4. Bijlagen Uitgangspuntennotitie 'Nieuw theater in de Duivenweide'
Tekst van het document
Helaas bestaat er geen algemeen rekenmodel waarmee bezoekgedrag aan een toekomstige bioscoop of filmtheater voorspeld kan worden. Elke stad en elk filmvertoner is anders. Bij categoriseren blijven
2 er daarom vaak maar een te beperkt aantal vergelijkbare situaties over zodat generaliseren riskant wordt. Er zijn echter veel data beschikbaar over de huidige stand van zaken en uiteraard over het bezoek in het verleden bij de bioscopen en de filmtheaters. Daarmee zijn wel trends te signaleren en die worden hier benoemd en doorgetrokken voor Veenendaal. Data zijn afkomstig uit openbare bronnen, met name van de branchevereniging Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF) en van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Heel veel details zijn afkomstig uit jaarverslagen, financiële rapporten en online vertoningsgegevens. Consequente structurele verzameling hiervan door Filmkenniscentrum heeft geleid tot een grote en betrouwbare database.
Context We leven al lang in een beeldcultuur. Film is niet meer weg te denken, de grenzen tussen hoge en lage cultuur zijn verdwenen en we communiceren de hele dag via beeld. Tegelijkertijd is en blijft in onze maatschappij het sociale aspect: een behoefte aan samen zijn, aan samen tegelijkertijd kijken en delen. Dit besef wordt door cinemadeskundigen wereldwijd gedeeld. Als dit vertrouwen er niet was dan zouden filmtheaters en bioscopen niet uitbreiden. Dit gold pre-Covid-19. To ch zijn desondanks ook de laatste jaren plannen en uitvoering van plannen voor nieuwbouw of uitbreiding voor filmvertoning niet teruggeschroefd. Dat in Nederland de grenzen nog niet bereikt zijn blijkt onder meer uit alle uitbreidingen en uitbreidingsplannen van grote internationale concerns. Zij investeren in Nederland omdat ze ervan overtuigd zijn dat hier de investering terug te verdienen is omdat er nog veel rek zit in het bioscoopbezoek. Niet alleen voor bezoekers en culturele ondernemers ook voor andere partijen is dit interessant. Los van de intrinsieke waarde wordt cultuur en de vaak bijbehorende horeca steeds belangrijker en bepalender voor binnensteden. Afgezien van economische overwegingen raakt dit ook aan thema’s als participatie of vestigingsklimaat, van belang voor gemeenten. Sinds 2010 is het filmlandschap veranderd, in positieve zin.
Zo is de filmvertoning gedigitaliseerd met als resultaat betere beeldkwaliteit voor alle vertoners, meer mogelijkheden om actueler en vaker te vertonen, en een verder geautomatiseerde bedrijfsvoering. Veel Nederlandse bioscopen zijn in deze periode in handen gekomen van grote internationale investeerders met als gevolg dat de concurrentie zich even vooral tussen hen onderling afspeelde. De technische toepassingen zijn sneller gegaan en breder aanvaard dan we konden bedenken. De eerste Ipad is uit 2010, Netflix ging in 2013 in Nederland online. Het belangrijkste is wellicht dat de groei in de filmvertoning door heeft gezet waarbij het marktaandeel van de filmtheaters is gegroeid. De filmvertoning heeft de vorige crisis en het thuiskijken uitstekend doorstaan, het was wellicht een rots in de branding. Dat Covid-19 de hele maatschappij, inclusief de filmvertoning, op zijn kop zou zetten was natuurlijk niet te voorzien. Het had, en heeft nog steeds, een enorme uitwerking op alles en iedereen. De enorme teruggang in bezoek komt vrijwel helemaal door de lockdowns en andere beperkende maatregelen, voor zover dat helemaal te linken is. Mensen zochten en zoeken ander vertier maar komen ook weer terug.
