CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 4 Toelichting Integrale Verordening Sociaal Domein

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein43.319 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De regering vindt het van groot belang, mede met het oog op de kwetsbare positie van de doelgroep, dat juridisering en procedures zo veel mogelijk worden voorkomen. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent 17

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan. Indien een gemeente een klachtenverordening heeft vastgesteld, ligt het voor de hand hierbij aan te sluiten. Tot slot is het van belang om uitvoering te geven aan de oproep van de wetgever in de Memorie van Toelichting van de Wmo (p. 58): Gemeenten moeten cliënten goed informeren over de mogelijkheden om klachten in te dienen. Daarbij moet het duidelijk zijn wanneer en hoe men met een klacht bij de gemeente terecht kan, wanneer de klacht primair bij de aanbieder moet worden ingediend en wat men kan doen als men niet tevreden is over de afhandeling van de klacht. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtenregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo).

Artikel 2.1.28 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo. In hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder. In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In de verordeningsbepaling is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.

Artikel 2.1.29 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens art. 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. Inspraakverordeningen verwijzen veelal naar de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals te vinden in afdeling 3.4 Awb. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever. Zie de Memorie van Toelichting op artikel 2.1.3 van de Wmo: In het derde lid is bepaald dat in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening regels moeten worden opgenomen over de wijze waarop periodiek met ingezetenen wordt overlegd. Deze mogelijkheid tot medezeggenschap is van belang voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Daarom is niet de beperking tot personen die maatschappelijke ondersteuning ontvangen of hun vertegenwoordigers gehanteerd. In het vierde lid is een delegatiebepaling toegevoegd omdat de exacte invulling van de medezeggenschap aan het college kan worden overgelaten.

Dit is ook nodig, nu de Memorie van Toelichting van de Wmo dienaangaande stelt: De verordening zal in elk geval moeten regelen dat betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen en vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen over ontwerpverordeningen en ontwerpbeleidsplannen; ook zal moeten worden voorzien in de ondersteuning van betrokkenen op zodanige wijze dat zij effectief aan het overleg kunnen deelnemen en in regels over de wijze waarop agendapunten daarvoor kunnen worden aangemeld; tot slot zal ook moeten worden geregeld hoe de 18

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal benodigde informatie voor het overleg wordt verspreid.

19

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal 3.1 Toegang en toeleiding jeugdhulp Algemeen Opdracht aan de gemeente Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Hoofdstuk drie van deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en d.

de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Daarnaast regelt hoofdstuk drie, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet. Hoofdstuk drie bevat ook regels ter waarborging van: a. een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en b. de continuïteit van de jeugdhulp. Tot slot wordt in hoofdstuk drie bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk Achtergronden Hoofdstuk drie van de verordening geeft uitvoering aan de wet. De wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugdggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen.

Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder was gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Hoofdstuk drie van de verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de wet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk In hoofdstuk drie van de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemeen (vrij) toegankelijke en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.

Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemeen toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de 20

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal gemeente nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot deze voorziening wenden. Toegang tot jeugdhulp De toegang tot jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: - Via de gemeente; - Via verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of; - Via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het openbaar ministerie of justitiële jeugdinrichting. Toegang jeugdhulp via gemeente Een hulpvraagvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige of zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette medewerker van het CJG en de jeugdige of zijn ouders gekeken worden in hoeverre de jeugdige of zijn ouders de hulpvraag op eigen kracht kunnen oplossen. Wanneer het college vaststelt dat de jeugdige in aanmerking komt voor een individuele voorziening, dan wordt dit vastgelegd in een besluit.

en worden de jeugdige of zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd. Zie voor een uitgebreidere toelichting de artikelsgewijze toelichting. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de subsidie- of contractrelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de jeugdhulpaanbieder moet handelen na verwijzing van de artsen en hoe de gemeentelijke toegang goed op de hoogte is van de doorverwijzing of behandeling van de jeugdige. Daardoor kan de integrale benadering rond de jeugdige of zijn ouders en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, worden geborgd en zal geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Hoofdstuk drie van deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 3.1.2 tweede lid). De gemeenten van de Jeugdhulpregio JeugdFV hebben een protocol “Jeugdhulp na verwijzing door huisarts, medisch specialist en jeugdarts” opgesteld. Dit protocol is onderdeel van het contract met de jeugdhulpaanbieder en is te vinden op: https://www.jeugdfv.nl/aanbieders/documenten-en-downloads. Zie voor een uitgebreidere toelichting de artikelsgewijze toelichting.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt 21

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is ook verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in hoofdstuk drie van deze verordening.

