CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Geconsolideerde Integrale verordening sociaal domein

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: (5e) Wijziging Integrale verordening Sociaal domein26.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

3. 4.

Binnen 10 werkdagen na afronding van het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het gespreksverslag en, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden toegevoegd aan het gespreksverslag of, in voorkomend geval, het ondersteuningsplan.

Artikel 3.1.8 Aanvraag 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening mondeling of schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college bevestigt een mondelinge aanvraag schriftelijk. 3. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat hebben aangegeven op het ondersteuningsplan. 4. Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als bedoeld in artikel 3.1.6 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 3.1.6, derde lid. Artikel 3.1.9 Verstrekking individuele voorziening 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. 2. Het college kan een individuele voorziening verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, is vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp nodig hebben en deze: a. op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn ondersteuningsvraag kan vinden; b. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemeen toegankelijke voorziening; c. geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening. 3.

Het college verstrekt een individuele voorziening als een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder, na een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid onder a. tot en met i., van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 4. Het college kan afwijken van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in lid 3, indien dit oordeel niet voldoet aan het bepaalde in het derde lid of de professionele standaard. 5. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van: a. een passende voorziening die het meest effectief (doeltreffend) en efficiënt (doelmatig) is; b. die zo licht en kortdurend als mogelijk is; en c. tegen de laagste kosten. Artikel 3.1.10 Beslistermijn 1. Het college beslist binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan deze termijn met ten hoogste 8 weken verlengen. Artikel 3.1.11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura worden in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.

de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken, waaronder de te treffen voorziening en het beoogde resultaat daarvan, middels een verwijzing naar het ondersteuningsplan; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de beschikking vastgelegd: a. de met de jeugdige of zijn ouders gemaakte afspraken opgenomen in het ondersteuningsplan; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; c. voor welke individuele voorziening het pgb kan worden aangewend; d. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; 19

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

e. f. g. h.

welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 3.1.12 Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1. van de Jw. 2. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld budgetplan waarin in ieder geval uiteen is gezet: I. welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken; en II. indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: I. op 85% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura, als het noodzakelijk is om: 1. te verzekeren dat het budget de jeugdige of zijn ouders in staat stelt om tijdig, veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp te betrekken of verlenen; en 2. op gepaste wijze rekenschap te geven van de gezinssituatie en van de relevante werkervaring en kwalificaties van deze persoon; II.

waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het vierde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders de mogelijkheid hebben om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 3. Indien voor een bepaalde voorziening geen adequate individuele voorziening in natura is ingekocht wordt ter bepaling van de hoogte van de kostprijs: a. een of meerdere offertes opgevraagd; b. eventueel een nader gesprek gevoerd met de jeugdhulpaanbieder; 4. Een pgb kan niet worden verstrekt voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp die geleverd wordt door een familielid van de eerste of tweede graad van de jeugdige of zijn ouders. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: a. de jeugdhulp betreft persoonlijke verzorging of permanent toezicht; b. voor het tarief of de prijs, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2, wordt voor jeugdhulp verleend door een derde, rekening gehouden met de hoogste periodiek voor hulp in het huishouden, of ondersteunende begeleiding (FWG 30) in de CAO VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; c. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt; en d.

de persoon treedt niet tevens op als tussenpersonen of belangbehartiger inzake het beheer van het pgb. 6. Wanneer na zorgvuldige analyse van de situatie de conclusie wordt getrokken dat het mogelijk en wenselijk is om een aanbieder in te zetten die niet volgens de voor jeugdhulp gebruikelijke kwaliteitsstandaarden werkt maar wel voldoet aan het gestelde in lid 2 sub b. bedraagt het pgb niet meer dan 63,75% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Artikel 3.1.13 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jw.

20

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2.

3.

