3. Uitgangspuntennotitie 'Nieuw theater in de Duivenweide'
Tekst van het document
7.3 Alternatieven 7.3.1 Wel woningen op of aan het theater Bouwen en financiën
Het bouwen van woningen op of aan een theater is niet vanzelfsprekend. De meeste theaters in Nederland zijn solitaire gebouwen, zonder woningen. De combinatie theater met wonen is een complexe opgave, architectonisch, maar ook bouwtechnisch, financieel, in doorlooptijd en in beheer. Technisch is het bouwen van woningen boven een theater mogelijk. BBN heeft een financiële doorrekening gemaakt van het bouwen van woningen boven het theater. Nog los van het woonklimaat is het bouwen complex en de bouwkosten van de woningen zijn hoog in verband met het bouwen boven een theater. Denk hierbij aan de constructie die nodig is om de woningen te kunnen dragen. De residuele grondwaarde is daardoor maar circa 10.000 euro per woning. Terwijl los bouwen in het gebied het dubbele kan halen, uiteraard afhankelijk van het programma wat er gebouwd gaat worden. BBN heeft ook gekeken naar het aantal woningen en of de residuele grondwaarde per woning hoger is naarmate je meer woningen gaat bouwen. Dat is niet het geval, omdat naarmate je substantieel meer woningen bouwt, je ook een stuk hoger gaat bouwen en de kosten ook meestijgen. In het geval we 100 woningen boven het theater zouden bouwen (en daarmee ontstaat er een groot complex van minimaal 35 meter hoog), zou dat een verwachte opbrengst van 1 miljoen genereren.
Om de woningnood tegen te gaan is woningbouw nodig, maar de vraag is of het dan niet beter is, gelet ook op de nadelen, het geld voor woningen op een andere plek in te zetten. Het bouwen van woningen op het theater verlengt de bouwtijd aanzienlijk. De vraag is tevens of er partijen zijn die zo’n project willen ontwikkelen en bouwen. Het is een complexe opgave: bouwkundig, financieel, organisatorisch etc.
Hierboven een mogelijke 2e fase na de bouw van het nieuwe theater met ondergrondse parkeergarage. Doordat de parkeervoorzieningen (parkeerdekken en -velden) niet meer nodig zijn, ontstaat ruimte voor wonen en groen. Op de plek van de huidige parkeerdekken kunnen woningen worden gerealiseerd met een eigen parkeervoorziening. De overbodige parkeervelden worden ingericht als park.
23
7 Een ander aandachtspunt bij woningbouw boven het theater zijn de benodigde parkeerplekken. In een parkeergarage onder het theater of elders in het gebied zal extra ruimte gevonden moeten worden om parkeerplekken voor deze nieuwe woningen te realiseren. Bij een solitair woongebouw (los en op afstand van het theater) is het streven om parkeren voor die woningen binnen dat gebouw op te lossen.
Woningen kunnen bijdragen aan gebruik, beleving en veiligheid van het park, c.q. de nieuwe Duivenweide. De woningen dragen bij aan de leefbaarheid van het centrum. Maar dat betekent niet dat woningen per se in de eerste fase op of aan het theater gerealiseerd moeten worden. Woningen op het theater zijn niet essentieel voor het beoogde karakter van het theater met theaterplein: een hotspot voor cultuur en beleving.
Beheer
In beheer en onderhoud verdragen horeca, evenementen en een theater gecombineerd met woningen elkaar slecht. Zelfs al is vanaf het begin duidelijk dat bewoners in een (soms) rumoerige omgeving gaan wonen, zullen er klachten zijn. Denk aan geluid, aan- en afvoer en bereikbaarheid. Dat kan zorgen voor wederzijdse irritaties en beperkingen. Beheer en onderhoud van het theater en woningen vragen aandacht in voorbereiding en om organisaties met verschillende belangen: woongenot versus een bruisend theater. Voor de woningen is een beheerorganisatie nodig die (hoogstwaarschijnlijk) los staat van het theater.
Ruimtelijk en architectonisch
Woningen boven het theater leveren niet per se een prettig woonklimaat op. De woningen staan dicht bij de nieuwe toneeltoren. Deze ‘dichte doos’ is circa 20 bij 30 meter en 30 meter hoog. Afhankelijk van de locatie en de hoogte hebben veel nieuwe woningen een gevel op het noorden, terwijl aan de zuidzijde de flats van de Duivenwal staan en de toneeltoren, beide 30 meter hoog met bijbehorende schaduwwerking. Een oplossing is om de woningen met hun gevels te richten op de buitenzijde van het theater. Een nadeel hierbij is dat een groot deel van de woningen een gevel gericht heeft op het noorden en oosten, waardoor er weinig daglicht is. Afhankelijk van de locatie en hoogte hebben de nieuwe woningen last van de schaduw van de hoge flats aan de Duivenwal.
24
Woningen op het theater dragen niet bij aan de herkenbaarheid van het theater. Het theater zal slechts met enkele onderdelen zichtbaar zijn vanuit de omgeving, bijvoorbeeld de entree en foyer. Deze vallen overdag nauwelijks op, maar worden zichtbaar zodra het licht aangaat in het nieuwe theater.
Hierboven het theater in Capelle aan de IJssel ISALA (zie de rode letters op de foto). Boven het theater zijn woningen gerealiseerd. Overdag als de lichten uit zijn, zijn de entree en foyer niet of nauwelijks zichtbaar. Het theater wordt grotenddels aan het zicht onttrokken. In New York is ruimte schaars. Op de foto een appartementengebouw met onderin een theater. Het theater is niet of nauwelijks herkenbaar. Een zuil, luifel en lichtreclame aan de gevel zijn nodig om te laten zien dat hier een theater is.
8
Toelichting uitgangspunt parkeren
8.1 Omgevingsvisie en parkeernormen
8.2. Huidige situatie en mogelijke toekomst
Uitgangspunt in de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 is dat de woongebieden, bedrijventerreinen, centrum en het buitengebied goed bereikbaar zijn voor onze eigen inwoners en voor bezoekers van de stad. De positie van het centrum van Veenendaal als belangrijke winkelfunctie voor de regio blijft behouden. De ambitie is dat inwoners binnen Veenendaal in 2030 meer lopen en fietsen dan in 2020. Het is voor inwoners en bezoekers van Veenendaal gemakkelijk kiezen voor de auto. Voor het centrum en bedrijventerreinen faciliteren we een goede bereikbaarheid, waarbij we het gebruik van OV en snelfietspaden als aantrekkelijk alternatief verder ontwikkelen. Binnen Veenendaal zijn er nauwelijks routes langer dan 5 kilometer. Deze afstanden zijn prima te fietsen en te lopen. Veenendaal heeft een goede en veilige fietsinfrastructuur. Toch blijkt dat inwoners binnen Veenendaal nog relatief veel gebruik maken van de auto. We zetten dan ook in op het stimuleren van fietsen en wandelen binnen Veenendaal, ook in het kader van bewegen en gezondheid. De parkeernormen zijn flexibeler, waardoor bij het indelen van de schaarse ruimte, maatwerk mogelijk is.
