijn en niet afhankelijk van gas. Veenendaal is energieneutraal in 2035: stimuleren schonere voertuigen. Voor de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden worden dat bewoners een elektrische auto hebben en willen opladen. Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering: ontwikkelingen worden minimaal waterneutraal uitgevoerd, groen wordt strategisch ingezet voor hemelwaterafvoer en koeling in de stad.
De gemeente vindt het daarbij belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen de volgende onderwerpen aan de orde komen bij het thema duurzaam bouwen:
• • • • • •
Toepassen van een prestatie-instrument voor duurzaam bouwen; Mogelijkheden om het dak te benutten voor warmte-opslag, waterberging, het bufferen van fijnstof of energiewinning; Natuurvriendelijke maatregelen aan of rond het gebouw; Geen koper, lood of zink gebruiken voor de hemelwaterafvoer; Toepassen van duurzaam hout; Energiezuinige terrein- en gebouwverlichting.
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
21800566
3.3.7 Omgevingsvisie Veenendaal 2030 De Omgevingsvisie 2030 is het, integrale strategische beleidsdocument voor de fysieke leefomgeving. Het geeft de Veense visie weer op thema’s als: bouwen en wonen; groen, natuur en water; mobiliteit en infrastructuur; milieu; economie en recreatie; cultuur en cultuurhistorie; openbare orde en veiligheid; volksgezondheid, welzijn en duurzaamheid. In de Omgevingsvisie zijn voor diverse thema’s doelstellingen geformuleerd. Het thema ‘bouwen en wonen’ is voor onderhavig plan het relevantst. Onder dit thema bestaande opgaven uit: 1. Omschakeling naar duurzame energie en circulair bouwen; 2. Realiseren van meer groen; 3. Het woningaanbod in Veenendaal sluit aan bij de inwonersbehoefte; 4. Langer zelfstandig wonen in de eigen woning of wijk; 5. Ruimte bieden aan cultuur en voldoende voorzieningen; 6. Verdichten en transformatie binnen de gemeentegrenzen; 7. Behouden en versterken van ruimtelijke karakteristieken, cultuurhistorie en archeologie. De onderhavige ontwikkeling draagt, behoudens punt 5, op alle punten bij aan de gestelde opgaven. Het plan is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie. 3.3.10 Conclusie gemeentelijk beleid Het beoogde plan is op basis van diverse gemeentelijke beleidsdocumenten passend binnen de omgeving en voorziet in een blijvende vraag naar woningen.
HOOFDSTUK 4 PLANBESCHRIJVING Het plan voorziet in de realisatie van (zorg)woningen. De zorgwoningen zijn bedoeld voor bewoners met een geïndiceerde zorgbehoefte en bevinden zich binnen het L-vormige gebouw. Op de begane grond en aan de achterzijde van de bebouwing wordt voorzien in het parkeren. De parkeervoorzieningen aan de achterzijde van het pand zijn reeds grotendeels aanwezig. Het parkeren op het binnenterrein vindt plaats op het maaiveld, het terrein is deels voorzien van een tuindak waar terrassen/ en tuinen zijn beoogd. De bebouwing varieert in bouwhoogte en heeft een maximale hoogte van 30 meter.
Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
21800566
Afbeelding 5: Het voorgestelde plan (1e verdieping)
Afbeelding 6: Het voorgestelde plan
Pagina 15
SPA WNP ingenieurs
21800566
HOOFDSTUK 5 MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Bodem 5.1.1 Algemeen Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten. Op de fysische bodemkwaliteit wordt in dit bestemmingsplan niet nader ingegaan. Dit deeladvies gaat in op de chemische bodemkwaliteit, waarbij mogelijke verontreinigingen centraal staan. Het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) bevat voorschriften die dienen voor uitvoering van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Bro, artikel 3.1.6, verricht de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek naar de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Hieronder valt onderzoek naar de bodemgesteldheid van het plangebied. 5.1.2 Onderzoek Voor het plan is een verkennend asbest- en bodemonderzoek en een nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Uit het verkennend onderzoek blijkt dat er geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. In zowel de grove al in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. Binnen een deel van het plangebied is een sterk verhoogde minerale olie aangetroffen in de bovengrond.