3
Begripsomschrijving Vroeger werden filmtheaters filmhuis genoemd. Dat is nog in vele namen terug te vinden. Zo ook in Filmhuis Veenendaal. Langzaam is de term in het gebruik vervangen voor filmtheater. Met beide wordt evenwel hetzelfde bedoeld. Het verschil tussen bioscoop en filmtheater is gebaseerd op het oorspronkelijke doel van hun filmvertoning: winst versus cultuur. Dat resulteert in een ander soort films dat vertoond wordt en daarmee uiteindelijk ook in publiek, ambiance, organisatie en financieringsstructuur. Dit is echter voor heel veel aspecten meer en meer een glijdende schaal geworden. De bijhorende films in deze tweedeling worden wel aangeduid met economisch waardevol dan wel cinematografisch waardevol. Van de eerste wordt met weinig risico een groot rendement verwacht voor de tweede is vooral de artistieke kwaliteit doorslaggevend. Een combinatie zorgt in het algemeen voor een gezond vertoningsklimaat. Een arthouse-film is een cross-overfilm. Daarmee zijn deze films voor zowel bioscopen als voor filmtheaters interessant. Voor de eerste `leuk voor erbij’, voor de laatste ook `noodzaak voor een goede financiering’. Een arthouse zit tussen bioscoop en filmtheater in. Het is vrij ondernemerschap dat zich richt op een breed vertoningssegment maar zich in het algemeen iets meer als filmtheater dan als bioscoop profileert.
4
2. Benchmark Overzicht Aanvang 2022 waren in Nederland 156 bioscopen, 45 grote filmtheaters en 75 kleine filmtheaters, waarvan 12 intern. Filmhuis Veenendaal valt bij deze indeling in de categorie klein filmtheater. Deze indeling wordt bepaald door de NVBF. Om lid van de NVBF te kunnen zijn - en dat is praktisch noodzakelijk om film te kunnen vertonen - moet de vertoner voldoen aan een aantal vooral technische eisen. Een groot filmtheater vertoont elke dag films en heeft meestal meerdere zalen. Deze filmtheaters variëren in grootte van één zaal tot acht zalen. Een klein filmtheater heeft geen dagelijkse programmering en vaak ook niet het beheer over een eigen zaal. Een intern filmtheater is een klein filmtheater dat gebruikt maakt van een bioscoopzaal van een ander NVBF-lid. Er zijn drie internationale concerns actief in Nederland. Zij hebben 68 bioscopen en verzorgen voor nog eens 13 onafhankelijke bioscopen ook de programmering. Ook 36 andere onafhankelijke bioscopen worden door zogenaamde `boekingskantoren’ op afstand geprogrammeerd. Bij slecht 6 filmtheaters is dat het geval. In dit laatste geval zijn de boekingskantoren meer gespecialiseerd in filmhuisfilms. Ongeveer 65 tot 70 procent van al het Nederlandse filmbezoek vindt plaats bij een concernbioscoop. Het aandeel van de filmtheaters stijgt al jaren langzaam maar gestaag. Inmiddels ligt dat aandeel rond de 10 procent.
Afbakening Voor een benchmark is een corpus van vergelijkbare entiteiten noodzakelijk. Continuïteit in het bestaan van die entiteiten is hierbij belangrijk. Door hierop te focussen worden uitschieters in de resultaten door toeval of incidenten geminimaliseerd. In een reeds bestaande situatie wordt succes of falen veelal behalve aan de absolute bezoekcijfers afgemeten aan drie indicatoren: zaalbezetting, gemiddeld bezoek per voorstelling of hoe vaak een stoel verkocht wordt. Het zijn alle drie andere indicatoren voor dit succes of het falen. Van daaruit is goed te extrapoleren naar de toekomst. Als Filmhuis Veenendaal uitbreidingsplannen zou hebben dan waren deze indicatoren een goed uitgangspunt geweest. In deze compleet nieuwe situatie met een nieuw nulpunt is dat niet mogelijk. Deze benchmark gaat uit van gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners. Met een inwoneraantal per 1 januari 2022 van ruim 67.500 valt Veenendaal hier bijna exact tussenin. De ondergrens voor een vergelijking leggen bij gemeenten met 60.000 inwoners maakt de ruimte met Veenendaal te krap. Bij een bovengrens groter dan 100.000 inwoners komen we te ver in grootstedelijk gebied. Met dit segment worden, op twee na, ook alle filmvertoners uit het M50 netwerk van middelgrote gemeenten betrokken in deze vergelijking1.
1
Die twee uitzonderingen zijn de gemeenten Hellendoorn en Gorinchem met afgerond respectievelijk 36.000 en 38.000 inwoners.
