CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Rapportage IHP Veenendaal

Gemeenteraad 16 oktober 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Integraal Huisvestingsplan Onderwijshuisvesting 2025-204212.205 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.2 Circulair bouwen en restwaarde De gemeente en de kindpartners zetten met dit IHP ook nadrukkelijk de stap naar circulair bouwen. Daarbij wordt bewust rekening gehouden met se levensduur en de restwaarde van gebouwcomponenten en materialen. De restwaarde wordt van initiatief, oplevering tot ingebruikname in het project meegenomen, zodat duurzame keuzes al in een vroeg stadium worden gestimuleerd. Om dit mogelijk te maken, sluit de gemeente aan bij de landelijke systematiek van het Programma Onderwijshuisvesting (POHV). Deze systematiek bevat een rekenmethodiek die het mogelijk maakt om circulaire materialen en bouwdelen financieel te waarderen en op te nemen in de businesscase. Hierdoor worden circulaire keuzes economisch beter onderbouwd en aantrekkelijker binnen het totale huisvestingsproces. Circulair afschrijven wordt, conform de nota afschrijving- en activabeleid 2025, toegepast op nieuwe investeringen. Maximale circulariteit is het uitgangspunt, waarbij op projectniveau de restwaarde wordt bepaald.

6.3 Afschrijvingstermijnen De gemeente hanteert bij voorkeur de componentenbenadering. Investeringen zijn in een aantal gevallen opgebouwd uit een aantal deelinvesteringen, bijvoorbeeld grond, gebouw en installaties. Voor al deze onderdelen geld een verschillende levensduur, deze wordt op projectniveau bepaald.

23/33

Als uitgangspunt voor de financiële doorrekening in dit IHP hanteren we een afschrijvingstermijn van 50 jaar. Deze termijn past bij het uitgangspunt van de kwaliteit van de levensduurverlenging en maakt het mogelijk om verschillende scenario’s financieel goed met elkaar te vergelijken binnen het IHP.

▪

6.4 Uitgangspunten investeringsbedragen De gemeente is op grond van de wet verantwoordelijk voor de investeringslasten voor vervanging, uitbreiding en eerste inrichting. Deze middelen worden bepaald op basis van de modelverordening onderwijshuisvesting 2020 van de VNG en op basis van realistische benchmark kostenkengetallen. De middelen worden op basis van het IHP vroegtijdig gereserveerd binnen de gemeentelijke begroting en meerjarenplanning. De middelen worden voorgefinancierd op basis van het Huisvestingsprogramma en gefaseerd beschikbaar gesteld, gekoppeld aan de voortgang van het bouwproces.

Financiële uitgangspunten investeringsbedragen ▪

▪

▪ ▪

▪

▪

De genoemde bedragen zijn stichtingskosten inclusief btw en exclusief bijkomende kosten als sloopkosten, tijdelijke huisvesting en de verwerving en het bouwrijp maken van grond. Locatie gebonden kosten zoals inrichting openbare ruimte of netcongestie worden bij een specifiek projectbesluit in beeld gebracht en ten laste gebracht aan de Algemene Reserve, conform eerdere afspraken. De genoemde investeringsbedragen zijn gebaseerd op prijspeil januari 2025. Bij een nieuwe investering in nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie gaan we uit van een levensduur van 50 jaar en schrijven we af in componenten. Het uitgangspunt voor de investeringsbedragen is het kwaliteitskader, BENG en Frisse Scholen klasse B (2021). We streven daarbij waar mogelijk naar energie neutrale gebouwen (ENG). Indexatie van de bedragen vindt plaats conform de gemeentelijke PbbPsystematiek.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

