CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Geconsolideerde Integrale verordening sociaal domein

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: (5e) Wijziging Integrale verordening Sociaal domein26.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een vergoeding van een ID-kaart wordt geweigerd, indien: 38

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

binnen vijf jaar voor het kind een ID-kaart is vergoed; of binnen tien jaar voor de aanvrager die 18 jaar en ouder is en een ID-kaart is vergoed. De vergoeding aan een ID-kaart is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in het vijfde lid 5 toegekend kan worden. a. b.

7.

Artikel 4.5.11 Computer/ tablet basisschool 1. Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer, tablet of noodzakelijke benodigdheden zoals een printer, toetsenbord, beeldscherm, muis en headset. 2. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een computer of tablet wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag betreft een huishouden met kinderen die op de peildatum 4 tot en met 11 jaar oud zijn; en b. er is aan het huishouden de afgelopen vijf aanvraagperiodes geen vergoeding verstrekt voor een computer op grond van het eerste lid of een van zijn voorgaande regelingen. 3. Het maximale bedrag waarvoor per periode van vijf aanvraagperiodes een vergoeding kan worden aangevraagd is € 500,00. 4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid kan de vergoeding gedurende de periode van vijf pasjaren verspreid besteed worden. De vergoeding hoeft niet in één keer besteed te worden. 5. De vergoeding voor een computer of tablet basisschool wordt verstrekt per huishouden, wat betekent dat de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden genoemd in de voorgaande leden, recht heeft op één vergoeding, ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. Artikel 4.5.12 Computer/laptop jongere 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een computer of een laptop. 2.

Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van een computer of laptop wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: a. de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 19 jaar; en b. er is voor het kind in de voorgaande periode, geen vergoeding verstrekt op grond van het eerste en tweede lid of een van zijn voorgaande regelingen met uitzondering van de kosten genoemd onder lid 4 sub b. 3. De vergoeding voor een computer of laptop kan éénmalig worden aangevraagd per kind. 4. Het maximale bedrag waarvoor de aanvrager een vergoeding kan aanvragen is voor een laptop of computer: € 500,-, tenzij de laptop stuk gaat, dan kan voor maximaal € 250,- aan kosten voor reparatie of eigen risico worden toegekend . 5. De vergoeding hoeft niet in één keer besteed te worden. 6. De vergoeding voor een computer of een laptop wordt toegekend per kind ongeacht het aantal kinderen in het huishouden. Artikel 4.5.13 Collectieve ziektekostenverzekering voor minima 1. Het college kan op aanvraag een tegemoetkoming in de kosten van de premie verstrekken zoals bedoeld in artikel 35 derde lid Pw via een collectieve ziektekostenverzekering van een zorgverzekeraar. 2. Om hiervoor in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de aanvrager heeft geen achterstanden bij de huidige zorgverzekering; en b.

de aanvrager of diens partner sluit met de zorgverzekeraar, bedoeld in het eerste lid , een overeenkomst voor een zorgverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet. 3.

De aanvrager kan aan de collectieve zorgverzekering voor minima deelnemen vanaf de datum waarop de collectieve zorgverzekeraar hem accepteert. 39

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.

5.

De deelname aan de collectieve zorgverzekering eindigt vanaf het moment dat aanvrager of diens partner: a. de verzekering beëindigt per 1ste van het nieuwe kalenderjaar; of b. niet meer ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie (BRP) van de gemeente Veenendaal. De deelname aan de collectieve zorgverzekering voor minima eindigt per 1 januari van het volgende kalenderjaar indien de aanvrager of diens partner: a. een inkomen heeft dat hoger is dan 120% van de toepasselijke norm; of b. een vermogen heeft boven de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid van artikel 34 van de Pw .

Artikel 4.5.14 [vervallen] Artikel 4.5.14a Compensatie meerkosten chronisch zieken en gehandicapten 1. Het college kan op aanvraag een vergoeding toekennen voor aannemelijke meerkosten van directe en indirecte zorgkosten die de inwoner met een chronische ziekte of handicap maken als: a. de inwoner ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend 18 jaar of ouder is en: i. beschikt over een geldige indicatie op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg; of ii. beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart; b. de aanvrager een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waaronder een WAO, WIA, WAZ of Wajong-uitkering ontvangt, of een uitkering op grond van de Pw, IOAW, of IOAZ met een ontheffing van de sollicitatieplicht op medische gronden; of c. de aanvrager beschikt over een verklaring van een huisarts of specialist waaruit blijkt dat sprake is van een chronische ziekte of een handicap en meerkosten aannemelijk zijn. 2. De vergoeding die aan de aanvrager per pasjaar kan worden toegekend bedraagt € 200,00.

3.

De vergoeding voor aannemelijke meerkosten van directe en indirecte zorgkosten is een persoonlijke vergoeding welke aan elk lid van het huishouden dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in lid 1, toegekend kan worden.