In de huidige situatie zijn er drie vormen van parkeren: voor centrum- en theaterbezoek en voor bewoners. De bewoners hebben een eigen parkeervoorziening. Denk aan de parkeerterreinen bij de flats aan Duivenwal en Weverij. Voor centrum- en theaterbezoek zijn er plekken aan de Kerkewijk, op het maaiveld in de Duivenweide en direct tegen het theater. De derde vorm is de parkeergarage Duivenweide. In totaal zijn er 474 plaatsen. In de visie Duivenweide is gesteld dat 14 parkeerplaatsen aan de Kerkewijk kunnen verdwijnen bij het verplaatsen van de ‘poller’ naar het zuiden, zodat een duidelijke entree ontstaat en de gevaarlijke kerende en draaiende auto’s op dit deel van de Kerkewijk verdwijnen. De 63 parkeerplaatsen ten noorden van de Lampegiet zouden gecombineerd worden met een terrein voor kleinschalige evenementen. Direct tegen het theater zijn 33 plaatsen in gebruik. Opheffen van
Een mogelijke hoeveelheid die past bij het gewenste mobiliteitsbeleid (stimuleren fiets en flexibel toepassen van -lagere- parkeernormen) is het niet uitbreiden van de hoeveelheid parkeerplaatsen. Dit kan door het beter benutten van het resterende aantal en de diverse parkeergarages in het centrum en dus het reduceren van het aantal parkeerplaatsen in Duivenweide. Hiervoor staan in de de notitie parkeernormen Veenendaal 2020 de volgende argumenten: • reductie door goede fietsvoorzieningen; • dubbelgebruik; • de nabijheid van andere parkeergelegenheden en het streven naar een hogere parkeerdruk (85%) in plaats van de gemeten gemiddelde parkeerdruk (maximaal gemeten 69% in 2019 en 65% in 2018). (bron: notitie Parkeernormen Veenendaal 2020)
46
58
63
33 260 14 Huidige situatie parkeren Duivenweide en Kerkewijk
De huidige situatie met parkeren in Duivenweide en Kerkewijk met 3 parkeervelden en 2 parkeerdekken. Er zijn parkeerplekken in de Kerkewijk en direct tegen het theater. De parkeerplekken voor omwonenden zijn in het blauw aangegeven.
25
8 parkeerplekken aan de Kerkewijk en rond de Lampegiet is onderdeel van de aangenomen gebiedsvisie voor de Duivenweide. In de Duivenweide zijn er 104 plaatsen in de twee maaiveldterreinen en 260 plaatsen in de parkeergarage: samen 364 parkeerplaatsen. De vraag is hoeveel parkeerplekken nodig c.q. wenselijk zijn voor centrumen theaterbezoek. De Duivenweide is vooral populair, omdat er parkeerplekken op maaiveld in de openlucht zijn. Rond het centrum zijn diverse parkeergelegenheden die beter benut kunnen worden. In de directe omgeving is er de Q-parkgarage (302 plekken), op circa 5 minuten lopen, en de parkeergarage onder het gemeentehuis (circa 10 minuten lopen). De parkeernorm voor een theater is 4,5 parkeerplekken per 100 m2 b.v.o. theater. Het huidige theater is 3.400 m2. De parkeerbehoefte hierbij is 153 plekken. Het nieuwe theater is 6.199 m2 bvo inclusief bioscoop. Dat betekent dat er volgens de norm 279 parkeerplaatsen voor het theater moeten zijn en dus 126 plekken toegevoegd zouden moeten worden. De vraag is of dit daadwerkelijk nodig is. Het realiseren van minder parkeerplekken biedt in Duivenweide kansen voor ander ruimtegebruik, zoals wonen en groen.
26
8.3 Een ondergrondse parkeergarage onder het nieuwe theater Uitgangspunt voor het stedenbouwkundig Masterplan is een goede parkeervoorziening aan deze kant van het centrum onder het nieuwe theater die bijdraagt aan de ambitie Vitale Binnenstad en een theater met regionale aantrekkingskracht. Door de bouw van een ondergrondse parkeergarage onder het theater worden de huidige parkeervelden en parkeerdekken in de Duivenweide overbodig en ontstaat er ruimte voor groen en wonen. Een parkeergarage onder het nieuwe theater past bij de gewenste regionale uitstraling. Bezoekers uit de regio kunnen comfortabel onder het theater parkeren. Een ondergrondse parkeerplek kost veel geld. Gezien het beschikbare grondvlak moet de parkeergarage 2 of 3 bouwlagen diep zijn. In de studie naar theater, woningen en parkeren in het gebied heeft BBN berekend dat een ondergrondse parkeerplek ongeveer € 64.000 per plek kost. Afhankelijk van de exacte hoeveelheid parkeerplekken, zijn de kosten bij 250-350 plekken, in een 2- of 3-laagse ondergrondse parkeergarage, berekend op € 16-22 miljoen. Als we deze investering omrekenen naar de jaarlijkse kapitaallasten gaat het € 690.000 - € 950.000 per jaar. Beheer en onderhoud zijn nog niet meegerekend. Tegenover de kosten staan inkomsten van de parkeerplekken. In 2022 waren de totale parkeeropbrengsten in het gebied Duivenweide € 360.000.
Duidelijk is dat bij aanvang de jaarlijkse kosten fors hoger zijn dan de opbrengsten. De ontwikkeling van de parkeertarieven, de bezettingsgraad maar ook de mogelijke grondopbrengst van toekomstige ontwikkeling van het huidige parkeerdek naar woningen bepalen in hoeverre de parkeergarage op termijn rendabel te krijgen is. Behalve de forse kosten die gemoeid zijn met het realiseren van een ondergrondse parkeergarage neemt de bouwtijd aanzienlijk toe.