Afbakening jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. Volgend uit de Hervormingsagenda is daarom in 2025 in Veenendaal project ‘Grenzen aan onze Jeugdzorg’ uitgevoerd. Volgend uit dit project zijn er een aantal gewenste paradigmaverschuivingen. Deze paradigmaverschuivingen vormen de basis van het jeugdhulpbeleid in Veenendaal en daarmee ook van hoofdstuk drie van deze verordening.

De paradigmaverschuivingen zijn: - Focus op de kwaliteit van onderlinge relaties en het verbeteren daarvan; - Niet het kind repareren maar de omgeving helpen om het kind te begeleiden in een goede ontwikkeling; - Van kijken wat er mis is (ziekte) naar kijken wat er goed gaat (positieve gezondheid); - Jeugdhulp kan niet in zijn eentje de oplossing zijn van (jeugd)hulpvraagstukken; - Hulp vindt zo thuis mogelijk plaats. In lijn met deze paradigmaverschuivingen voorziet hoofdstuk drie van de verordening in: - Het benoemen van de typen beschikbare algemene en individuele voorzieningen; - Grond voor een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving; - Een uitwerking van wat wij onder eigen kracht verstaan, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen; - Daarmee ook grotere nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van ouders en het centraal stellen van het belang van positieve gezondheid en algemene voorzieningen (zie ook raadsvoorstel ‘Hervormingsagenda: Grenzen aan onze Jeugdzorg’); - Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en - Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet. Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet.

Artikelsgewijs Hier worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven nader toegelicht. Artikel 3.1.1 Definities Het aantal definities van artikel 3.1.1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor hoofdstuk drie van de verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. 22

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal In hoofdstuk drie van de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige of zijn ouders overeenkomstig de wet. Indien mogelijk aangeduid als ‘jeugdigen of zijn ouders’ Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: - de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig; - de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar); of - ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 Awb). ‘algemeen toegankelijke voorzieningen’ Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouder(s) voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek doet naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s).

Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. Maar in de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en ook binnen de Wmo 2015 gebruikt wordt, is deze overgenomen in de verordening. ‘andere voorziening’ Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). ‘eigen kracht’ Zie artikel 3.1.9a voor een andere uitwerking van dit begrip. ‘familiegroepsplan’ Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp.

De bedoeling van het familiegroepsplan is dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd. ‘hulpvraag’ Deze bepaling spreekt voor zich ‘individuele voorziening’ Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig. 'het sociaal netwerk’ Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-) partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten 23

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. ‘wet’ Deze bepaling spreekt voor zich Artikel 3.1.2 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen (die we in Veenendaal ‘algemeen toegankelijke’ voorzieningen noemen). Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemeen toegankelijke voorzieningen’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten.

De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige of zijn ouders. De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen.

Artikel 3.1.3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Zie ook de algemene toelichting onder ‘toeleiding naar jeugdhulp’ Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de algemeen toegankelijke voorzieningen als de individuele voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Derde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761).

De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie artikel 3.1.12 en verder). Vierde en vijfde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en 24

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 3.1.5 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 3.1.2 zijn opgesomd. Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 3.1.2. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel 3.1.4 Toegang jeugdhulp via de gemeente Zie ook de algemene toelichting onder ‘toeleiding naar jeugdhulp’ Deze bepaling regelt de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.

