CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlage 4 Toelichting Integrale Verordening Sociaal Domein

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente VeenendaalBij agendapunt: 6e wijziging Integrale verordening sociaal domein43.319 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

TOELICHTINGEN INLEIDING Sinds 1 juli 2021 kennen we in Veenendaal een Integrale verordening sociaal domein. In de integrale verordening zijn de tien afzonderlijke Sociaal Domeinverordeningen samengevoegd tot één integrale verordening. Wmo-, Jeugd-, Participatiewet- en Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening verordeningen zijn hoofdstukken of paragrafen geworden in de nieuwe integrale verordening. De Integrale verordening sociaal domein Veenendaal is een stap in de richting van een nieuwe manier van kijken en handelen. Deze weg is ingezet met het Integraal Beleidskader Sociaal Domein. Op 23 januari 2020 heeft de gemeente Veenendaal haar eerste Integraal Beleidskader (IBK) Sociaal Domein 2020-2023 ‘Sterker door Verbinding’ vastgesteld. Deze is gebaseerd op de visie sociaal domein die in 2017 door de raad is vastgesteld. Het huidige beleidskader Sociaal Domein 2024-2027 “Samen werken in verbinding” bouwt hierop voort. Een integrale verordening geeft een handvat om per casus één of meerdere producten of diensten in te zetten die een antwoord geven op de ondersteuningsvraag van de Veenendaler. Alle toegangsregels tot het sociaal domein zijn nu op elkaar afgestemd en te vinden in één document.

De Integrale verordening sociaal domein Veenendaal is gebaseerd op de volgende wetten: • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); • Jeugdwet (Jw); • Participatiewet (Pw); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet inburgering 2021 (Wi2021) • Gemeentewet (Gemw); • Algemene wet bestuursrecht (Awb). Leidende principes uit het IBK In het IBK staat een uitgebreide omschrijving van de uitgangspunten die Veenendaal hanteert. Hieruit is een aantal principes gehaald die als leidraad worden gebruikt bij een ondersteuningsvraag. Dit zijn: • Normaliseren: Het begrip “normaliseren” benadrukt dat afwijkingen van het gemiddelde, ‘de norm’ niet standaard als problematisch aangemerkt worden. Normaliseren gaat over het verkleinen van de zorgvraag door middel van het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid. Ook gaat het erom onnodig diagnosticeren of problematiseren van incidenten en afwijkingen van het gemiddelde te voorkomen. We willen dat een sterkere sociale basis inwoners helpt om meer steun te vinden in hun omgeving en minder afhankelijk te zijn van professionele hulp.

Als er toch professionele hulp nodig is, dan bieden we die zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. • Passende ondersteuning: Samen met de inwoner wordt gekeken naar welke ondersteuning passend is om het dagelijks leven vorm te geven en wie erbij betrokken kan worden. Wat passende ondersteuning is, kan per persoon, situatie en moment veranderen, maar valt binnen deze wettelijke kaders. Het uitgangspunt bij passende ondersteuning is zo licht mogelijk als het kan en zo zwaar als nodig is, zodat de persoon terug kan naar zo zelfstandig mogelijk dagelijks leven. Daarbij stimuleren we inwoners eerst zelf een oplossing te vinden in hun eigen omgeving of netwerk. Vervolgens kan gekeken worden naar de ‘Sociale basis’. Dat zijn alle direct toegankelijke algemene voorzieningen. Als daar geen oplossing gevonden is, kan de inwoner verder in gesprek gaan met de gemeente. • Uniform en integraal: We werken met een uniforme toegang voor individuele hulpvragen. De inwoner kan in gesprek gaan met één van de loketten. We doen bij ieder loket een levensbrede 1