8
De keuze voor een ondergrondse parkeergarage is tegengesteld aan het eerdere advies uit 2021. Hierin werd geadviseerd om geen parkeerkelder te bouwen vanwege de complexiteit bij bouwen en een langere bouwtijd. Tijdens de werksessies met de raad is het parkeren uitgebreid aan de orde geweest. In deze werksessies worden geen besluiten genomen maar wat blijven hangen is om toch nog een keer heel goed naar het parkeren te kijken. De complexiteit bij het bouwen van een parkeergarage onder een theater is vooral constructief, maar technisch niet onmogelijk. Het betekent dat de bovengrondse indeling goed afgestemd moet worden met de constructie van de parkeergarage. Een technische opgave die vaker is uitgevoerd. De bouwtijd is afhankelijk van het aantal parkeerplekken en de bouwdiepte. De belangrijkste argumenten om af te wijken van dit eerdere advies uit 2021 zijn: • Parkeren onder het theater is servicegericht en past bij de ambitie van het nieuwe theater met een regionale uitstraling; • De ondergrondse garage biedt minder plekken waardoor de bezettingsgraad toeneemt in deze garage en wellicht ook elders; • Door de ondergrondse parkeergarage ontstaat er in de Duivenweide ruimte voor woningbouw en voor (meer) groen en verblijf. Oude Kerk
nieuwe zichtlijn Duivenweide = groen
woningen met eigen parkeervoorziening
groene verblijfsplek
8.4 Alternatieven Als gekozen wordt om geen parkeergarage onder het theater te realiseren dan is na realisatie van het nieuwe theater onderzoek naar een parkeervoorziening in het gebied Duivenweide mogelijk, waarbij gekeken wordt naar een losstaande parkeergarage of combinaties met woningbouw en park, c.q. openbaar groen. Bijvoorbeeld op de plek van het huidige parkeerdek en in relatie met de woningen Duivenwal 161 t/m 267 en Weverij 2 t/m 166. Uiteraard afhankelijk van hoeveel parkeerplekken er in de toekomst gewenst zijn, maar in dit scenario is er minder ruimte voor woningen en een park. Simpelweg omdat er een aanzienlijke parkeervoorziening moet komen of blijven. Door de fasering is het mogelijk om aan te sluiten op uitgangspunten en inzichten die in de toekomst gelden. Hieronder staan vier alternatieven: • Geen parkeergarage onder het theater, geen woningen in Duivenweide en het gebied niet verder vergroenen; • Bovengrondse parkeergarage (eventueel nu nog geen keuze maken maar pas over paar jaar); • Parkeren op maaiveld overdekt met een park • Combineren woningen met een parkeervoorziening voor nieuwe woningen, centrum- en theaterbezoek
Frisia-villa
theater met ondergrondse parkeergarage nieuw theaterplein
27
8 Alternatief 1: geen parkeergarage, behouden grote delen van huidige plekken Dit alternatief bestaat uit het behouden van 364 parkeerplekken in de huidige parkeerdekken en twee parkeervelden. De parkeerplekken op de Kerkewijk verdwijnen, evenals de plekken direct om het huidige theater en het parkeerveld achter de Frisiavilla. Dit is financieel een aantrekkelijke optie, maar er is geen ruimte voor woningbouw en meer groen. Dit is een eenvoudig uit te voeren alternatief en is ook meteen bepalend voor de locatie van het nieuwe theater, namelijk globaal op de huidige plek of iets naar het westen of noorden. Deze mogelijkheid maakt het mogelijk om een beslissing over parkeren uit te stellen tot na de realisatie van het theater. Daarmee wordt de keuze voor investeren in een (dure) parkeeroplossing naar de toekomst verplaatst.
parkeerdekken
28
nieuw theater
Alternatief 2: Een bovengrondse parkeervoorziening Na de bouw van het theater kan een bovengrondse parkeergarage gebouwd worden. De locatie kan te zijner tijd bepaald worden. Het aantal benodigde plekken voor centrum- en theaterbezoek kan nog bepaald worden. Nadeel van een bovengrondse parkeergarage is dat dit veel ruimte in beslag neemt. Deze ruimte gaat ten koste van andere functies zoals wonen en park. In de studie van BBN naar theater, woningen en parkeren in het gebied is ook een berekening gemaakt van de investering die nodig is voor zo’n bovengrondse parkeergarage. De kosten zijn afhankelijk van het aantal plekken c.q. bouwlagen. BBN heeft berekend dat een parkeerplek in een bovengrondse parkeergarage ongeveer € 33.000 per plek kost. Deze garage is zo groot te maken als nodig, in oppervlakte en hoogte. Afhankelijk van de exacte hoeveelheid parkeerplekken, zijn de kosten bij 250-350 plekken, berekend op 8-12 miljoen.
woningen met eigen parkeervoorziening
bovengrondse parkeergarage
nieuw theater
8 Alternatief 3: Parkeren op maaiveld overdekt met een park Een mogelijkheid is het realiseren van parkeerplekken op het maaiveld met daar een park overheen. De vraag is hoeveel parkeerplaatsen nodig en wenselijk zijn – en of er parkeerplaatsen bestemd zijn voor nieuwe en bestaande woningen. Dat laatste kan ruimte opleveren, maar betekent ook hogere kosten. Nadeel van deze vorm van parkeren is dat vrijwel de gehele Duivenweide nodig is. Dat betekent dat bestaande bomen gekapt moeten worden. Het bestaande groen wordt vervangen door een kunstmatig park. De kosten van een parkeerplek op maaiveld met daaroverheen een park zijn ongeveer gelijk aan een parkeerplek in een bovengrondse parkeergarage, namelijk ongeveer € 33.000 per plek. Bij 250-350 plekken zijn de kosten 8-12 miljoen. Het aantal plaatsen dat gemaakt kan worden is afhankelijk van het gebied dat niet bebouwd wordt met theater en/of woningen. Om te voorkomen dat er alsnog een zware (=dure) constructie nodig is, mag de overspanning niet te groot zijn. Om een behoorlijk aantal parkeerplekken te kunnen realiseren is relatief veel ruimte nodig.
