6.a Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Industrielaan 2-8 - bestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
Watertoets
Ten behoeve van de ontwikkelingen is een watertoets uitgevoerd voor het plangebied Industrielaan 2-10 (Bijlage 4). Uit deze toets blijkt dat er geen belangrijke oppervlaktewateren zijn gelegen in het plangebied. Voorts neemt de verharding af in het plangebied. Tot slot zal er een gescheiden stelsel aangelegd worden voor een goede afvoer van het water. Voor het plan is tevens de digitale watertoets doorlopen. De beoordeling is als volgt: “In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.” Vanuit het aspect water zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, doordat de verharding afneemt, een gescheiden stelsel wordt aangelegd en er geen belangrijk oppervlaktewater in het plangebied is gelegen.
bestemmingsplan
27
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
5.3
Externe Veiligheid
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare externe veiligheidsrisico's. Belangrijk hierbij is dat een ruimtelijke scheiding wordt aangehouden (zonering) tussen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen besluiten over bouw- en milieuvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen) en luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). De risicobronnen in en om het plangebied zijn geïnventariseerd door SPA WNP ingenieurs op 1 oktober 2019, zie Bijlage 5. Daaruit blijkt het volgende: in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven aanwezig; er bevinden zich geen relevante buisleidingen, waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, in of nabij het plangebied; er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen in de direct omgeving plaats. Over de N233 De Klomp Ochten worden de gevaarlijke stoffen LF1, LF2 en GF3 vervoerd. De weg is niet opgenomen in het basisnet. De N233 ligt op meer dan 1 km van de locatie. Het plangebied ligt hiermee ver buiten het invloedsgebied van de weg, 355 meter bij GF3.
De A12 ligt op ca. 2,5 km afstand en speelt daarmee geen enkele rol van betekenis voor het plangebied; Op ca. 65 meter ten zuiden van het plangebied, ca. 80 meter tot aan eerste bebouwingsmogelijkheid, ligt de spoorlijn Utrecht- Rhenen. Deze spoorlijn is niet opgenomen in de risicokaart en op grond daarvan kan gesteld worden dat er momenteel geen relevant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het bestaande vervoer over het spoor levert ten aanzien van externe veiligheid geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van het plangebied; Veenendaal is ook gelegen aan de spoorlijn Utrecht - Arnhem (baanvak Ede Wageningen). Deze lijn ligt aan de andere zijde van de A12 op bijna 3 km afstand waardoor het plangebied ver buiten het invloedsgebied ligt. Uit de inventarisering van de risicobronnen blijkt dat op grond van de beschikbare informatie en huidige wet- en regelgeving het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplevert voor de ontwikkeling van het plangebied.
5.4
Archeologie
In de regels van het bestemmingsplan is conform de Erfgoedwet een regeling voor de omgang met verwachte archeologische waarden opgenomen. Bij het opstellen van deze regeling zijn de aanbevelingen uit een deskundigenrapport in acht genomen. Het gaat hier om het rapport "Archeologische beleidskaart en cultuurhistorische kenmerkenkaart gemeente Veenendaal", nr. V564, definitief 25 februari 2010, dat is opgesteld door Vestiga BV Archeologie & Cultuurhistorie uit Amersfoort. In dit rapport zijn de archeologiebehandelingen van dit bestemmingsplan inhoudelijk onderbouwd. Daarbij is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Op basis van de gemeentelijke archeologische maatregelen-/beleidskaart zijn de planregels proportioneel afgestemd op de omvang van de eventuele ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen worden aangetroffen. In gebieden met een archeologische verwachting krijgt de bescherming van de archeologische waarden gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan. In de regels voor bodemverstorende activiteiten worden dan voorschriften voor de omgevingsvergunning opgenomen.
In dat kader kan van initiatiefnemers van bodemingrepen worden gevraagd een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt vastgesteld. Indien het een behoudenswaardige vindplaats betreft kan van de initiatiefnemer een financiële inspanning worden gevraagd om resten uit het verleden veilig te stellen door middel van:
28
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 technische aanpassingen, zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; het laten verrichten van een opgraving teneinde gehoudenwaardige resten die verstoord zullen worden te documenteren en veilig te stellen; de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
Figuur 5.1: Uitsnede Archeologische Maatregelenkaart met het plangebied rood omlijnd
Op bovenstaande uitsnede van de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Veenendaal (Vestiga 2010) is de projectlocatie deels gelegen in een gebied aangeduid als categorie 5, lage verwachting en deels in een gebied aangeduid als categorie 6, geen verwachting. Mede gelet op het feit dat het project niet MER-plichtig is, geldt geen onderzoeksplicht. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische vondsten gedaan worden, dan wordt dit gemeld aan de gemeente Veenendaal en wordt er passend mee omgegaan. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
5.5
Ecologie
5.5.1
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft
bestemmingsplan
29
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 het Rijk bevoegd gezag. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hiervoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief.
Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 5.5.2
Planspecifiek
Soortenbescherming Om na te gaan of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de aanwezige natuurwaarden, is een ecologische quickscan uitgevoerd (Bijlage 6). De quickscan heeft betrekking op Industrielaan 2-10. In enkele gebouwen zijn mogelijk jaarrond beschermde verblijfplaatsen van de vleermuis aanwezig. Daarnaast wordt aanvullend onderzoek geadviseerd naar steenmarters. Tot slot mogen de sloopwerkzaamheden niet worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen, tenzij het zeker is dat er binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden geen actieve nesten van vogels aanwezig zijn. Met de sloop zal daar rekening mee worden gehouden. In oktober 2019 is vervolgonderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en steenmarters (Bijlage 7). Met dat onderzoek is geconcludeerd dat het plangebied geen essentiële functie heeft voor vleermuizen of steenmarters. Negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen, of op andere samenhangende essentiële functies, kunnen worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vleermuizen en steenmarters kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Rondom Veenendaal liggen diverse gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.2).
Al deze beschermde natuurgebieden liggen op meer dan een kilometer afstand van het plangebied, waardoor op voorhand kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurnetwerk Nederland. Een uitzondering hierop is de
30
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Binnenveld, dat op ruim een kilometer ten oosten van het plangebied is gelegen. De overige beschermde gebieden in de directe omgeving zijn enkel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland en betreffen geen Natura 2000-gebied. Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken.
Figuur 5.2: Kaart met de beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied weergegeven
Er vinden geen activiteiten in een Natura 2000-gebied plaats. Echter, door de aard van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Binnenveld' en overige Natura 2000-gebieden is getoetst of eventuele nadelige effecten op deze beschermde Natura 2000-gebieden, en dan specifiek het Natura 2000-gebied 'Binnenveld', op voorhand zijn uit te sluiten. Daarom is door SPA WNP in november 2019 een stikstofdepositieberekening gedaan met de AERIUS-calculator (zie Bijlage 8). Hierbij is rekening gehouden met de nog komende ontwikkelingen. Voor de gebruiksfase is een berekening gemaakt van de nieuwe situatie waarbij Industrielaan 2 t/m 10 helemaal zijn ontwikkeld met drie appartementgebouwen. Voor de aanlegfase is onderscheid gemaakt in drie fasen. Fase 1 (de sloop en nieuwbouw aan de Industrielaan 10) is momenteel aan de gang. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op fase 2 en 3. Uit de AERIUS berekeningen volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, mits de sloop- en bouwwerkzaamheden van alle fasen worden verspreid over drie jaren en voldaan wordt aan de uitgangspunten die genomen zijn in de stikstofdepositieberekening. De uitgangswaarden die zijn genomen voor de te gebruiken machines en de duur van de bouw vallen binnen een te verwachten patroon.
Middels de gedane berekeningen is dan ook aangetoond dat het ontwikkelplan haalbaar is. In de omgevingsvergunning voor de bouw van het complex zullen voorwaarden opgenomen moeten worden conform de gehanteerde aantallen waarop de aeriusberekening is berekend. Er is geen aanvullende verplichting voor een Wnb vergunning. 5.5.3
Conclusie
Uit de quickscan flora en fauna en uit de stikstofdepositieberekening is gebleken dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten of gebieden. Het bestemmingsplan is in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar. Het aspect ecologie vormt hierdoor geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan
31
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
5.6
Geluid
5.6.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, indien dat plan mogelijkheden biedt voor nieuwe geluidsgevoelige functies binnen een geluidszone. Geluidszones In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden De gemeente Veenendaal heeft aanvullend op de wettelijke regeling de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld.
Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.6.2
Planspecifiek
Door SPA WNP is akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 9). Daaruit blijkt het volgende. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, in de geluidzone van de Industrielaan en de Kerkewijk. Voor de Zuivelstraat en 't Holle Goed geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidszone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidsbelasting ten gevolge van deze wegen toch berekend. Dit omdat: de gemeente in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing de belangen van het realiseren van het bouwplan af moet wegen tegen de mogelijke hinder door de geluidsbelasting; bij het realiseren van de appartementen deze geluidsbelasting meegenomen kan worden bij de beoordeling van de geluidwering in het kader van een goed woonklimaat. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidsbelasting. Spoorweglawaai Volgens de Wet geluidhinder bevindt zich langs ieder spoor een zone. De breedte van de zone gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf, varieert van 100m tot 1200m, en is afhankelijk van de geluidemissie van de spoorlijn (zie artikel 1.3a van het Besluit geluidhinder). De spoorlijn Veenendaal-Rhenen, ten zuiden van het bouwplan heeft een zone van 100 meter.
Het beoogde bouwplan ligt hier ruim buiten (op circa 140 meter).