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal uitvraag om de vraag te verhelderen. De medewerkers van elk loket hebben naast hun eigen expertise basiskennis over de andere loketten. Zo kunnen de meeste van de hulpvragen worden opgelost binnen één loket. Voor de overige hulpvragen geldt dat er een integrale aanpak noodzakelijk is om tot een oplossing te komen. • Bestaanszekerheid: Werken aan bestaanszekerheid betekent het op orde brengen van de basisvoorwaarden: De zekerheid van voldoende en voorspelbaar inkomen, de zekerheid van werk en van mee kunnen doen in de samenleving. Maar ook de zekerheid van een dak boven je hoofd in een geschikte en betaalbare woning. En in een veilige en prettige omgeving, met snelle en toegankelijke dienstverlening in situaties die de veiligheid bedreigen. • Regie op casusniveau: Om de ondersteuning integraal te kunnen bieden kunnen we gebruik maken van casusregie. Vaak beleggen we dat bij een zorgaanbieder. Wanneer er sprake is van een veiligheidsvraagstuk kan de ondersteuning integraal worden afgewogen en ingezet door middel van het interventieteam. Bij complexe cases nemen we zelf een belangrijke rol in de procesregie. Dit doen we ook over vormen van ondersteuning waar de gemeente niet de financier van is, maar er wel een vorm van betrokkenheid van de gemeente is.

Toegang: de stappen/volgordelijkheid tot passende ondersteuning In Veenendaal werken we in het sociaal domein sinds 2021 met een uniforme toegang voor individuele hulpvragen. We stimuleren inwoners eerst zelf een oplossing te vinden in hun eigen omgeving of netwerk voor ze hier terechtkomen. Vervolgens kan gekeken worden naar de ‘Sociale basis’. Dat zijn alle direct toegankelijke algemene voorzieningen. Als daar geen oplossing gevonden is, kan de inwoner verder in gesprek gaan met één van de loketten. Er zijn 4 loketten: • Werk en Inkomen; • Budgetloket; • Centrum voor jeugd en gezin (0-18 jaar); en • het Wmo-loket (>18 jaar). Deze loketten hebben ieder hun eigen expertise, maar werken met een uniforme werkwijze. Zo kan 80% van de hulpvragen worden opgelost binnen één loket. Bij de overige 20% van de hulpvragen is een integrale aanpak noodzakelijk om tot een oplossing te komen. Met elkaar bepalen we wat er nodig is en welke route er gevolgd moet worden. Door deze werkwijze hoeft de inwoner niet bang te zijn dat hij bij het verkeerde loket staat. Daarbij zorgen we voor een korte lijn van de loketten met Veens Welzijn en draait Veens Welzijn met enige regelmaat mee bij bijeenkomsten van de 4 loketten ter verdere verbetering van de samenwerking en het elkaar kennen en kunnen vinden.

Menselijke maat In contact met inwoners en bij de uitvoering van het IBK-SD 2024-2027 hanteren we “de menselijke maat”. Dit uitgangspunt staat bij maatschappelijke ondersteuning en hulp voorop en bepaalt hoe we inwoners en organisaties/ partners willen benaderen en de wijze waarop we de doelen willen bereiken. Inwoners mogen van de gemeente verwachten dat we hen behoorlijk behandelen en daarbij eerlijk, duidelijk en begripvol zijn. We willen graag dat mensen zich gehoord, gezien en geholpen voelen. Onze dienstverlening moet zo goed mogelijk aansluiten op de mogelijkheden en behoeften van onze inwoners. Dat houdt in dat we oog hebben voor de menselijke maat en waar nodig maatwerk bieden. Daarbij kijken we meer naar de bedoeling van de wet, dan naar de letter van de wet. We houden daarbij rekening met de leefwereld en met het ‘doenvermogen’ van de inwoners. Want naast denkvermogen is 'doenvermogen' minstens zo belangrijk. Dat doen we uiteraard binnen de ruimte die de wet- en regelgeving ons biedt. Dit betekent overigens ook dat we, als de toepassing van beleidsregels tot onevenredige uitkomsten leidt, in concrete gevallen hiervan zullen afwijken. Daarbij spreken we heldere en begrijpelijk taal. De motivering van besluiten moet in begrijpelijke taal worden opgesteld. De lezer moet kunnen begrijpen hoe we tot een besluit zijn gekomen en wat het besluit voor hem of haar betekent.