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.1.14, derde lid, onder f. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.1.14 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet 1. Het college treft de nodige maatregelen om misbruik of het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen tegen te gaan. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. het zoeken naar mogelijke samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. het maken van afspraken met jeugdhulpaanbieders over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontrole en productieverantwoordingen, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; c. het beperken van de looptijd van de indicaties of periodiek uitvoeren van controles bij langlopende indicaties; d. het uitvoeren van een grondige toets aan de voorkant bij de verstrekking van een pgb op: i. de regiemogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger; ii. de kwaliteit van de invulling van de individuele voorziening door de pgb-aanbieder mede met het oog op de te bereiken resultaten, bedoeld in artikel 3.1.11, derde lid, onder b; e.

het monitoren van het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen; f. het informeren van de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jw. 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jw doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jw kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb; e.

de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; of f. de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 4.

5.

Indien het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 3.1.15 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 21

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2. 3.

4.

5.

6.

Het college wijst ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en hoofdstuk 3 van deze verordening. Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar. De aanvrager en ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden verstrekken aan het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover de medewerking redelijkerwijs gevorderd kan worden. Het college bepaalt hiervoor in de nadere regels een redelijke termijn. Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een voorziening en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorziening en de wederzijds tussen het college en de jeugdige of zijn ouder resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

Artikel 3.1.15a Toezichthouder 1. De toezichthouder, bedoeld in artikel 3.1.15, functioneert onafhankelijk. 2. De toezichthouder is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, waaronder van de politie en de belastingdienst; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de jeugdhulpaanbieder; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger; d. het vorderen van identificatie; e. de inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen, met uitzondering van woningen; g. het controleren of de jeugdhulpaanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft; h. het ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; i. het controleren of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd. 3. De toezichthouder maakt zijn onderzoeksrapport actief openbaar en neemt daarbij de regels uit de Wet open overheid (Woo) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht. Artikel 3.1.15b Maatregelen bij onrechtmatigheid 1.

Als uit onderzoek van de toezichthouder blijkt dat de ondersteuning niet conform de gestelde (kwaliteits-) eisen is geleverd of onrechtmatig is gedeclareerd dan handelt het college conform een vastgestelde handhavingslijn. 2. Bij de te nemen maatregelen worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: a. handhaven geschiedt op basis van risico’s; b. maatregelen zijn doelgericht, proportioneel en subsidiair; c. lichte maatregelen worden getroffen waar het kan en zware maatregelen waar nodig; d. handhaving is maatwerk waarbij iedere situatie apart wordt afgewogen; e. het belang van jeugdigen en zijn ouders staat voorop. Artikel 3.1.16 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 22

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door jeugdhulpaanbieders te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 3.1.17 Betrekken van inwoners bij het beleid 1. Het college stelt jeugdigen of ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

23

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4. WERK EN INKOMEN 4.1 Re-integratie

Algemene bepalingen Artikel 4.1.1 Definities In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. de doelgroep: b. een grote afstand tot de arbeidsmarkt: c. een korte afstand tot de arbeidsmarkt: d. interne werkbegeleiding:

e. jobcoaching:

f. langdurig werkloze: g. loonkosten: h. meeneembare voorziening:

i. overige voorzieningen: j. persoonlijke ondersteuning bij werk:

k. voorziening:

l. werkgever:

m. werknemer:

personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Pw; deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; deelname aan de arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; een persoon die 12 maanden of langer geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; het brutoloon inclusief vakantiegeld en wettelijke werkgeverslasten; een op een medewerker met een arbeidsbeperking toegesneden hulpmiddel dat noodzakelijk is om naar behoren de werkzaamheden te kunnen verrichten als het gaat om een voorziening die niet aard- en nagelvast is en waarover een werkgever normaliter niet beschikt.

voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Pw ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Pw en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Pw; door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Pw met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan, dan wel dit van plan is;

Artikel 4.1.2a Re-integratievoorziening 1. Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 4.1.6, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

24

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

2. 3.

4.

Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4.1.4, 4.1.5, 4.1.7 en 4.1.8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Bij het aanbieden van een re-integratievoorziening aan een niet-uitkeringsgerechtigde geldt het volgende: a. er wordt bij voorkeur een groepsgerichte activiteit ingezet; b. er wordt bij het inzetten van een andere voorziening een afweging gemaakt tussen kosten en baten. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon waarbij: a. de omstandigheden in ieder geval betrekking hebben op zorgtaken van die persoon, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; of ii. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg; en b. de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

Artikel 4.1.2b. Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen zoals genoemd in de hiernavolgende artikelen. 2. Het bereiken van een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond, vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening, onverlet artikel 7 van de Pw. Artikel 4.1.3 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college kan een voorziening toekennen als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt behoort tot de doelgroep; b. de persoon voldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon geen beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. Het college biedt uitsluitend een voorziening bij een werkgever aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 3. Het college kan een beslissing tot het aanbieden van een voorziening herzien of intrekken als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Pw, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze paragraaf genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Pw; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze paragraaf worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 25

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, waarbij in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de Pw, rekening wordt gehouden met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en indien nodig daarmee wordt afgestemd, zodat het aanbod optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon

Voorzieningen Artikel 4.1.4 Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Een werkstage wordt ingezet voor drie maanden met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van maximaal drie maanden. 4. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 4.1.5 Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover er een reële kans bestaat dat deze op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 4.1.6 Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer kan door deze werkgever door middel van een detacheringsconstructie te werk worden gesteld bij een inlener.

Artikel 4.1.7 Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het is gericht op arbeidsinschakeling; b. het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt; c. de scholing is kortdurend en gericht op snelle arbeidsinschakeling; en d. de meest doelmatige scholingsmogelijkheid wordt benut. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Pw. Artikel 4.1.8 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Pw onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Pw bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 26

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.1.9 Participatievoorziening beschut werk 1. Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Pw, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. dagbesteding als maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 2; b. sociale activering als bedoeld in artikel 4.1.5; c. scholing als bedoeld in artikel 4.1.7; d. persoonlijke ondersteuning als bedoel in artikel 4.1.11; e. schuldhulpverlening als bedoeld in paragraaf 4.8. Artikel 4.1.10 Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep als het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b.

van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 4.1.11 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.29. Artikel 4.1.12 Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 4.1.15, verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het brutoloon inclusief werkgeverslasten gedurende maximaal 24 maanden ten behoeve van de werknemer. 3. Onder een kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; b. geen startkwalificatie bezit; c. ouder is dan 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is. 4. Onder een uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest. 5.

Minimaal één maal per twaalf maanden beoordeelt het college of de loonkostensubsidie bedoelt in lid 1, nog steeds bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van de werknemer als bedoeld in hetzelfde lid. 6. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als: a. de werkgever in de afgelopen 3 jaar voor dezelfde medewerker loonkostensubsidie heeft ontvangen, met uitzondering van de situaties waarin het dienstverband voortijdig is beëindigd en de reden hiervan niet aan de werkgever verwijtbaar is;

27

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

b.

de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer, met uitzondering van mogelijke belastingvoordelen.

Artikel 4.1.13 Uitstroompremie Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 4.1.14 Proefplaats 1. Het college kan een persoon toestemming voor een proefplaats aanbieden. 2. Een proefplaats betreft het verrichten van reguliere werkzaamheden bij een werkgever met behoud van uitkering met als doel de inschakeling van een persoon die behoort tot de doelgroep in reguliere arbeid bij die werkgever te bevorderen. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling bij de werkgever met wie de proefplaats wordt overeengekomen. c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4.