In de praktijk zal het college het proces om te komen tot de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan het CJG. Ook op andere plaatsen in dit hoofdstuk en in de wet waar “het college” staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren. Eerste tot en met het vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. ‘Terecht kunnen’ betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 3.1.5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Het CJG vervult een dubbele rol. Ten eerste verzorgen zij de toeleiding naar en toegang tot jeugdhulp, als gemandateerde van het college. Ten tweede biedt het CJG zelf lichte ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening en kan ook toeleiden naar andere algemeen toegankelijke voorzieningen (zie artikel 3.1.2. eerste lid, onderdeel k en l). Veel hulpvragen kunnen op deze manier snel, laagdrempelig en zonder beschikking worden opgepakt. Het gesprek met het CJG is bedoeld om samen met de jeugdige of ouders de hulpvraag te verhelderen.

Als tijdens dit gesprek blijkt dat de hulpvraag met een algemene voorziening of anderszins op te lossen is en de jeugdige of zijn ouders stemmen hiermee in, dan is een aanvraag voor een maatwerkvoorziening niet nodig. Op die manier wordt onnodige bureaucratie voorkomen en wordt de hulpverlening efficiënter ingericht. Als ouders dit wensen, dan kunnen zij dit mondeling of schriftelijk kenbaar maken. Het CJG stelt het aanvraagformulier als bedoeld in artikel 3.1.4 zesde lid beschikbaar. De jeugdige of zijn ouders kunnen middels dit formulier een schriftelijke aanvraag tot jeugdhulp en nader onderzoek indienen. Als echter blijkt dat de hulpvraag niet binnen het aanbod van algemene voorzieningen past, niet op een andere manier beschikkingsvrij kan worden opgelost, of hier nog onvoldoende zekerheid of overeenstemming over bestaat, dan kan een aanvraag worden ingediend. In dat geval wordt conform artikel 2.3 van de Jeugdwet - een verdiepend onderzoek uitgevoerd om vast te stellen welke ondersteuning nodig is. Hoewel het uitgangspunt is dat eerst een gesprek met het CJG plaatsvindt voordat een aanvraag voor jeugdhulp bij het college wordt ingediend, is het van belang om in bepaalde situaties af te wijken van deze route. Het vijfde lid voorziet daarom in de mogelijkheid om rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij het college, zonder voorafgaand gesprek met het CJG.

Dit is mogelijk in uitzonderlijke gevallen, zoals wanneer er sprake is van een veiligheidsrisico voor de jeugdige of anderen. In dergelijke situaties moet snel gehandeld kunnen worden en mag de toegang tot hulp niet worden vertraagd door procedurele stappen. Ook bij een aanvraag tot verlenging of herindicatie van een reeds toegekende voorziening kan het onnodig zijn om het proces via het CJG opnieuw te doorlopen, zeker wanneer de hulpvraag bekend is en de omstandigheden niet wezenlijk zijn veranderd. 25

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal Daarnaast biedt dit lid ruimte voor overige dringende redenen, waarbij het niet wenselijk of passend is om eerst een gesprek met het CJG te voeren. Hiermee wordt maatwerk geboden in situaties waarin strikte toepassing van de reguliere werkwijze zou leiden tot vertraging, onnodige belasting van het gezin of verminderde effectiviteit van de hulpverlening. Met ‘overige dringende redenen’ wordt ten slotte bedoeld een situatie waarin de jeugdige of zijn ouders expliciet wensen direct een aanvraag in te dienen. Deze route staat aan hen open op basis van de Awb. Of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.1.4, vijfde of achtste lid, wordt onderzocht door het CJG, onder mandaat van het college. Zoals in het vierde lid bepaalt, wordt deze aanvraag schriftelijk ingediend en door de jeugdige of zijn ouders ondertekent. Deze ondertekening en indiening kan ook digitaal geschieden. Zevende lid Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a.

jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015). Daarnaast wijst het college jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan te verstrekken. In de toelichting bij de definitiebepaling van het begrip ‘familiegroepsplan’ is de inhoud en betekenis van dit plan nader uitgelegd. Het college betrekt het familiegroepsplan bij het onderzoek dat naar aanleiding van de aanvraag wordt uitgevoerd. Om dit onderzoek zorgvuldig te kunnen verrichten en het familiegroepsplan tijdig daarin te kunnen meenemen, geldt een termijn van twee weken na ontvangst van de aanvraag waarbinnen het familiegroepsplan kan worden overgelegd Achtste lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