32
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Resultaten onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woningen een geluidbelasting zullen ondervinden van maximaal: 49 dB, ten gevolge van de Kerkewijk. Bij vijf woningen is de geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar ruim lager dan de maximale ontheffing van 63 dB uit de Wet geluidhinder. 62 dB, ten gevolge van de Industrielaan. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffing van 63 dB uit de Wet geluidhinder. Wel is de geluidbelasting bij de nieuwe woningen die direct aan de Industrielaan zijn gelegen, hoger dan de inspanningsverplichting voor de maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. 46 dB, ten gevolge van de 30 km/uur wegen (Zuivelstraat en Ambachtsstraat). Dit is lager dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. 49 dB, ten gevolge van de spoorlijn Veenendaal - Rhenen. Dit is ruim lager dan de voorkeurswaarde van 55 dB uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor railverkeer. Na de toepassing van de maatregelen (gesloten balustrades en absorberende onderzijden van de balkons), wordt voldaan aan alle voorwaarden, die de gemeente Veenendaal stelt aan de verlening van hogere waarden voor nieuwbouw, uitgezonderd de inspanningsverplichtingen van maximaal 58 dB en het volumebeleid.
Gezien de situatie (hoge geluidbelastingen, spui-mogelijkheden, gewenste bouwplan) is het niet mogelijk om aan deze inspanningsverplichtingen van maximaal 58 dB en het volumebeleid te voldoen. Wel zijn (gebouw oriëntatie) en zullen (gesloten balustrades) er veel maatregelen getroffen om een goed woonen leefklimaat te realiseren. Naast de hiervoor genoemde maatregelen, worden er twee gezamenlijke buitenruimten gerealiseerd boven op de parkeerdekken. De westelijke gezamenlijke buitenruimte zal geheel en de oostelijke gezamenlijke buitenruimte zal grotendeels geluidluw zijn. 5.6.3
Conclusie
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de woonbestemming kan worden gerealiseerd. Daarbij horen wel randvoorwaarden om te kunnen voldoen aan de wettelijke kaders voor geluid. In de regels van dit bestemmingsplan wordt geborgd dat elke woning komt te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel en - als de woning beschikt over een buitenruimte - dat ten minste één buitenruimte is gelegen aan de geluidsluwe zijde. Daarnaast wordt er tegelijkertijd met de procedure van het bestemmingsplan een Hogere waarde procedure doorlopen.
5.7
Trillinghinder
5.7.1
Wettelijk kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan, kan het belangrijk zijn om rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast daarvan in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 onder d van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de belangrijke feiten en de af te wegen belangen vergaart. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder, dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgenomen als er een trillingsbron in de omgeving aanwezig is. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (Rijksoverheid, 2019). Hierin wordt geadviseerd om in ieder geval bij bestemmingsplannen die woningen binnen 250 meter van een spoorweg mogelijk maken, te beoordelen in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.
bestemmingsplan
33
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
5.7.2
Planspecifiek
Het bestemmingsplan voor Industrielaan 2-8 maakt woningbouw op circa 80 meter afstand van het spoor mogelijk. Daarom is aan de hand van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen beoordeeld of trillinghinder wordt verwacht. Dit is gedaan om te beoordelen of nader trillingsonderzoek nodig is. Navolgend wordt ingegaan op klachten en bodemopbouw en/of het treinbeeld. Het plangebied is gelegen nabij het spoortraject waar de stoptrein tussen Veenendaal en Rhenen rijdt. Aan beide zijden van dit spoortraject zijn woningen gevestigd, soms al binnen een afstand 20 meter van het spoor. Ook tussen het plangebied en het spoor zijn woningen gevestigd. Van de bewoners van deze woningen zijn geen klachten bekend over trillinghinder. Daardoor kan aangenomen worden dat er ook ter plekke van de nieuw te realiseren woningen geen sprake zal zijn van trillinghinder. Een combinatie van bijvoorbeeld zwaar treinverkeer en een stijve zandlaag kan leiden tot trillinghinder. Bij het plangebied is dit niet aan de orde. De trein tussen Rhenen en Veenendaal rijdt ieder half uur heen en ieder half uur terug. Het spoortraject heeft dan ook een lage intensiteit van treinverkeer. Daarnaast betreft het enkel de stoptrein, en rijden er geen goederentreinen. Omdat de locatie op korte afstand (circa 150 meter) van het station (Veenendaal Centrum) is gelegen, heeft de trein op het traject een lage snelheid.
Door de aanwezigheid van bodemverontreiniging zal een deel van het plangebied gesaneerd worden en ligt er dus geen stijve zandlaag aan het oppervlak dat zou kunnen lijden tot onevenredige trillinghinder. Ook de combinatie van de bodemopbouw en/of het treinbeeld geven dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek naar trillinghinder. Tot slot is er recent (in 2018) een trillinghinder onderzoek uitgevoerd ter plekke van het uitwerkingsplan Rozenbottel (NL.IMRO.0345.UWRozenbottel-vg01). Dit plan, dat tevens woningbouw omvat, ligt op circa 25 meter van het spoor. Uit dat trillinghinderonderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn voor het plan bij Rozenbottel dat op kortere afstand van het spoor is gelegen. De combinatie van meerdere woningen op kortere afstand van het spoor waar geen klachten van bekend zijn, het treinbeeld en het uitgevoerde onderzoek voor Rozenbottel geven voldoende informatie op basis waarvan uit te sluiten is dat er binnen het plangebied Industrielaan 2-8 onevenredige trillinghinder zal zijn. Nader onderzoek naar trillinghinder wordt niet noodzakelijk geacht. . 5.7.3
Conclusie
Voor de inhoud van het bestemmingsplan heeft het aspect trillinghinder geen gevolgen.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Wettelijk kader
Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (NIBM) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof.
