3. Vaststelling bestemmingsplan Parapluplan 2022 - Toelichting Parapluplan 2022
Tekst van het document
1
Het betreft hoofdstuk II paragrafen 2 en 3, hoofdstuk IV, hoofdstuk V paragrafen 1 en 9 en hoofdstuk VI van de Monumentenwet 1988. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[8]
Archeologienota gemeente Veenendaal
Vrijstellingsgrenzen Binnen de verwachtingsgebieden (AWV’s) kunnen alsnog grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken. Om op een goede manier met deze onzekerheid om te gaan gelden zijn twee afwegingen van belang. De eerste afweging betref t de kans dat er bij een bodemingreep van een bepaalde omvang daadwerkelijk sprake zal zijn van verstoring van waardevolle archeologische resten. Hierbij geldt het eenvoudige principe hoe kleiner de ingreep, hoe geringer de kans op verstoring. De tweede af weging betreft de mogelijkheden die de huidige archeologische onderzoeksmethoden bieden om de aanwezigheid van deze waardevolle resten, en daarmee de verstoring daarvan, werkelijk aan te tonen. In gebieden met een globale archeologische verwachting, waarvoor slechts op hoofdlijnen aangegeven kan worden welke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het doorgaans niet mogelijk om een onderzoeksmethode te kiezen die naadloos aansluit bij het karakter van de aanwezige archeologische resten. Wanneer de archeologische verwachting niet voldoende gespecificeerd kan worden om onderzoeksmethode en intensiteit op maat te kunnen bepalen, zal gekozen moeten worden voor een methode met een acceptabele opsporingskans voor een breed scala aan vindplaatstypen.
Om arc heologische resten te kunnen opsporen wordt daarom gebruik gemaakt van relatief goedkope standaardonderzoeksmethoden (bureau- en/of booronderzoek, proefsleuven) die gericht zijn op het steekproefsgewijs verzamelen van (globale) informatie met betrekking tot de aan- of afwezigheid van archeologische resten en hun landschappelijke context. Bij dergelijke onderzoeken is het een voorwaarde dat het aantal waarnemingen voldoende groot is en een dusdanige spreiding kent dat het mogelijk is om (via ruimtelijke analyse) tot een interpretatie van de onderzoeksresultaten en tot een waarde nstelling van de aangetroffen archeologische resten te komen. Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Een gemeente heeft de mogelijkheid beredeneerd af te wijken van de wettelijke vrijstellingsgrens. Het woord ‘beredeneerd’ is daarbij cruciaal. Er moeten namelijk inhoudelijke redenen zijn om af te wijken, zowel naar bove n als naar beneden. De Raad van State heeft in 2011 bepaald dat een gemeente niet zonder nader onderzoek naar de verstoringsgraad zonder meer bouwblokken mag vrijstellen van een onderzoeksplicht uit het oogpunt van belemmering van de agrarische bedrijfsvoe ring.
Het schrappen van een archeologische onderzoeksplicht aldaar mag pas plaatsvinden als verstoring voldoende is aangetoond (Raad van State, uitspraak 200907043/1/R3). In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin geste ld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen. Daarbij is van 2
belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Zo is voor de locaties van de specifieke historische erven door middel van historische bronnen aangetoond dat er resten van vroegere bewoning, van vóór 1832, aangetroffen kunnen worden. Daarmee is de verwachting aantoonbaar en voldoet de vermelding dus aan de nieuwe eisen onder de Omgevingswet. Dat maakt bij een gewenst afwijken van de beleidskaart zoals deze nu voorligt, een onderbouwing voor afwijking van die aantoonbare verwachting, en dat kan bijvoorbeeld een vastgestelde verstoring zijn, extra relevant.
2
Hieronder worden ook de archeologische verwachtingswaarden bedoeld.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[9]
Archeologienota gemeente Veenendaal
De gekozen ondergrenzen dienen aan te sluiten bij de aanwezige (dan wel te verwachten) archeologische waarden. Bij het vrijstellingenbeleid van archeologische waarden wordt tevens gekeken naar verlies van informatie bij verstoring van de ondergrond. 2
2
Bij een historische woonlocatie met een vlak van 1.000 m zal een vrijstellingsgrens van 500 m leiden tot een aanzienlijk verlies van informatie. Daarnaast is ook van belang te kijken naar de informatiewinst bij onderzoek in een put met een specifieke oppervlakte. Bij sommige vindplaatsen kan een (te) kleine put zo’n fragmentarisch beeld van de vindplaats geven, dat de meerwaarde ervan gering is. Op basis van de in 2010 opgestelde beleidskaart en de geactualiseerde verwachtingskaart is in samenspraak tussen RAAP, gemeente Veenendaal en de archeologisch adviseur van de gemeente besloten de onderstaande oppervlakte- en dieptematen en beleidsuitgangspunten per categorie (AWV categorie 1 t/m 6) te hanteren. Het meest ideaal zou zijn om op basis van uitgevoerd onderzoek vast te kunnen stellen welke oppervlaktevrijstelling nog te rechtvaardigen is. Gezien het relatief geringe aantal uitgevoerde onderzoeken in de gemeente (N=61) is het niet mogelijk statistisch tot een conclusie te komen. Derhalve is het verstandig om wat betreft de vrijstellingsgrenzen van de verwachtingszones zo veel mogelijk de beleidsgrenzen van de tot nu toe geldende beleidskaart en waar mogelijk aan te sluiten bij de vrijstellingsgrenzen die gelden in de omliggende gemeenten.
gemeente
Ede
jaar beleidskaart
2012 2
0
m AMK-terreinen
Wageningen
Rhenen
2008
cm -Mv
m
2
0
0
Utrechtse Heuvelrug
2010
2013
cm -Mv
m
2
cm -Mv
0
0
30
hoge verwachting cultuurhistorische ‘vindplaatsen’
m
2
50 100
250
30
100
2010 2
cm -Mv
100
30
100
30
cm -Mv
m
30
30
bufferzone 3
Renswoude
100
30
30
150
30
100
30
hoge verwachting
250
20/30/40
middelhoge verwachting
5.000
20/30/40
1.000
30
1.000
30
1.000
30
1.000
30
lage verwachting
10.000 20/30/40 10.000
30
10.000
30
100.000
-
10.000
30
500
30
500
30
onbekende verwachting
Tabel 1. Geldende vrijstellingsgrenzen in de buurgemeenten van Veenendaal
De beleidsuitgangspunten worden behandeld per categorie (zie kader voor een korte samenvatting van de beleidsuitgangspunten per categorie).
3
Ede 20/30/40: 20 = 20 cm –Mv in natuurgebied; 30 = 30 cm –Mv in bebouwde kom; 40 = 40 cm –Mv in agrarisch gebied
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[10]
Archeologienota gemeente Veenendaal
Uitgangspunten archeologiebeleid (incl. onderzoeksverplichting) per categorie
Archeologische verwachtingsgebieden AWV categorie 1:Gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting. Dit betreft de middeleeuwse kern van Veenendaal en historische (bewon ings)locaties. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv; AWV categorie 2: Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Naast gebieden waaraan op basis van de archeolandschappelijke kartering een hoge verwachting is toegekend. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm -Mv; AWV categorie 3: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm -Mv; AWV categorie 4: Gebieden met een lage archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is alleen nodig bij MER-plichtige projecten; AWV categorie 5: Water met een archeologische relevantie.