5 Nederland was een voorloper in de omslag naar digitale filmvertoning. Eind 2012 was dat proces in Nederland afgerond en vertoonden alle bioscopen en filmhuizen digitaal. Anno 2022 staan we aan het begin van een vervolg hierop. De digitalisering had gevolgen voor zowel het aantal films en het aantal kopieën waarin die films werden uitgebracht als ook voor de beeldkwaliteit. Zeker in de kleinere plaatsen was dit laatste een vooruitgang. 2013 is daarmee het begin van een nieuwe periode en daarom hier uitgangspunt. De eerste Covid-19 jaren van deze periode laten uiteraard een totaal afwijkend beeld zien ten opzichte van alles dat daarvoor gebeurde. De benchmark gaat daarom grotendeels uit van de periode 2013-2019. Gegevens uit de Covid-19 periode worden apart doorgetrokken tot voorjaar 2022 om ook nog iets van de huidige `post-lockdown’-periode mee te kunnen nemen in de aanbevelingen. De periode van vergelijking eindigt daarmee voorjaar 2022. In 2022 zijn er 102 Nederlandse gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners. Daarbij bevinden zich 22 nieuwe gemeenten die tussen 2013 en 2022 gefuseerd zijn. Om te kunnen vergelijken met eerdere jaren is steeds gekeken naar de optelsom van de daarvoor nog niet gefuseerde gemeenten, kernen of gebiedsdelen, zodat steeds hetzelfde (verzorgings-) gebied het uitgangspunt is.
Van deze 102 gemeenten groeiden er 100 voor wat betreft inwoneraantal terwijl 12 van hen een zogenaamde `krimpgemeente’ zijn. Van deze 102 gemeenten zijn er 72, inclusief Veenendaal, waar film vertoond wordt2. Dat is het corpus waarmee hier vergeleken wordt. Van deze 72 gemeenten hebben 12 gemeenten een fusie achter de rug in de periode 2013-2022 en zijn er 9 een krimpgemeente. Fusering gecombineerd met krimp komt bij de gemeenten met filmvertoning amper voor. Er is geen relatie te leggen tussen fusie en / of krimp en de aard of prestatie van de aanwezige filmvertoner.
Filmtheaters In deze 72 gemeenten, inclusief Veenendaal, woont ongeveer 25 procent van de Nederlandse bevolking. Het aandeel van deze gemeenten in de Nederlandse filmvertoning bedroeg in 2019, het beste filmjaar in decennia, bijna 24 procent. Gezien het feit dat in grote steden en bij meer aanbod meer naar de film wordt gegaan is dit zeer goed. In het allerslechtste film-coronajaar 2021 was het aandeel in de Nederlandse filmvertoning van deze 72 steden zelfs bijna 26 procent. Middelgrote gemeenten leden niet harder dan de rest.
2
Almelo, Altena, Amstelveen, Assen, Barendrecht, Bergen op zoom, Beverwijk, Capelle aan den IJssel, Den
Helder, Dijk en Waard, Doetinchem, Dronten, Eemsdelta, Etten-Leur, Goeree-Overflakkee, Gooise Meren, Gouda, Hardenberg, Harderwijk, Heerenveen, Heerlen, Hellevoetsluis, Helmond, Hengelo, Hilversum, Hoogeveen, Hoorn, Houten, Huizen, Kampen, Kerkrade, Land van Cuijk, Leidschendam-Voorborg, Lelystad, Maashorst, Meijerijstad, Middelburg, Nieuwegein, Nissewaard, Noordoostpolder, Noordwijk, Oosterhout, Oss, Peel en Maas, Purmerend, Rheden, Roermond, Roosendaal, Schagen, Schiedam, Sittard-Geleen, Smallingerland, Soest, Steenwijkerland, Súdwest-Fryslân, Terneuzen, Tiel, Veenendaal, Veldhoven, Velsen, Venray, Vlaardingen, Vlissingen, Waadhoeke, Waalwijk, Weert, West Betuwe, Wijchen, Woerden, Zeist, Zevenaar. Zutphen.
6 In 17 (inclusief Veenendaal) van de 72 gemeenten is alleen een filmtheater actief. Vier hiervan vallen in de categorie groot filmtheater die dagelijks film vertonen 3. Twee van deze vier zijn al langer bestaande en succesvolle filmtheaters met elk 2 zalen. De andere zijn schouwburgen die onlangs ook film zijn gaan vertonen. Dit laatste lijkt een trend te worden. Enerzijds gaat men film vertonen om meer continuïteit en zekerheid te krijgen over inkomsten anderzijds is het ook om meer en continu reuring te hebben op de locatie en om een bredere culturele taak te vervullen. Dit is niet altijd eenvoudig omdat organisatie, programmering, marketing en publieksbenadering bij film erg afwijkt van podiumkunsten. Deze 4 gemeenten zijn met gemiddeld 66.872 inwoners voor wat betreft inwoneraantal vergelijkbaar met Veenendaal. In 2019 trokken drie, een bestond nog niet, grote filmtheaters daar gemiddeld 38.700 bezoekers. Daarvoor gebruikten zij gemiddeld 1.258 voorstellingen, hetgeen uitkomt op bijna 31 bezoek per voorstelling. De 13 kleine filmtheaters in de 72 gemeenten waar alleen een filmtheater actief is vertoonden uiteraard minder maar trokken gemiddeld wel meer bezoekers per voorstelling namelijk ruim 40. Het gemiddelde bezoek bij hen in 2019 was 7.185. Gemiddeld gaven zij 177 voorstellingen.