parkeren op maaiveld met een park er over heen nieuw theater
Alternatief 4: combineren woningen met een parkeervoorziening voor nieuwe woningen, centrum- en theaterbezoek Een mogelijkheid is het combineren van een nieuwe parkeervoorziening met woningbouw. Ook hier is de vraag hoeveel parkeerplaatsen nodig en gewenst zijn. De nieuwe parkeervoorziening moet dan substantieel groter zijn vergeleken met voorgaande alternatieven, omdat naast het parkeren voor theater- en centrumbezoek ook het parkeren voor de nieuwe woningen hierin opgelost wordt. Een exact aantal is nog niet te geven, maar zal afhankelijk van het aantal woningen grofweg liggen tussen 400 tot 500 parkeerplekken. Het huidige parkeerdek moet gesloopt worden om ruimte te maken voor de nieuwbouw. Gelet op de grote hoeveelheid parkeerplekken die nodig zijn, moet deze parkeervoorziening (deels) ondergronds komen. Ondergronds parkeren is duur. We weten inmiddels dat een ondergrondse parkeerplek ongeveer € 64.000 per plek kost en bovengronds € 33.000 per plek. Dit alternatief vergt veel ruimte: op het maaiveld en in hoogte. De vraag is of een dergelijk grootschalig gebouw gewenst is, waarbij de gevolgen voor de omgeving en de hoeveelheid park nog niet gering zijn, doordat de nieuwe bebouwing dichter bij bestaande woningen komt te staan en zeker 5 of 6 bouwlagen zal zijn (circa 16 tot 20 meter).
De hoeveelheid groen neemt niet of nauwelijks toe, terwijl er veel bomen gekapt moeten worden.
parkeergarage voor centrum- en theaterbezoek en bewoners van de nieuwe woningen
nieuw theater
29
8 8.5 Aandachtspunten voor vervolg Aandachtspunt is de routing in het gebied, de parkeerplekken moeten immers wel bereikbaar zijn. De bereikbaarheid van de parkeervoorziening is nog te bepalen. Het eenvoudigst is het behouden van de huidige entree vanaf de Kerkewijk, tussen de flats van de Duivenwal en het theater. Daarvoor zijn (beperkte) aanpassingen van de Kerkewijk nodig. Een andere optie is de parkeervoorziening bereikbaar te maken vanaf de Duivenwal. Dat betekent meer verkeer tussen de flats door en nieuwe opstelvakken op de krappe ruimte van de straat Duivenwal. Bij deze optie wordt de Kerkewijk het begin van het centrum. De brede verharde vlakte ten noorden van de kruising met de Raadhuisstraat/Duivenwal wordt vervangen door het profiel met bomen van de Hoofdstraat. Alleen bestemmingsverkeer mag hier het centrum nog in rijden. Een ander aandachtspunt is wie de parkeervoorziening (ondergronds of bovengronds) gaat exploiteren. Gelet op de enorme investering en de onrendabele top (sowieso in de beginjaren) is het niet aantrekkelijk voor een marktpartij om bij aanvang in te stappen.
30
9
Theater: Programma van Eisen (PvE)
9.1 Algemeen In de Variantenstudie (2021) is voor het theater een ruimtestaat opgenomen voor het globaal aantal benodigde m² per functie binnen het nieuwe theatergebouw. Op basis hiervan is een eerste globale stichtingskostenraming opgesteld. Een en ander is nu uitgewerkt in een Programma van Eisen (PvE) op hoofdlijnen, waarvan de kosten zijn doorgerekend (zie hoofdstuk 10). Het PvE is opgenomen als bijlage 3 bij deze Uitgangspuntennotitie. Om te kunnen komen tot een Voorlopig Ontwerp moet er nog een verdere verdiepingsslag worden gemaakt op het PvE. Dit is een gezamenlijke opgave voor de gemeente als opdrachtgever en Theater Lampegiet als gebruiker. Het is het startpunt voor de ontwerpfase. Het PvE beschrijft de functionele, ruimtelijke, technische en esthetische eisen die gesteld worden aan de realisatie van een nieuwe theatervoorziening. Hieronder gaan we in op de belangrijkste eisen voor de ‘subvarianten’ binnen variant D.
9.2 Programma van Eisen (PvE) met en zonder bioscoopfunctie 9.2.1. Programma met bioscoopfunctie Dit programma omvat: • een grote zaal met een vast toneel (lijsttoneel) en een capaciteit van minimaal 700 stoelen; • een vlakke vloerzaal met een uitschuifbare tribune met 200 stoelen (en maximaal 700 staanplaatsen als de gehele vlakke vloer wordt gebruikt; • 4 filmzalen met totaal circa 250 stoelen • een Theatercafé; • foyerruimten; • een multifunctionele ruimte (voor vergaderingen, parallelsessies bij congressen et cetera) met een maximale capaciteit van 75 personen.
Het ruimtebeslag van dit programma laat zich als volgt samenvatten:
grote zaal kleine (vlakke vloer) zaal bioscoopzalen multifunctionele ruimte publieksvoorzieningen artiestenvoorzieningen personeelsvoorzieningen
totaal nuttig oppervlakte bruto vloeroppervlakte (m2) (m2) 1.637 2.292 421 590
tabel 5.2 Programma met bioscoop-functie
483 100 1.221 361 205
676 140 1.709 505 287
4.428
6.199
Om de functies op een goede manier te kunnen ordenen is er een minimaal bouwvlak van 3.700 m2 nodig (exclusief terras). Daarbij bevinden de bioscoopzalen zich niet op maaiveldniveau. Een belangrijke esthetische eis is dat het gebouw herkenbaar moet zijn als theater.
31
9 9.2.2 Programma zonder bioscoopfunctie
9.3 Additionele voorzieningen poppodiumfunctie
Dit programma omvat: • een grote zaal met een vast toneel (lijsttoneel) en een capaciteit van minimaal 700 stoelen; • een vlakke vloerzaal met een uitschuifbare tribune met 200 stoelen (en maximaal 700 staanplaatsen als de gehele vlakke vloer wordt gebruikt); • een Theatercafé; • foyerruimten; • een multifunctionele ruimte (voor vergaderingen, parallelsessies bij congressen et cetera) met een maximale capaciteit van 75 personen.
Om de kleine (vlakke vloer) zaal ook te kunnen gebruiken voor popconcerten, is hier een beweegbaar podium nodig en is een vaste bar in de zaal gewenst. Ook stelt een poppodiumfunctie speciale eisen aan de binnenakoestiek en aan geluidwering ten opzichte van de andere gebouwdelen. Dit geldt vanzelfsprekend voor beide varianten (zie 9.2.1 en 9.2.2).