De proefplaats wordt toegekend voor maximaal 2 maanden. 5. De proefplaats kan met periodes van maximaal 2 maanden worden verlengd tot een maximumduur van in totaal 6 maanden als: a. in de persoon gelegen factoren een langere periode noodzaken; b. de persoon in deze periode langer dan een week ziek is geweest waarbij in dat geval ook geldt dat als de maximumduur van 6 maanden is bereikt deze kan worden verlengd met de periode van ziekte; c. de werkgever aan kan tonen dat verlengen in dit specifieke geval noodzakelijk is; of d. meer tijd nodig is om de loonwaarde te bepalen. 6. Voorafgaand aan de proefplaats worden in een schriftelijke overeenkomst tussen college en de werkgever in ieder geval afspraken gemaakt over: a. het doel van de proefplaats; b. de duur van de proefplaats; c. dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:160 Burgerlijk wetboek; d. dat de werkgever tijdens de periode waarover de proefplaats wordt aangeboden geen salaris is verschuldigd; e. de wijze van begeleiding; f. een intentieverklaring dat de werkgever de persoon, bij gebleken geschiktheid, na de proefplaats een dienstverband van minimaal 6 maanden aanbiedt voor minimaal het aantal uren dat voor de proefplaats is overeengekomen, tenzij tijdens de proefplaats blijkt dat de uren in het belang van de persoon verlaagd moet worden; g.

dat de werkgever tijdens de proefplaats voor de persoon een ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering afsluit en de gemeente vrijwaart voor alle in- en buitengerechtelijke aanspraken op vergoeding van eventuele schades; h. het feit dat door de proefplaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; en i. dat de persoon de werkzaamheden zal verrichten conform de voor de betreffende functie en werkzaamheden geldende voorschriften en wettelijke bepalingen.

28

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Aanvraagprocedures en voorwaarden voorzieningen Artikel 4.1.15 Specifiek aanvraagproces Loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de Pw, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Pw. 4. Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de Pw. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Artikel 4.1.16 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.

Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4.1.3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) wegen naar het oordeel van het college op tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk en zijn daarmee proportioneel. Artikel 4.1.17 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.

Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke 29

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

7. 8.

ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, van de Pw of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Pw. Het college maakt binnen 15 werkdagen na afronding van het onderzoek, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek dat wordt neergelegd in een onderzoeksverslag. Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college een besluit en zendt dit aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.

Artikel 4.1.18 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft

Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 4.1.19 Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. Artikel 4.1.20 Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk wordt binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking ingediend, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen Artikel 4.1.21 Jobcoaching 1.

Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt voldoet aan de kwaliteitseisen en voorwaarden zoals vermeld in bijlage 1. 2. De in te zetten jobcoaching wordt door het college bepaald op basis van de specifieke werk- en persoonlijke omstandigheden, resulterend in vaststelling door het college van het noodzakelijke zwaarteregime en de te verwachten duur van de inzet van de coaching zoals opgenomen in bijlage 1. Artikel 4.1.22 Jobcoaching in natura 30

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

1. 2.

Het college kan ambtshalve of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.1.23 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4.1.16 tot en met 4.1.21, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. Artikel 4.1.24 Interne werkbegeleiding 1.

Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

Specifieke voorwaarden overige voorzieningen Artikel 4.1.25 Specifieke voorwaarden vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 4.1.26 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie. 31

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

Artikel 4.1.27 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Aan een werknemer met een arbeidsbeperking die een meeneembare voorziening nodig heeft, kan een meeneembare voorziening dan wel een vergoeding voor de aanschaf daarvan worden toegekend als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: a. de meeneembare voorziening is naar verwachting gedurende minimaal 6 maanden noodzakelijk om de medewerker zijn werk te kunnen laten uitvoeren; b. er is sprake van een dienstverband voor de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week; c. er kan voor de meeneembare voorziening geen beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening; d. de meeneembare voorziening behoort niet tot de standaarduitrusting van de medewerker en is evenmin algemeen gebruikelijk binnen de betreffende branche; en e. de kosten van de mee te nemen voorziening zijn proportioneel. 2. In afwijking van lid 1 onder b. kan een meeneembare voorziening ook worden toegekend bij een proefplaats met behoud van uitkering. 3. Een meeneembare voorziening die in natura wordt toegekend wordt in beginsel in bruikleen beschikbaar gesteld aan de medewerker tenzij sprake is van een individuele maatwerkvoorziening of dat bruikleen gezien de aard van de voorziening niet mogelijk of wenselijk is.