Op basis van het nader onderzoek bodem kan het volgende worden geconcludeerd: • In de afperkende boringen zijn geen sterk verhoogde gehalten minerale aangetoond. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat circa 6,5 m³ grond sterk verontreinigd is met minerale olie. De vrijkomende grond dient afgevoerd te worden naar een reiniger/ erkende verwerker; • Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming. De bodem hoeft niet met spoed te worden gesaneerd; • Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden in of nabij de verontreinigde spot dient er een plan ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Aan de hand van het plan kan de verontreinig verwijderd worden.
De bodem ter plaatse van de bestaande parkeerplaats ten noordoosten van de beoogde bebouwing is in eigendom van de gemeente en niet nader onderzocht. Ter plaatse vinden met uitzondering van een te slopen gebouw geen wijzigingen plaats en wordt de bestemming ‘verkeer’ opgenomen. De eerder aanwezige ondergrondse tanks zijn, tegelijkertijd met de uitvoering van het nader onderzoek, reeds gesaneerd. De Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) heeft de onderzoeken reeds beoordeeld en aangegeven dat alle verdachte deellocaties zijn onderzocht. De ODRU stelt dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot aanvullend onderzoek of sanering en dat de milieuhygienische kwaliteit voldoende is vastgelegd. Er zijn mogelijk (sanerende) maatregelen nodig om de risico’s weg te nemen en om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied geschikt te maken voor het gebruik ‘Wonen’. De initiatiefnemer is in bezit van een raming voor de saneringskosten, potentiële (sanerende) maatregelen.
Pagina 16
SPA WNP ingenieurs
21800566
5.1.3 Conclusie Met inachtneming van eventuele saneringswerkzaamheden vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is voldoende vastgelegd en de bodem kan geschikt worden gemaakt voor de geplande functie. 5.2 Waterhuishouding 5.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Vervolgens komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.
5.2.2 Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu.
5.2.3 Waterparagraaf Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Verharding Het plangebied is gelegen aan de Industrielaan en is in de huidige situatie grotendeels verhard.
Pagina 17
SPA WNP ingenieurs
21800566
Binnen het plangebied wordt ervoor gekozen om ten opzichte van de huidige situatie het aantal vierkante meters verharding niet toe te laten nemen. Dit door het realiseren van onverhard gebied binnen het plangebied. Onder ander door een opgetilde groene binnentuin en groene daken. Omdat met de ontwikkeling het aantal vierkante meters verharding aanzienlijk afneemt, is er geen aanvullende waterberging nodig. Hemelwaterafvoer en riolering Bij nieuwbouwplannen zal zoveel mogelijk rekening gehouden moeten worden met de laatste inzichten op het gebied van duurzame waterhuishouding, dit betekent dat er waar mogelijk: • afgekoppeld zal wordt; • een gescheiden rioolstelsel voor regenwater en (afval)water zal worden aangelegd. Voor de ontwikkeling binnen het plangebied geldt dat een gescheiden stelstel aangelegd dient te worden, welke kan worden aangesloten op het bestaande (verbeterd) gescheiden stelsel. Hiermee wordt voldaan aan het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Grondwater Het waterschap adviseert om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen om grondwateroverlast te voorkomen. Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan (artikel 23.1) geldt: 23.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren binnen de gronden als bedoeld in 23.1.1: a. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten; b. het realiseren van ondergrondse bouwwerken; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen; d. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond. De werken en werkzaamheden als bovenstaand genoemd zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachte gevolgen, geen onevenredige aantasting van het grondwater ontstaat of kan ontstaan. Boringsvrije zone Veenendaal Uit de PMV van de provincie Utrecht blijkt dat het plangebied is gelegen in een boringsvrije zone. Boringsvrije zones hebben een ondergrond met een aaneengesloten slecht-doordringbare kleilaag, hieronder bevinden zich de filters van de winning.