Eén, een wat meer commercieel opererend filmtheater in dit segment, vertekent het beeld nog enigszins. Wanneer deze wordt weggefilterd dan is het gemiddelde bezoek van de overige 12 kleine filmtheaters zelfs bijna 57 bezoeker per voorstelling. Bij meer voorstellingen gaat het gemiddelde bezoek vrijwel altijd omlaag terwijl het absolute bezoek uiteraard stijgt. Filmhuis Veenendaal presteert dus uitstekend. Met ruim 7.000 bezoeken en ruim 100 voorstellingen in 2019 behoort Filmhuis Veenendaal bij de top van haar segment. Er zijn slechts enkele kleine filmtheaters van deze 13 met gemiddeld meer bezoek. Die vertonen dan heel weinig en in heel grote zalen. Bij vertoning van meer populaire films zijn die grote zalen direct erg vol en zo stuwen ze het gemiddelde omhoog. Dat werkt goed bij kleine aantallen. Voor grotere volumes is de trend al jaren meer en kleinere zalen om met een gevarieerder aanbod continu en herhaalbezoek te genereren. En dat werkt. De bezettingsgraad (het percentage bezette stoelen) was bij Filmhuis Veenendaal in 2019 meer dan 47½ procent en zelfs in 2020 en 2021 nog 35 respectievelijk 36 procent. Dat is zeer hoog. Bezettingsgraden boven de 25 procent zijn te kwalificeren als goed tot zeer goed. Dit soort aantallen zijn een van de graadmeters voor goede exploitatiemogelijkheden.
In een normale situatie zou Filmhuis Veenendaal het advies krijgen uit te breiden omdat met deze percentages een plafond bereikt is en uitbreiding vrijwel zeker meer bezoek tot gevolg zal hebben. Een flinke plek in de nieuwe situatie voor Filmhuis Veenendaal is daarom ook aan te bevelen. Dat is niet alleen vanwege de bezoekpotentie maar ook omdat een divers programma, of diverse vertoners, meerwaarde oplevert. Het adagio één en één is drie geldt zeker bij filmvertoning. Een bioscoop en een filmtheater zijn minder elkaars concurrent dan dat zij het filmbezoek stimuleren.
3
Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Eemsdelta, Goeree-Overflakkee, Land van Cuijk (tot medio 2019), Noordwijk, Oosterhout, Rheden, Soest, Veenendaal, Waadhoeke, Waalwijk, West Betuwe en de gemeenten met een groot filmtheater: Amstelveen, Gooise Meren, Middelburg en Velsen.