Artikel 4.1.28 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. Artikel 4.1.29 Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen over: 1. Onder welke voorwaarden, welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a Pw, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor de voorzieningen in deze paragraaf. 2. Welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding. 3. Beschut werk: a. op welke wijze wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw; b. welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om de onder 10b eerste lid van de Pw bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken; c. de wijze waarop de omvang van het aanbod van de voorziening, bedoeld in artikel 10b eerste lid van de Pw, wordt vastgesteld. 4. De vergoedingssystematiek, waarin mede begrepen het hanteren van drempelbedragen, voor de in artikel 4.1.25 bedoelde vervoersvoorziening.

32

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.2 [vervallen]

33

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.3 Individuele inkomenstoeslag Artikel 4.3.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Pw, en de algemene bijstand met dien verstande dat voor de zinsnede 'een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan' moet worden gelezen 'de referteperiode'. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de Pw, voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien; b. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Artikel 4.3.2 lndienen van een verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw, wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier. Artikel 4.3.3 Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Pw als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen in elke maand niet hoger is dan de 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel 4.3.4 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 467,00 voor een alleenstaande; b. € 596,00 voor een alleenstaande ouder; c. € 664,00 voor gehuwden. 2.

Als een van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.

34

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.4 Tegenprestatie Participatiewet Artikel 4.4.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving; b. tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt; Artikel 4.4.2 Inhoud van een tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing van de arbeidsmarkt. 2. Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende voorwaarden gelden voor zover daarover in deze verordening geen bepalingen zijn opgenomen. Artikel 4.4.3 Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan personen die een uitkering ontvangen opdragen een tegenprestatie te verrichten. 2.

Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een persoon; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een persoon moeten in aanmerking worden genomen; en c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een persoon moeten in overweging worden genomen. Artikel 4.4.4 Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie kan maximaal voor de duur van één jaar worden opgedragen. 2. De termijn van één jaar zoals bedoeld in het eerste lid, kan twee keer worden verlengd met één jaar zodat de maximale duur waarover een tegenprestatie kan worden opgelegd, drie jaar bedraagt. Dit hoeven geen aaneengesloten jaren te zijn. 3. De tegenprestatie wordt opgedragen met een bandbreedte van vier tot acht uur per week. Artikel 4.4.5 Vrijstelling 1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien: a. de persoon ten tijde van de aanvraag voor een uitkering voor ten minste 8acht uur per week vrijwilligerswerk verricht, dat te beschouwen is als een maatschappelijk nuttige activiteit; b. de persoon deelneemt aan activiteiten in het kader van een re- integratie- traject; c. de persoon zorgtaken verricht als mantelzorger voor ten minste acht uur per week; d. de persoon een parttimebaan heeft voor ten minste acht uur per week; e.

de persoon als een alleenstaande ouder, vrijstelling heeft van de arbeidsplicht in verband met de zorg voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar.

35

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.5 Minimaregelingen Artikel 4.5.1 Definities In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvrager: de inwoner van de gemeente Veenendaal die ten behoeve van zichzelf, zijn partner of zijn kind(eren) een vergoeding op grond van deze verordening aanvraagt; b. aanvraagperiode: de periode waarin een aanvraag kan worden ingediend. c. de doelgroep: inwoners van de gemeente Veenendaal met een laag inkomen en de tot hun last komende kinderen; d. huishouden: een alleenstaande, een alleenstaande ouder of een gezin, als bedoeld in het eerste lid, sub c, van artikel 4 van de Pw; e. inkomen: het inkomen zoals dat geldt voor de algemene bijstand artikel 32 van de Pw exclusief vakantietoeslag; f. kind: een persoon jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of gehuwde ouders, die ingeschreven staat in de gemeente Veenendaal in de Basisregistratie personen, kinderbijslag op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet wordt betaald of zal worden betaald vanaf het eerstvolgende kwartaal of het pleegkind jonger dan 18 jaar waarvoor een pleegvergoeding wordt ontvangen op grond van artikel 5.3, lid 1, van de Jw; g. norm: de op de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in artikel 5, onder c, van de Pw; h. pasjaar: periode waarop de toekenning betrekking heeft en die van 1 juli tot en met 30 juni loopt; i.

peildatum: 30 juni van de lopende aanvraagperiode; j. uitvoerder: de uitvoerende instantie die namens het college de minimaregelingen uit de Integrale Verordening uitvoert. k. vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Pw waarbij in afwijking van het bepaalde in dit artikel het vermogen in de eigen woning buiten beschouwing wordt gelaten. Artikel 4.5.2 Doelstelling Deze minimaregelingen hebben tot doel: a. het vergroten van de kansen van de doelgroep om de spiraal van armoede te doorbreken; b. het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie bij de doelgroep; c. het voorkomen van sociale uitsluiting van de doelgroep; d. het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders tot de doelgroep behoren; e. het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekostendekking van de doelgroep. Artikel 4.5.3 Doelgroep 1. Tot de doelgroep voor de minimaregelingen behoren huishoudens bestaande uit personen van 18 jaar of ouder die: a. op de datum van aanvraag hun woonplaats hebben in de gemeente Veenendaal; b. over een inkomen beschikken lager of gelijk aan 120% van de norm; en c. een vermogen, als bedoeld in artikel 4.5.1, onder k, hebben tot de geldende grenzen genoemd in het derde lid van artikel 34 van de Pw; 2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, behoren personen van 18 jaar of ouder die in de schuldhulpverlening zitten ook tot de doelgroep, waarbij zij voor dezelfde vergoedingen in aanmerking komen als aanvrager met een inkomen tot 100% van de norm. 3. Aanvrager heeft geen recht op deze minimaregelingen, indien: a. die op het moment van aanvraag in detentie of een asielzoekerscentrum verblijft; b. die recht heeft op studiefinanciering met uitzondering van (alleenstaande) ouder(s) met studiefinanciering; of 36

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

c.

aan wie op grond van artikel 11 van de Pw geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.

Artikel 4.5.4 Reikwijdte en voorwaarden 1. Er bestaat recht op een vergoeding als de aanvrager tot de doelgroep behoort en voldoet aan de voorwaarden die voor deze minimaregelingen geldt. 2. Het recht op vergoedingen wordt vastgesteld voor de gehele aanvraagperiode. Dit recht kan enkel ten gunste van de aanvrager wijzigen indien zich wijzigingen voordoen in de huishoudsamenstelling of inkomen van de aanvrager. 3. In afwijking van het tweede lid geldt dit onder toepassing van het vierde en vijfde lid van artikel 4.5.13 niet voor de deelname aan de collectieve zorgverzekering. 4. Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen van drie aaneengesloten maanden direct voorafgaand aan de aanvraag. 5. In afwijking van het vierde lid wordt het inkomen van een uitkeringsgerechtigde vastgesteld aan de hand van de meest recente uitkeringsspecificatie. 6. Vergoedingen worden verstrekt in natura behoudens bij de collectieve ziektekostenverzekering waarbij de vergoeding ziet op een korting op de ziektekostenverzekering. 7. Bij een vergoeding mag altijd worden bijbetaald. Het betreft dan een tegemoetkoming in de kosten. Artikel 4.5.5 Aanvragen 1. Aanvragen voor vergoedingen op grond van deze minimaregelingen kunnen door middel van een papieren aanvraagformulier bij de uitvoerder of digitaal via het formulier op de website van de Veenendaalpas worden ingediend. 2.