De menselijke maat werkt daarbij overigens twee kanten op: ook medewerkers mogen verwachten dat zij fatsoenlijk en respectvol bejegend worden door inwoners en andere partijen. 2

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Onafhankelijke cliëntondersteuning In Veenendaal kennen we onafhankelijke cliëntondersteuning. Deze kent het aanbod in zorg en ondersteuning in Veenendaal en weet de weg hiernaartoe. De cliëntondersteuner kan inwoners helpen om zelf te beslissen over zijn of haar hulp of zorg. Hij of zij geeft informatie en advies en regelt praktische zaken. De cliëntondersteuner is geen hulpverlener, maar helpt de inwoner om zorg of ondersteuning te organiseren. Hij of zij kan ook meegaan met gesprekken. De onafhankelijke cliëntondersteuner staat los van de gemeente, zorgorganisaties of zorgaanbieders. De gemeente wijst inwoners actief op de mogelijkheid om onafhankelijke cliëntondersteuning in te schakelen. Dit is voor de inwoner gratis. 1.1 Algemene bepalingen Hieronder wordt een aantal definities zoals die zijn opgenomen in artikel 1.1.1 nader toegelicht. Gesprek Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de ondersteuningsvraag, waarin het college met degene die een ondersteuningsvraag heeft zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. Mantelzorg Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd.

Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.. Het begrip 'mantelzorg' is ook van belang omdat artikel 4.4.5 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: • er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de zorgverlener; • mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; • het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; • het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C.

Ondersteuningsvraag Inwoners met een ondersteuningsvraag kunnen het college verzoeken om toeleiding naar een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, arbeidsinschakeling, de verlening van bijstand of schuldhulpverlening. Het kenbaar maken van het verzoek is het eerste contact van de inwoners met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan hulp. De definities van gesprek en ondersteuningsvraag zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd in alle wetten waarop de Integrale verordening sociaal domein is gebaseerd en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. In Veenendaal is het gesprek het mondelinge contact waarin een medewerker van het Wmo-loket, het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), het loket Economie & Werk of het Budgetloket met degene die hulp vraagt, zijn situatie bespreekt. In de verordening wordt gesproken over het gesprek, maar dat kan ook meerdere gesprekken betreffen. Pgb De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. 3

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2.1 Maatschappelijke ondersteuning Opdracht aan de gemeente Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) De Wmo geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht: 1. het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; 2. het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; 3. het bieden van beschermd wonen en opvang. De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast over het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat: a. cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. cliënten die beschermd wonen of opvang ontvangen, een veilige woonomgeving hebben en, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

De Wmo schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo). Belang zorgvuldige procedure Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om: •

de ondersteuningsvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; • de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; • te achterhalen welke oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen. • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt. De Wmo en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of nietondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van 5

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal artikel 2.6.3 van de Wmo kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. Artikelgewijs De artikelen 2.1.4, 2.1.9, 2.1.10k, 2.1.11a, 2.1.18, 2.1.19, 2.1.20a, 2.1.22, 2.1.23 en 2.1.23a, behoeven geen aparte toelichting omdat deze voldoende duidelijk zijn in de verordening.

Artikel 2.1.1 Definities In artikel 2.1.1 van de Integrale verordening zijn de definities opgenomen die voor de uitvoering van de Wmo voor de gemeente Veenendaal noodzakelijk zijn. Ad algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we ervanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft, maar of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Ad andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Ad melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een ondersteuningsvraag. Door het melden maakt de cliënt de ondersteuningsvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek.

Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ad persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de ondersteuningsvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de Wmo (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Artikel 2.1.2 Melding ondersteuningsvraag De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de ondersteuningsvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, digitaal, of telefonisch worden gedaan of mondeling op het gemeentehuis. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo.

Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit de wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de 6

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Lid 3 We spreken van spoedeisende gevallen indien het noodzakelijk is om binnen 24 tot 48 uur ondersteuning in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de cliënt en/of zijn gezin te voorkomen. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor indien er sprake is van: a. een plotselinge wijziging in de gezondheidssituatie van een cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) die leidt tot een substantieel andere inhoud en omvang van de benodigde ondersteuning of; b. een plotselinge wijziging van de informele hulp (wegvallen mantelzorg) die substantiële ondersteuning biedt. Artikel 2.1.5 Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De Wmo beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de Wmo niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt ervan uitgegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 2.1.5 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Lid 2 Indien een cliënt een persoonlijk plan indient, wordt dit tijdens het gesprek besproken.

Het indienen van een persoonlijk plan bepaalt niet het recht op een maatwerkvoorziening, maar werkt ondersteunend in het zoeken naar de juiste oplossing voor de ondersteuningsvraag van de cliënt. Indien de gemeente tot andere conclusies komt dan de cliënt in zijn persoonlijk plan heeft omschreven, dient de gemeente dit beargumenteerd te motiveren en op te nemen in het gespreksverslag. Lid 4 Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat cliënten die reeds bekend zijn bij de gemeente, doordat eerder een of meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden, verplicht opnieuw een gesprek moeten voeren terwijl dit voor de bepaling van de noodzaak van bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening niet nodig is. Artikel 2.1.6 Advisering Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 2.1.6 van de verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.

Artikel 2.1.7 Verslag In artikel 2.1.7 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de Wmo is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Artikel 2.1.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen 7

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Lid 3 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel adequaat als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip adequaat wordt bedoeld: voldoende passend voor de specifieke situatie van de cliënt. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer passend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een adequate voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Lid 4 Het college kan nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp.

Artikel 2.1.10a Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening Lid 1 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Een ‘anti-revaliderende voorziening’ zoals gesteld in het eerste lid, impliceert dat er (nog) behandel- of ontwikkelmogelijkheden zijn voor de belanghebbende die door de maatwerkvoorziening kunnen worden geremd. Van behandelmogelijkheden is sprake bij een nog niet ingetreden medische eindsituatie, zoals bij revalidatie het geval is of bij (nog) moeilijk objectiveerbare klachten. Lid 2 Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

Lid 3 onder a Uit de Wmo blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de Wmo geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de Wmo). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de Wmo). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet 8

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Lid 3 onder b en c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan weigert het college de voorziening als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kunnen worden.

Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 3 onder d Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. Lid 3 onder e Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo kan alleen worden verstrekt wanneer deze gericht is op het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Voorzieningen die primair of uitsluitend een therapeutisch of medisch doel hebben, vallen daar niet onder. Deze behoren tot het domein van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of – in specifieke gevallen – de Wet langdurige zorg (Wlz). Voorbeelden van voorzieningen met een therapeutisch karakter zijn: • een dialyseruimte in de woning, • een therapeutisch bad, • speciale oefen- of revalidatieruimten in de woning, • een voorziening om te kunnen bewegen met primair een therapeutisch doel.

Deze voorzieningen zijn niet noodzakelijk om normaal gebruik te kunnen maken van de woning of om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, maar zijn gericht op behandeling of genezing. Daarmee valt de noodzaak buiten de reikwijdte van de Wmo. Lid 4 Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Is de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak.

De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het vaststellen van de prognose en de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende 9

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal voorziening. In het geval van een kortdurende noodzaak kan de cliënt meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.

Artikel 2.1.10b Gebruikelijke hulp Dit artikel verduidelijkt hoe het college beoordeelt of er sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van huisgenoten mag worden verwacht, ook als er geen beperkingen zijn. Denk bijvoorbeeld aan het doen van boodschappen, koken, schoonmaken of het naar school brengen van kinderen.

