CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Kadernota 2026-2029

Gemeenteraad 15 juli 2025, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Kadernota 2026-202910.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

KADERNOTA 2026-2029

Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE .............................................................................................................. 2 INLEIDING ............................................................................................................................ 3 LEESWIJZER ....................................................................................................................... 5 Opbouw Kadernota 2026-2029 .......................................................................................... 5 FINANCIEEL KADER ........................................................................................................... 6 Financieel vertrekpunt........................................................................................................ 6 Saldo 1e Bestuursrapportage 2025.................................................................................... 6 Technische richtlijnen 2026-2029....................................................................................... 6 Financiële gevolgen besluitvorming en formatieve kosten ................................................. 8 Overige ontwikkelingen met financiële impact .................................................................... 9 Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025.....................................................................

12 Aangenomen moties en amendementen.......................................................................... 14 Totaaloverzicht financieel meerjarenperspectief .............................................................. 16 Onderuitputting ................................................................................................................ 17 Financiële kengetallen en verloop algemene reserve....................................................... 18 Optimalisatie doelenboom ............................................................................................... 19 Financiële en beleidsmatige risico’s en ontwikkelingen .................................................... 20 BIJLAGEN .......................................................................................................................... 26 Bijlage 1: Tabel afschrijvingstermijnen per 1 januari 2025 ................................................ 26

2

Inleiding Voor u ligt de Kadernota 2026-2029, het moment om vooruit te kijken. Waar staan we als gemeente, wat staat ons te wachten en hoe zorgen we dat we klaar zijn voor de toekomst? We bevinden ons in een bijzondere periode: 2026 nadert sneller dan we denken en dat betekent niet alleen nieuwe gemeenteraadsverkiezingen, maar ook het afronden van deze bestuursperiode en het raadsakkoord. De kadernota biedt normaliter ruimte voor visie en (strategische) beleidskeuzes. Gezien de financieel uitdagende tijd waarin we ons bevinden en het feit dat 2026 het laatste jaar is van deze raadsperiode, is in deze Kadernota 2026-2029 voornamelijk voor een financiële insteek gekozen. Het huidige raadsakkoord en de daarin vermelde ambities zijn daarbij als vertrekpunt gehanteerd, en de keuzes die in deze kadernota worden voorgesteld zijn daarop afgestemd. We geven met deze kadernota inzicht in de actuele financiële stand van zaken. We hebben aandacht voor autonome ontwikkelingen, overige ontwikkelingen en uitdagingen, en werken toe naar de contouren die onze Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 gaan vormen. Een belangrijk terugkerend thema is het zogeheten ravijnjaar 2026, waarbij gemeenten te maken krijgen met een structurele daling van de bijdrage uit het gemeentefonds.

Toen in 2022 de eerste berichten verschenen over de rigoureuze ingreep van het Rijk in het gemeentefonds en duidelijk werd hoe ingrijpend hiermee het financieel perspectief van gemeenten zou veranderen, leidde dit tot een ernstige verstoring van de bestuurlijke verhouding met het Rijk. Een verstoring die nog altijd voortduurt. Sinds 2022 is de hoop op een bevredigende uitkomst steeds meer vervlogen en zijn veel gemeenten, gedwongen door de omstandigheden en regelgeving, overgegaan tot bezuinigingen en lastenverzwaring. Ook in Veenendaal hebben we dit traject doorlopen. Nu staan we op de drempel van 2026 en ligt het ravijn voor ons. Een ravijn dat iets minder diep is door de maatregelen waarover u in de Kadernota 2025-2028 heeft besloten. De inhoud van de Voorjaarsnota 2025 van het Rijk geeft zicht op enige verlichting, maar van een structurele tegemoetkoming is (nog) geen sprake. Dit is teleurstellend. Onder dit gesternte is de kadernota tot stand gekomen. Ondanks de diverse maatregelen die vorig jaar zijn genomen laat de uitgangspositie voor de kadernota, de jaarschijf 2026 uit de vastgestelde Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 nog steeds een tekort zien van afgerond € 2,6 miljoen.

Mede door de kostenontwikkelingen in het sociaal en fysiek domein en de noodzakelijke impulsen in de bedrijfsvoering sluit het financieel perspectief voor de jaren 2026 tot en met 2029 zonder aanvullende maatregelen met een negatief saldo. In deze kadernota komen we daarom met voorstellen hoe we richting de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 een sluitende meerjarenbegroting willen realiseren. Hierbij is het door ons gehanteerde uitgangspunt dat er geen middelen beschikbaar zijn en de oplossingen dus binnen de bestaande budgetten gezocht moeten worden. Daarbij zijn we scherp blijven kijken naar wat echt nodig is, wat haalbaar is en hoe we onze middelen vervolgens zo effectief mogelijk blijven inzetten. Enkele keuzes die we hebben opgenomen zijn: •

Het huidig financieel kader voor de jaren 2026 tot en met 2029 voor de jeugdzorg op dit moment niet te verhogen met de doorwerking van de kostenstijging vanuit 2024 en het kader vanuit deze kadernota als taakstellend voor deze jaren te hanteren. Hiermee wordt de huidige taakstelling op de jeugdbudgetten opgehoogd met

3

•

•

• •

afgerond € 1,4 miljoen in 2026 en 2027 en afgerond € 1,3 miljoen in 2028 en 2029. De uitdaging voor het invullen van deze taakstelling is hiermee aanzienlijk vergroot; De stelpost groei voor 2029 niet op te hogen, maar gelijk te houden aan het beschikbare bedrag in 2028. Het niet ophogen van de stelpost groei heeft een positief budgettair effect van € 500.000 in 2029. De extra lasten vanwege de groei van de gemeente dienen in dat jaar binnen de huidige budgetten opgevangen te worden; De oplossing voor de formatieve knelpunten te beperken tot hetgeen hoogst noodzakelijk is. De oorspronkelijke knelpunten, ingeschat op afgerond € 1,7 miljoen, zijn in deze kadernota teruggebracht naar een bedrag van € 549.000. Hierbij dient aangetekend te worden dat de keuzes over de invulling en de effecten op de onderliggende activiteiten ertoe kunnen leiden dat ambities of reguliere taken hierdoor onder druk komen te staan dan wel niet uitgevoerd kunnen worden; De extra inzet van een gedeelte van het surplus wat beschikbaar is in de algemene reserve voor een bedrag van € 562.000 in 2026 aflopend naar € 14.000 in 2029; In tegenstelling tot andere jaren de verwachte effecten van de Voorjaarsnota 2025 al in deze kadernota te verwerken. De voordelige effecten zijn ingeschat op € 3.284.000 in 2026, € 2.900.000 in 2027 en € 700.000 in zowel 2028 als 2029.