34
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekend met het rekenmodel GeoMilieu. Uit de berekeningen is gebleken dat de concentratie stikstofdioxide en fijn stof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 bevinden. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.
De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 microgram per m3, wat betekent dat voor het hele plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan voor zowel het peiljaar 2015 als 2025. 5.8.2
Planspecifiek
Door SPA WNP Ingenieurs is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit voor de gehele ontwikkeling van deelgebied D in het Stationskwartier (Bijlage 10). Besluit NIBM Voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens van 1.500 woningen. Binnen deelgebied D worden circa 150 woningen gerealiseerd, waarvan 36 met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling valt daarmee ruimschoots binnen de NIBM grens. Toetsing aan het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). In tabel 5.1 wordt een overzicht gegeven van deze grenswaarden en van de waarden ter plekke van het plangebied. Daaruit blijkt dat de huidige bekende achtergrondconcentraties ruim lager zijn dan de grenswaarden. Stof
Jaar 2019
Jaar 2030
Grenswaarde
NO2
16
9
40
PM10
19
15
40
PM2,5
11
8
25
EC
0,6
0,4
-*
*Voor elementair koolstof is geen grenswaarde vastgesteld Tabel 5.1: Waarden in het plangebied en de grenswaarden
De World Health Organisation (WHO) en Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5. Dit ligt duidelijk lager dan de wettelijke grenswaarden. De concentratie PM10 voldoet reeds in de huidige situatie aan deze adviesnorm. De concentratie PM2,5 zit daar in het jaar 2019 nog 1 microgram per kuub onder, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. Aangenomen kan dan ook worden dat er op korte termijn aan de advieswaarden van de WHO kan worden voldaan. De huidige en toekomstige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat. Besluit gevoelige bestemmingen
bestemmingsplan
35
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Tot slot kan geconcludeerd worden dat het Besluit gevoelige bestemmingen niet relevant is voor de gewenste ontwikkeling, omdat de locatie op meer dan 300 meter is gelegen van de dichtstbijzijnde rijksweg en meer dan 50 meter afstand van de dichtstbijzijnde provinciale weg. 5.8.3
Conclusie
Samenvattend wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van de nieuwe woningen.
5.9
(vormvrije) M.e.r.-beoordeling
5.9.1
Wettelijk kader
De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van 112 appartementen binnen de bebouwde kom mogelijk. Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat bedoeld is in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 20.000 m2 of meer woningen. Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectenrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectenrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn.
De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: de kenmerken van de activiteit; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. 5.9.2
Beoordeling
Door SPA WNP is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (Bijlage 11). In dit onderzoek is de ontwikkeling aan de Industrielaan 10 meegenomen. Daarin is gekeken naar de kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van de activiteit Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de referentiesituatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de milieueffecten, van het nieuwe plan, en de milieueffecten, van de referentiesituatie, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Locatie van het project De realisatie van het project heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied(en) Binnenveld en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied. Door het treffen van diverse maatregelen is de invloed van het project op de omgeving zeer gering. Soort en kenmerken van het potentiële effect Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de huidige situatie en de uitkomsten van de
36
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 daarbij verrichte onderzoeken, kan worden gesteld dat het verschil tussen de milieueffecten van de aangevraagde situatie en de milieueffecten van de huidige situatie geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Er zijn geen essentiële milieueffecten, die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Voor de verschillende milieueffecten kan op basis van beschikbare onderzoeken behorende bij het bestemmingsplan beoordeeld worden of er sprake is van potentiele effecten. Er is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. 5.9.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit milieueffectrapportage onder D 11.2. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling blijft weliswaar onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van de nieuwe wetgeving is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.
5.10
Bedrijven en Milieuzonering
5.10.1 Wettelijk kader Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze systematiek wordt milieuzonering genoemd. De VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009)" is het hulpmiddel bij de uitwerking van de milieuzonering in het bestemmingsplan. Op basis van de activiteiten kunnen bedrijven worden ingedeeld in milieucategorieën als indicatie voor milieuhinder. Daarbij worden de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar meegenomen. In de publicatie zijn richtafstanden opgenomen, welke bij voorkeur aangehouden dienen te worden ten opzichte van gevoelige objecten. Afwijking hiervan is mogelijk, mits nader onderzocht en gemotiveerd. De in "bedrijven en milieuzonering" vermelde richtafstanden zijn op basis van de volgende uitgangspunten bepaald: Het betreft "gemiddeld" moderne activiteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. De richtafstanden hebben betrekking op een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van bedrijfsactiviteiten.
Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden worden gemeten vanaf de inrichtingsgrens van de milieubelastende bestemmingen tot de gevels van de milieugevoelige bestemmingen. De handreiking maakt gebruik van verschillende milieuzoneringsmethoden: inwaartse en uitwaartse milieuzonering. De omgeving waarin de gevoelige objecten zich bevinden speelt daarbij ook een rol. De richtafstanden voor een rustige woonwijk (bijlage 1 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering) zijn groter dan voor een gemengd gebied. Voor gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandstap worden verlaagd. Voor de typering van het gebied wordt o.a. gekeken naar de aanwezige activiteiten en eventuele aanwezige hinder. 5.10.2 Planspecifiek Het plangebied kan aangemerkt worden als "Gemengd gebied", gelet op de ligging aan de drukke doorgaande Industrielaan en de menging van functies (wonen en werken) in de gebieden rondom het plangebied. Ook op basis van de visie van de gemeente Veenendaal voor de herontwikkeling van het Stationsgebied wordt de planlocatie als '"Gemengd" getypeerd.
bestemmingsplan
37
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Door SPA WNP ingenieurs is een Bouwplan Industrielaan in Veenendaal Onderzoek milieuzonering opgesteld (30 januari 2020, kenmerk 2180423.R05b) zie Bijlage 12 voor dit onderzoek. Het primaire toetsingskader zijn de vigerende bestemmingsplannen. Hierin is juridisch vastgelegd welke ontwikkelingen nu en in de toekomst mogelijk zijn in en om het plangebied. Daarnaast is ook gekeken naar wat er daadwerkelijk gevestigd is op de omliggende bedrijfslocaties. Daaruit blijkt dat de bedrijvigheid aan de Zuivelstaat 6, Parallelweg 7a en de Parallelweg 2 op grond van de richtafstanden een overlap hebben met het plangebied. In figuur 5.3 wordt de ligging van de omliggende bedrijven weergegeven. Tabel 5.2 geeft de bijbehorende richtafstanden van deze bedrijven weer evenals de afstand tot het plangebied.
Figuur 5.3: Plangebied met de omliggende bedrijven aangeduid
Bestemming (nr. in afbeelding)
Omschrijving Cat. (SBI-2008 code)
VNG richtafstand (gemengd gebied)
Werkelijke afstand tot gevels plangebied
Wonen, met Kerkewijk 81 functieaanduidin t/m 89 en g dienstverlening Parallelweg 1 (1)
Overige 1 zakelijke dienstverlening: kantoren (63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82)
Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 0 Gevaar: 0
5 meter
Bedrijf (2)
Taxibedrijven (493)
Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar 0
5 meter
38
Adres
Parallelweg 2
2
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Bedrijf (3)
Parallelweg 6a
Overige 1 zakelijke dienstverlening: kantoren (63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82)
Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 0 Gevaar: 0
40 meter
Bedrijf (4)
Parallelweg 5
Onbekend (maximaal categorie 2)
2
Geur: 10 Stof: 10 Geluid: 10 Gevaar: 10
65 meter
Bedrijf (5)
Zuivelstraat 6
Groothandel in chemische producten (46751)
3.2
Geur: 30 Stof: 10 Geluid: 10 Gevaar: 50
15 meter
Bedrijf (6)
Industrielaan 1a Benzineservices 2 tation zonder LPG (473)
Geur: 10 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0
20 meter
Bedrijf (7)
Parallelweg 7a
Geur: 10 Stof: 10 Geluid: 10 Gevaar: 10
10 meter
Onbekend (maximaal categorie 2)
2
Tabel 5.2: Bedrijven, bijbehorende SBI code en richtafstanden
Uit tabel 5.2 blijkt dat het bedrijf aan de Parallelweg 2 niet voldoet aan de richtafstand (geluid) en het bedrijf aan de Zuivelstraat 6 niet voldoet aan de richtafstanden (geur en gevaar). Alle andere locaties liggen op minimaal 10 meter van het plangebied, de richtafstand voor bedrijven in categorie 2. Milieucategorie 2 is op deze bedrijfslocaties ook de hoogst toelaatbare milieucategorie, waardoor er vanuit deze andere bedrijfslocaties geen belemmeringen zijn voor het plangebied. Parallelweg 2 Eventuele geluidhinder door de bedrijfsvoering aan de Parallelweg 2 kan ontstaan door de verkeersbewegingen bij het taxibedrijf. De ontsluiting van het bedrijf bevindt zich aan de Parallelweg op circa 35 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Daarnaast wordt de uitrit van het bedrijf afgeschermd door het bedrijfspand. Om die reden is er geen relevante geluidhinder binnen het plangebied te verwachten. Geluidhinder in de toekomstige situatie is eveneens niet aannemelijk. Dit doordat het revitaliseren van de omliggende omgeving, van het plangebied, onderdeel is van de ontwikkeling binnen het plangebied. Voor deze revitalisering heeft de initiatiefnemer van onderhavig plan, het pand aan Parallelweg 2 verworven met als uiteindelijk doel, sloop van het bedrijfspand.
Gezien de huidige ontsluiting van het bedrijf en de toekomstige bedrijfsbeëindiging aan de Parallelweg 2, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Zuivelstraat 6 Volgens een inventarisatie van de Omgevingsdienst regio Utrecht (kenmerk: Z-2016-30390/31494), d.d. 30 maart 2016 blijkt dat het bedrijf aan de Zuivelstraat 6 circa 30 ton aan chemicaliën in opslag heeft. Na controle van de gemeente Veenendaal is gebleken, dat het een groothandel is in schoonmaakartikelen voor de recreatiebranche. Deze schoonmaakartikelen betreffen geen gevaarlijke stoffen in de zin van de PGS. Tevens is het bedrijf geen Bevi-inrichting waardoor geen veiligheidscontouren vanuit externe veiligheid gelden. Hiermee leidt het bedrijf, ten aanzien van het aspect gevaar, niet tot een belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig plan. Vanwege de aard van de producten (schoonmaakartikelen) en de hoeveelheid dat in opslag is, vormt het
bestemmingsplan
39
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 aspect geur naar verwachting geen belemmering voor de realisatie van de woningen. Daarbij dient tevens opgemerkt te worden, dat zich in de huidige situatie aan de Zuivelstraat 3a en 3b reeds woningen bevinden op dezelfde afstand. 5.10.3 Conclusie Op basis van de inwaartse milieuzonering blijkt, dat vanuit de milieubelastende bestemmingen in de omgeving geen hinder is te verwachten aan de voorgestelde milieugevoelige bestemmingen (wonen) in het plangebied. Evenmin worden de omliggende milieubelastende bestemmingen in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van dit plan.
5.11
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.11.1 Aanleiding In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder geldt bij stedelijke ontwikkelingen zoals bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur, indoorsport en leisure. In het bestemmingsplan moet een motivatie worden opgenomen of er aan de hand van de duurzaamheidsladder gekeken is of het project past bij de regionale behoefte en of de functies binnenstedelijk kunnen worden gerealiseerd. Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moeten worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimten in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Aanpassing regeling Per 1 juli 2017 is de tekst van de ladder aangepast.
Vanaf dat moment moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe ladder. Er hoeft niet meer getoetst te worden aan de drie treden van de ladder. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' 5.11.2 Toetsing Stedelijke ontwikkeling Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie blijkt dat er in het beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen (ECLI:NL:RVS:2015:953).
Met voorliggend plan worden 112 appartementen mogelijk gemaakt, waardoor de ontwikkeling gekenmerkt kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling en daardoor ladderplichtig is. Navolgend volgt een beschrijving van de behoefte. Behoefte
40
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Met voorliggend bestemmingsplan worden 112 appartementen mogelijk gemaakt binnen de rode contour van Veenendaal. De locatie betreft een binnenstedelijk plan. Vanuit diverse beleidsstukken (Hoofdstuk 3) blijkt dat de woningen binnen de behoefte aan extra woningen binnen de rode contour passen. Er is nog een behoefte aan een substantiële uitbreiding van het aantal woningen in Veenendaal. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie wordt vermeld dat de gemeente Veenendaal de opgave heeft om 3.750 woningen te realiseren in de periode 2013-2028. Dit zal door middel van inbreiding gerealiseerd moeten worden. Het Stationskwartier is door de gemeente Veenendaal aangewezen als inbreidingslocatie voor woningen. Met voorliggend bestemmingsplan worden de eerste 112 woningen in Stationskwartier D mogelijk gemaakt. Hiermee wordt voorzien in de behoefte naar nieuwe woningen op inbreidingslocaties in Veenendaal.
5.12
Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 5.12.1 Verkeersstructuur Het bestaande stedenbouwkundige raamwerk van de Industrielaan en de Zuivelstraat wordt als gevolg van de planvorming niet gewijzigd. Voor wat betreft de verkeersintensiteit is het van belang dat ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf' een grote variëteit aan functies is toegestaan, zoals een motorbrandstofverkooppunt, detailhandel, dienstverlening. De komst van de wooneenheden zal eveneens een verkeersaantrekkende werking hebben. De ontsluiting van het plan vindt plaats via de Zuivelstraat. Wanneer de maximale invulling van de beoogde nieuwe situatie vergeleken worden met de maximale invulling van het geldende bestemmingsplan, zal er geen sprake zijn van een duidelijk verschil in het aantal verkeersbewegingen. Zowel de huidige mogelijkheden als de toekomstige mogelijkheden kennen een relatief grote verkeersaantrekkende werking. Daarbij is het belang dat de Kerkewijk en Industrielaan reeds een hoge verkeersintensiteit kennen, waardoor enige toe- of afname van verkeersbewegingen niet merkbaar zal zijn. 5.12.2 Parkeren Een plan moet in het beginsel voldoen aan de actuele parkeernorm uit de "Notitie Parkeernormen" vastgesteld (juli 2008).
Door Goudappel Coffeng is een onderzoek uitgevoerd naar de verwachte parkeervraag voor de hele ontwikkeling aan de Industrielaan 2 t/m 10 (circa 150 woningen), waar voorliggend bestemmingsplan een onderdeel van vormt. Daarbij is gekeken naar recent beleid, de specifieke locatie, de mogelijkheden tot dubbelgebruik en naar de mogelijkheden van deelauto's. Uit het onderzoek is het volgende geconcludeerd als op de Industrielaan 2-10 150 woningen worden gerealiseerd. Conform het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Veenendaal is de parkeervraag 270 parkeerplaatsen. De gemeente Veenendaal is bezig met het vernieuwen van haar parkeerbeleid. Op basis van de meest recente CROW parkeerkencijfers en de locatie van de ontwikkeling bedraagt de parkeervraag 165 parkeerplaatsen, zonder dubbelgebruik. Het toepassen van dubbelgebruik van parkeerplaatsen tussen bewoners en bezoekers leidt ertoe dat op het maatgevende moment (werkdagavond) 144 parkeerplaatsen benodigd zijn. Indien bij de ontwikkeling 5 deelauto’s worden gestald, zal het autobezit van de bewoners afnemen. De parkeervraag daalt dan tot 127 parkeerplaatsen op het maatgevende moment, waarvan 5 parkeerplaatsen beschikbaar dienen te zijn voor deelauto’s. Bij de ontwikkeling wordt gekozen om een centrale fietsenstalling te realiseren om te voorzien in de fietsparkeervraag.
Op basis van CROW kencijfers bedraagt de fietsparkeervraag 375 fietsparkeerplaatsen. Bij voorliggend plan is er voor gekozen om deelauto's geen onderdeel te laten zijn van het plan, waardoor er 144 parkeerplaatsen nodig zullen zijn als er 150 woningen worden gerealiseerd. Dit is minder dan de parkeernormennota van de gemeente Veenendaal voorschrijft. Echter, zoals gemotiveerd
bestemmingsplan
41
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 in het onderzoek van Goudappel Coffeng, kunnen voor deze locatie lagere normen worden aangehouden, met name door de ligging nabij het station en het centrum van Veenendaal. Daarnaast kan dubbelgebruik toegepast worden. Met voorliggend plan (fase 2) worden103 parkeerplaatsen geborgd. In fase 1 (Industrielaan 10) worden 41 parkeerplaatsen geborgd. Beide fasen houden verband met elkaar. Hiermee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. De parkeerplaatsen zijn in te passen binnen de bestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer'. Met een voorwaardelijke verplichting parkeren wordt geborgd dat er ook voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Gedurende de totstandkoming van dit bestemmingsplan is het parkeerbeleid aangepast. Gezien de locatie nabij openbaar vervoer en het centrum kan op basis van dit beleid volstaan worden met veel minder parkeerplaatsen. De initiatiefnemer heeft echter aangegeven de parkeernormen conform het advies van Goudappel Coffeng op te volgen. In de voorwaardelijke verplichting is dan ook een minimum aantal van 103 parkeerplaatsen opgenomen. 5.12.3 Conclusie Met de beoogde invulling van het plangebied zijn er geen grote wijzigingen te verwachten in de verkeersgeneratie.
Daarnaast wordt middels een voorwaardelijke verplichting parkeren geborgd dat er bij de bouw van de appartementen voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
5.13
Kabels & Leidingen
In of rond het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen gelegen met stoffen waarvoor veiligheidszones of minimale bebouwingsafstanden gelden, zoals hoofdgasleidingen of andere planologisch relevante kabels en leidingen.
5.14
Totaalbeeld aspecten
Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving. Wel is er in het kader van de Wet geluidhinder een hogere grenswaarde noodzakelijk. Deze procedure zal gelijktijdig met de procedure van de bestemmingsplanherziening worden doorlopen.
42
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Inleiding
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.
Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtstreeks burgers bindende werking. Wabo Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), per 1 oktober 2010, worden de aanlegvergunning, de sloopvergunning en de binnenplanse ontheffing als instrumenten van het bestemmingsplan onderdeel van de omgevingsvergunning (Wabo). De genoemde vergunningen en ontheffing zijn begrippen die in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) zijn opgenomen en in de praktijk veel worden toegepast. In een bestemmingsplan onder de Wabo, zoals in dit geval, wordt bijvoorbeeld niet meer gesproken van ontheffingsregels, maar van afwijkingsregels. Een aanlegvergunning wordt een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.2
De indeling van de regels
Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt:
bestemmingsplan
43
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
6.2.1
Inleidende regels (hoofdstuk1)
Dit hoofdstuk bevat alle regels die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: Begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; Wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. 6.2.2
Bestemmingsregels (hoofdstuk2)
Binnen dit plan komen de bestemming Groen, Verkeer en Wonen voor. Daarnaast heeft het plangebied de gebiedsaanduiding Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied. Groen Gebruiksmogelijkheden De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, watervoorzieningen, voetpaden, beeldende kunst, en speelvoorzieningen. Fietspaden en parkeerplaatsen vallen onder de bestemming Verkeer en vallen niet onder de bestemming Groen. Bij additionele voorzieningen kan gedacht worden aan plantenbakken, fonteinen, bankjes, prullenbakken, verlichting. Bouwmogelijkheden Op de gronden mogen in principe alleen gebouwen van algemeen nut en overige bouwwerken gebouwd worden. Daarnaast zijn ondergeschikte bouwdelen van de woningen zoals balkons toegestaan binnen de bestemming Groen. Afwijken ten behoeve van wegreconstructies Voor het gebruiken van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied zoals voor wegreconstructies is het mogelijk om binnen de groenbestemming flexibiliteit toe te staan. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Op deze manier wordt de groenbestemming beschermd, maar is er voor het college een mogelijkheid om wegreconstructies doorgang te laten vinden. Een voorwaarde hiervoor is groencompensatie.