Het ruimtebeslag van dit programma laat zich als volgt samenvatten:
grote zaal kleine (vlakke vloer) zaal multifunctionele ruimte publieksvoorzieningen artiestenvoorzieningen personeelsvoorzieningen
totaal nuttig oppervlakte bruto vloeroppervlakte (m2) (m2) 1.637 2.292 421 590
tabel 5.3 Programma zonder bioscoopfunctie
32
100 1.221 361 205
140 1.709 505 287
3.945
5.523
Voor deze ‘subvariant’ is eveneens een minimaal benodigd bouwvlak van 3.700 m2 nodig (exclusief terras). De bioscoopzalen in de variant met bioscoopfunctie bevinden zich niet op maaiveld en hebben daarom geen invloed op het benodigde bouwvlak. Ook voor deze ‘subvariant’ geldt dat het gebouw herkenbaar moet zijn als theater.
9.4 Second opinion op PvE Het door Theater Lampegiet opgestelde PvE sluit naar de mening van BMC aan op de ruimtelijke, functionele, technische en esthetische eisen die aan een eigentijdse en voldoende toekomstbestendige theatervoorziening moeten worden gesteld. Daarmee sluit het PVE van Theater Lampegiet ook aan op de eisen die van toepassing waren op recente nieuwbouwontwikkelingen op theatergebied elders in Nederland. Na uitvoering van het PvE kunnen in beginsel alle soorten professionele voorstellingen binnen de schaalgrootte van Lampegiet (vergelijk gemiddelde Nederlandse schouwburg) worden gefaciliteerd met uitzondering van symfonische (orkest-)muziek. Een verdere uitwerking van het PvE ten behoeve van de ontwerpfase biedt nog mogelijkheden voor planoptimalisaties en/of keuzes in het voorzieningenniveau van het theater en de daarmee samenhangende investeringen. Daarbij dient steeds een afweging te worden gemaakt tussen het te verwachten feitelijke gebruik van voorzieningen en de investering die daarmee gemoeid is. Dit dient door Theater Lampegiet nog te worden uitgewerkt en gevalideerd in een integraal (strategisch) Ondernemingsplan.
In de ontwerpfase zal uitdrukkelijk aandacht worden besteed aan de flexibiliteit van het gebouw, zodat daar waar mogelijk de functies van ruimtes (deels) kunnen worden gewijzigd als daar in de loop van de tijd om inhoudelijke en/of bedrijfseconomische redenen aanleiding voor is.
10
Theater: Investering, jaarlijkse kapitaal- en beheerlasten
10.1 Nieuw theater met bioscoopfunctie In de Variantenstudie (2021) is voor een nieuw theater met bioscoopfunctie het aantal benodigde m² per functie binnen het gebouw berekend. Op basis van deze ruimtestaat is een eerste globale stichtingskostenraming opgesteld. De totale benodigde investering voor variant D is toen geraamd op € 29 miljoen, exclusief btw. Na de besluitvorming in november 2021 is vervolgens een en ander uitgewerkt in een Programma van Eisen (PvE) op hoofdlijnen. Voor de realisatie van een nieuw theater is op basis van dit PvE door BBN Bouwadviseurs een geactualiseerde investeringsraming opgesteld. Deze investeringsraming omvat de bouwkosten, de inrichtingskosten en alle bijkomende kosten. De raming wordt gespecificeerd in Bijlage 5 bij deze Uitgangspuntennotitie. De benodigde investering voor de realisatie van Variant D (theater met een grote en kleine zaal, filmzalen en voorzieningen voor popconcerten) wordt geraamd op € 46.146.000, exclusief btw, prijspeil heden. Van de geraamde totale investering van € 46.146.000 is € 3.880.533 toe te rekenen aan de bioscoopfunctie. Deze geactualiseerde investeringsraming is fors hoger dan in 2021. In Bijlage 6 zijn de verschillen tussen de twee ramingen in beeld gebracht. Het eerste grote verschil zit in de gestegen bouwkosten.
Enerzijds zijn deze kosten gestegen door de enorme prijsstijging afgelopen jaar en anderzijds vanwege het meer uitgewerkte PvE, waardoor het benodigde bruto vloeroppervlak in m² naar boven toe is bijgesteld. Het tweede grote verschil zit in de gestegen inrichtingskosten. Ook hier is de enorme prijsstijging van het afgelopen jaar een belangrijke oorzaak van. De directe bouwkosten zijn in totaal met € 13,5 miljoen gestegen. Daarnaast zijn nu in de geactualiseerde berekening ook de interne kosten voor de gemeente, communicatie, transactie e.d. meegenomen.
10.3 Additionele voorzieningen poppodium-functie
Om de kleine (vlakke vloerzaal) snel te kunnen ombouwen naar poppodium en om deze ook theater-technisch en akoestisch geschikt te maken voor popmuziek, is een extra investering nodig van naar verwachting tussen de € 500.000 en € 1.000.000. Dit bedrag is reeds meegenomen in de investeringsraming (zie onder 10.1 en 10.2).
10.4 Huidig theater in stand houden
Naast de doorrekening van een nieuw theater met en zonder bioscoopfunctie is er opnieuw gekeken naar het in stand houden van het huidige theater. Er is door bureau Spect samen met Sifapro een globale doorrekening gemaakt van de situatie waarbij het huidige theater nog langjarig wordt doorgeëxploiteerd. Gezien de huidige staat van het gebouw (achterstallig onderhoud op zowel de theaterinstallaties als op het bouwkundige deel), moet er een grootschalige renovatie plaatsvinden. De globale kostenraming voor deze grootschalige renovatie is geraamd op € 27,2 miljoen. Dit betreft: • Verduurzaming (tot maximaal 70% energieneutraal): € 6.270.000; • Renovatie theater installaties: € 6.000.000; • Bouwkundige renovaties en renovatie gebouwgebonden installaties (achterstallig onderhoud): € 15.000.000 Net als bij de investeringsraming voor een nieuw theater zijn de kosten voor het in stand houden vergeleken met de situatie in 2021 ook fors gestegen. Naast de enorm gestegen bouwkosten, geldt hier ook dat nu heel zichtbaar wordt dat er geen groot onderhoud meer plaatsvindt. Hierdoor loopt het achterstallig onderhoud steeds verder op.
10.2 Nieuw theater zonder bioscoopfunctie
BBN Bouwadviseurs heeft ook de benodigde investering voor de realisatie van Variant D zonder bioscoopfunctie berekend. Een nieuw theater zonder bioscoopfunctie wordt geraamd op € 42.265.467, exclusief btw, prijspeil heden.
33
10 10.5 Vergelijking nieuwbouw en consolideren huidige situatie
Op basis van de drie varianten (renovatie, nieuw theater en nieuw theater met filmfunctie) is een berekening gemaakt van de te verwachten kosten en het tekort voor de gemeente ten opzichte van wat er nu in de gemeentebegroting beschikbaar is voor het theater. Hierbij is gekozen voor een integrale benadering. Dus niet alleen de éénmalige investeringskosten met de daarbij behorende kapitaallasten, maar een totaalbeeld van alle kosten en opbrengsten in de exploitatieperiode. Het verschil met de huidige beschikbare middelen is hierdoor groot. In de huidige gemeentelijke begroting is feitelijk alleen rekening gehouden met de subsidie aan het theater en maar een beperkt onderhoudsbudget (uitgaande van sluiting van het huidige complex op korte termijn). De gemeentelijke kosten bestaan samengevat uit drie elementen: 1. Kapitaallasten en instandhoudingskosten gebouw 2. Tekort op exploitatie van het theater (subsidie aan het theater) 3. Eénmalige kosten (afwaardering bestaande boekwaarde en garantiebudget).
Kapitaallasten en instandhoudingskosten gebouw
De investeringskosten zijn in paragraaf 10.1 toegelicht. Deze investeringskosten bepalen de kapitaallasten. Variant
Investeringskosten
Renovatie
€ 27.270.000
1 nieuw theater
€ 42.265.500
2 nieuw theaster met film € 46.146.000 Bovenstaande bedragen zijn exclusief BTW en prijspeil 2023.
34
Om tot de kapitaallasten te komen, zijn de volgende parameters gebruikt: • Prijsindex bouwkosten tot start bouw: 3,11% (10 jarig historisch gemiddeld jaarcijfer + 1%) • Rekenrente: 2,5% • Afschrijvingssystematiek: lineair (conform huidig beleid) • Afschrijvingsperiode investeringen: 25, 40 en 50 jaar* • Restwaarde: 0 euro (conform huidig beleid) *) In deze fase is de afschrijvingsperiode voor alle varianten doorgerekend op 40 jaar. Dit is voor nieuwe gebouwen het beleid. Daarnaast is de renovatie-variant ook doorgerekend op 25 jaar en de nieuwbouwvarianten ook op 50 jaar De instandhoudingskosten bestaan uit de onderhoudskosten, belastingen, heffingen, verzekeringen en beheerskosten. Deze op basis van kengetallen en percentages berekend. Deze kosten worden jaarlijks geïndexeerd 2,91% (10 jarig historisch gemiddeld jaarcijfer CPI + 0,5%). Met deze benadering ontstaat stabiel jaarlijks kostenbeeld. De kapitaallasten worden jaarlijks lager, terwijl de budgetten voor met name voor onderhoud jaarlijks toenemen. De komende exploitatieperiode is het gepresenteerde benodigde budget dan ook voldoende budget om het gebouw volledig in stand te houden. Het theater wordt verhuurd waar een huurinkomst tegenover staat. Per saldo leidt dit tot het volgende overzicht per variant Post
Renovatie in € 25 jaar
Nieuw theater in € 40 jaar
40 jaar
50 jaar
Nieuw theater met film in € 40 jaar
50 jaar
Kosten 2.690.000 2.200.000 vastgoed
2.850.000 2.610.000
3.130.000 2.860.000
Huurinkomsten
1.860.000 1.500.000
1.800.000 1.720.000
2.000.000 1.890.000
Saldo
- 830.000
- 700.000 - 1.050.000
- 890.000 - 1.130.000
- 970.000
10 Exploitatie theater / subsidie
Theater Lampegiet heeft een eigen businesscase opgesteld en voor de drie varianten een berekening gemaakt van het te verwachten bedrijfsresultaat. Het bedrijfsresultaat is verminderd met de te betalen frictiekosten (zie hierna). Het bedrag dat overblijft is de gevraagde exploitatiesubsidie. Post
Renovatie in € 25 jaar
Exploitatie theater
Nieuw theater in € 40 jaar
3.236.000 2.876.000
40 jaar
50 jaar
Nieuw theater met film in € 40 jaar
50 jaar
3.272.000 3.192.000 3.175.000
3.065.000
Conclusie film: het toevoegen van een bioscoop leidt tot hogere vastgoedkosten. Daar staat tegenover dat de exploitatie van het theater positiever uitvalt. Per saldo is, met de huidige aanname dan ook sprake van een beperkt positief financieel effect van het toevoegen van een bioscoop.
Eénmalige kosten
In de businesscase van het theater is een garantiebudget opgenomen voor opstart- en/of frictiekosten. Lampegiet geeft aan dat een theater in de eerste jaren na de (her)opening haast onvermijdelijk te maken krijgt met onverwachte tegenvallers. Als richtlijn geldt een garantiebudget van € 500.000 (garantie € 350.000 in het eerste jaar, in het tweede jaar € 100.000 en in het derde jaar € 50.000). De ervaring elders leert dat de schouwburg in het vierde jaar na de heropening volledig op stoom zal zijn. Incidentele ondersteuning in de vorm van een garantiebudget is dan niet meer nodig.
De renovatie en een nieuw theater zijn niet 1-op-1 te vergelijken. Een nieuw theater heeft meer functionaliteiten en zoals hiervoor aangegeven is het duurzamer. In deze fase is de afschrijvingsperiode voor alle varianten doorgerekend op 40 jaar. Daarnaast is de renovatie-variant ook doorgerekend op 25 jaar en de nieuwbouwvarianten ook op 50 jaar. De tabel bevat op de volgende pagina geeft een samenvattend overzicht en vergelijking met de huidige begroting
Parkeren
In voorliggende uitgangspuntennotitie wordt voorgesteld om een ondergrondse parkeergarage toe te voegen. Afhankelijk van de exacte hoeveelheid parkeerplekken, zijn de investeringskosten bij 250-350 plekken, in een 2- of 3-laagse ondergrondse parkeergarage, berekend op € 16-22 miljoen. Omgerekend naar de jaarlijkse kapitaallasten gaat het om € 690.000 - € 950.000 per jaar. Beheer en onderhoud zijn nog niet meegerekend. Tegenover de kosten staan inkomsten van de parkeerplekken. In 2022 waren de totale parkeeropbrengsten in het gebied Duivenweide € 360.000. Duidelijk is dat bij aanvang de jaarlijkse kosten fors hoger zijn dan de opbrengsten. De ontwikkeling van de parkeertarieven, de bezettingsgraad maar ook de mogelijke grondopbrengst van toekomstige ontwikkeling van het huidige parkeerdek naar woningen bepalen in hoeverre de parkeergarage op termijn rendabel te krijgen is.