Wij achten deze maatregelen verantwoord, omdat we hiermee in gezamenlijkheid tot een afdoende oplossing komen. Na verwerking van alle ontwikkelingen en de voorgestelde keuzes, exclusief de inzet van het surplus van de algemene reserve, is er nog sprake van een negatief saldo van € 2.213.000 in 2026, € 541.000 in 2027, € 28.000 in 2028 en € 14.000 in 2029. De actuele stand van de algemene reserve leidt tot een hoger inzetbaar surplus. Door een deel hiervan in te zetten ontstaat het volgende beeld: (bedragen x € 1.000) Saldo Kadenota 2026 - 2029 Bijstellen reeds opgenomen surplus (10% AR), mits solvabiliteit minimaal 20%. Saldo Kadernota 2026-2029 inclusief aanvullende inzet algemene reserve

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

-2.213

-541

-28

-14

562

541

28

14

-1.651

0

0

0

In het raadsakkoord hanteren we het uitgangspunt van een structureel en reëel evenwicht in de begroting en de meerjarenraming. Er is, zoals u hierboven ziet en na inzet van een deel van het surplus van de algemene reserve, in deze kadernota sprake van een sluitende begroting in de jaren 2027 tot en met 2029. Bij de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 zal worden voorgesteld om het tekort in 2026 van (op dit moment) afgerond € 1,65 miljoen te dekken uit de algemene reserve. Na besluitvorming over deze kadernota worden de kaders uitgewerkt in de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029.

4

Leeswijzer Opbouw Kadernota 2026-2029 Dit document biedt inzicht in de financiële situatie van de gemeente Veenendaal voor de aankomende jaren en de uitdagingen die voor ons liggen. De Kadernota 2026-2029 vormt de basis voor de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029. De kadernota bevat voornamelijk het nieuwe financieel kader. Het financieel kader omvat de volgende onderdelen: -

Financieel vertrekpunt; Saldo 1e Bestuursrapportage 2025; Technische richtlijnen 2026-2029; Financiële gevolgen besluitvorming en formatieve kosten; Overige ontwikkelingen met financiële impact; Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025; Aangenomen moties en amendementen.

Bovenstaande ontwikkelingen leiden tot het financieel perspectief dat het uitgangspunt is voor de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029. Na het financieel perspectief geven wij een toelichting op de concrete invulling van de onderuitputting, nemen wij u mee in de ontwikkeling van de financiële kengetallen en het verloop van de algemene reserve, dat consequenties heeft voor de inzet van het surplus van de algemene reserve. Daarnaast geven wij u inzicht in de aangepaste planning voor de optimalisatie van de doelenboom en brengen wij financiële en beleidsmatige risico’s en ontwikkelingen in beeld. Conform de Nota afschrijving- en activabeleid 2025 (raad 3 juli 2025) vindt u in bijlage 1 de tabel met afschrijvingstermijnen.

5

Financieel kader Financieel vertrekpunt De basis voor de berekening van het financieel perspectief voor de komende jaren is de door de raad op 4 november 2024 vastgestelde Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028.Vervolgens zijn de budgettaire effecten van de septembercirculaire 2024 en de structurele gevolgen vanuit de derde bestuursrapportage 2024 verwerkt. De structurele effecten van de decembercirculaire 2024 zijn verwerkt in de eerste bestuursrapportage 2025. In onderstaande tabel wordt het vertrekpunt aangegeven. Raming 2026 -2.615 15 28 -2.572

(bedragen x € 1.000) Saldi Programmabegroting 2025-2028 Saldi septembercirculaire 2024 Saldi 3e bestuursrapportage 2024 Saldo meerjarenperspectief per 07-01-2025

Raming 2027 38 5 28 71

Raming 2028 20 23 28 71

Raming 2029 20 23 28 71

Saldo 1e Bestuursrapportage 2025 Het saldo van de eerste bestuursrapportage 2025 is hieronder opgenomen. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de betreffende rapportage. Raming 2026 -1.137

(bedragen x € 1.000) 1e bestuursrapportage 2025

Raming 2027 -1.359

Raming 2028 -1.118

Raming 2029 -1.118

Technische richtlijnen 2026-2029 Jaarschijf 2029 MIP Het Meerjaren Investeringsplan (MIP) is voor deze kadernota geactualiseerd en doorgerekend. De effecten van deze doorrekening zijn dat er 2026 en 2027 een geringe afwijking ten opzichte van het huidige perspectief ontstaat, echter in 2028 en 2029 zijn de effecten groter. Zo ontstaat in 2028 een voordeel van ruim € 2,2 miljoen. De oorzaak hiervan betreft voornamelijk vrijvallende kapitaallasten vanwege de oplevering van het theater. Bij het opstellen van de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 is namelijk rekening gehouden met volledige kapitaallasten vanaf 2028 voor het theater. Gezien de verwachting dat de oplevering pas in 2029 zal plaatsvinden ontstaat er een aanzienlijk voordeel in de raming van 2028 en is de benodigde last in 2029 lager dan oorspronkelijk was ingeschat. De aanvullende lasten van het volledige MIP zijn voor 2029 berekend op € 700.000. Dit bedrag wordt voornamelijk veroorzaakt door de investeringen die op de jaarschijf 2028 staan en vanaf 2029 tot rente- en afschrijvingslasten leiden. Met de verwerking van bovengenoemde mutaties is het financieel kader voor het MIP 20262029 beschikbaar. Wij zullen in de uitwerking naar de programmabegroting dit kader voor het MIP als taakstellend hanteren.