Aanvragen voor een vergoeding kunnen worden ingediend van 1 juli tot en met 30 juni. 3. In afwijking van het tweede lid worden aanvragen voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering, zoals vermeld in artikel 4.5.13, voor een komend kalenderjaar voor 1 januari van dat komende kalenderjaar ingediend. In bijzondere gevallen kan het college besluiten af te wijken van deze datum. 4. Indien de aanvrager voldoet aan de gestelde voorwaarden, dan wordt vastgesteld op welke vergoedingen de aanvrager recht heeft gedurende de gehele aanvraagperiode. 5. 6.

In afwijking van het vierde lid wordt het recht op deelname aan de collectieve zorgverzekering vastgesteld voor het komende kalenderjaar. De aanvrager dient zelf aan te tonen dat hij een inkomen en vermogen heeft binnen de geldende normen.

Artikel 4.5.6 Inhoud vergoedingen De vergoedingen, bedoeld in artikel 4.5.4, eerste lid, bestaan uit regelingen voor: a. Doe mee-budget Volwassenen; b. Doe mee-budget Kinderen; c. Doe mee-budget Jongeren; d. Vergoeding ID kaart; e. Computer of tablet basisschool; f. Computer middelbare school; g. Collectieve ziektekostenverzekering; h. Huiswerkbegeleiding; i. Meerkosten chronisch zieken en gehandicapten. Artikel 4.5.7 Doe mee-budget Volwassenen 1. Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie. 2. Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Volwassenen dient de aanvrager op de peildatum 18 jaar of ouder te zijn 3. Het tegoed kan worden besteed aan sport, hobby en vrije tijd, horeca, cultuur, kleding, witgoed en elektronica, fiets, bouwmarkt, gezonde voeding en aan het rijbewijs.. 37

Integrale verordening sociaal domein Veenendaal

4.

5. 6.

Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen: tot en met 100% van de norm: € 200,00; van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 150,00; van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 100,00. Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden. De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3.

Artikel 4.5.8 Doe mee-budget Kinderen 1. Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie. 2. Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Kinderen wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: - de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 0 jaar of ouder is maar jonger dan 12 jaar. 3. Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen: - tot en met 100% van de norm: € 300,-; - van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 225,-; - van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 150,-. 4. Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden. 5. De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3. Artikel 4.5.9 Doe mee-budget Jongeren 1. Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor kosten van maatschappelijke participatie. 2. Om in aanmerking te komen voor het Doe mee-budget Jongeren wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: - de aanvraag heeft betrekking op een kind dat op de peildatum 12 jaar of ouder is maar jonger dan 18 jaar. 3.

Het maximale tegoed dat aan de aanvrager per periode toegekend kan worden is bij een inkomen: - tot en met 100% van de norm: € 500,-; - van meer dan 100% maar minder of gelijk aan 110% van de norm: € 390,-; - van meer dan 110% maar minder of gelijk aan 120% van de norm, € 275,-. 4. Het is een persoonlijke vergoeding welke voor elk lid van het huishouden toegekend kan worden. 5. De vergoeding vervalt aan het einde van drie opeenvolgende aanvraagperioden. Ook als het inkomen stijgt boven de norm zoals bepaald in artikel 4.5.3. Artikel 4.5.10 Identiteitsbewijs 1. Het college kan een vergoeding aan de aanvrager verstrekken voor de kosten van een ID-kaart. 2. De vergoeding betreft de werkelijke kosten voor het verlengen of aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan een vergoeding aan de aanvrager worden verstrekt voor de kosten van een paspoort gelijk aan de kosten voor het verstrekken of verlengen van een ID-kaart. 4. Onder verwijzing naar de artikelen 4.5.7, 4.5.8 of 4.5.9 kunnen aanvullende kosten worden voldaan vanuit het Doe mee-budget. 5. Indien de aanvrager in het bezit is van een verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf dan kan hij een vergoeding krijgen voor de werkelijke kosten van de verlenging van het verblijfsdocument voor onbepaalde tijd of duurzaam verblijf. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15588247/1