7
Aard en spreiding Per 1 januari 2022 waren in Nederland 345 gemeenten. In iets minder dan 45 procent van de Nederlandse gemeenten is een bioscoop en / of filmtheater aanwezig. De reeds genoemde 72 gemeenten samen vormen daarvan bijna de helft. Opgeteld vertegenwoordigen zij 48 procent van de gemeenten In Nederland waar men naar de film kan gaan. Soms kan dat alleen in een bioscoop, soms alleen in een filmtheater, en soms zijn beide aanwezig. In een enkele, meestal gefuseerde, gemeente zijn meerdere filmhuizen aanwezig en soms zijn er meerdere bioscopen aanwezig. Bijna 40 procent van de Nederlandse filmvertoners bevindt zich binnen deze 72 gemeentegrenzen. Als alleen gelet wordt op spreiding over diverse gemeenten dan blijven de 72 gemeenten achter bij de rest van Nederland voor wat betreft de aanwezigheid van concernbioscopen en grote filmtheaters. Indien echter gelet wordt op het aantal inwoners van deze 72 gemeenten dan loopt men in de pas inzake aanwezigheid van concernbioscopen en loopt men enorm voor in aanwezigheid van onafhankelijke bioscopen en van grote en, met name, kleine filmtheaters. De 72 gemeenten zijn onevenredig sterk gericht op onafhankelijk bioscopen en (kleine) filmtheaters. Dat past bij hun schaalgrootte. Grafiek 1. Aard en aantal vertoners in absolute aantallen
Aard en aantal vertoners 100 90 80 70 60 50 40 30
20 10 0 concernbioscopen
onafhankelijke bioscopen
grote filmtheaters
72 gemeenten
kleine filmtheaters
internen
Nederland totaal
Dit ondersteunt de gedachte ook in Veenendaal op een onafhankelijke bioscoop en een klein filmtheater te focussen. Overwogen kan worden de hele filmvertoning in één hand te houden. Ervaring leert dat indien er een extern dan wel intern bovenliggende partij is het na verloop van tijd
8 botst. Dat heeft dan zijn weerslag op medewerkers, programma en publiek. Indien het centrum één leiding en één concept heeft is dat te ondervangen. Ervaring in filmvertoning is al aanwezig. In totaal zijn in de 72 gemeenten 107 filmvertoners actief. Daar zijn de 9 interne filmhuizen bij meegeteld. In aantallen filmvertoningslocaties zijn er dus 98. In 33 van de 72 gemeenten is zowel een filmtheater als een bioscoop. Ook daar zijn de 9 interne filmtheaters bij meegerekend. In 22 gemeenten is alleen een bioscoop. In 17 gemeenten tenslotte is alleen een filmtheater aanwezig. Daarvan zijn er 13 klein en 4 groot. Deze optelsom komt niet uit op 107, het aantal vertoners, omdat In een enkel geval er in een gemeente 2 bioscopen of 2 filmtheaters zijn. Deze groep van 107 filmvertoners is sinds 2013, en soms al ver daarvoor, een redelijk homogene groep vertoners met weinig fluctuatie. Netto kwamen er 2 filmvertoners bij in deze periode 4. Ongeveer de helft van het nieuwe aantal doeken en stoelen is toe te schrijven aan nieuwe concernbioscopen. De rest komt voor het overgrote deel door verbouwingen. Grafiek 2. Spreiding vertoners over 72 gemeenten in absolute aantallen
Spreiding vertoners in 72 gemeenten 35 30
25 20 15 10 5 0 Alleen bioscoop
Zowel bioscoop als filmtheater
Alleen filmtheater
Lokale bereikbaarheid en sfeer is van belang voor de filmvertoners en hun publiek. Het centrum is nog altijd de meeste geliefde vestigingsplek. Van de bioscopen en filmtheaters in de 72 gemeenten is 91,5 procent gevestigd in het centrum. Daarvan is iets meer dan 21 procent aan de rand van het
4
Terwijl drie concernbioscopen en twee onafhankelijke bioscopen in deze periode openden, sloot er ook een concernbioscoop en een onafhankelijke bioscoop. Twee kleine filmtheaters werden een groot filmtheater en er kwam een nieuw groot filmtheater bij. Ook sloten vier kleine filmtheaters en kwamen er weer drie bij. Netto ging er 1 filmvertoner extra af in deze periode omdat samen met een bioscoop ook een intern filmtheater verdween. Voor het aantal vertoningslocaties en zalen maakt dat laatste verder niet uit.
9 centrum gevestigd. Van de overige is de vertoningsplek de rand van de gemeente. Vaak is dat in de buurt van een provinciale weg. Slechts 1 procent heeft haar locatie verder weg bij een snelweg.