Het MIP 2026-2029 zal vervolgens onderdeel uitmaken van de besluitvorming over de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029. Het is daarbij belangrijk om in ogenschouw te nemen dat een globale doorkijk naar 2030 en verder een toename van de kapitaallasten laat zien. Dit is het effect van een meerjarig investeringsplan dat aanzienlijk is in de aankomende jaren, aangezien er onder andere forse investeringen in de openbare ruimte, het theater en onderwijshuisvesting op de planning staan. Een deel van de totale kapitaallasten van de investeringen landt pas in 2030 en verder.

6

We zullen daarom in aanloop naar de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 20272029 de investeringen van het MIP nogmaals nauwgezet analyseren en waar nodig met voorstellen komen, waarbij het hierboven genoemde kader het budgettaire uitgangspunt is. Doorrekening algemene uitkering Op basis van de huidige inzichten wordt de toevoeging van het accres aan het gemeentefonds in 2029 voor Veenendaal ingeschat op € 3.000.000. Dit betreft een grove inschatting, het werkelijke effect voor Veenendaal zal op basis van de meicirculaire 2025 bepaald worden. Dit effect wordt zoals gebruikelijk meegenomen bij het opstellen van de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029. Doorrekening technische richtlijnen Bij de start van de begrotingscyclus voor het volgende jaar worden richtlijnen voor de technisch-financiële parameters opgesteld. Voor de jaren 2026-2029 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • een loon- en prijsstijging van 2,7% per jaar op basis van de prijs bruto binnenlands product (pbbp) uit de septembercirculaire 2024; • een index van 2,7% voor de tarieven van de gemeentelijke heffingen op basis van de pbbp uit de septembercirculaire 2024; • een rentevoet van 3,5% voor aan te trekken financieringsmiddelen (conform de huidige meerjarenraming); •

de bouw van gemiddeld 450 woningen per jaar en een stijging van 650 inwoners per jaar.

Op basis van de huidige inschattingen is het voordelige effect van deze richtlijnen per saldo € 88.000 in 2026 en 2027 en € 13.000 in 2028 en 2029. Normaliter wordt er vanuit de technische richtlijnen ook een bedrag gereserveerd voor de groei van de gemeente. De doorrekening van 2028 naar 2029 zou een extra bedrag betekenen van € 500.000 in 2029. Gezien het financieel perspectief wordt voorgesteld om voor 2029 hiervoor geen bedrag op te nemen. De huidige raming van deze stelpost is dan in 2029 gelijk aan 2028. Het bovenstaande leidt tot de volgende financiële mutaties: Overzicht technische richtlijnen (bedragen x € 1.000) Technische richtlijnen Actualisatie jaarschijf 2029 o.b.v. huidige MIP (2025-2028) Accres 2029 (doorrekening algemene uitkering) Doorrekening technische ontwikkelingen Totaal technische richtlijnen

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

120

-246

2.283

88 208

88 -158

13 2.296

-700 3.000 13 2.313

Indexering en constante prijzen In de raadsinformatiebrief “indexering na meicirculaire 2024” van 2 juli 2024 is aangegeven dat de resultaten van het onderzoek naar het effect van de systematiekwijziging, waarbij de inkomsten van het gemeentefonds in constante prijzen worden begroot, zal worden gepresenteerd in de begroting 2026. Het verschil tussen lopende prijzen en constante prijzen 7

heeft te maken met de manier waarop prijsveranderingen, zoals inflatie, worden meegenomen in de berekening van financiële bedragen. Dit onderzoek heeft reeds plaats gevonden en de systematiekwijziging voor het berekenen van de bijdrage uit het gemeentefonds op basis van constante prijzen heeft geen grote effecten voor de gemeente Veenendaal ten aanzien van het begrotingssaldo. Derhalve is ervoor gekozen om de huidige systematiek te handhaven.

Financiële gevolgen besluitvorming en formatieve kosten Na de vaststelling van de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 zijn en worden er diverse besluiten genomen met een financiële doorwerking in de komende jaren. Het gaat specifiek om onderstaande besluiten en nog te nemen besluiten. Kadernota 2026/Ontwerpbegroting 2026 VRU In de raadsvergadering van 20 februari 2025 is de Kadernota 2026 van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de zienswijze daarop aan de orde geweest. Daarnaast is recent de ontwerpbegroting over 2026 ontvangen. Uit deze documenten blijkt dat de gemeentelijke bijdrage in 2026 met € 92.000 en vanaf 2027 met € 118.000 stijgt. Deze stijging is het gevolg van de loon- en prijsstijgingen bij de VRU die hoger uitvallen dan de gemeentelijke indexering. Parkeertarieven 2025 Op 21 november 2024 is door uw raad de Verordening parkeerbelastingen Veenendaal met daarin de parkeertarieven voor 2025 gewijzigd vastgesteld. De voordelige financiële consequenties van dit besluit voor het financieel meerjarenperspectief bedragen € 62.000 in 2026, € 74.000 in 2027, € 92.000 in 2028 en € 89.000 in 2029. Formatieve ontwikkelingen De afgelopen periode zijn er binnen de gemeentelijke organisatie meerdere formatieve knelpunten ontstaan en gesignaleerd.

De knelpunten hebben betrekking op de uitvoering van wettelijke taken, de afgesproken ambities en de reguliere bedrijfsvoering. Om de onderliggende activiteiten te kunnen (blijven) uitvoeren, is het noodzakelijk om de formatieve knelpunten op te lossen. De ontstane knelpunten en de voorgestelde oplossingen worden hieronder toegelicht: 1. Uitvoerings- en handhavingsstrategie vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) Veenendaal Op 11 maart jl. heeft het college het Uitvoerings- en handhavingsstrategie vergunningverlening, toezicht en handhaving Veenendaal (UHS) voor 2025 vastgesteld. Dit nieuwe beleid is noodzakelijk op basis van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging, welke in 2024 in werking zijn getreden. Tegelijkertijd is ook veel aanverwante regelgeving gewijzigd. En vanuit de provincie zijn dwingende aanbevelingen vanuit het Interbestuurlijk Toezicht (IBT) gedaan om te voldoen aan de wettelijke eisen. Met de provincie zijn hierover, in het kader van het preventief toezicht, afspraken gemaakt. Voor de uitvoering van de strategie is uitbreiding van de formatie noodzakelijk. Het gaat specifiek om 5 fte, waarvan 2fte voor de vergunningverlening en 3 fte voor het toezicht en handhaving. Van 2 fte kunnen de kosten doorberekend worden in de leges. Per saldo bedraagt het nadelige structurele budgettaire effect € 290.000 vanaf 2026. 2.