Deze gebieden zijn minder kwetsbaar voor verontreinigingen en aantastingen dan grondwaterbeschermingsgebieden. Voor boringsvrijezone Veenendaal geldt op basis van de PMV een verbod om buiten een inrichting een boorput op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld.
Pagina 18
SPA WNP ingenieurs
21800566
Digitale watertoets Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd op www.dewatertoets.nl. De beoordeling is als volgt: In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlage 2 van deze rapportage. 5.2.4 Conclusie Met de ontwikkeling neemt het aantal vierkante meters verharding af waardoor er geen aanvullende waterberging nodig is. Het plan is in lijn met het gemeentelijk Riolerings- en Waterplan. Het waterschap heeft op basis van het plan een positief advies uitgebracht. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3 Externe veiligheid 5.3.1 Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen en is onderverdeeld in: • Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein; • Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de omgang met externe veiligheid rond buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals gas en brandbare vloeistoffen); • Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) legt veiligheidsnormen op aan transprot van gevaarlijke stoffen via weg, binnenvaart en spoorweg. Voor de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen geldt het Basisnet. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt in het Plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten
Pagina 19
SPA WNP ingenieurs
21800566
5.3.2 Onderzoek De risico’s ten aanzien van externe veiligheid zijn geïnventariseerd op basis van de Signaleringskaart externe veiligheid. Hieruit blijkt dat er zich op basis van het Bevi, Bevb en Bevt geen risicobronnen bevinden in de omgeving van het plangebied. Het plaatsgebonden- en groepsrisico vormt om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Afbeelding 6: Plangebied in relatie tot externe veiligheid.
5.3.3 Conclusie In de (directe) omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.4 Archeologie 5.4.1 Algemeen Het Verdrag van Malta (Valleta) heeft bepaald dat overheden verplicht zijn om bij ruimtelijke ingrepen het archeologisch erfgoed te beschermen. In Nederland is deze archeologische bescherming opgenomen in de Erfgoedwet. In de regels van het bestemmingsplan is conform de herziene Monumentenwet 1988 een regeling voor de omgang met verwachte archeologische opgenomen. Bij het opstellen van deze regeling zijn de aanbevelingen uit een deskundigenrapport in acht genomen. Het gaat hier om het rapport "Archeologische beleidskaart en cultuurhistorische kenmerkenkaart gemeente Veenendaal", nr. V564, definitief 25 februari 2010, dat is opgesteld door Vestiga BV Archeologie & Cultuurhistorie uit Amersfoort. In dit rapport zijn de archeologiebehandelingen van dit bestemmingsplan inhoudelijk onderbouwd. Daarbij is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Op basis van de gemeentelijke archeologische maatregelen-/beleidskaart zijn de planregels proportioneel afgestemd op de omvang van de eventuele
Pagina 20
SPA WNP ingenieurs
21800566
ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen worden aangetroffen. In gebieden met een archeologische verwachting krijgt de bescherming van de archeologische waarden gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan. In de regels voor bodemverstorende activiteiten worden dan voorschriften voor de omgevingsvergunning opgenomen. In dat kader kan van initiatiefnemers van bodemingrepen worden gevraagd een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld. Indien het een behoudenswaardige vindplaats betreft kan van de initiatiefnemer een financiële inspanning worden gevraagd om resten uit het verleden veilig te stellen door middel van:
• • •
technische aanpassingen, zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; het laten verrichten van een opgraving teneinde gehoudenwaardige resten die verstoord zullen worden te documenteren en veilig te stellen; de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.4.2 Onderzoek Binnen het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden 2018’ geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. Om die reden zijn er binnen het plangebied geen gronden die bestemd zijn voor behoud, bescherming en onderzoek naar in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Op basis van de gemeentelijke beleidskaart blijkt dat ter plaatse waar bodemingrepen zijn gepland het plangebied ligt binnen categorie 5: lage verwachting, alleen onderzoekplicht bij MER-plichtig project. Dit project is niet MER-plichtig. Afbeelding 7: Plangebied in relatie tot archeologie