Artikel 4.5.15 Onjuiste of onvolledige gegevens 1. De aanvrager is verantwoordelijk voor de aanlevering van de juiste gegevens aan de uitvoerder. 2. Het college kan onderzoeken of de vergoedingen rechtmatig zijn verstrekt. 3. Het college kan het besluit tot verstrekking van een vergoeding intrekken of ten nadele van de aanvrager wijzigen indien: a. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste, verouderde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onrechtmatige verstrekking van de vergoedingen heeft geleid; b. op de aanvraag een ander besluit zou zijn genomen indien bij de beoordeling van die aanvraag de juiste gegevens bekend waren geweest; of c. de zaak of activiteit waarvoor de vergoeding is verstrekt niet is aangeschaft of heeft plaatsgevonden. 4. Het college kan de, op grond van deze paragraaf onverschuldigd betaalde vergoedingen, terugvorderen. Artikel 4.5.16 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van de minimaregelingen of de daarop gebaseerde regels voor zover dit naar het oordeel van het college onredelijke gevolgen heeft voor de aanvrager gezien de doelstelling van deze minimaregelingen. Artikel 4.5.17 Verbinden van aanbieders

40

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

1.

2. 3.

Het college kan aanbieders van producten die vergoed kunnen worden op basis van deze minimaregelingen, op elk moment in het jaar, toestemming geven zich aan te sluiten bij de voor dit doel beschikbaar gestelde online omgeving om producten toe te voegen. Waar mogelijk zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met lokale aanbieders. Producten van aanbieders die reeds aangesloten zijn kunnen direct online besteld worden door de aanvrager na ontvangst van het besluit tot verstrekking van een vergoeding.

41

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.6 Regionale Cliëntenparticipatie Werk en Inkomen 4.6.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanverwante regelingen: de IOAW, de IOAZ en het Bbz; b. belangenorganisatie: een organisatie te Veenendaal, Rhenen of Renswoude, die mede de belangen van de Pw doelgroep behartigen; c. cliënt: de persoon, die een uitkering ontvangt van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude op grond van de Pw of de aanverwante regelingen, alsmede de persoon die behoort tot de personenkring als omschreven in artikel 7, eerste lid, onder a van de Pw; d. Cliëntenraad: de raad, bestaande uit personen, die al of niet namens organisaties worden geacht de belangen van cliënten te behartigen binnen de taken en bevoegdheden, zoals in deze paragraaf omschreven; e. portefeuillehouder: de wethouder met de verantwoordelijkheid voor de portefeuille Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Veenendaal; f. team WI: team Werk en Inkomen van de gemeente Veenendaal. Artikel 4.6.2 Taak Cliëntenraad 1. De taak van de Cliëntenraad bestaat uit het gevraagd en ongevraagd adviseren aan het college over beleid en uitvoering van: a. de Pw en aanverwante regelingen; b.

de re-integratie en sociale activering van cliënten, waaronder ook nietuitkeringsgerechtigden en personen met een nabestaanden of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en de doelgroep garantiebanen; c. het gemeentelijk Minimabeleid; d. nieuwe wetten en regelingen die tot het aandachtsgebied van de Cliëntenraad behoren. 2. Tot de onder lid 1 genoemde onderwerpen behoren geen klachten, bezwaarschriften of andere zaken, die op individuele cliënten betrekking hebben, maar wel de hiervoor gehanteerde procedures, regelingen, richtlijnen en de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Niet kan worden geadviseerd inzake het personeels- en organisatiebeleid van de gemeente. 3. Het opstellen van het jaarverslag gebeurt door de Cliëntenraad voor 1 maart van enig jaar. Artikel 4.6.3 Samenstelling Cliëntenraad 1. De Cliëntenraad bestaat uit ten minste 9 en ten hoogste 11 stemgerechtigde leden, een voorzitter en een secretaris; 2. De Cliëntenraad is zodanig samengesteld dat meer dan de helft van de stemgerechtigde leden bestaat uit cliënten en de rest uit vertegenwoordigers van belangenorganisaties. 3. De individuele leden van de Cliëntenraad zijn inwoners van Veenendaal, Rhenen of Renswoude en vormen zoveel mogelijk een representatieve vertegenwoordiging van het cliëntenbestand van het team WI (inclusief beschut werk). 4.

De voorzitter van de Cliëntenraad is onafhankelijk en niet stemgerechtigd. De voorzitter mag geen cliënt zijn van het team WI, geen vertegenwoordiger zijn van een belangenorganisatie noch werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur van Veenendaal, Rhenen of Renswoude. 5. De secretaris is niet stemgerechtigd, tenzij hij naast secretaris ook lid is van de Cliëntenraad.