Formalisatie formatieplan Informatisering & Automatisering (I&A)

8

Zoals vorig jaar uitvoerig behandeld, blijkt de al jaren daadwerkelijk ingezette formatie van I&A voor een fors bedrag niet opgenomen in de begroting. Dat is vorig jaar ook als opmerking in de meerjarenbegroting 2025-2028 gemeld aan de raad en het college heeft ingestemd met de incidentele uitgaven voor 2025. De verwachting was dat er bij deze kadernota structurele middelen beschikbaar zouden zijn ter dekking. Dit blijkt niet het geval waardoor het nu alsnog in deze kadernota is opgenomen. Overigens is voor het totale bedrag van zo'n € 1,2 mln. deels dekking gevonden in realistische bijdragen van de gemeenten waar we diensten aan verlenen. Per saldo is € 880.000 extra benodigd. Als de formatie niet op niveau gebracht wordt, bestaat het risico dat ook de dienstverlening aan andere gemeenten niet conform de afspraken plaatsvindt. De consequentie hiervan is dat we de reeds geraamde inkomsten vanuit de DVO’s niet of niet volledig kunnen realiseren. 3. Overige formatieve knelpunten Naast de hierboven aangegeven knelpunten zijn er meerdere formatieve ontwikkelingen zichtbaar die tevens om een oplossing vragen. Deze knelpunten zijn zichtbaar binnen alle thema’s (Ruimte, Samenleving, Bedrijfsvoering en Dienstverlening).

Het gaat dan specifiek om formatieve knelpunten bij het Klantcontactcentrum, archief, ruimtelijk beleid en ruimtelijke initiatieven, databeheer openbare ruimte, P&O, Wmo, onderwijshuisvesting, werk en inkomen, volkshuisvesting en economie. Met de totale inventarisatie van de overige formatieve knelpunten is een bedrag van € 1.691.000 gemoeid. Naast deze knelpunten moet een concern brede taakstelling ook nog deels worden gerealiseerd. Na een kritische beoordeling en onderzoek naar welke knelpunten alsnog intern kunnen worden opgelost en wat echt onontkoombaar is, hebben we het genoemde bedrag met omstreeks € 600.000,- kunnen verlagen. Ondanks deze reductie is het voor de uitvoering van eerdergenoemde taken en ambities noodzakelijk dat er op diverse organisatieonderdelen extra formatie beschikbaar komt. Het gaat in totaal dan nog om een structureel bedrag van € 1.098.000 vanaf 2026. Gezien het financieel perspectief en ten behoeve van het kunnen realiseren van een sluitende begroting is in het financieel perspectief in deze kadernota het bedrag gehalveerd naar € 549.000.

Dit betekent wel dat in het bestuurlijk-ambtelijke samenspel bezien moet worden welke formatieverzoeken niet of gedeeltelijk worden ingevuld, waarbij nadrukkelijk ook rekening gehouden moet worden met het feit dat ambities of reguliere taken hierdoor onder druk komen te staan dan wel niet uitgevoerd kunnen worden. Overzicht van besluitvorming en formatieve kosten (bedragen x € 1.000) Besluitvorming en formatieve kosten Kadernota / ontwerpbegroting VRU 2026 (raad 20 feb 25 + juni) Parkeertarieven 2025 (raad 21 nov 24) U&H Strategie en VTH 3 fte (college 11 maart 25) Formalisatie formatieplan I&A (college 17 dec 24) Formatieontwikkelingen 50% Totaal besluitvorming en formatieve kosten

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

-92 62 -290 -880 -549 -1.749

-118 74 -290 -880 -549 -1.763

-118 92 -290 -880 -549 -1.745

-118 89 -290 -880 -549 -1.748

Overige ontwikkelingen met financiële impact Er zijn diverse overige ontwikkelingen die op ons afkomen en in financiële zin in deze kadernota hun beslag krijgen. Het betreft met name de onderstaande ontwikkelingen.

9

Kostenstijging jeugdzorg Op basis van de definitieve jaarrapportage van de regio JeugdFV over 2024 is er sprake van een verdere (structurele) kostenstijging van de jeugdzorg. Als we deze kostenstijging laten doorwerken in ons meerjarenperspectief dan is er sprake van een negatief effect van afgerond € 1,4 miljoen in 2026 en 2027 en afgerond € 1,3 miljoen in 2028 en 2029. Deze kostenstijging dient in samenhang bezien te worden met het huidige budgettaire kader en de door de raad vastgestelde taakstellingen op de jeugdzorg. Daarbij is het uitgangspunt dat we kostenstijgingen trachten op te lossen binnen de huidige budgetten. En in de afgelopen periode heeft met name de kostenstijging in de jeugdzorg reeds een groot beslag gelegd op de gemeentelijke middelen. Om deze kosten te beheersen zijn we, naast het uitvoeren van de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd en het uitvoeren van de reeds eerder ingezette maatregelen, met de raad het traject ‘Grenzen aan onze jeugdzorg’ gestart. Dit traject dient ter facilitering van de raad in het maken van bewuste keuzes omtrent de verdeling van schaarse middelen over de jeugdigen in Veenendaal. Dit mede om de jeugdzorg in Veenendaal in financieel opzicht toekomstbestendig te maken. Na de consultatie van de raad over de verdere uitvoering van het traject, zullen de inhoudelijke maatregelen nader worden uitgewerkt.

Het definitieve voorstel met keuzes zal naar verwachting in oktober 2025 aan de raad ter besluitvorming worden voorgelegd. Vervolgens worden deze keuzes verwerkt in de verordening die in het eerste kwartaal van 2026 aan u ter besluitvorming wordt voorgelegd. Het kabinet heeft daarnaast in haar voorjaarsnota aangekondigd voor 2026 en 2027 incidenteel aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor de jeugdzorg op basis van het rapport ‘Groeipijn’. Hiermee kan de geraamde rijksvergoeding voor deze jaren worden gerealiseerd en kan de geraamde taakstelling op grond van de hervormingsagenda jeugd voor de jaren 2026 en 2027 worden ingevuld. Zie voor een nadere toelichting de tekst onder het kopje ‘Voorjaarsnota 2025’. Ook houden we in deze kadernota rekening met de verwachte kostenstijging in 2026 als gevolg van de wettelijke verplichting om reële tarieven te hanteren bij de jeugdzorg. Zie hiervoor de toelichting onder het kopje ‘Indexatie Wmo/Jeugdzorg’. Gelet op het bovenstaande stellen we voor om het huidig financieel kader voor de jaren 2026 tot en met 2029 voor de jeugdzorg op dit moment niet te verhogen met de doorwerking van de kostenstijging vanuit 2024 en het kader vanuit deze kadernota als taakstellend voor deze jaren te hanteren.

En daarbij het mogelijke risico op overschrijding van dit kader, naast het reeds bestaande risico over de haalbaarheid van de vastgestelde taakstellingen, in de risicoparagraaf te verwerken. Hiermee wordt immers de facto de uitdaging voor het terugdringen van de kosten van de jeugdzorg vergroot. Indexatie Wmo/Jeugdzorg In de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 is vastgelegd dat we vanaf 2026 voor alle gemeentelijke budgetten de pbbp-systematiek voor de indexering hanteren. Deze pbbp-systematiek wordt ook door het Rijk gehanteerd bij de berekening van het gemeentefonds. Voor 2026 bedraagt deze indexering 2,7% (zie de technische richtlijnen). Bij de budgetten met betrekking tot de Wmo en de Jeugdzorg zijn we op basis van de wet- en regelgeving (AmvB) verplicht om reële tarieven te hanteren bij de inkoop van de zorg. Concreet is deze verplichting vorm gegeven via de OVA/PPC systematiek. Voor 2026 is deze OVA/PPC indexering ingeschat op 4,24%. Om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting dienen we voor de Wmo en Jeugdzorg de effecten van de aanvullende indexering in het financieel meerjarenperspectief voor 2026 te verwerken. De structurele budgettaire consequenties zijn voor de Wmo € 235.000 in 2026 en voor de jeugdzorg € 776.000 in 2026.

10

Indien we ervan uit zouden gaan dat bovenstaande ontwikkeling (specifiek: het huidige verschil tussen de pbbp- en de OVA-PPC-index) zich ook in de jaren 2027 en volgende jaren voor zal doen, dan loopt het negatieve budgettaire effect verder op met afgerond € 0,7 miljoen in 2027 naar € 2,2 miljoen in 2029. Op dit moment hebben we echter geen zicht op de OVA/PPC indices voor 2027 en volgende jaren. Mogelijk dat deze indexpercentages ook af zullen wijken van de pppb-systematiek, maar hierover bestaat nog geen zekerheid. Wij zien deze ontwikkeling daarom vooralsnog als een risico en zullen erop terugkomen zodra hier meer duidelijkheid over is. GGDrU ontwerpbegroting 2026 Recent is de ontwerpbegroting van de GGDrU voor 2026 ontvangen. De voorgestelde begroting is beleidsarm en houdt rekening met de financiële situatie van gemeenten. In totaal wordt door gemeenten in de regio Utrecht € 475.000 bezuinigd op maatwerk, naast een algemene taakstelling van € 300.000. Dit leidt tot een gezamenlijke bezuiniging van € 775.000 op de GGDrU als geheel. Ondanks nodige bezuinigingen op lokaal maatwerk kan Veenendaal belangrijke programma’s voortzetten, zij het in afgeschaalde vorm. Denk aan programma’s als Stevig Ouderschap, de Gezonde School-aanpak en betrokkenheid van de GGD in lokale teams.

Gezondheidsbevordering is een wettelijke, maar kwetsbare taak van de GGDrU door landelijke en lokale bezuinigingen, wat heeft geleid tot een krimp van 8 fte op een team van 25 fte. Het algemeen bestuur van de GGDrU heeft daarom ingestemd met het structureel onderbrengen van 2 fte binnen de basisdienstverlening om de continuïteit van kennis, advies en preventie te waarborgen. Op basis van deze begroting zal de gemeentelijke bijdrage structureel € 26.000 hoger uitvallen dan beschikbaar is in het huidig financieel meerjarenperspectief. De stijging wordt enerzijds veroorzaakt door de verhoging met 2 fte (zoals hierboven beschreven) en anderzijds doordat de GGDrU een andere loon- en prijsindexering toepast dan waar we gemeentelijk rekening mee houden. Masterplan theater Bij de behandeling van het masterplan van het nieuwe theater in de raadsvergadering van 21 november 2024 is aangegeven dat het theater vanaf 2029 in haar exploitatie te maken krijgt met aanloopverliezen in de jaren 2029, 2030 en 2031. Deze verliezen bedragen resp. € 350.000 in 2029, € 100.000 in 2030 en € 50.000 in 2031. In deze kadernota is het tekort in 2029, ad € 350.000, verwerkt. Gezien het incidentele karakter van deze mutatie, wordt voorgesteld om de € 350.000 te onttrekken aan de algemene reserve.