Pagina 21
SPA WNP ingenieurs
21800566
5.4.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.5 Cultuurhistorie 5.5.1 Algemeen In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2 Onderzoek Op basis van de cultuurhistorische kaarten die geraadpleegd kunnen worden via “Veenendaal op Kaart” blijkt dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle panden zijn. 5.5.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.6 Ecologie 5.6.1 Algemeen Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan ruimtelijke plannen onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)), en het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. Bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden is in Nederland vanaf 1 januari 2017 geregeld via de Wet natuurbescherming (Wnb). Het beleid rond NNN is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
5.6.2 Onderzoek Soortenbescherming Uit ecologisch onderzoek (bijlage 3 en 4) blijkt dat binnen het plangebied drie vaste verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuizen zijn aangetroffen. Het betreft paarplaatsen die jaarrond in gebruik zijn. Voor de beoogde ontwikkeling zijn mitigerende maatregelen getroffen en is reeds een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming ontvangen. Gebiedsbescherming Gezien de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen en de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (circa 2 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Uit de voor het plan uitgevoerde AERIUS-berekeningen volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,05 mol/ha/jaar (aanlegfase) en 0,00 mol/ha/jaar (gebruiksfase). Op basis van de vuistregel is er geen aanvullende verplichting voor een Wnb-vergunning. De vuistregel is een redeneerlijn die op Rijksniveau is vastgesteld en bepaalt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming noodzakelijk is wanneer de stikstofdepositie kleiner dan of
Pagina 22
SPA WNP ingenieurs
21800566
gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Significante gevolgen kunnen dan op voorhand worden uitgesloten. 5.6.3 Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling zijn mitigerende maatregelen getroffen en is ten aanzien van de soortenbescherming reeds een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming ontvangen. Voor de gebiedsbescherming is geen ontheffingen nodig. Het aspect ecologie vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.7 Bedrijven en milieuzonering 5.7.1 Algemeen
Bij het realiseren van woningen dient rekening gehouden te worden met (mogelijke) milieuaspecten van bedrijven in de nabijheid. Voor het waarborgen of realiseren van een goed woon- en leefklimaat wordt milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven (milieubelastend) een passende locatie in nabijheid van woningen (milieugevoelig) krijgen en dat deze op een verantwoorde manier van elkaar gescheiden worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen twee doelen te worden gerealiseerd: • Het voorkomen van of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen. • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een hulpmiddel voor milieuzonering is de VNG-handreiking “Bedrijven en milieuzonering” waarvan de laatste versie stamt uit 2009. Deze handreiking gaat uit van de hinderaspecten geur, stof, geluid en veiligheid. Bij het bepalen van richtafstanden is het omgevingstype van belang. Er zijn voor milieuzonering drie omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Naast de wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor en er is weinig verstoring door verkeer.
Omgevingstype ‘rustig buitengebied’ betreft een gebied waar eveneens weinig verstoringen zijn. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is er sprake van functiemenging en/of ligging nabij drukke wegen. De richtafstanden mogen bij ‘gemengd gebied’ met één stap verlaagd worden. 5.7.2 Onderzoek Voor het aspect bedrijven en milieuzonering is een separaat onderzoek uitgevoerd dat als bijlage deel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Hierna volgt een samenvatting van dit onderzoek. Voor het beoordelen van de milieuhinder is uitgegaan van een zogenaamd “gemengd gebied”. Dit vanwege de ligging van het plangebied aan de drukke doorgaande weg, Industrielaan. Daarnaast is er sprake van een menging van functies (wonen en werken) in de gebieden rondom het plangebied.