42

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.6.4 Benoeming en zittingsduur leden Cliëntenraad 1. Het college van Veenendaal benoemt en ontslaat de leden en de voorzitter. 2. De benoeming van de leden vindt plaats op voordracht van de Cliëntenraad. Het college is niet gebonden aan de voordracht, maar kan slecht met redenen omkleed afwijken van de voordracht. De leden van de belangenorganisaties worden door die organisaties als kandidaat aangemeld. 3. De voorzitter wordt via een sollicitatieprocedure voorgedragen. Het college kan ook een voorzitter voordragen. 4. De Cliëntenraad kiest een secretaris, al dan niet uit haar midden. 5. De zittingsduur van de voorzitter, de leden en secretaris is, behoudens tussentijds aftreden, vier jaar. 6. De leden treden af volgens het rooster van aftreden, maar blijven in functie totdat de nieuwe leden zijn benoemd; de voorzitter, de secretaris en de leden van de belangenorganisaties zijn direct herbenoembaar. Artikel 4.6.5 Werving en selectie individuele leden Cliëntenraad 1. Alleen cliënten van de gemeente Veenendaal, Rhenen of Renswoude kunnen op individuele titel lid worden. 2. Aftredende leden kunnen zich direct herbenoembaar stellen met een maximum zittingstermijn van 8 jaren aaneensluitend. Herbenoeming vindt plaats na voordracht door de Cliëntenraad. 3.

Na afloop van de reguliere zittingsperiode of als er geen geschikte reserve kandidaten voor een vacature beschikbaar zijn, worden alle cliënten van het team WI schriftelijk in de gelegenheid gesteld hun belangstelling kenbaar te maken voor de functie van lid van de Cliëntenraad. 4. De benoeming ter voorziening in tussentijds opengevallen plaatsen vindt bij voorkeur plaats binnen twee maanden na het ontstaan van de vacature. 5. De voorzitter en tenminste één lid van de Cliëntenraad voeren een kennismakingsgesprek met belangstellenden. 6. Kandidaten voor de functie van lid worden aan het college voorgedragen, nadat het aspirant lid minimaal drie maanden heeft meegedraaid in de Cliëntenraad en deze kandidaat door de meerderheid van de Cliëntenraad geschikt is bevonden voor de functie. 7. Bij disfunctioneren van een lid kan de Cliëntenraad bij meerderheidsbesluit en met redenen omkleed het college voorstellen het betreffende lid te ontslaan. 8. Lidmaatschap eindigt binnen 3 maanden nadat betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden onder lid 1. Artikel 4.6.6 Budget en vergoeding 1. Ten behoeve van de Cliëntenraad wordt jaarlijks een budget door het college beschikbaar gesteld, waartoe een begroting in overleg tussen de Cliëntenraad en het college wordt opgesteld. 2.

Ten laste hiervan komen vergoedingen en kosten die onder andere verband houden met deskundigheidsbevordering, het inwinnen van advies, achterbanraadpleging, kosten notulist en organisatiekosten. 3. De voorzitter, de secretaris en de leden ontvangen een door het college vastgestelde vergoeding. Artikel 4.6.7 Taken en bevoegdheden voorzitter en secretaris 1. Tot de taak van de voorzitter behoort: a. het vaststellen van de agenda; b. het bepalen van dag en uur van de vergadering; c. het leiden van de vergadering; d. het handhaven van de orde; e. het schorsen van de vergadering; f. het peilen van meningen en het mededelen van de uitslagen van stemmingen; g. het bewaken van het beschikbaar gestelde budget; h. het aangaan van verplichtingen die noodzakelijk zijn voor de voortgang en uitvoering van de taken van de Cliëntenraad, indien en voor zover de daarmee gepaard gaande kosten blijven binnen de vastgestelde begroting. 43

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2.

3.

i. vertegenwoordigen van de Cliëntenraad naar buiten. Tot de taak van de secretaris behoort: a. het medeopstellen van de agenda; b. het tijdig verzenden van de agenda met bijbehorende stukken; c. het bijwonen van alle vergaderingen en het zorgdragen voor een verslag en besluitenlijst; d. het opstellen van het jaarverslag;. e. het mede zorgdragen voor de uitvoering van de besluiten; f. het bewaken van de voortgang en afhandeling van de uitgebrachte adviezen; De secretaris kan ondersteund worden door een notulist. De notulist maakt geen onderdeel uit van de Cliëntenraad. Hij ontvangt een door het college vastgestelde vergoeding, welke uit het jaarbudget van de Cliëntenraad betaald wordt.