Zaalgrootte In het algemeen hebben de concerns grote bioscopen met zes, zeven of acht zalen. Dat geldt voor ruim de helft van de concernbioscopen. Hun gemiddelde is 7,2 zaal per bioscoop. De onafhankelijke bioscopen hebben in 56 procent van hun bioscopen drie, vier of vijf zalen. Hun gemiddelde is 3,5 zaal per bioscoop. Terwijl het gemiddelde aantal zalen bij de filmtheaters 1,8 is heeft 64 procent één zaal. Van de 72 gemeenten hebben er 38 een filmvertoner binnen hun grenzen met 3 tot en met 7 zalen. De overige hebben (veel) meer of juist minder zalen. Gemiddeld zijn er 4,9 filmzalen in deze 38 gemeenten. Deze gemeenten hebben gemiddeld bijna 61.000 inwoners. In 2019 kwamen in deze gemeenten gemiddeld 119.000 filmbezoekers. In 26 van deze gemeenten valt de bioscoop in de categorie onafhankelijke bioscoop met drie, vier of vijf zalen. Vier zalen zijn hier met ruim 29.000 bezoekers per zaal in 2019 het meest efficiënt. Dat betekent dat het gemiddelde bezoek per zaal er het hoogst is. Tegelijkertijd wonen in de categorie van vier zalen gemiddeld minder mensen dan in de andere categorieën, namelijk 55.000. Dat verschilt echter weinig per categorie. Het scheelt steeds een stapje van ongeveer 4.000 inwoners. Grafiek 3. Inwoners en bezoek naar zaal in onafhankelijke bioscoop binnen de 72 gemeenten
Bezoek naar zaal 16 14 12 10 8 6 4 2 0 3 zalen
4 zalen
Aantal bioscopen
Inwoners x 10.000 per 2022
Bezoek per bioscoop x 10.000 in 2019
Bezoek per zaal x 5.000
5 zalen
10
Groei Het gemiddelde aantal stoelen per zaal is in 2022 in de 72 gemeenten vrijwel identiek aan het landelijk gemiddelde. Beide gemiddelden komen uit op ongeveer 150 stoelen per zaal. De landelijke trend van meer en kleinere zalen met grotere en luxere stoelen lijkt in de 72 gemeenten echter niet gevolgd te worden. Vanuit Nederlandse optiek hebben de zalen gemiddeld wat minder stoelen gekregen. In de 72 gemeenten zijn er gemiddeld wat bijgekomen. De Nederlandse daling gaat in deze periode wel sneller dan de stijging in de 72 gemeenten. Of het een kwestie is van gebrek aan financiering of aan innovatie is hier niet vast te stellen, wellicht is of wordt het niet noodzakelijk geacht, ook vanwege minder concurrentie. Tussen aanvang 2020 en aanvang 2022 zijn er in de 72 gemeenten nog 16 zalen en 2921 stoelen bijgekomen. Landelijk was de toename in zalen 42 en in stoelen 3.159. Landelijk gezien betekent dat meer zalen met minder stoelen. Bijna de hele groei in stoelen in de eerste Covid-19 jaren vond plaats in de 72 gemeenten. Ruim 55 procent daarvan komt door de opening van een nieuw mulitplex met 11 zalen. Grafiek 4. Groei in en van locaties in Nederland en in 72 gemeenten tussen 2013 en 2022 in percentages
Groei locaties 30 25 20 15 10 5 0
Nederland bioscopen / filmtheaters
72 gemeenten doeken
stoelen
Met meer doeken, onder meer door meer kleinere zalen in plaats van enkele grote zalen, zijn meer voorstellingen mogelijk en dat genereert weer meer bezoek. Aanbod schept vraag. Dit speelt al jaren. De groei in voorstellingen en de groei in bezoek is echter niet evenredig, niet één op één waarbij een stijging in aanbod eenzelfde stijging in bezoek laat zien. Tussen 2013 en 2019 genereert landelijk 100
11 procent groei in voorstellingen 47 procent groei in bezoek. Een verdubbeling van het aantal voorstellingen is nodig om het bezoek met de helft te doen groeien. Des te opvallender is de groei in de middelgrote gemeenten. Daar genereert 100 procent groei in voorstellingen 71 procent groei in bezoek. Dat is anderhalf keer de landelijke groei bij een verhoging van de voorstellingen. De grootste behoefte van het publiek lijkt de laatste jaren in middelgrote gemeenten aanwezig te zijn. Omdat de groei in voorstellingen daar niet zo hard is gegaan dan landelijk het geval is kan dit percentage bij verdere groei weliswaar wat afzwakken. Dan nog zou het heel hoog zijn. Grafiek 5. Groei aanbod en bezoek in Nederland en in 72 gemeenten tussen 2013 en 2019 in percentages5
Groei aanbod en bezoek 60 50
40 30 20 10 0 groei doeken
groei voorstellingen
72
groei bezoek
NL
Als door de tijd heen op het bezoek en op de groei wordt gelet, zoals getoond in grafieken 6 en 7, dan valt op dat de groei in de 72 gemeenten wat hoger is dan de landelijke groei. Duidelijk is ook dat de 72 gemeenten de landelijke trend volgen. Wederom is hierbij 2013 het uitgangspunt.
5
De groei in doeken wijkt in grafiek 5 af van die in grafiek 4 omdat grafiek 4 de periode tot 2022 toont en grafiek 5 de periode tot einde 2019.