Pagina 23
SPA WNP ingenieurs
21800566
Omdat het plan uitsluitend milieugevoelige bestemming mogelijk maakt is uitwaartse zonering niet aan de orde. Uit de inwaartse milieuzonering blijkt dat de milieubelastende bestemmingen in de omgeving geen hinder geven aan de milieugevoelige bestemmingen binnen het plan. De maatgevende richtafstand bedraagt op basis van de werkelijke activiteiten én planologisch mogelijke activiteiten 10 meter. De afstand ten opzichte van de gevels in het plan bedraagt meer dan 10 meter. 5.7.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.8 Geluid 5.8.1 Algemeen In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd in welke mate het geluid veroorzaakt door gezoneerde wegen, spoorwegen en/of gezoneerde industrieterreinen geluidgevoelige bestemmingen (woningen, ziekenhuizen, scholen e.d.) mag belasten. Op basis van de wet zijn voor de geluidgevoelige bestemmingen voorkeursgrenswaarden opgenomen waaraan in principe voldaan moet worden: • wegverkeer 48 dB • spoorwegverkeer 55 dB • industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen 50 dB(A) 5.8.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Voor dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek Wet geluidhinder uitgevoerd dat als bijlage onderdeel uitmaakt van deze toelichting. De conclusie van het onderzoek is hieronder integraal weergegeven.
Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege de Industrielaan ten hoogste 58 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voor een gedeelte van de appartementen overschreden. Voor deze appartementen dient een hogere grenswaarde te worden aangevraagd. In totaal gaat het om 68 hogere waarden. Een geluidluwe gevel is geborgd door de in dit bestemmingsplan opgenomen specifieke gebruiksregels. De overige gezoneerde wegen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting vanwege de niet gezoneerde weg Het Holle Goed bedraagt ten hoogste 50dB. Hiervoor hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. Om aan het geluidbeleid van de gemeente Veenendaal te kunnen voldoen wordt ter plaatse van het balkon een balkonscherm geplaatst. Hiermee wordt ter plaatse van het balkon een geluidluwe buitenruimte en een geluidluwe gevel gerealiseerd. De hoogte van het balkonscherm varieert van 1,2 tot 1,6 meter. Voor het bepalen van de te realiseren gevelgeluidwering dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidbelasting zonder aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit betekent dat de (karakteristieke) gevelgeluidwering van de geluidbelaste gevels van de appartementen ten 63 –33 = 30 dB dient te bedragen. Daarbij dient uitgegaan te worden van het geluidspectrum van wegverkeer.
Pagina 24
SPA WNP ingenieurs
21800566
Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de wettelijke zone van een industrieterrein. 5.8.3 Conclusie Het aspect geluid vormt met inachtneming van het verkrijgen van hogere grenswaarden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.9 Luchtkwaliteit 5.9.1 Algemeen Op 15 november 2007 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Niet In Betekenende Mate (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) in werking getreden. Hierin zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 5.9.2 Onderzoek Binnen het plangebied worden 167 nieuwe woningen gerealiseerd. Met 167 nieuw te realiseren woningen valt het bouwplan ruim binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draagt niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate.