De boekwaarde van het huidige pand bedraagt ca. € 1.050.000 in 2026. Bij de keuze voor een nieuw theater of bij de keuze voor een nieuw theater met bioscoop zal deze boekwaarde eenmalig moeten worden afgeschreven. Per saldo dient rekening gehouden te worden met deze éénmalige kosten.
35
Risico’s en optimalisaties
Tot slot dient ook vermeld te worden dat de voorliggende berekening gebaseerd is op diverse aannames qua rentepercentages en prijspeilen etc. Deze kunnen in de komende jaren veranderen. De berekening moet gezien worden als een benadering om te komen tot de integrale afweging. In het vervolg zal een nadere optimalisatie en berekening plaatsvinden. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere de volgende onderdelen: • Opstellen aanbestedingsstrategie gericht op kostenbeheersing en beheersing exploitatielasten • Opzet risicomanagement voor dit specifieke project • In kaart brengen optimalisatiekansen zoals: • Circulair bouwen en afschrijvingsbeleid • Financieringsvarianten • Ontwerp- en bouwoptimalisatie • Realisatie van wonen (nu niet meegenomen in deze berekening. Dit levert mogelijk 1,5 tot 2 miljoen euro op).
Kostenoverzicht vanaf 2028 (per jaar) Post
Renovatie in €
Nieuw theater in €
Nieuw theater met film in €
25 jaar
40 jaar
40 jaar
50 jaar
40 jaar
50 jaar
Saldo vastgoedexploitatie
-830.000
- 700.000
- 1.050.000
- 890.000
- 1.130.000
- 970.000
Exploitatiesaldo theater
- 3.236.000
- 2.876.000
- 3.272.000 - 3.192.000
- 3.175.000
- 3.065.000
Totale kosten gemeente
- 4.066.000
- 3.576.000
- 4.322.000 - 4.082.000
- 4.305.000
- 4.035.000
Beschikbare dekking (begroting 20232026)
944.000
944.000
944.000
944.000
944.000
Totaal benodigde begrotingsruimte theater
- 3.122.000
- 2.632.000
- 3.378.000 - 3.138.000
- 3.361.000
- 3.091.000
- 950.000
- 950.000
- 950.000
- 4.328.000 - 4.088.000
- 4.311.000
- 4.041.000
Saldo parkeren Totaal benodigde begrotingsruimte theater + parkeren
944.000
- 950.000 - 3.122.000
- 2.632.000
De bovenstaande tabel bevat een samenvattend overzicht en vergelijking met de huidige begroting
36
11
Exploitatie
11.1 Businesscase in drie varianten Op verzoek van Theater Lampegiet zijn door BUYS Culturele profielen drie exploitatiescenario’s opgesteld. Deze indeling is in lijn met de indeling die in de Variantenstudie uit 2021 is gehanteerd, met de kanttekening dat in de studie uit 2021 ook een Variant B is opgenomen: multifunctionele zaal met mogelijkheden voor publiek-private samenwerking. Deze is vanwege het raadsbesluit over de voorkeursvariant D niet meer verder uitgewerkt en doorgerekend. Variant A: Renovatie Theater Lampegiet binnen de huidige schaalgrootte en met consolidatie van de bestaande functies en activiteiten Variant C: Het toekomstbestendig maken van de theaterfunctie binnen een schaalvergroting van Theater Lampegiet en met een meer divers activiteitenaanbod (grote en kleine zaal). Variant D: Het toekomstbestendig maken van de theaterfunctie binnen een schaalvergroting van Theater Lampegiet en door het toevoegen van één of meer complementaire functies en door het toevoegen van één of meer complementaire functies en/of ondersteunende functies aan Theater Lampegiet (grote en kleine zaal, filmfunctie, poppodiumfunctie en daghoreca). De voornoemde varianten zijn uitgewerkt in een exploitatieraming die de eerste vijf seizoenen na de ingebruikname van het nieuwe theater beslaan: 2027/2028, 2028/2029, 2029/2030, 2030/2031 en 2031/2032.
De raming is een extrapolatie van de in seizoen 2018/2019 gerealiseerde cijfers. Seizoen 2018/2019 was namelijk het laatste representatieve seizoen voor het uitbreken van de Covid-crisis. Uit de doorrekening van de varianten blijkt dat het exploitatietekort voor subsidie bij een theater met bioscoopfunctie per saldo lager uitvalt dan bij een theater zonder bioscoopfunctie. Zie ook het gepresenteerde kostenoverzicht onder 10.5.
De drie businesscases en de daarmee samenhangende rapportage zijn opgenomen in Bijlage 2 bij deze Uitgangspuntennotitie.
11.2 Second opinion op de meerjarenraming Inzake de meerjarenraming stelt BMC het volgende vast. Het document geeft een eerste inzicht in het meerjarig perspectief met betrekking tot de exploitatie van het nieuwe theater (Variant D). De exploitatiescenario’s zijn consistent doorgerekend. De meerjarige raming doet recht aan het feit dat de exploitatie na ingebruikname van het nieuwe theater een opbouwfase kent. Om die reden wordt er door Lampegiet terecht rekening gehouden met ‘aanloopverliezen’ in de eerste exploitatiejaren. De scenario’s geven inzicht in de realiteit dat schaalvergroting (lees: een groter gebouw en meer activiteiten) per saldo een substantieel hogere bijdrage vanuit de publieke middelen vraagt. Hoewel het als eerste vertrekpunt een logische benadering is, vormt het extrapoleren sec van kengetallen uit het seizoen 2018/2019 (het laatste seizoen voor de covid-crisis) naar de periode 2027/2032 een risico. Het vergroten van de capaciteit van het theater leidt niet automatisch tot meer activiteiten, meer bezoeken en hogere bestedingen. Daarnaast heeft de Covid-crisis ook tot een trendbreuk geleid in de bezoekaantallen voor bepaalde genres. De businesscase dient op dit punt nog verder te worden uitgewerkt en te worden onderbouwd, inclusief een risicoanalyse als onderdeel van een integraal Ondernemingsplan.
Dit plan moet ook meer inzicht geven welke strategische stappen de stichting de komende jaren gaat zetten om tot het beoogde concept van “altijd open, altijd aan” en de beoogde schaalvergroting te komen. De argumenten die Theater Lampegiet aandraagt voor het in eigen beheer exploiteren van de bioscoopfunctie zijn valide, maar het een en ander behoeft een bredere afweging. Zie hoofdstuk 4.
37
11 11.3 Publiek-private samenwerking Hoewel de raad in november 2021 uitdrukkelijk niet heeft gekozen voor een ontwikkelvariant die uitgaat van publiek-private samenwerking (dat was Variant B in de studie uit 2021), hebben een aantal politieke partijen de vraag gesteld om ook voor Variant D te onderzoeken of deelname van private partijen in de ontwikkeling van een nieuw theater mogelijk is. Het college heeft hierop de toezegging gedaan met de potentiële commerciële partners in gesprek te zijn. Zoals eerder aangegeven in deze notitie heeft een eerste marktconsultatie het beeld opgeleverd dat voor de bioscoopexploitatie samenwerking met een marktpartij wellicht mogelijk is. We hebben ook gesproken met een grote lokale private partij over de theaterexploitatie. Maar deze partij heeft aangegeven niet geïnteresseerd te zijn om in te stappen in een theatermodel, zoals dat in Variant D besloten ligt. Noch heeft zich een private partij zelf aangemeld. Dit komt overeen met de ervaringen die elders in het land zijn opgedaan. In het kader van deze Uitgangspuntennotitie geven we hierbij nog het volgende mee. Het is onmogelijk om op schaalgrootte schouwburgsector Nederland een exploitatie zonder substantiële gemeentelijke subsidie te draaien. Er zijn enkele voorbeelden van private theaters in Nederland.
Dit zijn Theaterhotel Roermond (Van der Valk), Stadstheater Almelo (Van der Valk), Theaterhotel Figi Zeist, Spant! Bussum en Theaterexploitatie Zeeland (Middelburg, Terneuzen, Goes). Alle genoemde theaters ontvangen een substantiële subsidie, plus een bijdrage in de vastgoedinvestering (Roermond € 5,0 miljoen + provinciaal geld; in Almelo ligt er een claim voor € 10,0 miljoen + verhoging jaarlijkse exploitatiesubsidie naar € 1,0 miljoen). Vaak wordt ook Van der Ende als mogelijke “oplossing” aangedragen, maar de schouwburg die zij exploiteren in Amsterdam (DLM) is fors verliesgevend. Voor een belangrijk deel van de genoemde exploitaties geldt dat het vastgoed in handen is van de exploitant en dat de theaterexploitatie wordt gecombineerd met een hotel- en/of congresfunctie.
38
Er zijn in diverse gemeenten in de afgelopen jaren verkenningen uitgevoerd naar mogelijk alternatieve exploitatievormen, maar die hebben per saldo weinig opgeleverd. Het is ook niet aannemelijk, zeker in deze tijd, dat er een partij te vinden is die bereid is om een investering te doen in theatervastgoed. NB Theaters in Almelo en Roermond waren ooit gemeentelijk eigendom, maar zijn door de respectievelijke gemeenten verkocht voor fl. 1,- aan Van der Valk. Een ander deel van de markt betreft evenementen- en/of musicallocaties, zoals het AFAS theater in Leusden, TheaterHangaar in Katwijk en het Circustheater in Scheveningen. Deze locaties worden weliswaar privaat geëxploiteerd, maar kennen uitdrukkelijk een ander soort programmering/bespeling dan de gemeentelijke schouwburgen/theaters. Het betreft hier musicals en/of evenementen die langdurig (soms jarenlang) worden geprogrammeerd voor een landelijk publiek. Denk hierbij aan Soldaat van Oranje of de musical over Johan Cruijff. Deze vragen technisch en logistiek ook een heel andere setting dan een “regulier” theater kan bieden. Een mogelijke rol van Basiliek is al in de studie uit 2021 aan de orde gekomen. Het businessmodel van Basiliek is een wezenlijk andere dan die van het theater. Zoals eerder aangegeven in deze Uitgangspuntennotitie, wordt de capaciteit van Basiliek bijna volledig benut met eigen activiteiten.
Samenvattend komen we tot de conclusie dat publieke-private samenwerking op het gebied van de bioscoopexploitatie wellicht mogelijk is, maar dat een dergelijke samenwerking voor het gekozen theatermodel niet erg realistisch is.
12
Het vervolg
Nadat de raad de uitgangspunten heeft vastgesteld, worden deze uitgewerkt in een stedenbouwkundig Masterplan. Dit stedenbouwkundig Masterplan geeft inzicht in de inhoud en vorm van de integrale gebiedsontwikkeling Lampegiet en Duivenweide. Maar ook in de daarmee samenhangende planning voor de ontwerp- en uitvoeringsfase. En het geeft inzicht in een (definitieve) investerings- en exploitatieraming voor de onderdelen van het Masterplan. Het stedenbouwkundig Masterplan vormt samen met het integrale Ondernemingsplan van Theater Lampegiet de onderlegger voor een aanvraag bij de raad voor het beschikbaar stellen van een voorbereidingskrediet voor de ontwerpfase. Maar eerst zal in de Kadernota een integrale afweging plaatsvinden over de financiën voor het nieuwe theater en de parkeervoorziening. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de Programmabegroting 2024 e.v. waar de raad in november van dit jaar een besluit over neemt. De routekaart hiernaast geeft globaal de stappen weer die we de komende periode gaan zetten.
Stappen 1 Vaststellen uitgangspunten 2 Masterplan opstellen 3 Uitvraag naar exploitant bioscoop: gunningsvoorwaarden en intentie-overeenkomst 4 Kadernota: integrale afweging over financiën 5 Programmabegroting: raadsbesluit over financiën 6 Raadsbesluit over Masterplan en voorbereidingskrediet 6 Voorbereiden Europese aanbesteding 8 College B&W stelt aanbestedingsstrategie vast 9 Marktconsultatie (schriftelijk en mondeling informatie ophalen om aanbesteden ‘scherp’ te kunnen formuleren) 10 Voorselectie Europese aanbesteding (selectie o.b.v. ‘papieren’ bureaupresentatie en relevante projecten/ervaring) 11 Indienen en beoordelen Ontwerp en prijs: keuze op basis van kwaliteit 12 Definitief raadsbesluit over de financiën
Tijdpad april 2023 Vanaf mei 2023 Vanaf mei 2023 juni 2023 november 2023 december 2023
39
Colofon
Deze uitgangspuntennotitie is tot stand gekomen met bijdragen van:
Namens BMC: Dick te Winkel
Namens theater Lampegiet: Patrick Marcus
Namens gemeente Veenendaal Aarnoud Aarnoudse (gemeentelijk projectleider) Else Veldhuis-Diermanse Paul van Sorge
Versie: 9 maart 2023
40
41