Artikel 2.1.10c Aanvullende voorwaarden en weigeringsgronden voor woonvoorzieningen Lid 2 onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Lid 2 onder b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Lid 2 onder c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woonruimten aan te passen die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Hierbij kan gedacht worden aan hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen.

Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 2 onder d Het college kan voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten weigeren, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 2 onder e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder belangrijke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is.

Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden 10

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 2 onder f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning.

Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a. Lid 2 onder g Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Artikel 2.1.10d Bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning Dit artikel regelt dat het college een woonvoorziening kan verstrekken voor het bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning van familie of naasten, wanneer de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Het gaat hierbij niet om een verplichting vanuit de Wmo, maar om een door de gemeente gemaakte keuze om inwoners en hun omgeving tegemoet te komen. Inwoners die in een instelling wonen, behouden vaak de wens om contact met familie en vrienden te onderhouden in de thuissituatie. Door een woning bezoekbaar of logeerbaar te maken, kan iemand: • bij ouders, partner of kinderen op bezoek komen, • deelnemen aan gezins- of familieactiviteiten,in bepaalde gevallen tijdelijk logeren (bijvoorbeeld in weekenden of vakanties).

Een woning wordt in dit kader niet volledig aangepast, maar beperkt tot het minimaal noodzakelijke. Het college verstrekt altijd de goedkoopst adequate oplossing. Artikel 2.1.10e Aanvullende voorwaarden vervoersvoorziening De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen. Artikel 2.1.10f tot en met artikel 2.1.10i Aanvullende voorwaarden De artikelen 2.1.10f tot en met 2.1.11i bevatten aanvullende criteria voor specifieke maatwerkvoorzieningen. Deze artikelen werken het algemene kader van artikel 2.1.10 uit. Daarmee 11

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal wordt duidelijk onder welke omstandigheden bepaalde voorzieningen – zoals individuele begeleiding, dagbesteding, kortdurend verblijf en hulp bij het huishouden – kunnen worden ingezet.

Artikel 2.1.10j Aanvullende voorwaarden beschermd wonen, beschermd thuis, safehouse en tijdelijk verblijf Lid 1 Beschermd wonen is een tijdelijke voorziening, primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de (directe) nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. Beschermd wonen is erop gericht om mensen te begeleiden naar de mogelijkheid om zelfstandig, met passende ondersteuning, te kunnen wonen. Een indicatie voor beschermd wonen is van toepassing indien de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Daarnaast is het zo dat individuele begeleiding geen passende oplossing kan bieden. Indien de cliënt behandeling met opname nodig heeft, moet deze behandeling eerst zijn doorlopen. Ook verlangt de gemeente dat de client gemotiveerd aan een herstel- of ontwikkeltraject meewerkt. Lid 3 Mensen met complexe psychiatrische en psychosociale problemen kunnen hun zelfstandigheid vaker behouden als passende ondersteuning in de thuissituatie beschikbaar is. Voor deze cliënten kan de maatwerkvoorziening beschermd thuis passende ondersteuning bieden.

Dit is een maatwerkvoorziening voor cliënten die doorgaans hun ondersteuningsvraag kunnen uitstellen tot geplande momenten van begeleiding. Zij moeten wel kunnen terugvallen op 24/7 bereikbaarheid en/of beschikbaarheid van een hulpverlener. Beschermd thuis kan geleverd worden in een geclusterde woonvorm of in een situatie waarin de cliënt zelfstandig woont.

Artikel 2.1.11 Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen.

Artikel 2.1.12 Soorten pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel 2.3.6 van de Wmo. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb kan verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken.