In de navolgende tabel is een overzicht van de jaargemiddelde achtergrondconcentraties weergegeven van de componenten stikstofdioxide (N02), fijn stof (PM10), fijne fractie fijn stof (PM2,5) en elementair koolstof. Dit geeft een goed beeld van de luchtkwaliteit ter plaatse, die hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de lokale wegen. Deze concentraties zijn bepaald met behulp van het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Jaar 2018 Jaar 2030 NO2 20-22 12-14 PM10 21-22 18-19 PM2,5 13-13,5 10,5-11 EC 0,7-0,9 0,4-0,7 * Voor elementair koolstof is geen grenswaarde vastgesteld
Grenswaarde 40 40 25 -*
Advieswaarde WHO 40 20 10 -
Stikstofdioxide (NO2) Een concentratie tot 10 microgram per kuub voor stikstofdioxide wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidskwaliteit goed (GES-klasse 1). Boven de 20 microgram wordt de kwaliteit als matig bestempeld (GES-klasse 4) en boven de 30 microgram onvoldoende (GES-klasse 6). De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar, met 40 μg/m3 aanzienlijk boven. De WHO hanteert een advieswaarde van 40 μg/m3 (jaarnorm), hetgeen overeenkomt met de wettelijke norm. Uit de tabel blijkt dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie de berekende concentraties ruim lager zijn dan de grenswaarde van 40 µg/m³. Er is geen sprake van een “overschrijdingssituatie” en de grenswaarden voor stikstofdioxide dreigen niet te worden
Pagina 25
SPA WNP ingenieurs
21800566
overschreden. Hiermee vormt het Besluit gevoelige bestemmingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In zowel in de huidige als in de toekomstige situatie wordt voldaan aan de WHO advieswaarde van 40 µg/m³. De toekomstige concentratie ligt net boven de door de landelijke GGD bestempelde milieugezondheidskwaliteit goed. Fijnstof (PM10) Fijnstof draagt volgens de huidige inzichten bij aan ruim 75% van alle ziektelast veroorzaakt door milieufactoren. Daarnaast is van fijnstof bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per kuub. De WHO hanteert daarom een advieswaarde van 20 μg/m3 (jaarnorm). Een concentratie van boven de 20 μg/m3 (jaarnorm) voor fijnstof wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidskwaliteit onvoldoende (GES-klasse 6) en boven de 30 μg/m3 als zijnde zeer onvoldoende (GES-klasse 8). De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar dus aanzienlijk boven. Uit de tabel blijkt dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie de berekende concentraties ruim lager zijn dan de grenswaarde van 40 µg/m³. Er is geen sprake van een “overschrijdingssituatie” en de grenswaarden voor stikstofdioxide dreigen niet te worden overschreden. Hiermee vormt het Besluit gevoelige bestemmingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
De huidige concentratie ligt net boven de WHO advieswaarde en de toekomstige concentratie ligt lager dan de WHO advieswaarde. De toekomstige concentratie is op basis van de door de landelijke GGD bestempelde milieugezondheidskwaliteit voldoende. Fijner stof (PM2,5) Fijner stof (PM2,5) is een belangrijke schadelijke component van fijnstof. De WHO hanteert daarom een advieswaarde van 10 μg/m3 (jaarnorm). Een concentratie van boven de 10 μg/m3 (jaarnorm)voor fijner stof wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidskwaliteit onvoldoende (GES-klasse 6) en boven de 14 microgram als zijnde zeer onvoldoende (GES-klasse 8). De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar, met 25 microgram per kuub, aanzienlijk boven. Uit de tabel blijkt dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie de berekende concentraties ruim lager zijn dan de grenswaarde van 25 µg/m³. Er is geen sprake van een “overschrijdingssituatie” en de grenswaarden voor stikstofdioxide dreigen niet te worden overschreden. Hiermee vormt het Besluit gevoelige bestemmingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De huidige- en toekomstige concentraties liggen op de grens van de WHO advieswaarde. De concentratie zal in de toekomstige situatie lager worden vanwege lagere emissiefactoren voor vervoersmiddelen, die voor toekomstige jaren worden gehanteerd.
Elementair koolstof (roet) Elementair koolstof is een maat voor de massa van roetdeeltjes in fijnstof en is daardoor een goede indicator voor te verwachten geuroverlast. Er gelden geen formele grenswaarden voor elementair koolstof. Roet is een verzamelnaam voor zwarte deeltjes in de lucht, die ontstaan bij onvolledige verbranding. De belangrijkste bronnen voor roet zijn het wegverkeer (met name uitstoot van roetdeeltjes uit dieselmotoren), industriële bronnen en huishoudens (open haarden en kachels). In steden draagt het verkeer voor circa 50% bij aan de heersende roetconcentraties.