Negende lid De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemeen toegankelijke voorziening kunnen hier direct naartoe zonder procedure in de zin van (artikel 3.1.4 en volgende) hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel 3.1.5 Onderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige (onderzoeks)procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Eerste tot en met derde lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige of zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige of zijn ouders. Ook kan het overleggen van bepaalde gegevens en documenten, zoals een identificatiedocument, van belang zijn om de rechtmatigheid vast te stellen. Zijn de jeugdige of zijn ouders al bekend bij de gemeente, dan is identificatie niet in alle gevallen nodig. Vandaar dat dit als een ‘kan-bepaling’ is opgenomen.

Vierde lid 26

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige of zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen, zoals benoemd in de onderdelen a tot en met j: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek in kaart leg dat vast.

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Het onderzoek naar de onderliggende problematiek richt zich dan ook niet (enkel) op de jeugdige, maar ook op oorzaken of onderliggende problematiek bij de ouders. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. In deze stap wordt nog niet gekeken naar wat de jeugdige of zijn ouders zelf kunnen ondervangen. Deze stap is bedoeld om de hulpvraag zoals vastgesteld stappen 1 en 2, te voorzien van een passende ondersteuning. Dit is de ‘wat’ vraag. De ‘wie’ vraag wordt beantwoord in de volgende stappen. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Onderdeel van deze stap is, naast het in kaart brengen van de eigen mogelijkheden van de jeugdige en ouders, ook het in kaart brengen van de algemeen toegankelijke voorzieningen die kunnen voorzien in het wegnemen van (een deel van) de hulpvraag, indien er na een beroep op de eigen kracht, nog een deel van de hulpvraag openstaat. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht en algemeen toegankelijke voorzieningen die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. In deze stap wordt dan ook beoordeeld welke individuele voorziening aanvullend nodig is, indien de geïdentificeerde hulpvraag nog niet volledig is weggenomen door de eigen kracht en voorliggende voorzieningen zoals onderzocht in stap 4.

In deze stap wordt ook afstemming gezocht met voorzieningen op grond van onder andere de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). Zevende lid 27

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal Het college wijst de jeugdige of de ouders op de mogelijkheid een pgb aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). De jeugdige of ouders moet bij het maken van de keuze voor een pgb de relevante informatie van het college hebben gekregen. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een pgb. De jeugdige of ouders moeten volledig en correct geïnformeerd zijn over alle gevolgen en risico’s van een pgb. Het college kan zelf bepalen hoe het invulling wil geven aan deze informatieplicht (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p.233). Achtste lid Uit het gesprek tussen de jeugdige of ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige of ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals. Of de jeugdige of ouder kan zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen.

Negende lid Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 5 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; • taal- en leerproblemen; • somatische aandoeningen; • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en • kindermishandeling en huiselijk geweld. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Tiende en elfde lid De jeugdige of ouders hebben overeenkomstig de jurisprudentie een medewerkingsplicht als de beoordeling van een aanvraag dit vereist (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige of ouders dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is.

Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Artikel 3.1.6 Gesprek en onderzoek

28

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal Dit artikel is komen te vervallen. Omwille van de leesbaarheid is voor gekozen geen vernummering toe te passen bij de hierna volgende artikelen. De inhoud van deze bepaling is opgenomen in artikel 3.1.5 en beschrijft daarmee in zijn geheel de onderzoeksprocedure. Artikel 3.1.7 Onderzoeksverslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Eerste tot en met derde lid In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een onderzoek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een onderzoeksverslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Artikel 3.1.8 Aanvraag Dit artikel is komen te vervallen. Omwille van de leesbaarheid is voor gekozen geen vernummering toe te passen bij de hierna volgende artikelen.

Bepalingen over indienen van een aanvraag en ondertekenen van het onderzoeksverslag zijn opgenomen in artikelen 3.1.4 en 3.1.7. Artikel 3.1.9 Verstrekken individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemeen toegankelijke voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daar is onder andere in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorzieningen altijd op maatwerk aankomt. Tweede en derde lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen.

Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Ook maakt deze bepaling duidelijk dat áls de hulpvraag onder de jeugdwet valt, er pas een individuele voorziening verstrekt hoeft te worden indien de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders, inclusief ondersteuning vanuit het sociale netwerk, of een algemene voorziening onvoldoende is om de hulpvraag weg te nemen. In sommige gevallen is het volledig wegnemen van een hulpvraag, bijvoorbeeld in de vorm van volledige zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie niet weggelegd voor de jeugdige of zijn ouders. In elk geval is de gemeente verplicht om haar best te doen de hulpvraag tot een acceptabel niveau weg te nemen. We passen de hulp aan, aan de situatie. Wat voor de ene jeugdige een goede oplossing is hoeft dat voor een andere jeugdige niet te zijn, zelfs als hun problemen erg op elkaar lijken. Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet.

Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening 29

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Vierde lid Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is.

Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Zevende lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken.

Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Achtste lid Dit lid bepaalt dat een voorziening in het kader van jeugdhulp slechts wordt verstrekt vanaf het moment waarop de aanvraag is ingediend. Hiermee wordt voorkomen dat kosten die al vóór het moment van de aanvraag zijn gemaakt, voor vergoeding in aanmerking komen. Dit uitgangspunt bevordert een zorgvuldig proces waarbij voorafgaand aan het inzetten van hulp een afweging wordt gemaakt over de noodzakelijkheid en passendheid van de voorziening. Negende lid Dit lid biedt het college echter de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen af te wijken van het uitgangspunt als bepaald in het achtste lid.

Wanneer er sprake is van een acute noodsituatie, waarin het belang van het de jeugdige onmiddellijke inzet van hulp vereist, kan het college besluiten om gemaakte kosten die zijn ontstaan vóór de formele aanvraagdatum toch (gedeeltelijk) te vergoeden. Dit is in lijn met artikel 3.1.4, achtste lid van de verordening, waarin wordt bepaald dat bij spoedhulp niet gewacht hoeft te worden op een formele besluitvorming. Het biedt ruimte voor maatwerk in crisissituaties, waarbij het belang van de jeugdige altijd voorop staat. 30

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 3.1.9a Beoordelingscriteria eigen kracht Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige of zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Met eigen kracht worden de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bedoeld. Deze eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk of doormiddel van voorliggende, algemeen toegankelijke of andere voorzieningen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 3.1.9a geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen.

Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden.

Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunt van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Eerste en tweede lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden.

Als de eigen kracht toereikend is, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt 31

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal artikel 3.1.9, tweede lid, onder c. Het eerste en het tweede lid van artikel 3.1.9a bevatten de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Derde tot en met vijfde lid Deze leden bieden ruimte voor maatwerk door het college te verplichten om objectieve belemmeringen mee te wegen bij de beoordeling van de eigen kracht. Soms is het voor ouders, ondanks aantoonbare inspanningen, niet mogelijk om zelf voldoende hulp te bieden of te organiseren. In zulke gevallen mag jeugdhulp niet worden geweigerd op basis van een te strikte uitleg van het eigen kracht-beginsel. Artikel 3.1.9b Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Eerste lid Als uitgangspunt geldt dat de jeugdige of zijn ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie. Hierbij geldt het uitgangspunt dat vervoer binnen een straal van 6 kilometer in ieder geval onder de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders valt.

Dat betekent echter niet buiten deze straal van 6 kilometer automatisch aanspraak gemaakt kan worden op een vervoersvoorziening. Tweede en derde lid Om hierop aanspraak te kunnen maken, moet het vervoer noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken. Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college. Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het derde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Vierde lid Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vierde lid.

Artikel 3.1.9c Dyslexie Eerste en tweede lid Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via de ED-specialist van het CJG is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexiediagnose-en-behandeling/). Als de ED-specialist van het CJG, na vaststelling van ED, géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Artikel 3.1.9d Vaktherapie 32

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal De wet sluit niet uit dat vaktherapie, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. De wet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. Eerste lid Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. De therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de wet word verstrekt tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Tweede tot en met vijfde lid Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding, zoals benoemd in het tweede lid.

Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker van het CJG met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) geregistreerd moet zijn in het Register Vaktherapie . Artikel 3.1.9e Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16429691/2