▪

▪

De restwaarde reduceert de jaarlijkse kapitaallasten. Met deze ‘besparing’ kunnen de ambities mede gerealiseerd worden. In de aanpak gaan we uit van een ontwikkelingscyclus waarbij we stap voor stap kennis opdoen met circulaire restwaarde, conform POHV methodiek. Hierdoor stijgt het indicatief aandeel restwaarde per fase. In paragraaf 6.2 is de circulaire restwaarde verder toegelicht. ─ Fase 1: 4% restwaarde ─ Fase 2: 5% restwaarde ─ Fase 3: 10% restwaarde. De genoemde percentages zijn ten opzichte van de bouwkosten excl. btw. (70% van de stichtingskosten). In paragraaf 6.2 Met de programmatische aanpak verwachten we op termijn naast een voordeel in de uitvoering een voordeel in de investeringskosten te behalen. Hiervoor rekenen we in fase 2 op 5% en in fase 3 10% van de stichtingskosten. Een investering gaat gepaard met een voorbereidingskrediet. Deze bedraagt 20% van het investeringsbedrag en wordt voorafgaand aan de daadwerkelijke investering verstrekt. Dit voorbereidingskrediet is onderdeel van de genoemde investeringsbedragen. Voorbereidingskredieten worden niet separaat in de uitvoeringsagenda benoemd.

Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen, zoals bij tussentijdse huisvestingsbesluiten of bijzondere situaties, gemotiveerd afwijken van deze generieke norm.

Voorfinanciering Voor de schoolgebouwen die in fase 2 en 3 worden gerenoveerd kunnen onderwijsorganisaties al direct maatregelen treffen om de kwaliteit te verbeteren, zo kan gebruik gemaakt worden van subsidies en financieringsregelingen. In overleg met de gemeente wordt hiervoor een globaal plan opgesteld, zo zorgen we ervoor dat alle deelmaatregelen goed passen binnen het eindresultaat. Onderwijsorganisaties en andere partners kunnen vervolgens met eigen middelen alvast investeren in passende maatregelen. Hiervoor wordt een overeenkomst gesloten met de gemeente, waarin staat wanneer de gemaakte kosten worden terugbetaald. Op deze manier is het mogelijk om financiering aan te vragen, eventueel met ondersteuning van een gemeentegarantie. 24/33

Kengetallen investeringsbedragen De stichtingskosten voor het bouwen van een school hangen af van het kwaliteitsniveau en de omvang. Hoe groter het bouwproject, hoe lager de kosten per vierkante meter. In onderstaande tabel zijn de bedragen weergegeven: Prijspeil januari 2025 BENG en FS-klasse B

BO/SBO Per m² bvo

-

Tot 700 m2

€ 4.050

-

Tot 1.200 m²

€ 3.950

-

Tot 1.700 m²

€ 3.800

-

Vanaf 1.700 m²

€ 3.700

+ Toeslag energieneutraal bouwen

+ € 200

+ Toeslag (voortgezet) speciaal onderwijs

+ €150

6.5 Regeling achterstallig onderhoud schoolgebouwen Onderwijsorganisaties hebben de zorgplicht om schoolgebouwen goed te onderhouden. In de verordening (artikel 28) is hiervoor beschreven dat onderwijsorganisaties de gebouwen op conditieniveau 3 dienen te onderhouden.

levensduur op conditieniveau 3 onderhouden, tenzij anders afgesproken in de samenwerkingsovereenkomst. Indien het schoolbestuur bijv. geld bespaart door vermeden onderhoud of desinvesteringen heeft door investeringen vlak voor het einde van de levensduur dan wordt dit in overleg verrekend bij de TCO berekening. Dit geldt zowel voor permanente gebouwen als tijdelijke huisvesting, indien er voorgaand aan het betrekken van de tijdelijke huisvesting een staat van oplevering is opgemaakt en de gemeente de kosten voor achterstallig onderhoud en functionele aanpassingen volledig heeft vergoed.

TCO-benadering bij sloop Als een schoolgebouw op de nominatie staat voor sloop wordt er als onderdeel van de TCO-benadering een aparte afspraak gemaakt om van het conditieniveau af te wijken. De afspraak wordt vroegtijdig vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en het schoolbestuur.

6.6 Verhuur bij leegstand De gemeente stimuleert zoals beschreven in de visie de ontwikkeling van inclusieve kind- en jeugdcentra en investeert in nieuwe huisvesting voor kindpartners, zoals kinderopvang en welzijn. Zo willen we plekken creëren waar kinderen van 0 tot 18 jaar kunnen spelen, leren en zich ontwikkelen in een vertrouwde omgeving.

Het is echter gebruikelijk om in de periode voorafgaand aan nieuwbouw geen grote investeringen in oude gebouwen te doen. Met onderwijsorganisaties is daarom in het verleden afgesproken om geen oplevering/staat van onderhoud uit te voeren, maar om het achterstallig onderhoud generiek vast te stellen op 2 jaar lang 50% besparing op de (voormalige) MI-vergoeding die het bestuur voor onderhoud ontvangt.

Als een school door leegstand toegekende onderwijsruimte over heeft in het gebouw, kan die ruimte in overleg met de gemeente worden verhuurd aan kindpartners of andere organisaties. Dit gebeurt volgens de regels van de WPO of WVO. De huurinkomsten (ter dekking van de exploitatiekosten) gaan naar de school, zolang er geen winst wordt gemaakt en het een kindpartner betreft waarmee integraal wordt samengewerkt. Huurinkomsten mogen alleen kostendekkend zijn en zijn dus een enkel een vergoeding voor exploitatiekosten.

Het perspectief voor leegstaande gebouwen wijzigt echter vaak, bijvoorbeeld doordat gebouwen alsnog worden ingezet voor tijdelijke huisvesting. Gebouwen worden daarom voortaan, conform de verordening, weer tot het einde van de

Is er sprake van structurele leegstand, dus als een ruimte langer dan 3 jaar niet wordt gebruikt voor onderwijs? Dan kan de gemeente besluiten om die ruimte in te zetten voor gedeeld gebruik, verhuur of eventuele huurinkomsten te vorderen.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

25/33

Dat gebeurt altijd in lijn met het gemeentelijk beleid en met het doel om gebouwen zo goed mogelijk te benutten. Wanneer de gemeente investeringen in het gebouw doet om deze aan te passen voor kindpartners of de oppervlakte voor onderwijs moet uitbreiden vanwege de aanwezigheid van een partner, betaalt de kindpartner een kostprijsdekkende huur passend bij de investering.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

26/33

7. Kapitaallasten Op basis van de uitvoeringsagenda uit hoofdstuk 5 en de financiële kaders uit het vorige hoofdstuk is er een doorrekening gemaakt van de kapitaallasten gedurende de uitvoeringsperiode van het IHP. ▪ ▪

De totale investeringssom voor fase 1 bedraagt 62,8 miljoen euro excl. lopende projecten. Voor fase 2 is de totale investeringssom 38,77 miljoen euro en voor de derde fase 23,6 miljoen euro;

Dit betreft een raming op basis van stichtingskosten exclusief ruimte voor kinderopvang en bijkomende locatiegebonden kosten. Het IHP heeft een omvangrijke financiële impact op de begroting en de meerjarenplanning. De investeringen benodigd voor Fase 1 van het IHP, in de begrotingsjaren 2026-2029, zijn opgenomen in het meerjareninvesteringsplan als onderdeel van de programmabegroting 2026-2029. De investeringen voor de jaren 2030-2035, Fase 2 van het IHP, zijn opgenomen in de financiële positie van de programmabegroting voor de periode 2030 – 2035. De stijging van de kapitaallasten in deze periode wordt voornamelijk veroorzaakt door de afronding van het huidige IHP in fase 1 in combinatie met groei. De financiële effecten van de investeringen in fase 2 en 3 zijn gematigder dan fase 1, mede ten gevolge van de keuze om onderwijshuisvesting geschikt te maken door middel van renovatie.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

Dekking van kapitaallasten Tegenover de stijging van de kapitaallasten staat dat de kapitaallasten vrijvallen omdat veel oude gebouwen financieel afgeschreven zijn of in de planperiode afgeschreven worden. . De vrijval van deze lasten vormt onderdeel van de financiële dekking van het meerjareninvesteringsplan in de programmabegroting. Ook kan overwogen worden middelen vanuit subsidies, grondexploitaties en opbrengsten uit verkoop van vrijvallende (deel)locaties in te zetten voor de projecten. De mogelijkheden hiervoor worden per project inzichtelijk gemaakt als onderdeel van de TCO-berekening. Tot slot leidt de groei van leerlingen die onderwijs krijgen in de gemeente tot extra inkomsten uit het gemeentefonds. Dit verschilt per type leerlingen en varieert van €500-1500 per leerling per jaar. De exacte omvang van deze inkomsten wordt bepaald binnen de totale omvang van het gemeentefonds op basis van specifieke maatstaven voor onderwijs. Op basis van deze maatstaven 2025 bedraagt dit voor de geprognosticeerde groei ca. 0,6 miljoen euro. Dit is ongelabeld geld wat ingezet kan worden ter dekking van de stijgende kapitaallasten. Dit Integraal Huisvestingsplan Onderwijshuisvesting vormt het beleidsmatig en programmatisch kader voor de uitvoering van de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting.

De gemeenteraad maakt bij de vaststelling van de programmabegroting een integrale afweging voor de toekenning van middelen. De financieel benodigde middelen voor het IHP worden gefaseerd voorgelegd ter besluitvorming als integraal onderdeel van de programmabegroting. Om te beginnen bij fase 1 (2025-2030) in de programmabegroting 2026-2029.

27/33

8. Organisatie en programmatische uitvoering De opgave in onderwijshuisvesting is omvangrijk en complex. Veel schoolgebouwen zijn verouderd, er is sprake van groei door woningbouw en er zijn hoge ambities op het gebied van duurzaamheid, inclusie en onderwijskwaliteit. De grote opgave vraagt om een andere aanpak dan tot op heden gebruikelijk is. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de programmatische aanpak.

Programmatisch werken aan onderwijshuisvesting De gemeente en onderwijsorganisaties kiezen voor een programmatische aanpak. Dit betekent dat we de uitvoering van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) niet project voor project oppakken, maar als één samenhangend programma waarin we gezamenlijk sturen op kwaliteit, voortgang en middelen. Programmatisch werken maakt het mogelijk om projecten te koppelen aan bredere maatschappelijke opgaven, zoals kind- en jeugdcentra, energietransitie en gebiedsontwikkeling. Daarmee sluiten we aan bij bewezen werkwijzen zoals het Nederlandse POHV en het Vlaamse programma Scholen voor Morgen.

8.1 Structuur programma-organisatie De planning en investeringsraming zijn reeds vastgesteld en vormen samen het Huisvestingsprogramma. Dit programma wordt jaarlijks geactualiseerd en bestuurlijk vastgesteld. Uitgangspunt voor de kwaliteit bij de uitvoering is het kwaliteitskader van Ruimte-OK, dat zorgt voor transparantie in het proces en een gezamenlijke standaard voor onderwijskundige geschiktheid, duurzaamheid en gezonde leeromgevingen. We werken op een programmatische manier aan de uitvoering. Dit is een gezamenlijke opgave van gemeente en onderwijsorganisaties, waarbij kinderopvang en Veens Welzijn integraal worden betrokken vanwege hun rol in vroeg- en voorschoolse educatie en jongerenwerk. De uitvoering is georganiseerd op drie niveaus:

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

Strategisch in het bestuurlijke overleg (LEA/OOGO) ▪ Richting geven binnen kaders. ▪ Besluiten over doelen, middelen en prioriteiten. ▪ Borging van bestuurlijke legitimiteit. ▪ Escalatiepunt bij majeure knelpunten. Tactisch in het voor de uitvoering van het IHP in te richten programmateam: ▪ Vertalen van strategische keuzes naar programma-aanpak. ▪ Coördineren van samenhang tussen projecten. ▪ Bewaken van planning, budget en kwaliteit op programmaniveau. ▪ Voorbereiden van besluiten voor het strategisch overleg. Operationeel in specifieke projectorganisaties ▪ ⁠Concreet uitvoeren van projecten en activiteiten. ▪ Realiseren van de afgesproken resultaten binnen scope, tijd en middelen. ▪ Rapporteren over voortgang en knelpunten aan het programmateam. ▪ Samenwerken met gebruikers en stakeholders in de praktijk.

Besluitvorming en financiële verantwoording Het programma wordt binnen de gemeente op drie niveaus verantwoord, steeds in aansluiting op de gemeentelijke P&C-cyclus. Op strategisch bestuurlijk niveau vindt de verantwoording plaats via de programmabegroting, jaarrekening en tussentijdse rapportages, waarbij inzicht wordt gegeven in doelstellingen, middelen en resultaten. Op tactisch niveau levert het programmateam periodieke voortgangsrapportages op over planning, resultaten, risico’s en budgetten, waarmee de samenhang tussen projecten en de aansluiting op de P&Cdocumenten zoals Kadernota en Najaarsnota wordt geborgd. Op operationeel niveau leggen de afzonderlijke projecten verantwoording af via projectplannen, voortgangsrapportages en eindrapportages, met zowel een financiële onderbouwing als een inhoudelijke evaluatie. Zo ontstaat een sluitende lijn van strategische doelen naar tactische samenhang en operationele uitvoering.

28/33

De voortgang en de prioritering van projecten worden jaarlijks vastgelegd in het Huisvestingsprogramma en verantwoord in een voortgangsrapportage. Deze voortgangsrapportage delen wij actief via LEA nieuwsbrieven en jaarlijks in het LEA overleg als bijlage van het Huisvestingsprogramma.

Benodigde capaciteit Programmatisch werken aan onderwijshuisvesting met jaarlijks 8 tot 10 majeure investeringsprojecten vraagt een structurele inzet van capaciteit aan beide zijden. ▪

▪

Voor de gemeente betekent dit een inzet van circa 4,5 tot 6,0 fte, waaronder een programmacoördinator (1,0 fte), meerdere projectleiders (2,0–2,5 fte), een vastgoedadviseur (0,5–0,75 fte) en ondersteuning vanuit financiën, juridische zaken en inkoop (samen ca. 0,5–1,0 fte). Aan de zijde van de onderwijsorganisaties is een gezamenlijke inzet van circa 2,5 tot 3,5 fte nodig, verdeeld over beleidsmedewerkers, projectvertegenwoordigers per school en ondersteuning vanuit bedrijfsvoering. Deze inzet is noodzakelijk voor deelname aan regiegroepen, projectvoorbereiding, afstemming met gebruikers en integratie in de eigen begrotings- en verantwoordingscyclus.

Deze capaciteit is structureel van aard en vereist bestuurlijk commitment en borging in de begroting. De ambtelijke capaciteit wordt voor 50% voorzien in de programmabegroting en voor 50% wordt deze bekostigd uit de stichtingskosten van de projecten uit het IHP. Alleen met voldoende menskracht aan beide zijden kunnen we de continuïteit, kwaliteit en maatschappelijke waarde van de huisvestingsopgave realiseren.

8.2 Effecten van programmatisch werken De keuze voor een programmatische aanpak in de onderwijshuisvesting is niet alleen kansrijk, maar ook noodzakelijk. De grote opgave vraagt niet alleen om een forse financiële investering, maar ook om andere wijze van uitvoeren. Het grote aantal projecten maakt dat de traditionele, projectmatige aanpak niet meer volstaat.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

Door de uitvoering niet meer per project afzonderlijk op te pakken, maar als één samenhangend programma te benaderen, ontstaat ruimte voor regie, afstemming en meer continuïteit. Daarnaast versterken we het lerende effect, spelen we flexibeler in op onverwachte zaken in losse projecten en benutten we schaalvoordelen in geld en kennis. Ook verwachten we meer grip op de uitvoering en minder vertragingen.

Aansluiten op landelijke ontwikkelingen De programmatische aanpak sluit aan op landelijke ontwikkelingen binnen het Programma Onderwijshuisvesting, waarin gemeenten, onderwijsorganisaties en marktpartijen samenwerken aan meer standaardisatie en professionalisering. Ook binnen ons programma werken we stapsgewijs, leren we van elk project en verbeteren we continu onze werkwijze. Zo bouwen we aan een toekomstbestendige aanpak waarin we structureel kunnen omgaan met de omvang en complexiteit van de opgave.

Financiële effecten Naast deze inhoudelijke voordelen verwachten we ook financiële meerwaarde. Door integrale planning, (aansluiten op landelijke) standaardisering en schaalvoordelen voorzien we een besparing op de investeringskosten van 5% in fase 2 van het uitvoeringsprogramma, oplopend tot 10% in fase 3.

8.3 Verduurzaming door schoolbesturen Tijdens de levensduur van een schoolgebouw hebben schoolbesturen een belangrijke verantwoordelijkheid in het realiseren van onderhoud en daarbij verduurzaming. Het hanteren van een Duurzaam Meerjaren Onderhoudsplan (DMJOP) biedt daarbij een mogelijkheid om onderhoud en verduurzamingsmaatregelen integraal te plannen. Hiermee kan met beperkte meerkosten verduurzaming gerealiseerd worden die terug wordt verdiend. Daarnaast zijn er landelijk subsidiemogelijkheden en vrijblijvende specialistische kennis beschikbaar over verduurzaming en binnenklimaat via bijvoorbeeld provinciën en kennisorganisatie Ruimte-OK.

29/33

9. Bewegingsonderwijs De gemeente Veenendaal kent 21 binnensportaccommodaties waarin bewegingsonderwijs wordt gefacilieerd. De locaties hebben samen 33 zaaldelen. 10 zaaldelen zijn ouder dan 40 jaar en kunnen op termijn om renovatie/vervanging vragen. Dit is niet meegenomen binnen de capaciteitsanalyse.

en gymzaal Zuiderkruis geven gezamenlijk genoeg capaciteit voor de aanwezige scholen. Met de clustering van De Windroos, Van Leersum en CBS Tamim bij IKC Spits (Buurtlaan Oost 62) ontstaat een puzzel in de roosters. De scholen kunnen worden gehuisvest in sportzaal Aller Erf, maar deze is gevuld met Het Erf (25 klokuur) en IKC Spits krijgt een totale klokuurbehoefte van 59,25 klokuren. ▪

Zuidoost kent een capaciteitsknelling en verschillende verschuivingen van scholen, actie vereist Christelijk Lyceum Veenendaal heeft een klokuurbehoefte van 169 uur in 2039. Hiervoor zijn passende voorzieningen benodigd. De huidige sportzaal bij CLV en het inzetten van de SKF-korfbalhal vervullen niet de normatieve behoefte. Verder verplaatst De Bron Fuikenweide naar De Ambacht, dit industrieterrein wordt getransformeerd in woon-werkgebied. Fuikenweide kan in gymzaal Panorama blijven of bewegingsonderwijs volgen in gymzaal Larikslaan of de SKF-hal.

▪

Zuidwest heeft een capaciteitstekort en vervult een wijkoverstijgende functie met De Vallei Zuidwest kent de grootste normatieve behoefte met in totaal 290 klokuren, mede door Het Perron (142 uur), Het Rembrandt College (65) en De Blink (67,5). Hier staat momenteel normatief 270 uur capaciteit tegenover dat in de praktijk als 340,25 uur wordt geroosterd, mede doordat verschillende scholen uit Noordwest gebruikmaken van de faciliteiten in Zuidwest.

▪

bouwjaren zijn wel een aandachtspunt Het Ichtus College is de grootste afnemer van binnensport in West. Deze VOschool huisvest deze uren in haar sporthal en sportzaal. De basisscholen zijn voornamelijk gehuisvest in de gymzalen. De capaciteitsvraag zorgt niet voor een aanleiding tot actie in West. De bouwjaren van Sporthal West (1982), gymzaal ’t Kofschip (1978) en gymzaal Langelaar (1975) vragen wel om aandacht.

Er is gekeken naar de vraag en het aanbod van binnensportaccommodaties ten behoeve van het bewegingsonderwijs, zowel huidig als in de toekomst en zowel normatief (o.b.v. de verordening) als in de praktijk (o.b.v. roostering SSV).

9.1 Samenvatting capaciteitsanalyse In bijlage 2 is een uitgebreide analyse op wijkniveau opgenomen. Hierin zijn zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie (2039) geanalyseerd, waarbij prognoses en verschuivingen van locaties door planvormingen zijn berekend. De beschreven adviezen zijn overgenomen in de uitvoeringsagenda. ▪

In het Centrum past de capaciteit bij de (normatieve) vraag en de roostering De drie aanwezige basisscholen vullen gymzaal De Zoete Inval op een passende manier. Voor extra binnensportactiviteiten kunnen de scholen uitwijken naar andere stadsdelen, maar aan de normatieve klokuurbehoefte wordt voldaan, zowel nu als in de toekomst.

▪

In Noordwest knelt de capaciteit voor de zes basisscholen, maar de oplossing ligt wijkoverstijgend De zes basisscholen hebben een totale klokuurbehoefte van 66 uur in 2024, dit groeit naar 72 uur in 2039. De twee gymzalen kunnen deze behoefte niet volledig voorzien van capaciteit. De grootste scholen (Calvijn en Rehoboth) liggen echter op een snijvlak van de wijk. Dit wordt opgelost met de wijkoverstijgende nader te beschrijven nieuwbouwopgaves.

▪

Noord(oost) heeft in totaliteit voldoende capaciteit, maar IKC Spits vraagt om een nabije voorziening In Noord(oost) huisvesten zeven basisscholen waarvan twee speciaal (SBO De Windroos en SO C.P. van Leersumschool). Sporthal Oost, sportzaal Aller Erf

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

30/33

9.2 Conclusie capaciteitsanalyse Op basis van de wijkgerichte analyse wordt een aantal opgaves zichtbaar. Breder is er in de stad sprake van een tekort aan ruimte voor bewegingsonderwijs. Dit resulteert in bijvoorbeeld te lange reisafstanden en minder uren bewegingsonderwijs wat ten koste gaat van de onderwijskwaliteit. De specifieke opgaven betreffen: ▪

▪ ▪

Er is een uitbreiding van minimaal twee zaaldelen nodig bij het toekomstige IKC Spits, waarvan één ter vervanging van gymzaal Zuiderkruis. De overige uren kunnen in sportzaal Aller Erf worden gehuisvest. Bij deze locatie vraagt het bouwjaar (jaren 70) en de huidige situatie om een gerichte aanpak, zodat alle scholen in Noord-Veenendaal passend bewegingsonderwijs kunnen volgen. Realiseer minimaal twee extra zaaldelen bij locatie Christelijk Lyceum Veenendaal. Realiseer minimaal twee zaaldelen binnen 1 km hemelsbreed van de nieuwbouw bij (V)SO De Blink. Een locatie nabij De Vallei lijkt daarin passend, door de clustering van sportaccommodaties en de bediening van de basisscholen uit Noordwest.

De genoemde adviezen zijn opgenomen in de uitvoeringsagenda van dit voorliggend IHP.

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

31/33

Bijlagen Bijlage 1 – Factsheets gebouwen Bijlage 2 - Analyse bewegingsonderwijs

2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl

32/33

Colofon Datum: Auteur(s): Gereviewd door:

23 september 2025 Noud Hes, Erwin Veneklaas Slots

info@icsadviseurs.nl 088 - 235 04 27 2240128/20250905Lke01 | www.icsadviseurs.nl www.icsadviseurs.nlOnderdeel van ICS Ruimteregie Groep BV

33/33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16008112/1