Pagina 26
SPA WNP ingenieurs
21800566
5.9.3 Conclusie Het plan draagt in niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging en alle achtergrondconcentraties liggen lager dan de wettelijk grenswaarden. De toekomstige concentraties NO2 en PM10 liggen lager dan de door de WHO gehanteerde advieswaarden. Voor de concentratie PM2,5 geldt dat deze op de grens ligt van de WHO advieswaarde. Deze concentratie zal in de toekomstige situatie lager worden vanwege lagere emissiefactoren voor vervoersmiddelen, die voor toekomstige jaren worden gehanteerd. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van eventuele hinder door de verkeersaantrekkende werking is een berekening uitgevoerd ten opzichte van de referentiesituatie. De berekening is uitgevoerd op basis van de CROW publicatie 381. Referentiesituatie Hoofdgroep
Werken
Type
Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief, commerciële dienstverlening
Grootte m²/ aantal
1695 m² en 506 m² BVO
Ligging in de gemeente
Rest bebouwde kom
Motorvoertuigbewegingen
231
Beoogde ontwikkeling Hoofdgroep
Wonen
Type
Appartement midden/goedkoop incl. sociale huur
Grootte m²/ aantal
167
Ligging in de gemeente
Rest bebouwde kom
Motorvoertuigbewegingen
668
Uit de resultaten van de CROW rekentool (zie bijlage 2) blijkt dat er per gemiddelde weekdag in de huidige situatie een verkeersgeneratie van 231 motorvoertuigbewegingen is. Voor de toekomstige situatie is de verkeersgeneratie berekend op 668 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er is sprake van een toename van 437 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze toename wordt opgevangen in het heersende verkeersbeeld, is niet in betekende mate en leidt niet tot onevenredige milieuhinderhinder. De ontwikkeling binnen het plangebied is passend gezien de transformatie van verschillende projecten aan de Industrielaan. 5.10.2 Parkeren In het plan wordt uitgegaan van de realisatie van 167 woningen. Het aantal parkeerplaatsen dient te voldoen aan de gemeentelijke parkeernota. Het parkeren vindt plaats op het reeds aanwezig omliggende terrein en in de stallingsgarage (op maaiveld). In totaal zijn hiermee 227
Pagina 27
SPA WNP ingenieurs
21800566
parkeerplaatsen aanwezig en wordt er voldaan aan de parkeernom. Naast autoparkeerplaatsen worden er 167 plaatsen gerealiseerd voor het fietsparkeren. Afbeelding 7:
Parkeerbalans
5.10.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.11 M.e.r.-beoordeling 5.11.1 Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht wanneer het te realiseren project wordt genoemd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.: • Activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht geldt (bijlage, onderdeel C). • Activiteiten waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (bijlage, onderdeel D). 5.11.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling valt onder de volgende categorie van het Besluit m.e.r.: Categorie
Activiteiten
Drempelwaarde
D.11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject
2.000 woningen
De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 2.000 of meer. De toename in woningen van de voorgenomen activiteit blijft met een aantal van 167 onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Pagina 28
SPA WNP ingenieurs
21800566
Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Door de initiatiefnemer is een aanmeldingsnotitie opgesteld die wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd dient het bevoegd gezag een besluit te nemen. 5.11.3 Conclusie Op basis van de aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag een separaat besluit waarin het beslist of de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken van de plaats van het plan, dusdanig beperkt van aard en omvang zijn dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
HOOFDSTUK 6 JURIDISHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. De bestemmingsregels De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘verkeer’. Verder zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone- grondwaterbeschermingsgebied’ en ‘veiligheidszone – leiding hoogspanningsverbinding’ opgenomen. De opzet van het plan Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is voor het plangebied aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan.