6.a Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Industrielaan 2-8 - bestemmingsplan - toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
INDUSTRIELAAN 2-8
Industrielaan 2-8
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Inhoudsopgave Toelichting
Toelichting
5
Hoofdstuk1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) plan(nen) 1.4 Leeswijzer
5 5 5 5 7
Hoofdstuk2 BESTAANDESITUATIE 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur
8 8 9
Hoofdstuk3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
10 10 11 14 16
Hoofdstuk4
PLANBESCHRIJVING
24
Hoofdstuk5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Bodem 5.2 Water 5.3 Externe Veiligheid 5.4 Archeologie 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Trillinghinder 5.8 Luchtkwaliteit 5.9 (vormvrije) M.e.r.-beoordeling 5.10 Bedrijven en Milieuzonering 5.11 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.12 Verkeer en parkeren 5.13 Kabels & Leidingen 5.14 Totaalbeeld aspecten
25 25 27 28 28 29 32 33 34 36 37 40 41 42 42
Hoofdstuk6 JURIDISCHEPLANOPZET 6.1 Inleiding 6.2 De indeling van de regels
43 43 43
Hoofdstuk7
46
FINANCIEEL-ECONOMISCHEUITVOERBAARHEID
Hoofdstuk8 MAATSCHAPPELIJKEUITVOERBAARHEID 8.1 Burgerparticipatie 8.2 Vooroverleg 8.3 Ontwerp ter inzage legging
47 47 47 47
Bijlagen Bijlage 1
Historischvooronderzoek en locatiebezoek Industrielaan 2-10
Bijlage 2
Actualiserend bodemonderzoek
Bijlage 3
Aanvullend grondwateronderzoek
2
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Bijlage 4
Watertoets
Bijlage 5
Quickscan externe veiligheid
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
Bijlage 7
Vervolgonderzoek flora en fauna vleermuis en steenmarter
Bijlage 8
Stikstofdepositieberekening
Bijlage 9
Akoestischonderzoek Wet geluidhinder Verkeerslawaai
Bijlage 10
Onderzoek luchtkwaliteit
Bijlage 11
Onderzoek vormvrije m.e.r.
Bijlage 12
Onderzoek milieuzonering
Bijlage 13
Parkeervraag
Bijlage 14
Verslag participatieavond sept. 2020
bestemmingsplan
3
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
4
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding en doel
Aan de Industrielaan 2-8 in Veenendaal staat een tankstation en verouderde bedrijfsbebouwing. De ontwikkelaar van deze gronden is voornemens om deze bedrijfslocatie aan de Industrielaan 2-8 te herontwikkelen naar een aantrekkelijk woongebied met ruimte voor betaalbare appartementen. In totaal zullen er 112 woningen gerealiseerd worden verdeeld over twee appartementgebouwen. De locatie kent in het vigerende bestemmingsplan "Woongebieden 2018" de bestemming Bedrijf. De beoogde ontwikkeling is hiermee niet in overeenstemming. Om de woningbouw planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Industrielaan 2-8 in Veenendaal. Dit is gelegen in het gebied genaamd Stationskwartier, deelgebied D. Deelgebied D van het Stationskwartier wordt begrensd door de Kerkewijk, Industrielaan, Zuivelstraat en Parallelweg. Op minder dan 200 meter van het plangebied ligt het station Veenendaal Centrum. Figuur 1.1 geeft een indruk van de ligging van het plangebied.
Figuur 1.1: Topografische kaart met aanduiding plangebied
1.3
Vigerend(e) plan(nen)
De vigerende situatie is vastgelegd in het bestemmingsplan "Woongebieden 2018". Op 20 september 2018 heeft de gemeenteraad van Veenendaal dit bestemmingsplan vastgesteld. Op 19 december 2019 is een correctieve herziening vastgesteld. De wijzigingen in deze herziening hebben geen invloed op de de bestemmingen aan de Industrielaan 2-8. Het plangebied is in dit bestemmingsplan bestemd als 'Bedrijf' en kent een maximale bouwhoogte van 6
bestemmingsplan
5
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 tot en met 12 meter. Op de gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in de milieucategorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Bedrijven met een hogere milieucategorie of specifieke bedrijven worden nader aangeduid op de kaart. In dit geval is er ter plekke van de Industrielaan 6 een tankstation (zonder lpg) toegestaan. Voorts ligt het plangebied binnen een gebiedsaanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied. Deze gronden zijn aangeduid ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Voor diverse werkzaamheden is een omgevingsvergunning benodigd.
6
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Van de verbeelding van het bestemmingsplan "Woongebieden 2018" is in figuur 1.2 een uitsnede opgenomen.
Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Woongebieden 2018" met aanduiding plangebied
Het bouwplan voor woningbouw is strijdig met de vigerende bestemming "Bedrijf". Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten: toelichting, regels en verbeelding. De regels vormen tezamen met de verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft weliswaar geen juridische status, maar dient ter motivering en verduidelijking van hetgeen in de verbeelding en regels is geregeld. In de toelichting wordt achtereenvolgens ingegaan op de bestaande situatie en de ruimtelijke en functionele structuur (Hoofdstuk 2). Vervolgens wordt een beschrijving gegeven van de verschillende relevante beleidskaders (Hoofdstuk 3). In Hoofdstuk 4 is het voorgenomen plan omschreven. In Hoofdstuk 5 wordt het plan getoetst aan de verschillende omgevingsaspecten, zoals bodem, archeologie en andere relevante aspecten. Waarna in Hoofdstuk 6 een toelichting op de juridische planopzet wordt gegeven. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de financieel - economische uitvoerbaarheid en in Hoofdstuk 8 op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
bestemmingsplan
7
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 2 2.1
BESTAANDE SITUATIE
Ruimtelijke structuur
Het plangebied is centraal gelegen in de kern Veenendaal nabij het station Veenendaal Centrum. Hierin ligt het plangebied in deelgebied D van het Stationskwartier, dat wordt begrensd door de Kerkewijk, Industrielaan, Zuivelstraat en de Parallelweg. Het Stationskwartier betrof oorspronkelijk een gemengd gebied waar wonen, bedrijven en scholen gemengd voorkwamen. Eind 2011 is door de gemeenteraad van Veenendaal het Ruimtelijke en programmatische kaders deelgebied D (Stationskwartier) vastgesteld. Dit document voorziet in de mogelijkheid te transformeren naar een hoofdzakelijke woonfunctie. Deze transformatie is momenteel nog volop gaande. Onderhavige ontwikkeling aan de Industrielaan 2-8 maakt hier onderdeel van uit. Figuur 2.1 geeft een beeld van de huidige situatie.
Figuur 2.1: Luchtfoto met aanduiding plangebied
Het plangebied wordt aan de oostzijde begrend door Industrielaan 10. Dit terrein betreft fase 1 van de ontwikkeling van deelgebied D van het Stationskwartier, waarvoor reeds een bestemmingsplan is opgesteld. Dit plan heeft 36 appartementen mogelijk gemaakt. Deze oorspronkelijke bebouwing is inmiddels ook al gesloopt, zoals te zien op figuur 2.1. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door het appartementencomplexen Spoorstaete en Gravenborgh. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Industrielaan, staan een woonzorgcomplex en een appartementenflat. Ten zuiden van het plangebied zijn diverse bedrijven gevestigd. Er zijn reeds plannen om ook dat gedeelte van deelgebied D van het Stationskwartier te ontwikkelen naar overwegend woongebied. In het stedenbouwkundige plan uit 2011 is ook voor deze gronden een transformatie naar wonen voorzien. De Industrielaan betreft een hoofdontsluitingsweg voor de kern van Veenendaal en is aangesloten op de Rondweg Oost.
8
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
2.2
Functionele structuur
Door de herziening van het vigerende bestemmingsplan komt de bedrijfsbestemming te vervallen. De toegevoegde bestemming 'Wonen' past binnen de karakteristiek van de omgeving. Daarnaast past de herziening van het bestemmingsplan binnen de transformatie die voor dit gebied beoogd is.
bestemmingsplan
9
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 3 3.1
BELEIDSKADER
Rijksbeleid
Hoofddoel van het nationale ruimtelijke beleid is om ruimte te scheppen voor verschillende ruimtevragende functies. Het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking heeft, maakt het nodig dit op een efficiënte en duurzame wijze te doen en niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin. Bundeling van verstedelijking is een beleidsstrategie die het Rijk hanteert. Er wordt op deze manier optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is. Onderhavig plan voor het bouwen van woningen in bebouwd gebied past binnen deze strategie. 3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende nota's, zoals: de Nota Ruimte; de Structuurvisie Randstad 2040; de Nota Mobiliteit; de MobiliteitsAanpak; de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040; een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Dit doet het Rijk op basis van de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven zowel bovengronds als ondergronds richting 2040 bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken.
Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en bevat nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden, met uitzondering van de artikelen 2.3.6, 2.6.9, 3.2 en 3.5 en titel 2.13. Het kabinet zal in de SVIR vaststellen dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderiljke universele waarde en Ruimtereservering parallelle
10
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 Kaagbaan. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven. Binnen het plangebied zijn geen onderdelen van Barro aanwezig en hiermee behoeft het geen specifieke aandacht in het onderhavige bestemmingsplan. 3.1.3
Waterbeleid
Een ander belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, moet een Waterparagraaf worden opgenomen. In Hoofdstuk 5 wordt nader op het aspect 'water' ingegaan. 3.1.4
Overig wettelijk kader
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteit, Wet op de archeologische monumentenzorg, de Wet natuurbescherming, besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Ook op deze aspecten zal in Hoofdstuk 5 nader worden ingegaan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie 2013-2028
Op 4 februari 2013 heeft Provinciale Staten van de provincie Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) 2013-2028 vastgesteld. De nieuwe structuurvisie dient ter vervanging van de Structuurvisie Utrecht 2005-2015. In de PRS is het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028 beschreven. De provincie geeft aan welke doelstellingen van provinciaal belang worden geacht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe uitvoering wordt gegeven aan dit beleid. De PRS richt zich op de volgende drie pijlers: een duurzame leefomgeving; vitale dorpen en steden; landelijk gebied met kwaliteit. Deze pijlers leiden tot twee belangrijke beleidsopgaven, namelijk het accent op de binnenstedelijke opgave en het behouden en versterken van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Dit zijn opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats. Behouden en versterken kwaliteit landelijk gebied Utrecht wil de kwaliteit van haar landelijk gebied behouden en versterken, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen.
De zware terugval van financiële middelen voor natuur en recreatie om de stad wil de provincie onder andere opvangen door hier rood-voor-groenconstructies mogelijk te maken. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw. De aanwezigheid van zo'n 1,2 miljoen inwoners biedt afzetmogelijkheden voor de producten die dit oplevert. Bij dit alles is het kunnen beleven van rust en ruimte van belang. Accent op de binnenstedelijke opgave In het ruimtelijk beleid maakt de provincie de hoofdkeuze om in te zetten op de binnenstedelijke ontwikkeling. Het streven is dat ten minste twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren gerealiseerd wordt. Deze binnenstedelijke opgave biedt kansen om de leefbaarheid in de steden en dorpen te verbeteren, als er voldoende aandacht is voor de kwaliteit van de
bestemmingsplan
11
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 woningen en de woonomgeving. Daarom is het belangrijk dat er aandacht is voor deze kwaliteit. De provincie wil stimuleren dat overheden en marktpartijen zich gezamenlijk inspannen om de binnenstedelijke opgave te realiseren. Beleidsmatig is dit vertaald in een ruimtelijke afbakening van bebouwingskernen door zogeheten rode contouren. De verstedelijkingsambities moeten plaatsvinden binnen de rode contouren. Efficiënt, intensief, meervoudig en duurzaam gebruik van de ruimte speelt hierbij een belangrijke rol. Het bovengenoemde is van toepassing op het plangebied omdat het in z'n geheel binnen de rode bebouwingscontour ligt (figuur 3.1).
Figuur 3.1: Rode contour Veenendaal (bron: Structuurvisie, provincie Utrecht)
3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening
Bij de structuurvisie hoort ook de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). De PRV is gelijktijdig met de PRS vastgesteld en bevat regels voor gemeenten. De gemeenten moeten deze regels in acht nemen bij het maken van ruimtelijke plannen. De regels zijn nodig om het provinciale ruimtelijke beleid te kunnen realiseren. De regels zoals deze zijn opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening hebben met name betrekking op ontwikkelingen in stedelijk gebied of in het landelijk gebied. Onder het stedelijk gebied vallen die gronden die volgens de kaart 'Wonen en werken' als stedelijk gebied zijn aangewezen. Daarnaast kan een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Indien het ruimtelijk plan betrekking heeft op grootschalige verstedelijking bevat de toelichting een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overstromingsgevaar.
12
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
3.2.3
Herijking PRS/PRV
Provinciale Staten van Utrecht hebben in februari 2013 bij de vaststelling van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 besloten deze vierjaarlijks te herijken. Op 24 mei 2016 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Utrecht de eerste herijking als ontwerp vastgesteld. In de eerste herijking worden diverse wijzigingen voorgesteld. Het gaat veelal om verduidelijkingen, aanpassingen aan andere beleidsdocumenten, gewijzigd Rijksbeleid, updates van programma's e.d.. Er zijn enkele grotere (beleids)wijzigingen opgenomen over experimenteerruimte, duurzame energie, kernrandzones, detailhandel en landbouw. De overige centrale thema's zijn ongewijzigd gebleven. Provinciale Staten van Utrecht namen op 12 december 2016 een besluit over de vaststelling van deze herijking. In de PRS is onder andere verwezen naar de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT). Deze geeft een overzicht van de bekende archeologische vindplaatsen. De provincie stimuleert dat gemeenten in hun ruimtelijk beleid de waarde van archeologische vindplaatsen te borgen. Daarnaast is er in de PRV opgenomen dat stiltegebieden als provinciaal ruimtelijk belang worden gerekend, maar doorvertaald moeten worden in de gemeentelijke plannen. 3.2.4
Provinciaal Bodem-, Water- en Milieuplan
Het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. Het plan dient als een bouwsteen voor de toekomstige Omgevingsvisie en is vastgesteld op 7 december 2015. In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat.
Dit betekent dat de provincie werkt aan: een robuust bodem- en watersysteem; bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur; een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving; een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Het Provinciaal BWM-plan bevat geen specifieke informatie over de gemeente Veenendaal. Wel ligt Veenendaal gezien de bijbehorende kaarten in een overstroombaar gebied. Dit betekent dat bij een eventuele doorbraak van de keringen Veenendaal te maken krijgt met overstromingen. De provincie draagt zorg voor het overstromingsgevaar en de overstromingsrisico's en neemt zowel preventieve als reactieve maatregelen. Voor de gemeente Veenendaal zal dit betekenen dat bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met het robuuster maken van het regionale watersysteem. Onderdeel hiervan is het opnemen van regels ten behoeve van de vrijwaringszone versterking regionale waterkering. Ook dient er rekening te worden gehouden met een eventuele versterking of reconstructie van de regionale keringen. Bovendien vraagt de provincie om te voorkomen dat binnen ruimtelijke plannen een verslechtering van het oppervlaktewater wordt veroorzaakt. Dit beleid is doorvertaald in de PRS en PRV.
Daarnaast valt een deel van de gemeente Veenendaal binnen de Deltabeslissing zoetwater. Het uitgangspunt hiervan is dat Rijk, regio, en gebruikers samen verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van watertekorten en verslechtering van de waterkwaliteit. Uit de bijbehorende verbeeldingen blijkt dat Veenendaal deels binnen een grondwaterbeschermings- en infiltratiegebied ligt. Dit betekent onder meer dat bij functiewijzigingen rekening moet worden gehouden met het waterwinbelang en er geen
bestemmingsplan
13
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 verslechtering van de kwaliteit van het water optreedt. Op het gebied van milieu dient de gemeente Veenendaal rekening te houden met het opgestelde beleid omtrent onder andere luchtkwaliteit en geur. De provincie stimuleert dat gemeenten bij ruimtelijke keuzes rekening houden met de aanwezige milieubelasting en deze niet aantasten. Hiermee wordt een gezonde leefomgeving nagestreefd.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regio FoodValley
Tot 1 januari 2011 werd met de gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal samengewerkt in een verband onder de naam WERV. Dit samenwerkingsverband is per 1 januari 2011 opgegaan in een nieuwe samenwerkingsvorm onder de naam regio FoodValley, dit betreffen de vier WERV gemeenten aangevuld met de gemeenten Renswoude, Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel. In 2011 was FoodValley nog een abstract begrip met aan de verre horizon het beeld van een economisch krachtige, vitale en duurzame groene regio, waar het goed wonen, werken, leren en recreëren is. Anno nu is dat visioen geworden tot een nationaal én internationaal sterk beeld van Regio FoodValley, waarin Ondernemers, Onderwijs- en onderzoeksinstellingen en Overheid eensgezind optrekken. De drie O’s hebben de ambitie om met elkaar een economische topregio tot stand te brengen en uit te groeien tot hét agrofoodcentrum van Europa. Ze hebben daarvoor in 2015 de Strategische Agenda 2015-2019 vastgesteld, waarin het ideaalbeeld FoodValley regio 2025 is geformuleerd en afspraken zijn gemaakt over de inzet van de regionale partners.
De Strategische Agenda is vervolgens uitgewerkt in een Uitvoeringsprogramma, waarin projecten zijn benoemd die een bijdrage kunnen leveren aan de in de agenda geformuleerde en door de samenwerkingspartners omarmde opgaven: Verbeteren kennisinteractie Uitbouwen global pipelines Vergroten innovatiekracht Branding en marketing Versterken fysiek en sociaal duurzame leefomgeving. Het Uitvoeringsprogramma Triple Helix Regio FoodValley is een dynamisch programma: afgeronde projecten worden afgevoerd en nieuwe projecten en initiatieven worden toegevoegd. Op dit moment omvat het programma in totaal 26 projecten (zie tabel 3.1), waarvan er 11 door overheden worden opgepakt. overheidsprojecten.
14
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Tabel 3.1: Uitvoeringsprogramma Triple Helix FoodValley
De uitdaging voor Regio FoodValley en de daaraan deelnemende gemeenten ligt in het optimaliseren van het woon-, werk- en leefklimaat in deze regio. De gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Deze gezamenlijke opgave is in de regionale portefeuillehoudersoverleggen ‘Economie en Werkgelegenheid’ en ‘Ruimtelijke Ontwikkeling, Wonen en Mobiliteit’ uitgewerkt in werkprogramma’s. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke organisaties, die geen vaste plaats hebben in de triple helix stuurgroep. 3.3.2
Visie "Natuurlijk Ontwikkelen"
Gemeenten en waterschap zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het verwerken van neerslag en het inzamelen en zuiveren van afvalwater. De achtentwintig gemeenten en het waterschap in de regio Vallei en Veluwe hebben op 22 oktober 2015 via het Platform Water gezamenlijk een visie uitgebracht over omgaan met hemelwater en gebruikt water. De visie geeft richting aan de manier waarop kan worden omgegaan met veranderingen en ontwikkelingen met betrekking tot klimaat, geneesmiddelen in afvalwater, technologische innovaties en de rol van de overheid. De visie bevat gidsprincipes, handelingsperspectieven en praktijkvoorbeelden en is tot stand gekomen tijdens een aantal discussiebijeenkomsten. De betrokken organisaties zien de visie als middel om in dialoog te komen met belanghebbenden in de regio, gericht op kansen.
bestemmingsplan
15
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
3.3.3
Waterbeheerprogramma 2016-2021
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe. In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 (vastgesteld op 30 september 2015) is de koers van het waterschap bepaald. Het gewenste resultaat hiervan zijn: veilige dijken, droge voeten, en voldoende en schoon water. Het programma wenst een gezamenlijke aanpak om de waterveiligheid, zoetwatervoorziening, en het opvangen van klimaatveranderingen te waarborgen. In het plan zijn zes ambities uitgewerkt die de kerntaken vormen voor het waterschap: 1. het plangebied beschermen tegen overstromingen: verantwoordelijkheid nemen voor de bescherming en instandhouding van de dijken, en proactief opereren door met een veilige ruimtelijke inrichting en gevolgbeperking bewustzijn en betrokkenheid te vergroten. 2. zorgen voor de juiste hoeveelheid water: waterbeheer op gemeentelijk niveau te organiseren zodat er geanticipeerd kan worden op voorziene klimaatveranderingen. Er wordt ingezet op watersparen (en niet op aanvoeren of accepteren) en bij wateroverlast wordt er eerst gekeken naar mogelijkheden om het water vast te houden en te bergen. 3. zorgen voor een goede oppervlaktewaterkwaliteit: er dient te worden voldaan aan de oppervlaktewaterkwaliteit zoals is bepaald in de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Hierbij wordt ingezet op het sturen van landelijk en stedelijk gebied via kwaliteitsbeelden, voor een goede invulling van ecologie en landschap. 4. het scheiden van schoon en vuil water: scheiden van schoon en vuil water aan de bron biedt mogelijkheden om klimaatveranderingen op te vangen en heeft een positief effect op het terugwinnen van grondstoffen en energie. Afvalwater wordt ingeperkt om ecologische schade te voorkomen. 5. de hoogst mogelijke waarde halen uit water: het terugbrengen van reststromen van het watersysteem in de economie, door energieneutraal te worden in 2025 en bijvoorbeeld fosfaatgehaltes terug te dringen. 6. het beheren van de afvalwaterketen en het watersysteem: de hele waterhuishouding aan te sturen als één systeem vanuit een integrale en gezamenlijke benadering. Door oppervlakte-, grond- en afvalwater als één systeem te benaderen kan er efficiënter gewerkt worden. Voor Veenendaal is relevant dat de Slaperdijk een zogenaamde droge kering is die lokaal bescherming biedt tegen overstromingen. Deze dijk vertraagt water indien de Grebbedijk bij Wageningen doorbreekt.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Strategische Visie Veenendaal 2040
Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik naar de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken. Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En –in lijn met de wensen van inwoners– moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling en functieverandering en voldoende aandacht blijft houden voor groen. Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen
16
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting – Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding – werken we uit aan de hand van vier thema's. Juist binnen deze thema's liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd: 1. Netwerksamenleving: “niet alleen, maar samen” met ruimte voor ieders eigen identiteit; 2. (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat; 3. Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardige duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum; 4. Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond. 3.4.2
Structuurvisie Veenendaal 2025
De Structuurvisie geeft de ruimtelijke en verkeerskundige visie op Veenendaal in 2025. De visie geeft hierbij de hoofdlijnen van de beoogde ontwikkeling weer. Zij is geformuleerd aan de hand van de volgende tien ambities: 1. Zichtbare en sterke historische identiteit: Het versterken, zichtbaar en beleefbaar maken van de cultuurhistorische elementen en structuren 2. Woon- en werkgebieden met eigen karakters: De kracht van Veenendaal is niet zozeer gelegen in de samenhang tussen, maar in de diversiteit van de gebieden. 3. Heldere routes met duidelijke entrees; 4. Brandpunten in de stad; 5. Groene stad; 6. Aantrekkelijke woonwijken; 7. Goed gebruik van de beschikbare ruimte; 8. Bereikbare economische gebieden; 9. Een fietsende stad; 10. Goed openbaar vervoer. De visie is ook verbeeld in een Structuurkaart (figuur 3.2). Deze geeft het beeld van de gewenste ontwikkeling van de stad als geheel.
bestemmingsplan
17
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Figuur 3.2: Kaart structuurvisie Veenendaal 2025 (bron: structuurvisie Veenendaal 2025).
De kenmerken van de verschillende gebieden versterken en werken aan onderscheid tussen gebieden en de herkenbaarheid van elk gebied. Niet de samenhang is de kracht van Veenendaal, maar de diversiteit van gebieden. Binnen elke zone zijn grotere en kleinere gebieden te onderscheiden die elk een eigen karakter hebben. Denk hierbij aan kleinschalige (her)ontwikkeling met woningbouw, buurtwinkelcentra, groenzones en voorzieningenclusters. In de structuurvisie zijn uitgangspunten gesteld hoe deze kenmerken versterkt kunnen worden: Versterken van de identiteit van de verschillende stedelijke zones; Kenmerkende structuren en elementen in de zones herkenbaar maken en versterken; Vormgeving en functies in elk van de verschillende zones op elkaar afstemmen; De onderscheidende kwaliteiten van de zones verder ontwikkelen; Specifieke milieukwaliteitsprofielen hanteren voor de kwaliteit van de leefomgeving in de verschillende gebieden; De karakters van de verschillende zones zichtbaar maken vanaf de doorgaande wegen. 3.4.3
Woonvisie Veenendaal 2014-2019
Op 28 mei 2015 heeft de raad van Veenendaal de Woonvisie 2014-2019 vastgesteld. In deze Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt:
18
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
"We streven naar een aantrekkelijke leefstad met een daarbij passende woningvoorraad. Daarbij hoort een actieve gemeente die blijft inspelen op de dynamiek en behoeften van haar woningmarkt. De gemeentelijke zorg op het gebied van wonen strekt zich vooral uit tot de doelgroepen in de markt die niet aan geschikte woonruimte kunnen komen, en tot het aantrekken van dynamische woonmilieus. De woningmarkt in Veenendaal zorgt zelf voor evenwicht in vraag en aanbod." Op grond van de Woonvisie richt de gemeente Veenendaal zich in de uitvoering vooral op de drie speerpunten van deze Woonvisie: 1. Dynamische Woonmilieus Doel is meer inwoners van buiten Veenendaal te huisvesten. Eén en ander te bereiken door het promoten van het gevarieerde woningaanbod, de groene omgeving en de goede voorzieningen. 2. Huishoudens met een zorgvraag Doel is de wijken aantrekkelijk te houden door (zorg)voorzieningen en een gevarieerd woningaanbod, waaronder huisvesting voor ouderen. 3. Huishoudens met lagere inkomens Doel is voldoende betaalbare sociale woningen beschikbaar te hebben. Bevordering van de doorstroming is daarvoor een belangrijke maatregel. Ook het bevorderen van de realisering van meer vrije sector huurwoningen en het stimuleren van het kopen van woningen is daarin een belangrijke activiteit.
Het stedelijk programma van de gemeente Veenendaal zal geheel via inbreiding gerealiseerd moeten worden. Het Stationsgebied wordt in de Woonvisie genoemd als een van de inbreidingslocaties waar woningen gerealiseerd kunnen worden. In deelgebied D worden 122 woningen voorzien. Plantoetsing: Het bestemmingsplan Industrielaan 2-8 valt in het herontwikkelingsgebied Stationskwartier Noord deelgebied D. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de vastgelegd is dat voor de ontwikkeling van het gehele gebied wordt voorzien in 30% starterswoningen. Met voorliggend plan worden 112 woningen mogelijk gemaakt. Aan de Industrielaan 10 zijn reeds 36 woningen mogelijk gemaakt. Er worden dan in totaal ook meer woningen mogelijk gemaakt dan de voorziene 122 woningen. Echter, na 6 jaar na dato kan gesteld worden dat de behoefte naar nieuwe woningen sterk is toegenomen. Het doel is om inbreidingslocaties goed te benutten. Verlenging termijn woonvisie 2014-2019 tot vaststelling Omgevingsvisie De woonvisie Veenendaal 2014-2019 is officieel tot 2019 van toepassing. Omdat naar verwachting per 2021 de omgevingswet naar intrede doet wordt de Woonvisie niet meer aangepast maar wordt dit onderdeel opgenomen in de Omgevingsvisie waar op dit moment aan gewerkt wordt. De omgevingsvisie is nog niet vastgesteld door de gemeenteraad.
Daarom is er voor gekozen de huidige woonvisie van toepassing te laten verklaren tot de omgevingsvisie wordt vastgesteld. De gemeenteraad van de gemeente Veenendaal heeft de verlenging van de woonvisie in de gemeenteraadsvergadering van 20 februari 2020 vastgesteld. 3.4.4
Waterplan Veenendaal 2006
Op 21 september 2006 heeft de gemeenteraad het Waterplan Veenendaal vastgesteld. Het wensbeeld van Veenendaal op het gebied van water is: 'Het komen tot een duurzaam en integraal waterbeheer, gericht op het behouden en verstreken van de functies en kwaliteiten van het water in al zijn facetten voor de langere termijn'. Het doel van het waterplan is de randvoorwaarden te scheppen waarmee het wensbeeld wordt bereikt, op voorwaarde dat dit past binnen de kaders van de bestuurlijke prioritering. Het waterplan kent twee onderdelen: een algemeen visiedeel voor een termijn van 15 jaar en een maatregelendeel voor de termijn van 4 jaar. Het visiedeel van het plan is een overkoepelend plan, dat aangeeft welke doelen en ambitieniveaus worden nagestreefd. Verbanden tussen beleidsvelden worden integraal neergezet. Dit deel geeft voeding aan andere plannen en voornemens. In het uitvoeringsgerichte deel worden bindende afspraken gemaakt over concrete maatregelen die in de
bestemmingsplan
19
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 nabije toekomst worden genomen. Waar nog onzekerheid bestaat over de aard en omvang van de maatregelen zal het voornemen van nader onderzoek in het plan worden vastgelegd. De afspraken gaan over de inhoud, uitvoering, planning en financiering en wie een bepaalde actie trekt. Het waterplan 2006 wordt inmiddels geactualiseerd. De gemeente streeft ernaar om in 2017 een integraal beleidsdocument voor riolering en waterhuishouding te kunnen vaststellen in een Gemeentelijk Water- en RioleringsPlan (GWRP 2017-2020). Hierin zal niet alleen aandacht zijn voor de drie zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook voor waterbeheertaken die buiten deze zorgplichten vallen. In het GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoonhemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 3.4.5
Groenstructuurplan
Het groenstructuurplan (2003) van de gemeente Veenendaal richt zich op de hoofdgroenstructuur van de gemeente, en staat onder meer verwoord dat groen moet worden gecompenseerd als het wordt aangetast door ruimtelijke ontwikkelingen. Het groenstructuurplan heeft 5 verschillende doelen: 1. De samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken; 2. Met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten; 3. De gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie; 4. Groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken; 5. Accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau. Er wordt een onderscheid gemaakt naar groen op twee niveaus: de hoofdgroenstructuur en het groen binnen wijken. Ten aanzien van de hoofdgroenstructuur is het doel de identiteit en de kwaliteit van de afzonderlijke elementen te vergoten, waarbij de aanwezige of gewenste samenhang (structuur) tussen de verschillende elementen en patronen als kader geldt. De hoofdgroenstructuur bestaat uit de volgende onderdelen: de Grift, de oude linten, pleinen, parken, begraafplaatsen en sportparken, de binnenring, de Rondweg, 't Goeie Spoor / Industrielaan / Wageningselaan, de snelweg A12, de spoorlijnen en de entrees. 3.4.6
Milieukwaliteitsplan 2017
Het Milieukwaliteitsplan beschrijft de milieuambities van de gemeente Veenendaal die moeten leiden tot een integraal milieubeleid. Het plan is vastgesteld op 30 maart 2017. In het plan zijn hoofddoelen geformuleerd die integraal opgepakt worden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Een gezonde en veilige leefomgeving; Een energieneutraal Veenendaal in 2035; Gebiedsgericht milieubeleid (bouwstenen voor een integrale Omgevingsvisie); Veenendaal werkt aan een circulaire economie; Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering; Veenendaalse bewoners, bedrijven en organisaties zetten zich in voor een duurzame samenleving.
In deze periode koerst de gemeente Veenendaal naar een samenleving die in balans is, een duurzame samenleving. Om deze samenleving te bereiken wil Veenendaal de milieuthema's integraal, dus in samenhang met elkaar en met medeneming van ruimtelijk en economische ontwikkelingen bezien. De gemeente wil proactief handelen, doelgroepen op maat benaderen en de verantwoordelijkheid nemen om zelf een voorbeeldfunctie te vervullen. Om de aanwezige kansen in het versterken van de milieu-inbreng in ruimtelijke planvorming te benutten is het noodzakelijk dat naast de strategie inzichtelijk wordt wat per sectoraal milieuthema de bijdrage kan zijn aan het optimaliseren van de lokale leefomgevingskwaliteit. Het gaat in het milieukwaliteitsplan vooral om bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, duurzaamheid, klimaat, energie, afval, water en biodiversiteit.
20
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
In de periode tot 2020 wil de gemeente Veenendaal zichtbare voortgang boeken op: Integrale en gecoördineerde milieu- en duurzaamheidscommunicatie, waarin de leefstijl van onze inwoners en het creëren van een netwerk centraal staat; Het faciliteren van de huidige duurzame initiatieven en het stimuleren van nieuwe; Maatschappelijk verantwoorde inkoop; in elke aanbesteding aandacht voor energiebesparing, duurzame energie, het vermijden van onnodige autokilometers en/of schone vervoersvormen en circulariteit; Het op projectmatige basis centraal stellen van onze milieu- en duurzaamheidsambities bij vergunningverlening, toezicht en handhaving; Meer en beter samenwerken met de gemeenten van de Regio FoodValley, de gemeenten uit het gebied van Waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten die aangesloten zijn bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, de provincie Utrecht en de EBU. 3.4.7
Duurzaamheidsbeleid
De wettelijke eisen voor energiezuinigheid van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend heeft de gemeente Veenendaal beleid opgesteld voor duurzaamheid in het programmaplan "Energieneutraal Veenendaal 2035" (30 maart 2017). De gemeente geeft uitwerking aan de volgende ambities en doelstellingen: Veenendaal is energieneutraal in 2035: streven naar energie neutrale woningen en wijken. Het streven is naar energieneutraliteit (EPC=0 of beter: Nul Op de Meter). Deze woningen moeten energieneutraal zijn en niet afhankelijk van gas. Veenendaal is energieneutraal in 2035: stimuleren schonere voertuigen. Voor de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden worden dat bewoners een elektrische auto hebben en willen opladen. Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering: ontwikkelingen worden minimaal waterneutraal uitgevoerd, groen wordt strategisch ingezet voor hemelwaterafvoer en koeling in de stad.
De gemeente vindt het daarbij belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen de volgende onderwerpen aan de orde komen bij het thema duurzaam bouwen: Toepassen van een prestatie-instrument voor duurzaam bouwen; Mogelijkheden om het dak te benutten voor warmte-opslag, waterberging, het bufferen van fijnstof of energiewinning; Natuurvriendelijke maatregelen aan of rond het gebouw; Geen koper, lood of zink gebruiken voor de hemelwaterafvoer; Toepassen van duurzaam hout; Energiezuinige terrein- en gebouwverlichting. 3.4.8
Notitie Parkeernormen
In 2008 heeft gemeente Veenendaal de "Notitie Parkeernormen" vastgesteld (juli 2008) waarin per functie is aangegeven welke parkeernormering bij nieuwe ontwikkelingen in acht moeten worden genomen. Het doel van deze notitie kan als volgt worden gedefinieerd: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke projecten en ontwikkelingen in Veenendaal. Hierdoor kan nu en in de toekomst worden voorzien in de parkeerbehoefte waarbij tevens de bereikbaarheid en leefbaarheid worden gewaarborgd. Om deze doelstelling te behalen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. Elke initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling is verantwoordelijk voor het realiseren van z'n eigen parkeeroplossing. 2. Een nieuw bouwinitiatief mag geen parkeerproblemen in de omgeving veroorzaken; 3. Het toepassen van de parkeernormen moeten een positieve invloed hebben op de bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van Veenendaal; 4. Er wordt gestreefd naar een goede balans tussen het aanbod van parkeerplaatsen versus de leefbaarheid en de kwaliteit (functie, gebruik, beeld) van de openbare ruimte; 5. Indien de voorgeschreven parkeernorm niet realiseerbaar is, wordt er naar alternatieve mogelijkheden gezocht om het parkeren op te lossen. In bestemmingsplannen worden de parkeernormen vastgelegd aan de hand van een voorwaardelijke
bestemmingsplan
21
bestemmingsplan Industrielaan 2-8 verplichting in de regels. Deze parkeernormen zijn conform het Goudappel Coffeng onderzoek. Er wordt voldaan, zie Bijlage 13 3.4.9
Archeologie-/monumentenbeleid
Aanleiding voor het opstellen van een gemeentelijk archeologiebeleid is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 in werking is getreden. Sindsdien zijn gemeenten verplicht bij het vaststellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met het behoud van belangrijke archeologische waarden. De gemeente Veenendaal heeft in dit kader in 2008/2009 voor het hele grondgebied van Veenendaal onderzoek gedaan naar de kans op aanwezigheid van archeologische resten. Het resultaat hiervan is een archeologische maatregelenkaart die op 30 mei 2011 is vastgesteld door de raad. De gemeente Veenendaal is nu in staat de archeologische waarden van het hele gemeentelijke grondgebied structureel mee te nemen in het ruimtelijke planvormingsproces. De archeologische maatregelenkaart wordt verwerkt in alle nieuw op te stellen bestemmingsplannen. In hoofdstuk 5 wordt nader op de bescherming van de archeologische waarden ingegaan. De gemeente heeft geen integraal monumentenbeleid. Wel is het wettelijke beleid geïmplementeerd. Hierbij zijn onder andere de erfgoedverordening en de aanwijzing van 108 gemeentelijke monumenten van belang. 3.4.10 Welstandsnota 2011 Vanaf 3 november 2011 worden de bouwplannen, die ter advisering aan de welstandscommissie worden voorgelegd, beoordeeld aan de hand van een vastgestelde gemeentelijke welstandsnota.
In de gemeente Veenendaal is hiertoe de ‘Welstandsnota 2011’ vastgesteld. Een groot voordeel is dat initiatiefnemers en hun architecten zich vooraf in kennis kunnen stellen van de toetsingscriteria welke de welstandscommissie zal hanteren. Een belangrijk uitgangspunt van de Welstandsnota is de ‘gebiedsgerichte benaderingswijze’. Met de gebiedsgerichte benaderingswijze zijn de karakteristieken van wijken en samenhangende gebieden in heel de gemeente Veenendaal vastgelegd en gewaardeerd. Hiermee moeten de ontwerpers van nieuwe bouwplannen rekening houden en het biedt de welstandscommissie handvatten voor het formuleren van een welstandsadvisering. Verder heeft gemeente Veenendaal ervoor gekozen om een aantal gebieden welstandsvrij en welstandsluw te maken. Voor de bedrijventerreinen betekent dit dat de welstandstoets op bedrijventerreinen niet overal even streng hoeft te zijn. De bebouwing aan de randen, welke gericht is op de doorgaande wegen langs de bedrijventerreinen, is sterk bepalend voor de uitstraling van het bedrijventerrein. Voor een deel, langs de A12 en de Rondweg-Oost, is deze bebouwing ook bepalend voor de uitstraling van de stad Veenendaal. Daarom blijft voor deze bebouwing het reguliere welstandsbeleid van toepassing. Het middengebied van een bedrijventerrein is minder bepalend voor de uitstraling van het gebied.
Daarom zijn hier mogelijkheden om het welstandsbeleid te versoepelen. Voor de bedrijventerreinen ten zuiden van de A12 geldt dat voor het middengebied een minder streng welstandsbeleid geldt. In de middengebieden wordt nog wel getoetst, maar aan minder criteria. De verantwoordelijkheid voor het ontwerp ligt hiermee meer bij de ondernemer. Zoals genoemd is de uitstraling naar buiten toe bepalend voor de keuze voor regulier of welstandsluw c.q. welstandsvrij. Daarom is op de locaties waar bedrijventerrein direct grenst aan woongebieden of buitengebied er voor gekozen het reguliere welstandstoezicht in stand te houden. Op locaties waar een oud lint de grens van het bedrijventerrein vormt (zoals bij de Munnikenweg, Stationsstraat) vormt de bebouwing van het lint de uitstraling naar buiten toe. Daarom is achter deze linten een lichter welstandsbeleid van toepassing. 3.4.11 Ruimtelijke en programmatische kaders deelgebied D (Stationskwartier) Op 15 december 2011 heeft de raad van de gemeente Veenendaal ruimtelijke en programmatische kaders voor deelgebied D van het Stationskwartier vastgesteld.
22
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Stationskwartier deelgebied D betreffen de percelen tussen de Industrielaan, Zuivelstraat, de Parallelweg en de Kerkewijk. Grote delen van dit gebied zijn aan vernieuwing toe. Met de mogelijke herontwikkeling van deelgebied D wordt een positieve impuls gegeven aan een toekomstbestendige woningvoorraad en leefmilieu. Het Stationskwartier, dat nu een industrieel karakter kent, dient aan te sluiten op de stedelijke structuur van Veenendaal. Deelgebied D heeft daarbij een sleutelpositie: een unieke en kansrijke locatie voor een variatie aan doelgroepen. De opzet van deelgebied D dient aan te sluiten op de visie en plannen voor het Stationskwartier als geheel, namelijk stedelijk met dorpskarakter. Dat betekent voor deelgebied D enerzijds compacte bebouwing en anderzijds hoogwaardige openbare ruimte. Het uitgangspunt is een heterogeen en dynamisch woongebied met een hoge mate van ruimtelijke en typologische diversiteit. Het is de bedoeling parkeeroplossingen te integreren binnen de bouwblokken. De nieuwe bebouwing kan afwisselend 6 tot 8 bouwlagen krijgen. Voorts dient het Stationskwartier een aantrekkelijke en fijnmazige structuur te krijgen met een variatie aan plekken en ruimtes die een verband met elkaar hebben. Het programma dient uit te gaan van een gemengd gebied met een accent op wonen. Het wonen is gericht op alle doelgroepen.
bestemmingsplan
23
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 4
PLANBESCHRIJVING
Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om twee appartementencomplexen te realiseren met in totaal ruimte voor 112 woningen. Naast de basis van 112 woningen worden parkeerplaatsen en de groeninrichting geborgd in dit bestemmingsplan. De ontwikkeling is afgestemd op de door de raad van de gemeente Veenendaal vastgestelde ruimtelijke en programmatische kaders. De 112 appartementen worden verdeeld over 5 tot 7 bouwlagen. Hierbij zal er op de onderste bouwlaag met name ruimte zijn voor parkeren. Deze parkeerplaatsen worden geïntegreerd opgenomen in het ontwerp, buiten het zicht. De nieuwe bebouwing is gesitueerd tussen het wooncomplex Spoortstaete en het nieuw te bouwen wooncomplex aan de Industrielaan 10. De architectuur en situering van de twee appartementengebouwen komen overeen met de nieuwbouw aan de Industrielaan 10. Het past in het bouwritme om de plannen stapsgewijs te ontwikkelen, mede zodat de woningen niet allemaal tegelijk te koop komen te staan. Naar verwachting volgen er na deze fase nog enkele fasen, voor de ontwikkeling van het zuidwestelijke gedeelte van Stationskwartier deelgebied D.
24
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Hoofdstuk 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij onder meer om de aspecten bodem, water, externe veiligheid, archeologie, ecologie, geluid, luchtkwaliteit en milieuzonering. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd en is dat er geen belemmeringen meer zijn.
5.1
Bodem
Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten. Op de fysische bodemkwaliteit wordt in dit bestemmingsplan niet nader ingegaan. Dit deeladvies gaat in op de chemische bodemkwaliteit, waarbij mogelijke verontreinigingen centraal staan. 5.1.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening Volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijzigingen. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op de daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstig bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van een ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De noodzaak om te saneren wordt voor het project bepaald door de bouwplannen/herinrichting. Met andere woorden: de urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling.
Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit bodemkwaliteit. 5.1.2
Planspecifiek
Verdachte locaties Op 14 juni 2019 heeft er een locatiebezoek plaatsgevonden om de resultaten uit het historisch onderzoek te verifiëren, Bijlage 1. Ter plaatse van het tankstation zijn meerdere peilbuizen aangetroffen.
bestemmingsplan
25
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Ter plaatse van Industrielaan 6 zijn de volgende verdachte deellocaties aangetroffen / bevestigd: Olietank; Mobiele olietank; Opslag chemicaliën; Opslag ruitenwisservloeistof; Olie-/benzineafscheider; Vul- en ontluchtingspunten; Bandenopslag; Voormalige kolenhandel. Inpandig is een beton en grindbetonvloer aanwezig. Ter plaatse van de Industrielaan 8-8a zijn geen verdachte deellocaties aangetroffen. Inpandig is een beton- en tegelvloer aanwezig. Uitpandig zijn verhardingen van klinkers, tegels en vloeistofdichte verharding aanwezig. Bodemopbouw en geohydrologie De gegevens zijn ontleend aan de Grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO (DINO-loket). De locatie bevindt zich op een hoogte van circa NAP +7 en bestaat tot een diepte van 5 m-mv hoofdzakelijk uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei van de formatie van Boxtel. Tussen 5 en 11 m-mv bevindt zich goed doorlatende laag met grof tot midden zand van de Formaties van Woudenberg en Drenthe. Tussen 11 en 34 m-mv is een laag met stuwde afzettingen met grof tot midden zand. Op een diepte van 35 bevindt zich een kleine slecht doorlatende laag van een meter dik met zandige klei van de Formatie van Waalre. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is naar alle waarschijnlijkheid zuidelijk gericht door het nabijgelegen Valleikanaal.
De grondwaterstroming kan verder worden beïnvloed door plaatselijke drainage en overige oppervlaktewateren. Conclusie historisch onderzoek en locatiebezoek Uit de bovenstaande gegevens blijkt dat de locatie verdacht is met betrekking tot het voorkomen van diverse mogelijke en reeds aangetroffen bodemverontreinigingen. De verdachte (voormalige) bedrijfsactiviteiten die gerelateerd zijn aan het huidige en voormalige gebruik van de locatie, bevinden zich binnen de onderzoekslocatie en zullen derhalve worden meegenomen in het verkennend en actualiserend bodemonderzoek. Op de onderzoekslocatie zijn geen bestaande watergangen aanwezig die in het kader van de transactie en/of bestemmingsplanwijziging onderzocht dienen te worden. Conclusie bodemonderzoek Op 14 mei 2020 zijn door Verhoeven Milieutechniek B.V. een verkennend en actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd voor de onderzoekslocatie Industrielaan 8-10 in Veenendaal. Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van verontreiningen met diverse parameters. Het onderzoek wijst uit dat de gehalten onder de interventiewaarde blijft maar de index van 0,5 overschreidt. Om zeker te zijn dat de grondwaterkwaliteit voldoende is vastgelegd is een actualiserend bodemonderzoek opgesteld, zie Bijlage 2 voor het onderzoek .
Aanvullend grondwateronderzoek Op 6 oktober 2020 is door Verhoeven Milieutechniek B.V. een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd voor de locatie Industreilaan 2-8 in Veenendaal. De aanleiding voor dit aanvullende onderzoek is gevormd door de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken op de locatie aan de Industrielaan 2-8 in het kader van de voorgenomen ontwikkeling en de beoordeling van de Omgevingsdienst regio Utrecht (OdrU). Het aanvullend grondwateronderzoek, zie Bijlage 3, heeft tot doel het verifiëren van de grondwaterverontreiniging met minerale olie inpandige ter plaatse van peilbuis PB18 die deel uit maakt van de bestaande verontreiniging aan de Kerkewijk 87 (Spoorstaete), welke perceelsoverschreidend is.
26
bestemmingsplan
bestemmingsplan Industrielaan 2-8
Conclusie aanvullend grondwateronderzoek Door middel van het aanvullend grondwateronderzoek en de voorgaande bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie gelegen aan de Industrielaan 2-9 in Veenendaal afdoende vastgelegd en geactualiseerd ten behoeve van de mogelijke toekomstige herontwikkeling op de locatie. De aangetroffen verontreiniging met minerale olie ter plaatse van peilbuis PB 18 is middels voorliggend aanvullend onderzoek niet bevestigd. Wel is wederom grondwaterverontreiniging met mineralie olie aangetroffen in peilbuis V5, die binnen de interventiewaarde-contour van deze grondwaterverontreiniging is gesitueerd. Hierdoor is bevestigd dat sprake is van een perceelsoverschrijdende grondwaterverontreiniging. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren voor de mogelijke toekomstige ontwikkeling op deze locatie, uiteraard rekening houdend met de aanbeveling om rekening te houden met sanerende maatregelen.
5.1.3
Conclusie
Op basis van het "historisch onderzoek en het locatiebezoek", het "actualiserend bodemonderzoek" en het "aanvullend grondwateronderzoek" kan geconcludeerd worden dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren zijn tegen een mogelijke herontwikkeling op de locatie Industrielaan 2-8. Bij de herontwikkeling van de locatie zal rekening gehouden moeten worden met sanerende maatregelen.
5.2
Water
5.2.1
Wettelijk kader
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de ruimtelijke onderbouwing van ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In deze waterparagraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, het wateradvies van de waterbeheerder, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten', Bijlage 4. Hieronder wordt dit toegelicht. 5.2.2