Overzicht ontwikkelingen met financiële impact (bedragen x € 1.000) Ontwikkelingen vanaf 2026 Kostenstijging Jeugdzorg Indexering Wmo AmvB Reele prijzen / contracten Indexering Jeugdzorg AmvB reele prijzen / contracten GGDrU Ontwerpbegroting (raad juni 25) Masterplan Theater Dekking masterplan Theater vanuit algemene reserve Totaal ontwikkelingen

11

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

0 -235 -776 -26

0 -235 -776 -26

0 -235 -776 -26

-1.037

-1.037

-1.037

0 -235 -776 -26 -350 350 -1.037

Overige kleine ontwikkelingen met financiële impact Aanschaf applicatie burgerzaken Voor een efficiënte uitvoering van de E-diensten bij het klantcontactcentrum is de aanschaf van een specifieke applicatie noodzakelijk. Door deze applicatie zal de kwaliteit van dienstverlening voor de burger toenemen, wat in lijn is met het raadsakkoord. En deze ontwikkeling sluit goed aan bij ons profiel als ICT-stad. Met het aanschaffen van de applicatie is een structureel bedrag gemoeid van € 95.000. Dit is verwerkt in het perspectief. Rentelast nieuwbouw theater Op 21 november 2024 heeft u een voorbereidingskrediet voor de nieuwbouw van het theater beschikbaar gesteld. Omdat de kapitaallasten pas m.i.v. 2027 geraamd zijn in de begroting, is voor de rentelast in 2026 een incidenteel bedrag van € 15.000 nodig. Veense Huiskamer Tot en met 2025 is de Veense Huiskamer voor de helft van de jaarlijkse kosten gefinancierd uit IZA-middelen. Oorspronkelijk zou dit gedeelte gedekt worden uit externe financiering via het Oranjefonds op het moment dat Veens Welzijn de ANBI-status zou verwerven. Deze aanvraag is echter afgewezen. Nu de incidentele middelen wegvallen is het wenselijk om dit gedeelte van de kosten structureel te borgen. Het gaat specifiek om een structureel bedrag van € 25.000 vanaf 2026. Overige kleine ontwikkelingen met financiële impact Raming 2026 -95 -15 -25 -135

(bedragen x € 1.000) Aanschaf applicatie burgerzaken Rentelast nieuwbouw theater Veense Huiskamer Totaal overige kleine ontwikkelingen

Raming 2027 -95 0 -25 -120

Raming 2028 -95 0 -25 -120

Raming 2029 -95 0 -25 -120

Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025 Voorjaarsnota 2025 Op 18 april jl. is door het Rijk de Voorjaarsnota 2025 gepubliceerd. De voorjaarsnota geeft een vooruitblik op de rijksbegroting voor de komende jaren. Over de gevolgen worden we geïnformeerd via de meicirculaire 2025. Conform de huidige beleidslijn worden de structurele financiële gevolgen vanuit de meicirculaire 2025 verwerkt in de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029. Gezien de importantie en het verwachte substantiële budgettaire effect van de voorjaarsnota met betrekking tot ons meerjarenperspectief achten wij het zinvol deze effecten te betrekken bij de keuzes in deze kadernota, waarna de verwerking -zoals gebruikelijk- plaatsvindt in de programmabegroting. In de voorjaarsnota wordt in financiële zin voor de gemeenten voornamelijk ingegaan op de kostenstijging in de jeugdzorg. Het kabinet heeft de adviezen vanuit het Rapport ‘Groeipijn’ van de deskundigencommissie beoordeeld en voor de jaren 2026 en 2027 overgenomen. In haar vervroegde tweede advies zal de commissie Van Ark begin 2027 haar oordeel vellen over de verhouding tussen kosten en budget voor jeugd over de jaren 2025, 2026 en een inschatting maken voor het lopende jaar 2027. Maar ook over de jaren daarna: 2028 en verder.

12

Concreet gaat het om de volgende maatregelen: - Het dempen van de terugval van het gemeentefonds in 2026 met afgerond € 400 miljoen (van € 2,4 miljard naar € 2 miljard). In het overleg hierover met de VNG is door het Rijk aangegeven dat dit bedrag specifiek is toe te rekenen aan de financiering jeugd binnen het gemeentefonds. Vanaf 2028 dient de terugval weer via maatregelen binnen de jeugdzorg opgevangen te worden; - Het voor 50% dempen van het structurele tekort in de jeugdzorg met € 414 miljoen vanaf 2025. Ook hier dient het budgettaire effect vanaf 2028 via maatregelen binnen de jeugdzorg gedekt te worden; - Het ingroeipad van de maatregelen uit de Hervormingsagenda wordt voor 2026 en 2027 verzacht met respectievelijk € 498 miljoen en € 447 miljoen. Vanaf 2028 komt er een nieuw ‘Financieel arrangement’ voor de jeugdzorg. Dit arrangement wordt mede gebaseerd op het volgende advies van de deskundigencommissie die al vervroegd (in 2027) beschikbaar zal komen. Het Rijk gaat er in de Voorjaarsnota 2025 van uit dat er vanaf 2028 extra maatregelen getroffen worden om de kosten van het stelsel verder te beheersen. Er is dus nog geen structurele oplossing. Daarom gaan we er in deze kadernota vanuit dat de effecten van de Voorjaarsnota 2025 slechts effect hebben op de jaren 2026 en 2027 van ons meerjarenperspectief.

Het dempen van de terugval van het gemeentefonds levert ons in 2026 en 2027 naar verwachting resp. € 1.360.000 en € 1.435.000 op. De compensatie voor het structurele tekort in de jeugdzorg wordt ingeschat op € 1.697.000 in 2026 en 2027. In de tweede bestuursrapportage 2024 is reeds rekening gehouden met een structurele inkomstenraming(rijksvergoeding) van € 860.000. Per saldo is er sprake van een voordelig financieel effect van € 837.000 in 2026 en 2027. De verzachting van de ingeboekte besparingen vanuit de Hervormingsagenda Jeugd in het gemeentefonds in 2026 en 2027 zal naar verwachting voor Veenendaal een voordelig financieel effect opleveren van € 2.042.000 in 2026 en € 1.833.000 in 2027. Het kabinet gaat er -net als de deskundigencommissie- vanuit dat het niet realistisch is dat deze besparingen op basis van de huidige inzichten gerealiseerd kunnen worden. Deze compensatie heeft een rechtstreekse relatie met de ingeboekte taakstellingen in ons financieel meerjarenperspectief op grond van deze besparingen vanuit de Hervormingsagenda Jeugd. Ook wij gaan ervan uit dat deze taakstellingen in 2026 en 2027 niet gerealiseerd kunnen worden. Voorgesteld wordt om de te ontvangen rijksvergoeding in te zetten voor de invulling van deze taakstellingen van € 1.655.000 in 2026 en € 1.905.000 in 2027.