Verkeer Gebruiksmogelijkheden De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn primair bestemd voor wegen. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor de aanleg en instandhouding van kunstwerken, auto- en fietsparkeervoorzieningen, water, verhardingen, doeleinden van algemeen nut, en infrastructuur ter ondersteuning of ten behoeve van het wegverkeer. Bij additionele voorzieningen kan gedacht worden aan bankjes, prullenbakken, pleinen. Bouwmogelijkheden Op deze gronden zijn uitsluitend overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) toegestaan. Deze mogen maximaal 6 meter hoog zijn. Voor sport zijn ruime bouwmogelijkheden opgelegd om ruimte te bieden voor de sportvoorzieningen die doorgaans benodigd zijn. Daarnaast zijn ondergeschikte bouwdelen van de woningen zoals balkons en trappen toegestaan binnen de bestemming Verkeer. Wonen Gebruiksmogelijkheden Op de gronden met de bestemming 'Wonen' mag natuurlijk gewoond worden. Daarnaast is het direct toegestaan om beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen in hoofd- of bijgebouw tot een maximum van 45 m². Dit gebruik is echter wel aan voorwaarden onderhevig, de voorwaarden worden in specifieke gebruiksregels binnen de bestemming opgenomen. Bij additionele voorzieningen kan gedacht worden aan parkeerplaatsen, tuinen, vijvers, garages, carports, erven, etc.
Het bouwvlak binnen de bestemming wonen heeft de aanduiding [gs]. Ter plaatse van deze aanduiding
44
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 mogen alleen gestapelde woningen worden gebouwd. Bouwmogelijkheden Het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gebouwd worden. Een uitzondering hierop is de erker- en luifelregeling, waarbij voor de voorgevel (dus buiten het bouwvlak) gebouwd mag worden. De maximum bouwhoogte is op de verbeelding aangeduid (variërend van maximaal 11 tot en met maximaal 26 meter). Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt in de boringsvrije zone Veenendaal. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning Veenendaal. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Veenendaal. In de boringsvrije zone bescherm een onderste kleilaag de onderliggende waterwinning. Om te voorkomen dat een kleilaag, die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboorden ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in haar Proviniciale Milieu Verordening 2013 (PMV 2013) in art. 19 t/m 22 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond-, en funderingswerkzaamheden dieper dan 30 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk.
Daarnaast geldt voor iedereen de bijzondere zorgplicht (art. 4 van de PMV 2013). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. Als regeling is opgenomen, dat indien door de gebiedsaanduiding “milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied” met elkaar onverenigbare regels van kracht worden, de bovengenoemde regels voorrang hebben, tenzij de beheerder van het grondwater met het tegendeel instemt. 6.2.3
Algemene regels (hoofdstuk3)
Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Verwezenlijking in de naaste toekomst; Algemene procedureregels; Overige regels. 6.2.4
Overgangs- en slotregels (hoofdstuk4)
In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen..
bestemmingsplan
45
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 7
FINANCIEEL-ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat een gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop de bouw van één of meer woningen is voorgenomen. De gemeenteraad hoeft geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen grond anderszins verzekerd is. Het aangaan van een exploitatie- en planschadeovereenkomst voorziet in deze 'anderszins' verzekering. Om de financiële haalbaarheid van het plan te garanderen en te voldoen aan de wettelijke plicht ex artikel 6.12 Wro, is met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst aangegaan waarbij de planschade direct is meegenomen. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het plangebied en de te ontvangen of te betalen exploitatiebijdrage. Uit de overeenkomst blijkt dat het verhaal van de kosten, inclusief mogelijke planschade, zullen worden gedragen door de initiatiefnemer. Naast het aangaan van de exploitatie- en planschadeovereenkomst is de initiatiefnemer op de hoogde van de grondwaterverontreininging ter hoogte van peilbuis V5. De sanerende kosten zijn bij de initiatiefnemer bekend. Dit heeft niet geleid tot beëindiging van de ontwikkeling. Zodoende is de economische uitvoerbaarheid niet in het geding.