Streven naar behoud in huidige staat indien archeologische resten aanwezig zijn; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep in de waterbodem groter is dan 100 m². Let wel, de op de waterbodem aanwezige recente sliblaag is vrijgesteld van archeologisch onderzoek ; AWV categorie 6: Gebieden zonder archeologische verwachting. Er is geen archeologisch onderzoek nodig aangezien onderzoek reeds is uitgevoerd waarna het terrein is vrijgegeven, dan wel dat de ondergrond verstoord is tot onder het archeologisch relevante niveau. Attentiegebied: Gebieden met een specifieke verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Aan deze gebieden is geen vrijstellingsbeleid gekoppeld. De gebieden worden dan ook omlijnd weergegeven op de beleidskaart, zodat het beleid van de onderliggende (landschappelijke) verwachting geldt.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[11]
Archeologienota gemeente Veenendaal
3 Omschrijving van de beleidscategorieën AWV categorie 1: zeer hoge verwachting AWV categorie 1- De historische kern van Veenendaal, historische (bewonings)locaties en locaties van e
e
18 en 19 eeuws militair erfgoed (Fot aan de Buursteeg). Aanbevolen wordt om de desbetreffende gebieden in het bestemmingsplan op te nemen als AWV met zeer hoge waarden. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Het uitgangspunt van de gemeente Veenendaal voor deze gebieden is om bij ingrepen dieper dan 30 cm -mv (of dieper dan de bekende bodemverstoring) en een omvang groter dan 100 m² een archeologisch onderzoek te verplichten (waarbij het onderzoek wordt uitgevoerd conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie). Dit onderzoek dient allereerst te bestaan uit een gedetailleerd bureauonderzoek. Het bureauonderzoek spitst zich toe op archeologisch en (indien relevant) (bouw)historische informatie, een inventarisatie van de bodemverstoringen, aanvullende informatie van de afdeling bouwen en wonen van de gemee nte Veenendaal en een specificatie van de archeologische verwachting met betrekking tot het onderzoeksgebied. Hierbij is van belang dat inzicht ontstaat in de aard van de te verwachten archeologische resten en in de verwachte conservering van deze resten. Bij het laatste moet gedacht worden aan gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de bestaande (of voormalige) bebouwing (uit het bouwkundig archief).
Op basis van het resultaat van het bureauonderzoek neemt de gemeente Veenendaal een besluit over het al dan niet uitvoeren van een veldonderzoek en over de aard daarvan ( proefsleuvenonderzoek al dan niet als variant begeleiding). Veldonderzoek zal duidelijk moeten maken welke archeologische resten op de desbetreffende locatie aanwezig zijn en wat de datering, conservering en diepteligging daarvan is om zo de behoudenswaardigheid vast te stellen. Aan de hand van de resultaten zal het vervolgtraject moeten worden bepaald. Indien behoud in situ niet mogelijk is, dient rekening gehouden te worden met de noodzaak van gecombineerd bouwhistorisch en archeologisch veldonderzoek (opgraving , eventueel als variant begeleiding) alvorens nieuwbouw gerealiseerd kan worden.
AWV categorie 2: Hoge verwachting Gebieden met een hoge archeologische verwachting - Onder AWV 2 zijn alle landschappelijke eenheden met een hoge archeologische verwachting verzameld. In dergelijke gebieden met een hoge archeologische verwachting wordt een relatief hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Als bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2
1.000 m en dieper dan 50 cm –mv plaatsvinden, dient archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen dient (bij overschrijding van de vrijstellingsgrenzen) vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek gevolgd door een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te worden uitgevoerd. Dit onderzoek vindt plaats conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Bij vaststellen van intacte ondergrond en aanwezigheid van archeologisch relevante niveaus dient een karterende fase van het inventariserend veldonderzoek te worden uitgevoerd om
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[12]
Archeologienota gemeente Veenendaal
archeologische resten daadwerkelijk op te sporen. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, zal hiervan de omvang en gaafheid (behoudenswaardigheid) moeten worden vastgesteld aan de hand van een waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastge stelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag. De gemeente neemt op basis van het (selectie)advies een selectiebesluit.
AWV categorie 3: Middelhoge verwachting Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting - In gebieden met een middelhoge archeologische verwachting wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ook voor deze gebieden geldt dat er bij voorkeur geen werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Het beleid is immers gericht op behoud van archeo logische resten in de ondergrond. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen moet vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek, eventueel gevolgd door een inventariserend veldonderzoek (verkenning en indien relevant een kart ering) worden uitgevoerd, conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit betreft bodemingrepen dieper dan 50 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring en een omvang groter dan 5.000 m². Indien archeologische waarden worden aangetroffen, zal hiervan de omvang en gaafheid (behoudenswaardigheid) moeten worden vastgesteld aan de hand van een waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek.
De resultaten van een inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanlei ding geven tot een opgraving. Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeente als het bevoegde gezag. De gemeente neemt op basis van het (selectie)advies een selectiebesluit.
AWV categorie 4: Lage verwachting Gebieden met een lage archeologische verwachting - In gebieden met een lage archeologische verwachting wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebi eden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Wel kunnen hier toevalsvondsten aangetroffen
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[13]
Archeologienota gemeente Veenendaal
worden, waarvoor een meldingsplicht geldt. Vooral langs randen naar hogere delen in het landschap bestaat een verhoogde kans op archeologische resten. Voor de natte gebiedsdelen (het veengebied) geldt een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten, maar een hoge archeologische verwachting voor resten van beekaccessen, beekovergangen, tijdelijke jachtkampen, afvaldumps en/of verdedigingswerk en, jachtattributen, rituele deposities, verdedigingswerken, oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen en/of visattributen. Het gaat hier om een intact (oorspronkelijk) landschap waarin zeer bijzondere archeologische resten verwacht kunnen worden. Archeologisch onderzoek is alleen nodig bij MER-plichtige projecten. Bij vaststelling van archeologische waarden zal hiervan de omvang en gaafheid moeten worden bepaald aan de hand van een inventariserend veldonderzoek (waardering). De resultaten van het inventariserend veldonderzoek zouden kunnen leiden tot inpassing van vastgestelde archeologische waarden in een inrichtingsplan van een ruimtelijke ontwikkeling of tot het aanhouden of niet verlenen van een vergunning. Indien behoud niet mogelijk is, kunnen de resultaten van een inventariserend veldonderzoek aanleiding geven tot een opgraving.
Hierbij wordt informatie over archeologische resten opgetekend en gedocumenteerd, waarna de geplande maatregelen zonder verdere beperkingen kunnen worden uitgevoerd. De resultaten van een inventariserend veldonderzoek kunnen ook zodanig zijn dat verder onderzoek en/of behoud niet noodzakelijk wordt geacht. Een dergelijke keuze wordt in de vorm van een advies (selectieadvies) ter besluitvorming voorgelegd aan het bevoegde gezag. De gemeente neemt op basis van het (selectie)advies een selectiebesluit.
AWV categorie 5: Watergebieden met een archeologische relevantie Aan enkele watergebieden in de gemeente kan een archeologische verwachting worden toegekend. Het betreft specifiek oude delen van de Grift die tot op de dag van vandaag watervoerend zijn alsmede de gracht van het Fort aan de Buursteeg. In geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen moet vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van ee n bureauonderzoek, eventueel gevolgd door een inventariserend veldonderzoek (waterbodems) worden uitgevoerd, conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit betreft elke vorm van bodemingrepen in de waterbodem met omvang groter dan 100 m². Let wel, de op de waterbodem aanwezige recente sliblaag is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Dit betekent dat normale baggerwerkzaamheden, waarbij het slib wordt verwijderd, zonder archeologische beperkingen kunnen worden uitgevoerd.
AWV categorie 6: Gebieden zonder archeologische verwachting Bodemverstoringen Voor het te voeren beleid is informatie over de bodemverstoring van grote waarde. Afhankelijk van de diepte en verspreiding van de bodemverstoringen kan de aanwezigheid van archeologische resten wel of niet uitgesloten worden. W ordt op de verwachtingskaart zowel de (ondiep) vergraven gronden en geëgaliseerde gronden als diepe afgravingen weergegeven, op de beleidskaart worden alleen de gebieden weergegeven waarvan is vastgesteld (dan wel aannemelijk gemaakt kan worden) dat de bodemverstoring reikt tot onder het archeologisch relevante (sporen)niveau. Overige ( vermoedelijk ondiepe) bodemverstoringen worden niet weergegeven op de beleidskaart.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[14]
Archeologienota gemeente Veenendaal
Onderzoeksgebieden In gebieden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, en die bovendien op basis van de onderzoeksresultaten zonder beperkingen zijn vrijgegeven, behoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Van de onderzoeken waarbij wel een vervolgonderzoek is g eadviseerd, dan wel de enkele onderzoekslocaties waar tijdens onderhavige studie geen rapport van voorhanden was, is alleen de contour van het onderzoeksgebied weergegeven op de beleidskaart. Deze contour heeft een signalerende functie: als ontwikkelingen plaatsvinden in een dergelijk reeds onderzocht terrein, dan dient het aanbeveling om eerst de rapportage van het uitgevoerde onderzoek te bestuderen en in overleg te treden met de gemeente of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en zo ja in welke vorm een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden.
Attentiegebieden: Gebieden met een specifieke verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog Voor diverse gebieden in de gemeente geldt een specifieke verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Allereerst betreft dit een gebied waar een antitankgracht heeft gelegen. Omdat de ligging van deze antitankgracht niet tot op de meter bekend is en omdat ook aan weerszijden van de gracht verdedingselementen hebben gelegen, is een zone van 100 m breed geselecteerd (50 m aan weerszijden van het hart van de gracht). Daarnaast vallen binnen deze categorie ook kleinere elementen als (de directe omgeving van) bunkers, kazematten, versperringen, loopgraven, (wapenop)stellingen en rijkswerkkampen. Aan deze attentiegebieden geen beleid gekoppeld; deze gebieden zijn derhalve als omlijnd gebied op de beleidskaart weergegeven, waarbij het (vrijstellings)beleid van de onderliggende (landschappelijke) verwachting geldt. Indien de geplande ingrepen de geldende vrijs tellingsgrens overschrijden dient archeologisch (voor)onderzoek te worden uitgevoerd, waarbij de specifieke verwachting op WOII -resten wel degelijk tijdens dit archeologisch (voor)onderzoek wordt meegenomen. Mochten de ingrepen de geldende vrijstellingsgrens niet overschrijden, dan is archeologisch onderzoek niet nodig, ondanks de specifieke verwachting op het aantreffen van WOII -resten.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[15]
Archeologienota gemeente Veenendaal
Overzicht van figuren, tabellen en kaartbijlagen Figuren: Figuur 1. Verschil in de begrenzing van de historische kern van Veenendaal tussen de Archeologische monumentenkaart en op basis van de kadastrale minuut uit circa 1832..
5
Figuur 2. Overzicht van de beschikbare gedetailleerde bodemkarteringen binnen de gemeente Veenendaal.
Tabellen: Tabel 1. Geldende vrijstellingsgrenzen in de buurgemeen ten van Veenendaal.
Kaartbijlagen: Kaartbijlage 1. Archeologische beleidskaart.
RAAP-rapport 3572 / versie 15-10-2018
[16]
6
163500
164000
164500
165000
165500
166500
167000
167500
168000
168500 ~OME
1 7 1,77„ . 14 v 1111-11 d
166000
•
O
------
glei%
o
...-4... ....
s•
Ik§
MI"
o
<0
'
-,_
D
M
2 cl
ED
MEM
El
/
PI11
0„c52
0,
11 "kg
V
---
E
(2
...............
. ...........................•
4111111
•
0o
-,,,,,,PY•I
G-
701
P
.....
0 O
0
0,
80 O n 02 p 00~0
J ,i' • • 0
00
r/
•
I
'P, De
g ig
o
,u1
•
0
00
ct0
•
00
I
/7g0°0
n jr_k
o ng
L2
o
O
.0o /7
O
0 0 I/ 0 0
=4:3 0 V/r j
[7 1
MEE Doosijclic,,
"= c=,=00syjaiDti 00
C:0z,
ce,
•
0
L_ 0 D c=z,
1 •
0
\Uir 4 ‘-
00 000 0[2
=G OND?
G81
• •
M.•
1
•••
• 00
00 0
•
J'
0
(),
•
DQ
•
o.
0
•
;
4i
I
•
1 11
-
+
-
°
uyr
BA fa.
/?ij'12,
b7a
1
1
00
E
f
•
L 0
•
g
• •
#
rn •,Q8 •
oo
0
0 00
0
<1\
ij g
P
Are-
60o
052
0
i$/00 00
0
op
0
&g2
V
1/ t
/
MEI
/ 3
•
0
trJ1'2, rimHne
g8m6gD,
60
0
Do
O
•
0)
I
LJEJ
1 1
£z "
0 0
6
IP
00
0
Q
Ll
•
cg'000
4kg
Ov
• • '0
G<>
•
0
(7
•
Se.
,E7
4
0
,"
b.
40
62 42
*1
04 0
.11
l(
000
t1ic_ Enocu'
47,,tplu
0
0.••-, C2:3,
\ \CD El i c[j
1;
-is/0o
0
4:17
%0
<0°
.00
•
II °
81
•
Li n
0
311
<>,
fi
4•01,„
O
1
~I
•
r
S/‘
60,
(7/7
<0,
0/
'"'0127,
/-\
r,
j
g
00
0 0
0 0
k 00 0 O
0 70 7
O
0 11, 6,
0 0 0
0
0
00
o
0
o
0
0 0 co O c> 00 0 0
0 0
0 0
,
0 99 i>8Q o co
O
8,
0
0
' D
°%•<,0
0 o
& P
O
D o
<6,63,0,qo,(3
t.t
0 0 0
,r2 0 '')
0 0
0
4.
dd 11
\
,4 ,
o
0
4
,5,
•
0 0 o <;)
Opc,
• • • • •
0
0
•
4
RAAP-rapport 3334, kaartbijlage 3, schaal 1 10 000
.0
411:'
i cycsJi:)
a
'... alles gebeurde met de hand ...' Gemeente Veenendaal Archeologische beleidskaart
00 0
42,0
/• •
•,/
•
0 0
legenda Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV)
o d
0 0
IIII
AWV categorie 1 (zeer hoge archeologische verwachting)
Bij bodem ingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 100 m' vroegtijdig archeologisch onderzoek conform vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
AWV categorie 3 (middelhoge verwachting)
Bij bodem ingrepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan 5 000 m' vroegtijdig archeologisch onderzoek conform vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
AWV categorie 4 (lage verwachting)
alleen archeologisch onderzoek nodig bij MER-plichtige projecten
AWV categorie 5 (water-gerelateerde verwachting)
Bij bodem ingrepen dieper dan 0 cm in de waterbodem en groter dan 100 m' vroegtijdig archeologisch onderzoek conform vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Voor de op de waterbodem liggende sliblaag geldt geen onderzoeksplicht
0 0
Ck5
•
00
0
Bij bodem ingrepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan 1 000 m2 vroegtijdig archeologisch onderzoek conform vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
AWV categorie 2 (hoge verwachting)
0
0 c, P
• ob 0 V>
AVVV categorie 6 (geen verwachting, diepe bodemverstoringen, gesaneerd, archeologisch onderzoek reeds uitgevoerd en vrijgegeven)
1 \
Geen archeologisch onderzoek nodig
0
e; •
\
/
0
overig
•
attentiegebied archeologische resten uit W011 00
1
,o
i
i
NA
uitgevoerd archeologisch onderzoek gemeentegrens
1
.-. -1111M/~1111 163500
1111ir 164000
250
•
N/
500 m
0°
11~1■1111~111~ 164500
Ak lkIáA 165000
0
165500
166000
166500
167000
167500
<‘ 168000
•••
168500
bestemmingsplan Parapluplan 2022
Bijlage 2 Parkeerbeleid
bestemmingsplan
43
Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020
Datum: 27 november 2020. Status: definitief vastgesteld in de raadsvergadering van 26 november 2020 te Veenendaal.
1
Inhoudsopgave 1
Aanleiding ........................................................................................................................................ 4
2
Uitgangspunten van Het nieuwe beleid ........................................................................................... 5 Duidelijkheid, flexibiliteit en maatwerk ..................................................................................... 5 Uitgaan van de Veenendaalse situatie .................................................................................... 5 Ruimte creëren voor de realisatie van Veenendaalse ambities .............................................. 6 Reductie van parkeerbehoefte ................................................................................................ 6
3
Toetsingskader ................................................................................................................................ 7
4
Parkeernormen Veenendaal............................................................................................................ 8 Toelichting parkeernormen ...................................................................................................... 8 Wonen ..................................................................................................................................... 8 Parkeren op eigen terrein ........................................................................................................ 9 Werken .................................................................................................................................. 10 Sport, cultuur en ontspanning................................................................................................ 10 Horeca en (verblijfs-)recreatie ............................................................................................... 10 Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen ....................................................................... 10 Onderwijs ............................................................................................................................... 10 Dubbelgebruik........................................................................................................................
11 Afwijken van de parkeernormen ............................................................................................ 11 Beter benutten ....................................................................................................................... 11 Nieuwe functies ..................................................................................................................... 11
5
Fietsparkeernormen ...................................................................................................................... 12 Fietsparkeernormen .............................................................................................................. 12 Kwaliteitseisen fietsparkeervoorziening ................................................................................ 12
6
Mobiliteitsplan ................................................................................................................................ 13 Fietsvoorzieningen ................................................................................................................ 13 Deelauto / -fiets ..................................................................................................................... 13 Openbaar vervoer .................................................................................................................. 14 Doelgroep .............................................................................................................................. 14 Bedrijfsplan mobiliteit ............................................................................................................. 14 Parkeren op afstand .............................................................................................................. 14 Toetsing ................................................................................................................................. 14 Niet nakomen van de afspraken ............................................................................................ 15
7
Juridisch kader en Handhaving ..................................................................................................... 16 Algemeen............................................................................................................................... 16 Toezicht ................................................................................................................................. 16 Handhaving............................................................................................................................ 16
2
Juridisch kader....................................................................................................................... 16 Bijlage 1: Begrippen en Definities ......................................................................................................... 17 Bijlage 2: Toelichting op veranderingen van parkeernormen ................................................................ 19 Bijlage 3: Berekenen parkeereis ........................................................................................................... 21 Bijlage 4: Parkeerbalans........................................................................................................................ 21 Bijlage 5: Tabel aanwezigheidspercentages ......................................................................................... 22 Bijlage 6: Overzicht gewenste loopafstanden ....................................................................................... 22
3
1
AANLEIDING
Mobiliteit, auto- en fietsbezit en -gebruik zullen in de komende jaren blijven groeien (Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, 2016). Als gevolg hiervan zal de vraag naar parkeerplaatsen voor de auto en de fiets blijven toenemen. Parkeerplaatsen nemen waardevolle ruimte in en kunnen bij een onjuiste dimensionering (aantal en verschijningsvorm) de kwaliteit van de leefomgeving aantasten. Echter kan een tekort aan parkeercapaciteit een bron van overlast zijn voor de omgeving. Parkeernormen zijn daarbij een hulpmiddel. Met parkeernormen kan een goede inschatting gemaakt worden van de te verwachten parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast verandert de mobiliteit in Nederland. Nieuwe ontwikkelingen en trends zorgen ervoor dat het gebruik van auto’s en fietsen verandert. Denk bijvoorbeeld aan elektrificatie en het delen van voertuigen en fietsen, slimme mobiliteit en veranderingen in het autobezit onder jongeren en ouderen. Deze ontwikkelingen hebben een impact op de parkeerbehoefte. Dit is voor het CROW aanleiding geweest om zelf de parkeerkencijfers in 2018 aan te passen. Omdat we niet kunnen voorspellen hoe de toekomstige parkeerbehoefte zich precies ontwikkelt, is het belangrijk om flexibel om te gaan met parkeren bij nieuwe ontwikkelingen en maatwerk te leveren die past bij de vraag.
In Veenendaal zijn op dit moment verschillende notities parkeernormen van kracht: Parkeernormen Veenendaal 2008 en Parkeernormen Veenendaal Centrum 2012. Hierdoor is er geen eenduidig beleid voor parkeernormen in Veenendaal, wat tot verwarring kan leiden bij iedereen die de parkeernormen dient te raadplegen. Daarnaast is in geen van deze notities parkeernormen iets opgenomen voor fietsparkeervoorzieningen. Hierdoor is het voor initiatiefnemers die iets wil ontwikkelen vrijblijvend om parkeervoorzieningen voor de fiets te realiseren. Veenendaal heeft veel verschillende ambities vastgesteld waaraan men wil werken in de gemeente. Een aantal van deze ambities zijn: om energieneutraal te zijn in 2035, mobiliteit te verduurzamen, een groene en klimaat adaptieve stad te zijn en om te groeien en bloeien. Al deze ambities vragen ruimte van onze leefomgeving. Voor een gemeente als Veenendaal, waarvan ongeveer 90% is volgebouwd, is dit een enorme opgave. Om te voorzien in de veranderende mobiliteit en bij te dragen aan de ambities van Veenendaal, is er nu een nieuwe notitie parkeernormen opgesteld. Hiermee willen wij duidelijkheid scheppen door alle parkeernormen te bundelen in één document en beter aan te sluiten bij de ontwikkelingen en trends in onze samenleving.
4
2
UITGANGSPUNTEN VAN HET NIEUWE BELEID Duidelijkheid, flexibiliteit en maatwerk
Gemeente Veenendaal wil de vraag naar parkeergelegenheid faciliteren op een manier waarbij er een goede balans is tussen parkeren en de kwaliteit van de openbare ruimte. Verdichting van de stad en parkeernormen kunnen conflicteren, waardoor het risico bestaat dat goede initiatieven niet uitgevoerd kunnen worden. De parkeernormen in de notities parkeernormen 2008 en 2012 zijn toentertijd vastgezet op één norm voor een bepaalde functie voor het gehele grondgebied, terwijl feitelijk geen enkel project en gebied precies hetzelfde is. Hierdoor is het voor ontwikkelaars moeilijk om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Om dit te voorkomen willen we maatwerk leveren. Het nieuwe beleid is duidelijker en er is meer maatwerk mogelijk, zodat er meebewogen kan worden met de behoeften van de samenleving. Uitgaan van de Veenendaalse situatie In de meeste notities parkeernormen wordt gebruik gemaakt van de CROW parkeerkencijfers. Deze kencijfers zijn het gemiddelde van alle gemeenten in Nederland. Hoewel dit een goed hulpmiddel is bij het vaststellen van parkeernormen, is dit niet toegespitst op de Veenendaalse situatie.
Bij het vaststellen van deze notitie hebben we de normen verfijnd op basis van cijfers van het CBS over het bezit van particuliere personenauto’s per huishouden per buurt uit 2016 en 2018 (Figuur 1), de parkeerdruk metingen uitgevoerd in Veenendaal Oost (2019), Centrumgebied en Schil (2019 en 2018) en Franse Gat (2018), de verstedelijkingsgraad, en de mogelijkheid om te reizen met alternatieve vervoerswijzen (openbaar vervoer en fiets). Een uitgebreide toelichting op de veranderingen in de parkeernormen is terug te vinden in bijlage 2. Voor de overige normen wordt een inschatting gemaakt o.b.v. de CROWkencijfers (2018).
Figuur 1: Particuliere personenauto's per huishouden per buurt (Veenendaal), CBS 2016. De resultaten uit dit kaartje zijn vergeleken met de recentste cijfers (uit 2018) van het CBS. Beiden komen overeen met elkaar.
5
Ruimte creëren voor de realisatie van Veenendaalse ambities Veenendaal heeft veel ambities die fysieke ruimte vragen om gerealiseerd te kunnen worden. De beschikbare ruimte in Veenendaal wordt steeds beperkter, waardoor keuzes gemaakt moeten worden over het ruimtegebruik. Deze notitie parkeernormen sorteert voor op het optimaliseren van de openbare ruimte in Veenendaal, waarbij ruimte geboden wordt voor de realisatie van de ambities van Veenendaal, zoals beschreven in de omgevingsvisie. Dit betekent dat de ruimte die beschikbaar komt door reductie van parkeerbehoefte (zie par. 2.4) ingezet wordt voor het realiseren van andere ruimtelijke kwaliteiten binnen het plangebied, zoals beplanting, ecologie, spelen en klimaatadaptatie. Reductie van parkeerbehoefte Op dit moment worden nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen sterk getoetst op de parkeernormen. Dit is een standaardprocedure geworden, waarbij optimaliseren van de parkeerbalans door het realiseren van het vereiste aantal parkeerplaatsen het belangrijkste uitgangspunt lijkt. En dat terwijl er zoveel andere mogelijkheden en alternatieven zijn die kunnen voorzien in de mobiliteitsbehoefte van de toekomstige gebruikers in het plangebied. We willen de initiatiefnemers de mogelijkheid geven om gemotiveerd af te wijken van de parkeernormen door het maken van een mobiliteitsplan.
In hoofdstuk 6 staat een uitgebreide toelichting over het mobiliteitsplan.
6
3
TOETSINGSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft het toetsingskader van de parkeernormen in Veenendaal: 1. Elke initiatiefnemer van een bouwplan (woning, winkel, bedrijf, etc.) is verantwoordelijk voor het realiseren van z’n eigen parkeeroplossing voor zowel bewoners, werknemers als bezoekers; 2. Een nieuw bouwinitiatief (verbouw, nieuwbouw, functieverandering) mag geen parkeerproblemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat de parkeeroplossing binnen het plangebied of op eigen terrein moet worden gerealiseerd. In sommige situaties kan de oplossing in de openbare ruimte gevonden worden (herstructureringsgebieden) en in andere situaties dient er een gebouwde voorziening te worden gerealiseerd. Indien het gewenst is om parkeren in de openbare ruimte op te lossen (bijvoorbeeld een aantal parkeerplaatsen geclusterd op een pleintje) voert de gemeente hierop een verkeerskundige- en ruimtelijke toetsing uit; 3. Voor nieuwbouwplannen (dus ook sloop/nieuwbouw) wordt het benodigde aantal parkeerplaatsen berekend over het gehele nieuwbouwplan. De omvang van het bouwplan wordt uitgedrukt in de eenheden die horen bij de parkeernorm van de betreffende functie. Voor verbouwplannen geldt het principe ‘oud voor nieuw’. Alleen de uitbreiding is bepalend voor het opstellen van de parkeereis.
Als verbouwen gepaard gaat met functiewijziging van een bestaand pand, dan wordt het benodigde aantal extra parkeerplaatsen uitsluitend bepaald op basis van de toename van de parkeerbehoefte: parkeereis nieuwe functie en nieuwe omvang minus de parkeereis die van toepassing zou zijn geweest op de oude functie en oude omvang (volgens de normen in deze notitie). 4. Het toepassen van de parkeernormen heeft een positieve invloed op de beleidsuitgangspunten van de omgevingsvisie van de gemeente Veenendaal; 5. Om de kwaliteit van de openbare ruimte (bijvoorbeeld groenvoorzieningen, een kindvriendelijke straat, etc.) en de leefbaarheid van de stad te handhaven/te verbeteren is het belangrijk dat er niet meer dan het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte op straatniveau wordt gerealiseerd. Bij een nieuw initiatief betrekt de initiatiefnemer de omgeving in het proces. 6. Met een mobiliteitsplan kan de aanvrager een maximale reductie op de parkeereis realiseren van 25% van het benodigde aantal parkeerplaatsen. In het mobiliteitsplan legt de initiatiefnemer uit hoe deze in een deel van de parkeerbehoefte voorziet door middel van alternatieve mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan het investeren in deelauto’s of fietsparkeervoorzieningen, het beschrijven van de beoogde doelgroepen, gebruik maken van het bestaande openbaar vervoer netwerk, etc.
Het maken van dit plan betekent niet automatisch dat een reductie wordt toegekend, daarvoor moet namelijk voldaan worden aan de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 6: Mobiliteitsplan. Het mobiliteitsplan moet uitvoerbaar en realistisch zijn, voorgestelde maatregelen moeten geborgd blijven en het plan is door een extern verkeerskundig adviesbureau opgesteld. Een goed mobiliteitsplan is in het belang van de initiatiefnemer en de toekomstige gebruikers en bezoekers; 7. Door de reductie uit het mobiliteitsplan hoeft er minder ruimte ingericht te worden als parkeerplaats voor auto’s. De gemeente wil dat deze ruimte gebruikt wordt om de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied of de nabije omgeving te verbeteren conform de beleidsdoelstellingen uit de omgevingsvisie. De gemeente en de initiatiefnemer gaan in overleg om te bepalen hoe deze ruimte ingevuld mag worden. De mogelijke invulling moet aansluiten bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie. Dergelijke afspraken worden vastgelegd in een exploitatieovereenkomst. 8. Aan de hand van de normatieve behoefte en de informatie over parkeerdruk in de omgeving kan een initiatiefnemer in overleg treden met de gemeente Veenendaal om met bestaande voorzieningen in de parkeerbehoefte te voorzien. Hierbij geldt het uitgangspunt “eerst (beter) benutten van het bestaand parkeerareaal, daarna pas bijbouwen”.
In paragraaf 4.11 staat beschreven wanneer dit mogelijk is. 9. Wanneer een initiatiefnemer met voldoende argumenten kan aantonen dat de voorgeschreven parkeereis niet realiseerbaar is, wordt er gekeken naar alternatieve mogelijkheden om het parkeren proberen op te lossen; 10. Wanneer er geen alternatieve mogelijkheden zijn, kan er geen medewerking verleend worden aan de ruimtelijke ontwikkeling.
7
4
PARKEERNORMEN VEENENDAAL
Voor het vaststellen van de parkeernormen is rekening gehouden met de kencijfers van het CROW (2018), de stedelijkheidsgraad, verschillende parkeerdrukmetingen (2018, 2019), gebiedskenmerken en het gemiddelde autobezit per huishouden per wijk in Veenendaal. Op deze manier komen we tot onderstaande zonering, met voor elke zone eigen parkeernormen (Figuur 2).
Figuur 2: Overzicht zones notitie parkeernormen Veenendaal.
Toelichting parkeernormen De in hoofdstuk 4 opgenomen parkeernormen betreffen minimumnormen; waaraan minimaal aan voldaan moet worden (zonder toegekende reductie zoals beschreven in hoofdstuk 6). Bij de berekening van het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen naar boven toe afgerond. Verder staat beschreven hoe omgegaan wordt met parkeren op eigen terrein, dubbelgebruik, afwijking van de parkeernormen en toevoegen nieuwe functies en bestemmingen. In bijlage 3 en 4 staat uitgelegd hoe de parkeereis wordt berekend. In bijlage 6 staan de uitgangspunten voor de gewenste maximale loopafstand. Wonen De parkeernormen voor wonen zijn inclusief parkeerruimte voor bezoekers. Rekenvoorbeeld: als er 10 vrijstaande woningen in zone 4 beoogd worden, moet er minimaal 1,6 parkeerplaats per woning worden gerealiseerd, waarvan er 0,3 openbaar toegankelijk moet zijn voor bezoekers om te parkeren. De totale parkeerbehoefte komt op 16 parkeerplaatsen, waarvan minimaal 3 openbaar toegankelijk, voor deze 10 woningen in zone 4.
8
Functie Vrijstaande woning Twee-onder-één-kap woning Rijwoning Appartement (koop) Appartement (vrije sector huur) Appartement (sociale huur) Woning ≤ 60 m2 gvo Kamerbewoning Zorgunit (zware zorg = > ZZP 4) Waarvan aandeel bezoekers in parkeernorm
Zone 1 1,0 1,0 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,3 0,1
Zone 2 1,0 1,0 0,8 0,8 0,6 0,5 0,4 0,3 0,3 0,2
Zone 3 1,3 1,3 1,1 1,1 0,9 0,8 0,6 0,4 0,3 0,3
Zone 4 1,6 1,6 1,4 1,4 1,2 1,1 0,8 0,5 0,3 0,3
Zone 5 1,7 1,7 1,5 1,5 1,3 1,2 1,0 0,5 0,3 0,3
Per Woning Woning Woning Woning Woning Woning Woning Kamer Zorgunit Unit
Parkeren op eigen terrein In nieuwbouwwijken is rekening gehouden met parkeren op eigen terrein. Zo geldt voor een garage met oprit een theoretisch aantal parkeerplaatsen van twee: één auto kan in de garage en een andere auto kan op de oprit worden geparkeerd. In de praktijk blijkt echter dat de garage niet als zodanig wordt gebruikt, maar als berging of fietsenschuur fungeert. Daarom wordt een andere hoeveelheid toegepast die past binnen de praktijksituatie. Deze reductie tussen theorie en praktijk wordt toegepast, omdat de parkeerplaatsen niet openbaar toegankelijk zijn, waardoor er geen uitwisseling kan plaatsvinden. Bovendien kan de bewoner zelf ook zijn auto buiten zijn privéterrein zetten, omdat het gebruik hiervan niet kan worden afgedwongen. De parkeervoorzieningen op eigen terrein tellen alleen mee voor de parkeerbehoefte voor bewoners. De parkeerbehoefte voor bezoekers zal altijd in openbaar toegankelijk gebied moeten worden gerealiseerd. Type parkeervoorziening 1 p.p. op eigen terrein bij grondgebonden woningen = 1 p.p. op eigen terrein bij appartementen = 2 p.p. op eigen terrein achter elkaar = 2 p.p. op eigen terrein naast elkaar =
Werkelijk gebruik 0,9 p.p. op eigen terrein 0.9 p.p. op eigen terrein 1,0 p.p. op eigen terrein 1,5 p.p. op eigen terrein
Rekenvoorbeeld: Om de 10 vrijstaande woningen te realiseren in zone 4 zijn er 16 parkeerplaatsen nodig, waarvan er 3 openbaar toegankelijk moeten zijn voor bezoekers. Als er voor 10 woningen 2 parkeerplaatsen op eigen terrein naast elkaar wordt gerealiseerd, dan worden er in theorie 20 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. In de praktijk worden niet alle parkeerplaatsen gebruikt, waardoor deze voor 15 parkeerplaatsen meetellen. Hiermee wordt de parkeerbehoefte voor bewoners volledig op eigen terrein georganiseerd (16 - 15 = 1). De parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen niet gebruikt worden door bezoekers, omdat deze parkeerplaatsen niet openbaar toegankelijk zijn. De ontwikkelaar moet daarom 3 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen voor bezoekers realiseren om te voldoen aan de parkeernorm. Het totale aantal parkeerplaatsen dat gerealiseerd moet worden komt daarmee op 18. Type Opstelstrook Dubbel opstelstrook (achter elkaar) Dubbel opstelstrook (naast elkaar) Carport Parkeerplaats stallingsgarage en openbare ruimte
Maatvoering 5,0 m x 3,0 m 10,0 m x 3,0 m 5,0 m x 6,0 m 5,0 m x 3,0 m 5,0 m x 2,5 m
9
Werken Functie Bedrijf: Kantoor Bedrijf: Productie Bedrijf: Magazijn Showroom Dienstverlening Bedrijfsverzamelgebouw Winkel/supermarkt
Zone 1 1,0 0,5 0,2 0,5 1,0 1,0 3,0
Zone 2 1,5 0,7 0,4 0,5 1,5 1,0 3,5
Zone 3 2,0 1,0 0,6 0,8 2,0 1,5 4,0
Zone 4 2,0 1,0 0,6 0,8 2,0 1,5 4,0
Zone 5 2,0 1,0 0,6 0,8 2,0 1,5 4,0
Per 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo
Zone 2 0,6 4,5 maatwerk 1,5 1,2 1,5 0,8 maatwerk n.v.t. 1,0
Zone 3 0,8 7,5 1,5 2,0 1,5 2,0 1,0 maatwerk 10,5 1,2
Zone 4 0,9 9,0 2,0 2,0 1,8 2,7 1,0 maatwerk 12,0 1,2
Zone 5 0,9 9,0 2,0 2,0 1,8 3,0 1,0 maatwerk 12,0 1,2
Per 100 m2 bvo 100 m2 bvo 100 m2 bvo Baan 100 m2 bvo 100 m2 bvo 10 zitplaatsen n.v.t. 100 m2 bassin 100 m2 bvo
Zone 4 1,0 Maatwerk 10,0 Maatwerk
Zone 5 1,0 Maatwerk 10,0 Maatwerk
Per Kamer n.v.t. 100 m2 bvo n.v.t.
Zone 4 2,2 1,8 2,4 4,0 1,5
Zone 5 2,2 1,8 2,4 4,0 1,5
Sport, cultuur en ontspanning Functie Bibliotheek/Museum Bioscoop/Theater Wijkcentrum Bowling/Biljart/Tennis Sportschool/Fitness Sporthal Tribune Sportveld Zwembad Leisurecentrum
Zone 1 0,5 3,5 maatwerk 1,0 1,0 1,2 0,8 maatwerk n.v.t. 0,8
Horeca en (verblijfs-)recreatie Functie Hotel Café/Bar Restaurant Congresgebouw
Zone 1 0,5 Maatwerk 7,0 Maatwerk
Zone 2 0,6 Maatwerk 8,0 Maatwerk
Zone 3 0,8 Maatwerk 9,0 Maatwerk
Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen Functie Gezondheidscentrum Fysio Tandarts Apotheek Religiegebouw
Zone 1 1,0 1,0 1,0 3,0 0,7
Zone 2 1,2 1,2 1,2 3,0 1,0
Zone 3 1,9 1,5 2,0 3,0 1,2
Zone 1 Maatwerk Maatwerk Maatwerk Maatwerk
Zone 2 Maatwerk Maatwerk Maatwerk Maatwerk
Zone 3 Maatwerk Maatwerk Maatwerk Maatwerk
Per Behandelkamer Behandelkamer Behandelkamer Apotheek 10 zitplaatsen
Onderwijs Functie Kinderdagverblijf Basisschool Middelbare school Beroepsonderwijs
Zone 4 Maatwerk Maatwerk Maatwerk Maatwerk
Zone 5 Maatwerk Maatwerk Maatwerk Maatwerk
Per n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
10
Dubbelgebruik De parkeernorm wordt berekend voor de momenten waarop de parkeerbehoefte van een functie het grootst is. Wanneer binnen het plangebied meerdere functies worden gebouwd, vallen de hoogtepunten in parkeerbehoefte van die functies niet altijd op hetzelfde moment. Bij woningen is de behoefte aan parkeercapaciteit bijvoorbeeld ’s avonds en ’s nachts; bij een bedrijf of kantoor zal die behoefte vooral overdag zijn. Dit noemen we de maatgevende momenten voor de parkeerbehoefte van die functies. Door het combineren van die functies kan een deel van de parkeercapaciteit mogelijk dubbel gebruikt worden. In dergelijke gevallen zijn minder parkeerplaatsen nodig dan de complete optelsom van de parkeerbehoeftes. De gemeente Veenendaal hanteert hiervoor de tabel aanwezigheidspercentages, deze zijn gebaseerd op de kengetallen van het CROW (zie bijlage 5). Afwijken van de parkeernormen In het geval van uitbreiding of transformatie van een bestaande functie waarbij het de verwachting is dat er niets verandert in de parkeerbehoefte, is afwijking of vrijstelling van de parkeernormen mogelijk. In een dergelijk geval dient de initiatiefnemer te onderbouwen waarom afwijking van de parkeernormen mogelijk is. Dit wordt getoetst tijdens de procedure van de vergunningsverlening. Voorbeeld: uitbreiding van een magazijn waarbij het aantal medewerkers gelijk blijft.
De gemeente Veenendaal kan bij bestuurlijk besluit in bijzondere gebieden of situaties afwijken van de geldende parkeernormen op basis van de bereikbaarheid, ruimtelijke situatie en/of als er een dermate positieve bijdrage wordt geleverd aan de beleidsuitgangspunten van de omgevingsvisie. Een en ander dient in een afzonderlijk collegebesluit vastgelegd te zijn. Dit komt overeen met de vroegere bepaling uit de bouwverordening (artikel 2.5.30). Beter benutten In sommige gevallen liggen er in de nabije omgeving (tot 200 meter loopafstand) van het plangebied (openbare) parkeervoorzieningen die ruimte kunnen bieden aan een nieuwe ontwikkeling. Hierbij geldt het principe: eerst (beter) benutten van het bestaande parkeerareaal, daarna pas bijbouwen. Echter zit er een grens aan deze mogelijkheid. De beter benutten regeling is alleen mogelijk tot een parkeerdruk van 85% in de openbare ruimte. De initiatiefnemer zal de parkeerdruk in de omgeving moeten meten (in een straal van 500 meter om het plangebied) om aan te tonen of er ruimte aanwezig is in het bestaande parkeerareaal dat beter benut kan worden. Indien er ruimte is in de nabije omgeving kan (een deel van) de parkeereis buiten het plangebied toegekend worden aan de ontwikkeling. Beter benutten kan alleen toegepast worden in zone 1 en 2 voor het aandeel bezoekers in de parkeernormering.
Nieuwe functies Het kan voorkomen dat er nieuwe functies ontstaan die nu nog helemaal niet bekend zijn of bestaan. In deze gevallen zal er maatwerk geleverd worden. Daar waar deze notitie niet in een parkeernorm voorziet voor de betreffende functie, zal aansluiting worden gezocht bij: 1. De CROW-normering zoals deze geldt ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning; of 2. Indien de CROW-normering niet in een parkeernorm voorziet voor de betreffende functie, zal aansluiting worden gezocht bij een functie die benoemd is in de “Notitie Parkeernormen Veenendaal” en naar aard en invloed vergelijkbaar is op de omgeving. Bij een eerstvolgende actualisatie van de notitie parkeernormen, worden de nieuwe functies opgenomen in de parkeernormering.
11
5
FIETSPARKEERNORMEN
Veenendaal is een fietsstad en wil dit in de toekomst verder versterken. Het parkeren van fietsen wordt vaak vergeten bij ontwikkelingen in het fysieke domein. Dit kan leiden tot fietsparkeeroverlast. In deze notitie parkeernormen wil de gemeente Veenendaal de fiets een volwaardige plek geven bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit te kunnen bereiken willen we fietsparkeernormen opnemen in deze notitie die voor heel Veenendaal gelden. Daarnaast willen we de kwaliteit borgen door het hanteren van kwaliteitseisen waaraan een fietsparkeervoorziening moet voldoen. Fietsparkeernormen Functiegroep Wonen Werken Winkelen en boodschappen Sport, cultuur en ontspanning Horeca en (verblijfs)recreatie Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen Onderwijs
Berekeningswijze Per woning Autoparkeernorm1 * factor Autoparkeernorm1 * factor Maatwerk
Zone 1 Berging 250%
Zone 2 Berging 200%
Zone 3 Berging 150%
Zone 4 Berging 100%
Zone 5 Berging 100%
200%
250%
175%
150%
150%
Autoparkeernorm1 * factor Autoparkeernorm1 * factor
200%
200%
150%
100%
100%
200%
200%
150%
100%
100%
Maatwerk
Maatwerk
Maatwerk
1 Dit betreft de normatieve parkeerbehoefte voor auto’s zonder enige vorm van reductie.
Kwaliteitseisen fietsparkeervoorziening Het realiseren van fietsparkeervoorzieningen dient te voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: 1. Realiseer de fietsparkeervoorziening op eigen terrein en zo dicht mogelijk bij de ingang van het gebouw. Voor woningen geldt dat een berging op eigen terrein gerealiseerd dient te worden en een oppervlakte heeft van tenminste 5 m2. Bij gestapelde woningbouw is er een keuze tussen een berging op de begane grond per woning, een gezamenlijke fietsenstalling in het gebouw of een mix van beide. In het geval van een gezamenlijke fietsenstalling gelden de kencijfers van de CROW als fietsparkeernorm. 2. De fietsparkeervoorziening dient makkelijk toegankelijk te zijn. Daarnaast moet het een aangename plek zijn die veilig, comfortabel en overzichtelijk is. 3. Een openbaar toegankelijke fietsparkeervoorziening dient te voldoen aan het FietsParKeur keurmerk. Dit keurmerk geeft een lijst van fietsrekken die gebruiksvriendelijk zijn voor zowel de fietser als de fiets. 4. De fietsparkeervoorziening dient voorzieningen te bieden voor speciale typen fietsen (e.g. racefiets, bakfiets, e-bike, speed-pedelec, etc.).
12
6
MOBILITEITSPLAN
Het mobiliteitsplan geeft initiatiefnemers de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de geldende parkeernormen. In het mobiliteitsplan kunnen initiatiefnemers aangeven hoe zij de mobiliteit van hun gebruikers willen gaan organiseren. Hiermee denken ontwikkelaars beter na over de bereikbaarheid van hun beoogde ontwikkeling, hetgeen ten goede komt van de toekomstige gebruikers. Met dit mobiliteitsplan kunnen ontwikkelaars een maximale reductie op de parkeerbalans “verdienen” van 25% van de totale parkeereis voor de auto. De opbouw van deze reductie en hoe deze wordt toegekend is nader uitgelegd in dit hoofdstuk. Maatregel Fietsvoorzieningen Deelauto / -fiets Openbaar vervoer2 Doelgroep Bedrijfsplan mobiliteit Parkeren op afstand (alleen voor auto’s) Totaal:
Reductie wonen 15% 25% 20% 20% n.v.t. 20% 100%1
Reductie overige functies 15% 25% 20% n.v.t. 20% 20% 100%1
1 De opbouw van het mobiliteitsplan vormt 100% van de maximale reductie (=25% van de parkeerbehoefte voor
de auto na de correctie dubbelgebruik [bijlage 1]). 2 De reductie voor openbaar vervoer geldt niet voor zone 1, omdat de parkeernormen al toegespitst zijn op de aanwezigheid van de treinstations.
Fietsvoorzieningen Veenendaal is een fietsstad, daarom willen wij het fietsgebruik van en naar de stad verder stimuleren. Een belangrijk onderdeel hiervan is om de fiets een volwaardige plaats te geven bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze reden wordt veel waarde gehecht aan de realisatie van fietsvoorzieningen zoals beschreven in deze notitie parkeernormen. De reductie fietsvoorzieningen wordt toegewezen als voldaan is aan de normen, maatvoering en kwaliteitseisen voor fietsparkeervoorzieningen. Deelauto / -fiets De deelauto / -fietsvoorziening dient op een zichtbare plek gesitueerd te worden binnen het plangebied, het liefst zo dicht mogelijk bij de ingang van het gebouw. Deze zichtbaarheid is noodzakelijk om het deelauto / -fiets systeem succesvol te maken. De ontwikkelaar dient zich financieel in te zetten voor de realisatie van een deelauto / -fiets systeem en er moet duidelijk naar de (toekomstige) bewoners gecommuniceerd worden over deze mogelijkheid. Deze optie kan alleen gerealiseerd worden bij grootschalige ontwikkelingen met (in potentie) veel gebruikers. Het delen van voertuigen/fietsen dient te passen bij de gedachtegang van de beoogde doelgroep. Een deelauto vervangt gemiddeld vijf particuliere auto’s. Indien een initiatiefnemer een deelauto / -fiets systeem wil gaan realiseren, is het van belang dat er een goede borging is.
Dit betekent dat deelauto’s / -fietsen ten alle tijden worden aangeboden na oplevering van de ruimtelijke ontwikkeling. De borging en de daaraan gestelde voorwaarden worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Na overeenstemming en ondertekening van de overeenkomst wordt de reductie deelauto / -fiets toegekend.
13
Openbaar vervoer Openbaar vervoer (OV) kan een alternatieve vervoerwijze zijn voor de bewoners en bezoekers van de beoogde functies in het plangebied. Om het een volwaardig alternatief te laten zijn zal het plangebied in de buurt van de OV voorzieningen moeten liggen. Voor de bus geldt dat de halte binnen een werkelijke afstand van 400 meter van het plangebied moet liggen. Een bushalte waar alleen een buurtbus stopt telt niet mee als alternatieve vervoerswijze, omdat de frequentie en het aanbod onvoldoende is om als volwaardig alternatief te fungeren. Voor de trein geldt dat het station binnen een werkelijke afstand van 1.000 meter vanaf een sprinterstation, 1.500 meter vanaf een station dat een knooppunt is van sprinter en bus, en 2.500 meter vanaf een intercity station van het plangebied moet liggen. Als dit het geval is wordt de reductie openbaar vervoer toegewezen. Doelgroep Het beschrijven van de doelgroepen helpt een inschatting te maken van de verkeersstromen van en naar het plangebied. Ouderen hebben over het algemeen vaker een auto dan jongeren. Mensen die zware zorg nodig hebben zullen geen auto in het bezit hebben. Scholieren en studenten zullen over het algemeen met de fiets of het openbaar vervoer naar school reizen. Rekening houden met de verschillende karakteristieken van de doelgroep maakt maatwerk per ontwikkeling mogelijk.
De reductie doelgroep wordt toegekend als sprake is van een doelgroep waar een lager autobezit/-gebruik van toepassing is. Bedrijfsplan mobiliteit Een bedrijf kan zelf een mobiliteitsplan hebben waarin mobiliteitsbeleid en/of arbeidsvoorwaarden voor de medewerkers is geregeld. Hierin staat beschreven welke vervoerswijzen worden gestimuleerd, welke mogelijkheden medewerkers hebben om anders dan met de auto te reizen, vergoedingen voor OV/fiets of fiscale voordelen bij de aanschaf van een e-bike of een ov-abonnement. Met andere woorden: de visie en maatregelen van het bedrijf om duurzame vormen van mobiliteit te stimuleren. Indien dit het geval is zal de reductie bedrijfsplan mobiliteit worden toegekend. Parkeren op afstand Het realiseren/organiseren van parkeren op afstand voor auto’s van gebruikers kan een bijdrage leveren om andere vervoerswijzen te promoten. Toekomstige gebruikers zullen overwegen om een reis lopend, fietsend of met het OV af te leggen omdat dergelijke voorzieningen dichterbij zijn. In bijlage 6 staan de uitgangspunten voor de gewenste maximale loopafstand. Parkeren op afstand is alleen mogelijk bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen met een grote oppervlakte, in gebieden waar een overschot is aan parkeerplaatsen, of waar het parkeren in grootschalige parkeervoorzieningen is georganiseerd (al dan niet gereguleerd).
De reductie parkeren op afstand wordt toegekend als voorgenoemde het geval is en voorzieningen voor alle andere vervoerswijzen (voetganger, fiets, OV) dichter bij aanwezig zijn dan het parkeren voor auto’s. Toetsing Om ervoor te zorgen dat het mobiliteitsplan wordt getoetst en uitgevoerd, zal gebruik gemaakt worden van de volgende toetsingscriteria: 1. Reductie wordt alleen toegekend als een initiatiefnemer een mobiliteitsplan indient bij de aanvraag en voldoet aan de toekenningscriteria om daarmee gemotiveerd af te wijken van de
14
2. 3. 4. 5.
notitie parkeernormen. De hoogte van de reductie wordt bepaald op basis van de toekenningscriteria, zoals beschreven in hoofdstuk 6: Mobiliteitsplan; Zowel het ontwerp als het bijgevoegde mobiliteitsplan dienen met elkaar overeen te komen; De voorgestelde maatregelen in het mobiliteitsplan zijn achteraf meetbaar; De voorgestelde maatregelen in het mobiliteitsplan dienen geborgd te worden door de initiatiefnemer; De initiatiefnemer dient de maatregelen in het mobiliteitsplan te realiseren binnen de daarin aangegeven afgesproken termijnen. Niet nakomen van de afspraken