Naast de ontwikkelingen bij de jeugdzorg zijn ook diverse overige ontwikkelingen in de voorjaarsnota opgenomen die financiële gevolgen hebben voor de gemeente. We hebben een inschatting gemaakt van de budgettaire effecten van deze ontwikkelingen. Het gaat concreet om de volgende 2 ontwikkelingen: 1. BTW compensatiefonds (BCF-stelpost) In de voorjaarsnota is de definitieve afrekening van het BTW compensatiefonds over 2024 verwerkt. De definitieve afrekening valt € 115 miljoen negatief uit. Dit bedrag wordt onttrokken aan het gemeentefonds. Omdat wij structureel in onze meerjarenbegroting rekening houden met de meest recente opgave van het BTW compensatiefonds heeft deze verlaging voor Veenendaal een structureel negatief effect van € 400.000. 2. Accres LPO prijsdeel 2025 Het Rijk heeft in de voorjaarsnota het accres geactualiseerd voor de macroeconomische cijfers van het Centraal Economisch Plan (CEP) 2025. Op basis van deze cijfers is het accres voor het prijsdeel opgehoogd met name vanwege de hogere

13

inflatie. Voor Veenendaal betekent dit een structureel hogere algemene uitkering van € 1.100.000. In deze kadernota wordt voorgesteld om deze extra compensatie vanwege inflatie niet in te zetten voor de aanpassing van de budgetten maar als dekking in te zetten voor de tekorten in het meerjarenperspectief. Hierdoor bestaat het risico dat de prijsstijgingen niet binnen de huidige budgetten kunnen worden opgevangen. Zoals hierboven aangegeven zijn de bedragen gebaseerd op inschattingen. De werkelijke uitkomsten zullen bekend zijn zodra we de meicirculaire 2025 hebben ontvangen en doorgerekend. CAO afspraak 2025 Recent zijn de werkgevers en de bonden het eens geworden over de CAO voor het gemeentepersoneel. Op basis van deze afspraken blijkt dat de loonstijging in 2025 lager uitvalt dan waarmee in de begroting rekening was gehouden. Het structurele voordeel wordt op dit moment ingeschat op € 925.000. De nieuwe CAO loopt tot en met 31 maart 2027, bij het bepalen van het structurele voordeel is rekening gehouden met een stelpost voor de loonontwikkeling vanaf 31 maart 2027 op basis van de indexatie conform de pbbp-index. De werkelijke CAO ontwikkelingen na 31 maart 2027 en aanpassingen in de premies voor sociale lasten kunnen voor afwijkingen zorgen.

Overzicht effecten Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025 (bedragen x € 1.000) Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025 VJN demping ravijnjaar, aandeel Jeugd, 424 miljoen, aandeel 0,34% VJN compensatie Jeugd 414 miljoen, aandeel 0,41% Reeds in begroting opgenomen rijksvergoeding VJN groeipad HVA Jeugd Invulling taakstelling HVA i.v.m. groeipad Doorrekening VJN afrekening BCF stelpost Doorrekening effect LPO accres prijsdeel 2025 Doorrekening effect nieuwe CAO onderhandeling Totaal Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

1.360 1.697 -860 2.042 -1.655 -400 1.100 925 4.209

1.435 1.697 -860 1.833 -1.905 -400 1.100 925 3.825

-400 1.100 925 1.625

-400 1.100 925 1.625

Aangenomen moties en amendementen Bij de besluitvorming over de Kadernota 2025-2028 en de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 heeft de raad diverse moties en amendementen aangenomen. Onderstaand wordt ingegaan op de moties en amendementen die relevant zijn voor deze Kadernota 2026-2029. M2024.29 Meer uit Gemeentefonds dan minder OZB Afgelopen jaar heeft u een motie aangenomen over het matigen van de OZB-stijging als er extra middelen vanuit het Rijk komen. Concreet luidt deze motie: Indien het Rijk haar bezuinigingen op het gemeentefonds terugdraait en de verwachte tekorten bij de gemeente vanaf het zogeheten ravijnjaar 2026 gaat dekken, de raad voor te stellen om de boven trendmatige OZB verhogingen voor de jaren 2026, 2027 en 2028 (verder) te matigen. Zoals u hierboven hebt kunnen vernemen, heeft het kabinet in haar voorjaarsnota extra middelen beschikbaar gesteld voor het dempen van de terugval van het gemeentefonds. In 14

de toelichting hierop is door de VNG aangegeven dat deze demping betrekking heeft op de financiering van jeugd in het gemeentefonds. En het kabinet stelt op dit moment slechts per saldo voor twee jaar aanvullende middelen beschikbaar. Gelet op deze informatie en het financieel meerjarenperspectief achten wij het niet raadzaam om deze middelen in te zetten voor het matigen van de OZB-stijging. Het heeft immers geen structureel effect. A2024.49 “Schrappen MAZL-bezuiniging” Per amendement heeft u vorig jaar besloten om de voorgestelde bezuiniging van € 55.000 met betrekking tot de ‘MAZL-begeleiding bij ziekteverzuim’ vanaf 2026 te schrappen en dit te dekken door een extra besparing op de kosten van de jeugdzorg vanuit het besparingspotentieel van de Hervormingsagenda Jeugd (HVA). En daarbij tevens besloten om deze maatregel en het besparingspotentieel van de HVA opnieuw te overwegen bij de Kadernota 2026-2029. Het Rijk heeft in haar Voorjaarsnota 2025 aangekondigd dat gemeenten voor 2026 en 2027 gecompenseerd worden voor de eerder ingeboekte besparingen vanuit de HVA. Hiermee kan deze heroverweging met 2 jaar uitgesteld worden. Nu wordt het MAZL-project op regionale basis uitgevoerd. Voor Veenendaal vindt dit project in gezamenlijkheid met Rhenen en Renswoude plaats. In Rhenen is de voorzetting van dit project onderdeel van de bezuinigingsmogelijkheden.