Artikel 4.6.8 Vergaderingen en vergaderorde 1. De Cliëntenraad vergadert als regel elke maand, met uitzondering van de vakantieperiode. Minimaal tweemaal per jaar vindt een vergadering plaats waarbij de portefeuillehouder aanwezig is. 2. De vergaderingen zijn als regel openbaar, maar de Cliëntenraad kan besluiten een besloten of een huishoudelijke vergadering te houden. 3. De agenda wordt zo mogelijk een week voor de vergadering aan de leden toegezonden. 4. Ieder lid heeft het recht schriftelijke voorstellen aan de Cliëntenraad te doen. Deze voorstellen worden bij de secretaris ingediend. 5. Ieder lid heeft het recht agendapunten in te leveren bij de secretaris. 6. Ieder lid heeft het recht een voorstel betreffende de orde van de vergadering te doen. 7. Toehoorders bij een vergadering kunnen de voorzitter bij aanvang van de vergadering om spreektijd verzoeken. De voorzitter bepaalt of hieraan gevolg wordt gegeven. 8. De Cliëntenraad kan één of meer (externe) deskundigen uitnodigen de vergadering bij te wonen voor het geven van toelichting of advies, voor zover het budget dat toelaat. 9. Het verslag van de vergadering en de besluitenlijst worden ter vaststelling aan de Cliëntenraad aangeboden in de eerstvolgende vergadering. 10. De Cliëntenraad mag niet beraadslagen of besluiten indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is. 11.

Alle adviezen worden bij meerderheid van stemmen uitgebracht. Artikel 4.6.9 Advisering 1. Het college vraagt de Cliëntenraad om advies over alle onderwerpen die vallen binnen het terrein van de Pw en aanverwante regelingen. Dit betreft in ieder geval: a. de voorgenomen beleidskaders en verordeningen op de gebieden participatiebeleid, handhavingsbeleid, inkomensbeleid en minimabeleid; b. het voorgenomen uitvoeringsbeleid, zoals verwoord in beleidsnota’s van het college. 2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit door het college. 3. Uitgangspunt is dat de Cliëntenraad tenminste twee weken de tijd heeft om een advies op te stellen. Zoveel mogelijk houdt het college daarbij rekening met de vergaderingen van de Cliëntenraad, zodat toelichting kan worden gegeven op het voorgenomen besluit. De Cliëntenraad geeft in ieder geval binnen zes weken een reactie op een gevraagd advies van het college. 4. De adviezen van de Cliëntenraad worden schriftelijk uitgebracht aan het college. 5. Het college neemt binnen zes weken een beslissing op een gevraagd of ongevraagd advies van de Cliëntenraad en stelt de Cliëntenraad daarvan schriftelijk in kennis. Indien afgeweken wordt van een advies zal dit worden gemotiveerd. 6.

In het geval het advies van de Cliëntenraad een raadsvoorstel betreft wordt door het college het advies van de Cliëntenraad bij het raadsvoorstel gevoegd en vermeld hoe het college het advies van de Cliëntenraad heeft betrokken bij de totstandkoming van het raadsvoorstel. 44

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.6.10 Ondersteuning 1. Het college draagt er zorg voor dat de Cliëntenraad wordt ondersteund. 2. Het college voorziet de Cliëntenraad onder andere van informatie opdat de Cliëntenraad naar behoren kan functioneren. Het betreft informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te kunnen begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen. 3. De teamleider van het team WI woont in de regel een gedeelte van de vergaderingen bij. 4. Als daar behoefte aan is kunnen ambtenaren toelichting geven op college voorstellen of andere vragen die passen binnen de reikwijdte van het takenpakket van de Cliëntenraad. Artikel 4.6.11 Regionale samenwerking 1. De gemeenten Veenendaal, Rhenen en Renswoude werken op basis van een dienstverleningsovereenkomst samen. De dienstverleningsovereenkomst omvat de beleidsvoorbereiding en uitvoering van taken van de Pw en aanverwante regelingen. De gemeente Veenendaal is verantwoordelijk voor (algemene) beleidsvoorbereiding en uitvoering. 2. De vaststelling van beleid en verordeningen behoort niet tot de reikwijdte van de dienstverleningsovereenkomst. Deze bevoegdheden zijn en blijven voorbehouden aan het college cq. de gemeenteraad van elk van de deelnemende gemeenten. 3. De beleidsadviezen van de Cliëntenraad zullen door het college worden doorgeleid naar de colleges van Rhenen en Renswoude. 4.

Besluitvorming over de uitvoering ligt bij het college. 5. De gemeenten Rhenen en Renswoude kunnen besluiten om relevante beleidsstukken ook aan te bieden aan andere inspraakorganen dan de Cliëntenraad.

45

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.7 Afstemming Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ Artikel 4.7.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm:

1° 2°

toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Pw; of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

Artikel 4.7.2 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van de Pw, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 4.7.3 Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; b. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 4.7.4 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden; 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.

Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 4.7.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Pw over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 3. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging toegepast ingaande de datum van aanvang van de uitkering voor zover deze nog niet is uitbetaald.

46

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.7.6 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Pw, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Pw verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Artikel 4.7.7 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9 en 55 van de Pw niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie:1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Pw;2°.

het onvoldoende nakomen van verplichtingen, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Pw;3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Pw niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Pw;4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Pw;5.derde categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw. c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Pw. Artikel 4.7.7a Niet meewerken aan taaltoets Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Pw, wordt een verlaging opgelegd van: a. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand; b.

40 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast, vanwege het niet meewerken aan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. Artikel 4.7.8 Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de 47

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

c.

artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de IOAZ; 4°.

het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

Artikel 4.7.9 Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 4.7.7 en 4.7.8, wordt vastgesteld op: a. het geven van een schriftelijke waarschuwing bij gedragingen van de eerste categorie; b. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. Artikel 4.7.10 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f, g, en h van de Pw; b. twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, en e van de Pw. Artikel 4.7.11 Verrekenen verlaging 1. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 4.7.10, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 2.

Bij een verlaging als bedoeld in artikel 4.7.10, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 3. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Pw, wordt de verlaging toegepast over de maand van oplegging en de daaropvolgende maand. Artikel 4.7.11a Verrekening boete op grond van de Wet inburgering 2021 1. Als een boete op grond van de Wi2021 wordt opgelegd, wordt de boete verrekend met de bijstandsuitkering. 2. De boete wordt verrekend over de maand volgend op de maand waarop de beschikking is verzonden. 3. Er wordt rekening gehouden met een fictieve draagkracht van 5% van de bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag. 48

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.7.12 Herziening verlaging op verzoek belanghebbende Het college kan op verzoek van belanghebbende de verlaging van de uitkering herzien zodra uit houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de geüniformeerde arbeidsverplichtingen zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Pw nakomt. Artikel 4.7.13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Wanneer er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Pw wordt de uitkering verlaagd . 2. Wanneer sprake is van onverantwoord interen van vermogen dan wordt de verlaging als volgt afgestemd op het benadelingsbedrag: a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: geen verlaging; b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.500,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden; c. bij een benadelingsbedrag van € 2.500,00 tot € 5000,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 9 maanden; d. bij een benadelingsbedrag van € 5000,00 tot € 12.500,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden; e. bij een benadelingsbedrag van € 12.500,00 tot € 50.000,00: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 18 maanden; f. bij een benadelingsbedrag van € 50.000,00 of meer: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 24 maanden. 3.

Een verlaging van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand wordt opgelegd wanneer er sprake is van: a. geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; b. het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering; c. door eigen toedoen niet behouden van betaalde arbeid; d. een loonsanctie. 4. [vervallen]. Artikel 4.7.14 Verlaging bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door toepassing van bestuurlijke boete Indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een verlaging opgelegd van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de ingangsdatum van de uitkering.

Artikel 4.7.15 Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die Pw, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld, schriftelijke bedreigingen of een combinatie van agressieve gedragingen als genoemd in onderdeel b tegen de in de aanhef genoemde personen;

49

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

b.

50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken, verbaal geweld, discriminatie en bij mondelinge bedreigingen gericht tegen de in de aanhef genoemde personen.

Artikel 4.7.16 Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen genoemd in artikel 55 van de Pw die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of vermindering van de bijstand; b. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen genoemd in artikel 55 van de Pw die strekken tot de arbeidsinschakeling of beëindiging van de bijstand. 2. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven aan de belanghebbende. 3. Als een belanghebbende zich binnen een maand na bekendmaking van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in lid 2, opnieuw een verplichting als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Pw niet nakomt, wordt een verlaging toegepast van 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel 4.7.17 Samenloop van gedragingen 1.

Als een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan twee of meer verwijtbare gedragingen welke tegelijkertijd worden geconstateerd en die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 4.7.2 van deze paragraaf inhoudt, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als het college voor dezelfde gedraging de bijstand op grond van artikel 18 of 18b Pw kan verlagen en een boete op grond van de Wi2021 kan opleggen, dan wordt de bijstand verlaagd en wordt geen boete opgelegd. 3. In afwijking van lid 1 en 2 wordt een boete op grond van de Wi2021 opgelegd in plaats van een verlaging van de bijstand op grond van de Pw, als de verlaging van de bijstand tot een financieel nadeliger situatie leidt dan het opleggen van een boete en: a. de belanghebbende nog wordt ontzorgd op grond van artikel 56a Pw; of b. de verlaging van de bijstand er toe leidt dat het inburgeringsproces van de belanghebbende vertraging oploopt. Artikel 4.7.18 Recidive 1.

Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel b of onderdeel c, 4.7.7a, onderdeel a of onderdeel b, 4.7.8, onderdeel b of c, 4.7.13, eerste lid, of 4.7.15 en 4.7.16 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld; 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, zich schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel b of onderdeel c, 4.7.7a, onderdeel a of b, 4.7.8, onderdeel b of c, 4.7.13, eerste lid, of 4.7.15 en 4.7.16 wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld; 3. Als een belanghebbende binnen een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop een schriftelijke waarschuwing is gegeven vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 4.7.7, onderdeel bof c, 4.7.7a, onderdeel a of b, 4.7.8, onderdeel a, wederom niet tijdig

50

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.

5.

de inschrijving als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf heeft verlengd, wordt een maatregel opgelegd van 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand; Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden. Wanneer belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan drie of meer verwijtbare gedragingen in een periode van 24 maanden, kan door het college een verlaging voor ten hoogste drie maanden worden opgelegd. Dit geldt niet wanneer lid 4 van dit artikel van toepassing is. Deze periode vangt aan op de dag van bekendmaking van het besluit waarin de maatregel is opgelegd naar aanleiding van de eerste verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 4.7.4 van deze verordening.

Artikel 4.7.19 Samenloop wij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

51

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.8 Schuldhulpverlening Artikel 4.8.1 Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wgs, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wgs, heeft plaatsgevonden.

52

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

5. HANDHAVING Artikel 5.1.1 Beleidsplan Handhaving 1.

2.

3.

Het college legt in een beleidsplan vast: a. wat het college verstaat onder fraude; b. hoe het college fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). In het beleidsplan staat in ieder geval: a. wat het college doet om fraude te voorkomen; b. wanneer en hoe het college inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d. hoe het college samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. Het college stelt na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft het college of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

53

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

6. SLOTBEPALINGEN Artikel 6.1.1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen. Artikel 6.1.2 Evaluatie 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. 2. Het college zendt voor het eerst, 2 jaar na de inwerkingtreding van de verordening, aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 6.1.3 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. Verordening maatschappelijke ondersteuning Veenendaal, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020; b. Verordening toegang en toeleiding jeugdhulp gemeente Veenendaal, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020; c. Re-integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 19 september 2019; d. Verordening loonkostensubsidie voor personen met een arbeidsbeperking Participatiewet Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 22 juni 2017; e. Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Veenendaal 2015, laatstelijk gewijzigd op 23 januari 2020; f. Verordening Tegenprestatie Participatiewet gemeente Veenendaal 2015 vastgesteld op 19 maart 2015; g. Verordening minimaregelingen Veenendaal vastgesteld op 23 januari 2020; h. Verordening regionale cliëntenparticipatie Werk en Inkomen 2015 vastgesteld op 23 april 2015; i.

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015, laatstelijk gewijzigd op 23 juni 2016. Artikel 6.1.4 Overgangsbepaling In afwijking van het bepaalde in artikel 4.5.2 lid 2 wordt gedurende de periode 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 toegestaan om bonnetjes te declareren van zelf aangeschafte producten of diensten welke voldoen aan de in deze verordening gestelde vereisten. Artikel 6.1.5 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking. 2. In afwijking van lid 1 treden onderstaande artikelen in werking op de dag na de bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2021: a. Artikel 4.5.5; b. Artikel 4.5.6; c. Artikel 4.5.7; d. Artikel 4.5.14; en e. Artikel 4.5.18 lid 1. 3. In afwijking van lid 1 treedt artikel 4.5.7 lid 3 pas in werking per 1 december 2021. 4. Het gestelde in artikel 4.5.9 lid 3 sub c., 4 sub c. en 6 sub b. wordt ingetrokken op 1 december 2021 vanwege de inwerkingtreding van de Wet van 31 augustus 2020, houdende het voorstel van wet van de leden Kwint en Westerveld tot wijziging van diverse onderwijswetten teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten (Stb. 2020, 318).

54

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

5. In afwijking van lid 4 blijven op aanvragen voor een ouderbijdrage die zien op de aanvraagperiode die loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021, de bepalingen van lid 3 sub c., 4 sub c. en 6 sub b. van artikel 4.5.9 van toepassing. Artikel 6.1.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein Veenendaal. Vastgesteld in de openbare vergadering van 22 april 2021.

mevrouw drs. F.A. van Hooijdonk griffier

de heer K.J.G. Kats voorzitter

55

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Bijlage 1 Kwaliteitseisen, voorwaarden en regimes Externe Jobcoaching

ALGEMENE BESCHRIJVING Om de doelgroepen van de Participatiewet goed te ondersteunen, is het voor gemeenten gewenst werkvoorzieningen in te kunnen inzetten. De gemeenten in de arbeidsmarktregio Foodvalley kunnen een jobcoachvoorziening inzetten als een inwoner zonder deze persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Bij het inzetten van de externe jobcoachvoorziening is het leidend dat de primaire verantwoordelijkheid voor de begeleiding van een werknemer bij de werkgever ligt. Ondersteuning van de jobcoach is er steeds op gericht om –via de kortste weg- te bereiken dat de werknemer zonder deze begeleiding zelfstandig zijn taken bij de werkgever kan uitvoeren. Doelgroep: 1 Werknemers die zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat zijn de door de werkgever aan hen opgedragen taken te verrichten conform de eisen en verwachtingen (verder de werknemer). 2 Personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking. De geboden jobcoachvoorziening levert een bijdrage aan de arbeidsparticipatie en ontwikkeling van het arbeidsvermogen van de werknemer door het bieden van begeleiding en ondersteuning aan de werkgever én werknemer voor een toereikend aantal begeleidingsuren per week.

De inzet van de begeleiding is gericht op: 1. de werkgever of de directe begeleider om de begeleiding zelfstandig uit te kunnen voeren (coachde coach) én op 2. het begeleiden van de werknemer in het ontwikkelen en trainen van werknemersvaardigheden gericht op het zelfstandig uitvoeren van taken bij de werkgever. Resultaat: Het realiseren van de doelstelling(en) zoals beschreven in het door het college opgestelde plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW. Beoogde doelen kunnen onder andere zijn (niet limitatief): • stabiliseren van de situatie; • vergroten zelfredzaamheid op de verschillende leefgebieden; • signaleren en verduidelijken onderliggende hulpvragen; waar nodig passende hulpverlening inschakelen; • belemmeringen oplossen of hanteerbaar maken; • vergroten van het netwerk en sociale contacten; • inzicht geven in eigen handelen en coachen van sociale en communicatieve vaardigheden; • creëren van ruimte en beweging richting arbeidsmarkt en/of eventueel vrijwilligerswerk of traject; • ontdekken van talenten en kwaliteiten/competenties; • oriëntatie op de mogelijke beroepsrichting en of scholing; • verhogen van de loonwaarde.

56

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal •

A. Eisen aan de (inhoud van) de jobcoach 1.

Het college geeft voor de proeftijd een begeleidingsregime af. 2. Het college betrekt werknemer (die jobcoaching nodig heeft) in de keuze voor een externe jobcoach. 3.

Het college kan de werkgever betrekken bij de keuze voor een externe jobcoach. 4. Tijdens de proeftijd verzorgt de jobcoach de praktische begeleiding en inventariseert de jobcoach de ondersteuningsbehoefte van werkgever en werknemer. 5.

Het college stelt de ondersteuningsbehoefte/het begeleidingsregime na de proeftijd definitief vast in overleg met werkgever, werknemer en jobcoach.

6.

Aan het einde van de toegekende begeleidingsperiode, minimaal één keer per jaar, beoordeelt het college of continuering van de jobcoachvoorziening noodzakelijk is en onder welk (aangepast) regime.

7.

Een jobcoach wordt niet langer ingezet dan voor de duur van de arbeidsovereenkomst of werkervaringsplaats en voor maximaal 3 jaar.

8.

Werkgever en jobcoach kunnen tussentijds vragen om aanpassing van het begeleidingsregime; zowel voor urenuitbreiding als voor urenvermindering waar dat mogelijk is.

9.

De jobcoach geeft werkgerelateerde ondersteuning aan werkgever én werknemer bij het verrichten van reguliere arbeid.

10. De werkzaamheden, werktijden en instructie sluiten zoveel mogelijk aan op de reguliere arbeidsmarkt

en zijn afgestemd op de mogelijkheden van de werknemer. 11. De jobcoach stelt een coachingsplan op en deelt deze met het college. Het coachingsplan beschrijft

de resultaten en doelen en de daarbij behorende werkzaamheden, begeleidingsbehoefte, begeleidingsuren, evaluatiemomenten (HR-cyclus) en ontwikkelperspectief. Het ontwikkelperspectief van de werknemer wordt minimaal halfjaarlijks of voorafgaande aan een contractverlenging bijgesteld en vastgelegd in het coachingsplan. Het coachingsplan wordt in overleg met werkgever en werknemer opgesteld en sluit aan bij het plan van aanpak dat door het college is opgesteld. 12. De jobcoach informeert de contactpersoon van de gemeente direct bij acute problemen die (grote)

invloed kunnen hebben op het resultaat. 13. De jobcoach adviseert zo nodig de werkgever in het opdragen van taken en werkzaamheden die

aansluiten bij de mogelijkheden van de werknemer. 14. De levering van de jobcoachvoorziening dient binnen 10 werkdagen na ontvangen van opdracht te starten. 15. Bij kortdurend verzuim (tot 4 weken) van de werknemer is de jobcoaching gericht op snelle

werkhervatting. Dit wordt gemeld bij de contactpersoon van de gemeente. 16. Bij langdurig verzuim van de werknemer (na 4 weken) stopt de jobcoaching, tenzij de contactpersoon

van de gemeente besluit te verlengen met het oog op terugkeer. 17. Bij einde van de arbeidsovereenkomst stopt de jobcoaching direct. 18. De jobcoach is binnen 24 uur oproepbaar. 19. De aanbieder garandeert de vervanging van de jobcoach in geval van ziekte en vakantie.

B. Eisen aan de jobcoach-medewerkers

57

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

1. 2. 3. 4. 5.

6. 7.

De jobcoach is ingeschreven in het Nationaal jobcoachregister of heeft aantoonbare vakinhoudelijke kennis, competenties en ervaring op het gebied van jobcoaching. De jobcoach werkt vanuit de lokale gemeentelijke uitgangspunten voor arbeidsparticipatie. De jobcoach heeft kennis van de lokale sociale kaart en die van aangrenzende gemeenten om de werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren. De jobcoach communiceert met de werknemer op voor deze persoon verstaanbare en begrijpelijke wijze. De jobcoach meldt zo spoedig mogelijk bij de contactpersoon van de gemeente wanneer zich tussentijdse wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden of de directe leefomgeving van de werknemer voordoen die invloed (kunnen) hebben op het welzijn van de werknemer of de voortgang van de ingezette dienstverlening. De jobcoach heeft een onafhankelijke rol ten opzichte van de werkgever van de werknemer. De jobcoach beschikt over de volgende competentie-eisen: - biedt methodische ondersteuning; - kan oplossingsgericht en vanuit de vraag en belevingswereld van de werknemer werken; - heeft actieve beheersing van de Nederlandse taal; - heeft een professionele houding en bejegening van werkgevers en werknemers; - handelt in alle gevallen integer; - werkt aan maatwerk-oplossingen.

C. Eisen aan de Jobcoach-onderneming /aanbieder 1.

Aanbieder heeft acceptatieplicht voor alle werknemers die door de gemeente worden begeleid en waarvoor het college jobcoaching geschikt heeft bevonden.

2.

Aanbieder draagt er zorg voor dat de betreffende werknemer geleverd krijgt wat is toegekend binnen de gestelde termijnen. 3. Aanbieder draagt er zorg voor dat levering binnen gestelde termijnen geschiedt. 4.

Aanbieder neemt direct contact op met de contactpersoon van de gemeente als de gevraagde dienstverlening niet aangeboden kan worden (wachtlijsten zijn niet toegestaan).

5.

Aanbieder is van alle (betaalde en onbetaalde) medewerkers met contacten met werknemers in bezit van een verklaring omtrent gedrag (VOG) gericht op de uit te voeren werkzaamheden, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze verklaring is niet ouder dan drie jaar.

6.

Aanbieder heeft een vastgestelde regeling voor de afhandeling van klachten van werknemer ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een werknemer.

7.

Aanbieder garandeert dossierinzage door of namens de gemeente met door aanbieder geregelde instemming van de werknemer conform de bepalingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De inzage betreft dat deel van het dossier dat betrekking heeft op de wijze waarop aanbieder het in het plan van aanpak vastgestelde resultaat realiseert.

8.

Aanbieder is fysiek of telefonisch goed bereikbaar tenminste tijdens kantoortijden (werkdagen van 8.30-17.00 uur).

D. Het coachingsplan / begeleidingsregime 1. de Jobcoach schrijft voor iedere werknemer binnen twee weken na aanmelding een coachingplan.

58

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2. Het coachingsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: een beschrijving van de werkplek en de functie; een beschrijving van de competenties en beperkingen in relatie tot de functie; het aantal uren jobcoaching met de daarbij in te zetten activiteiten; een beschrijving van de (meetbare) coachingsdoelen/aandachtspunten voor coaching; op welke wijze wordt de jobcoaching afgebouwd. 3. Minimaal 2 weken voor het einde van het dienstverband/coachingsplan rapporteert de jobcoach aan de gemeente over het behaalde resultaat, de ontplooide activiteiten, de mate van zelfstandigheid van de werknemer en het vervolg. 4. Als het traject niet leidt tot baanbehoud moet de jobcoach inzichtelijk maken welke activiteiten ondernomen zijn om dit te realiseren en wat de oorzaak van het baanverlies is. 5. Bij een verlenging van de jobcoaching levert de jobcoach opnieuw een coachingplan aan voor een vervolgtraject. 6. De jobcoach rapporteert aan het college via de door hem aangegeven wijze.

Begeleidingsregimes bij jobcoaching, omgerekend naar uren Zwaarte

Proefplaatsing Max 3 Mnd

1 2

Geen Zeer licht

Dienstverband 1e jaar

2e jaar

3e jaar

0

0

0

0

10

40

40

40

3

Licht

20

75

40

40

4

Midden

30

120

60

40

5

Intensief

45

180

90

75

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15588247/1