Artikel 2.1.12a Onderscheid professionele en niet-professionele zorgverlener Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en nietprofessionele zorgverleners. Voor professionele zorgverleners geldt het hogere pgb-tarief dan voor een niet-professionele zorgverlener. Van professionele zorgverlening is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van niet-professionele zorgverlening. Ook al gaat het om een zorgverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als niet-professionele zorgverlening. De achtergrond daarvan is dat 12

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Niet professionele zorgverlening is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. Artikel 2.1.13 Regels voor een pgb Lid 1 Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Met voorzieningen onder lid 1 sub a, wordt bedoeld: een hulpmiddel, woningaanpassing, dienst of andere maatwerkvoorziening. Met uitvoerder onder lid 1 sub a, wordt bedoeld een zorgaanbieder, leverancier of iemand uit het sociale netwerk. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de Wmo. De Wmo noemt in artikel 2.3.6 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Het college onderzoekt of de cliënt in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of, als de cliënt daarvoor gebruikmaakt van een gemachtigde of een vertegenwoordiger, deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Een vertegenwoordiger kan niet tevens de zorgverlener zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. Lid 6 In lid 6 is een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel.

Artikel 2.1.14 Hoogte pgb Lid 1 In het eerste lid is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo). Het college kan een pgb weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo). Dit alles laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de cliënt in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken.

Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. Het is telkens aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde maatschappelijke ondersteuning tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Sub b iv In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan 13

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Sub b v In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag ook uitgegaan worden van dit lagere tarief. Sub b viii Voor het kortdurend verblijf bij iemand uit het sociaal netwerk is er een vast bedrag opgenomen. Het tarief is gebaseerd om 2 uur begeleiding door een niet- professionele zorgverlener dat is in lijn met de kosten voor kortdurend verblijf door een professionele zorgverlener. Het is een vergoeding voor de persoon die het logeren aanbiedt. Artikel 2.1.15a Aanvullende voorwaarden pgb beschermd wonen en beschermd thuis Dit artikel bevat aanvullende voorwaarden voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget (pgb) voor beschermd wonen en beschermd thuis. De voorwaarden zijn bedoeld om te waarborgen dat deze leveringsvorm alleen wordt toegepast in situaties die passen bij de aard en het doel van beschermd wonen en beschermd thuis, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 en 1.2.1 van de Wmo 2015.

Lid 1 Een pgb voor beschermd wonen of geclusterd beschermd thuis kan in beginsel alleen worden ingezet binnen een kleinschalige woonvorm. Dit sluit aan bij de landelijke uitgangspunten dat beschermd wonen gericht is op wonen in een veilige en stabiele leefomgeving met toezicht en begeleiding. De gekozen grens van minimaal drie en maximaal zesentwintig bewoners sluit aan bij wat in de praktijk als kleinschalig wordt beschouwd, en voorkomt dat pgb’s worden ingezet voor grootschalige commerciële wooninitiatieven of instellingen die meer kenmerken hebben van een intramurale voorziening. De cumulatieve eisen onder a en b zorgen ervoor dat sprake is van een herkenbare, samenhangende woonomgeving: a. De bewoners wonen daadwerkelijk nabij elkaar (één adres of binnen 100 meter), zodat toezicht, begeleiding en onderlinge sociale samenhang mogelijk zijn. b. Een gemeenschappelijke ruimte is vereist om samen activiteiten te kunnen uitvoeren, wat bijdraagt aan herstel, participatie en dagstructuur — kernelementen van beschermd wonen. Lid 2 Bij beschermd thuis is er sprake van intensieve begeleiding en toezicht in de thuissituatie, zonder dat de cliënt in een woonvorm met andere cliënten woont. Het artikel verduidelijkt dat een pgb in deze situatie ook mogelijk is, mits de begeleiding in voldoende mate kan worden georganiseerd en geborgd.

Daarmee wordt recht gedaan aan de landelijke beweging naar “beschermd thuis”, waarbij cliënten zo zelfstandig mogelijk wonen met passende ondersteuning. Lid 3 Het derde lid verduidelijkt dat verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers niet wordt beschouwd als een kleinschalige woonvorm of als zelfstandig beschermd thuis. Artikel 2.1.16 Weigeringsgronden voor een pgb Dit artikel geeft de situaties weer waarin het college een persoonsgebonden budget (pgb) kan

14

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal weigeren. Het doel hiervan is om te waarborgen dat een pgb op een zorgvuldige, doelmatige en verantwoorde manier wordt besteed.

Artikel 2.1.17 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo Lid 1, 2 en 3 Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo. Het eerste, tweede,derde en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo is opgenomen (artikel 2.3.5, 2.3.6, 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo. Lid 4 Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt’. Lid 7 Dit betreft de mogelijkheid van de in de Wmo expliciet omschreven regres op aansprakelijke derden. Tot 2019 werd dit door de verzekeraars afgekocht onder de afgesloten overeenkomst met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (artikel 2.4.4. van de Wmo). Om die reden is dit, ondanks dat de kaders al in de Wmo voldoende zijn omschreven, in hoofdstuk 2 van de Integrale verordening opgenomen.

Als het ongeval door een ander is veroorzaakt betaalt de (verzekeraar van de) veroorzaker ingevolge artikel 2.4.3, eerste lid, te verwachten schadelast ten gevolge van de schadeplichtigheid van hun verzekerden de Wmo-voorziening in plaats van dat deze kosten worden gedragen door gemeenschapsgeld. Ook (buitenrechtelijke) advocaatkosten moeten vergoed worden door de veroorzaker van de schade. De verzekeraar mag een slachtoffer erop wijzen dat hij zich tot de gemeente kan wenden voor Wmovoorzieningen in het geval er sprake is van een aansprakelijke partij, maar kan hij daartoe niet verplicht worden.

Artikel 2.1.20 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen.

15

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

In lid 1 is geregeld voor welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen het zogenaamde abonnementstarief per maand geldt. Het CAK stelt de bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen voor deze bijdrage staat in dit artikel. Lid 6 De gemeente kan ervoor kiezen om bepaalde maatwerkvoorzieningen vrij te stellen van een eigen bijdrage, in lid 6 zijn deze voorzieningen opgenomen. Lid 7 Daarnaast kan het CVV vervoer op grond van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden uitgezonderd van het abonnementstarief. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In lid 7 is daarom een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het Centraal administratiekantoor (CAK) vastgesteld en geïnd. Artikel 2.1.21 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet)..

De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit is, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In lid 1 is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet.

Artikel 2.1.24 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering, wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.

Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.1.25 Calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo. 16

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 2.1.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de Wmo). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar geen Wmo-voorziening hebben ontvangen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.

Artikel 2.1.27 Klachtenregeling Een bepaling over klachten is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo. In hoofdstuk 2 van de Integrale verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. In de Memorie van Toelichting van de Wmo (p. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Wanneer de cliënt niet tevreden is over een gedraging van de aanbieder, kan dit betrekking hebben op de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker, een bepaalde houding of uitlating van de medewerker, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt.

Daar waar de afhandeling niet naar wens is staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Gemeenten en aanbieders zullen goede communicatielijnen moeten onderhouden over de ontvangst en het voortouw nemen bij de afhandeling van klachten. In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De Memorie van Toelichting van de Wmo (p. 58) zegt hierover: Indien de cliënt zich onheus bejegend voelt door de wijze waarop de gemeente zich heeft gedragen, kan deze op basis van de Awb een klacht indienen bij de gemeente. De gemeente moet zorgdragen voor een adequate behandeling van klachten over gedragingen van personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De gemeente kan bijvoorbeeld een mediator inzetten voor de afhandeling van klachten. Klachten kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend en in iedere fase van de behandeling is het mogelijk om tot een informele oplossing te komen. Indien de klager daarmee instemt, behoeft vanaf dat moment de formele weg niet meer te worden gevolgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16429691/2