De besluitvorming hierover kan daarmee gevolgen hebben voor de voortzetting van het project. M2024.46 Motie Eerlijkere kostenverdeling rioolheffing Door complexiteit van de materie is de in de motie gevraagde planning niet gehaald en daarom is er nog geen andere heffingsmethodiek voor de rioolheffing in deze kadernota verwerkt. Voor het zomerreces zal een raadsinformatiebrief over de motie worden aangeboden. Daarin lichten we de verschillende, mogelijke heffingsmethodieken toe met alle voor- en nadelen inclusief de randvoorwaarden. Besluitvorming over de heffingsmethodiek kan dan na het zomerreces plaatsvinden. Een andere heffingsmethodiek voor de rioolheffing is overigens niet van invloed op het saldo van de kadernota. De rioolheffing mag immers niet meer dan 100% van de (toegerekende) lasten bedragen. Er is sprake van een kostendekkend systeem. M2024.45 Motie Themabijeenkomst Integraal groenbeleid Conform deze motie worden de uitkomsten van de bijeenkomst van 8 mei jl. gebruikt bij het opstellen van een actuele visie op de groenstructuur en het groenbeleid voor Veenendaal. Deze visie wordt verwerkt in de Omgevingsvisie (die eind 2025 aan de raad wordt aangeboden) en daarna uitgewerkt in het samenhangende (omgevings)programma Groen, Water en Klimaat.

Bij het uitwerken van het omgevingsprogramma (en mogelijke alternatieven daarin) worden ook de financiële consequenties inzichtelijk gemaakt, zodat de raad realistische keuzes kan maken en daarbij passende budgetten beschikbaar kan stellen.

15

Totaaloverzicht financieel meerjarenperspectief Bovengenoemde ontwikkelingen resulteren in het volgende meerjarenbeeld: (bedragen x € 1.000) Saldi Programmabegroting 2025-2028 Saldi septembercirculaire 2024 Saldi 3e bestuursrapportage 2024 Saldo meerjarenperspectief per 07-01-2025 1e bestuursrapportage 2025 Saldo na 1e bestuursrapportage 2025 Besluitvorming en formatieve kosten Kadernota / ontwerpbegroting VRU 2026 (raad 20 feb 25 + juni) Parkeertarieven 2025 (raad 21 nov 24) U&H Strategie en VTH 3 fte (college 11 maart 25) Formalisatie formatieplan I&A (college 17 dec 24) Formatieontwikkelingen 50% Totaal besluitvorming en formatieve kosten Saldo na raads- en collegevoorstellen Technische richtlijnen Actualisatie jaarschijf 2029 o.b.v.

huidige MIP (2025-2028) Accres 2029 (doorrekening algemene uitkering) Doorrekening technische ontwikkelingen Totaal technische richtlijnen Saldo na technische richtlijnen Ontwikkelingen vanaf 2026 Kostenstijging Jeugdzorg Indexering Wmo AmvB Reele prijzen / contracten Indexering Jeugdzorg AmvB reele prijzen / contracten GGDrU Ontwerpbegroting (raad juni 25) Masterplan Theater Dekking masterplan Theater vanuit algemene reserve Totaal ontwikkelingen Saldo na ontwikkelingen Aanschaf applicatie burgerzaken Rentelast nieuwbouw theater Veense Huiskamer Totaal overige kleine ontwikkelingen Saldo na overige ontwikkelingen Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025 VJN demping ravijnjaar, aandeel Jeugd, 424 miljoen, aandeel 0,34% VJN compensatie Jeugd 414 miljoen, aandeel 0,41% Reeds in begroting opgenomen rijksvergoeding VJN groeipad HVA Jeugd Invulling taakstelling HVA i.v.m. groeipad Doorrekening VJN afrekening BCF stelpost Doorrekening effect LPO accres prijsdeel 2025 Doorrekening effect nieuwe CAO onderhandeling Totaal Voorjaarsnota 2025 en CAO afspraak 2025 Saldo Kadenota 2026 - 2029 Bijstellen reeds opgenomen surplus (10% AR), mits solvabiliteit minimaal 20%. Saldo Kadernota 2026-2029 inclusief aanvullende inzet algemene reserve

16

Raming 2026 -2.615 15 28 -2.572 -1.137 -3.709

Raming 2027 38 5 28 71 -1.359 -1.288

Raming 2028 20 23 28 71 -1.118 -1.047

Raming 2029 20 23 28 71 -1.118 -1.047

-92

-118

-118

-118

62 -290 -880 -549 -1.749 -5.458

74 -290 -880 -549 -1.763 -3.051

92 -290 -880 -549 -1.745 -2.792

89 -290 -880 -549 -1.748 -2.795

120

-246

2.283

88 208 -5.250

88 -158 -3.209

13 2.296 -496

-700 3.000 13 2.313 -482

0 -235 -776 -26

0 -235 -776 -26

0 -235 -776 -26

-1.037 -6.287 -95 -15 -25 -135 -6.422

-1.037 -4.246 -95 0 -25 -120 -4.366

-1.037 -1.533 -95 0 -25 -120 -1.653

0 -235 -776 -26 -350 350 -1.037 -1.519 -95 0 -25 -120 -1.639

1.360 1.697 -860 2.042 -1.655 -400 1.100 925 4.209 -2.213

1.435 1.697 -860 1.833 -1.905 -400 1.100 925 3.825 -541

-400 1.100 925 1.625 -28

-400 1.100 925 1.625 -14

562

541

28

14

-1.651

0

0

0

Het financieel meerjarenperspectief laat -voorafgaand aan de aanvullende inzet van de algemene reserve- een negatief saldo zien van € 2.213.000 in 2026, € 541.000 in 2027, € 28.000 in 2028 en € 14.000 in 2029. Inzet surplus algemene reserve Op basis van de huidige en toekomstige ontwikkeling van de algemene reserve verwachten we een hoger bedrag in te kunnen zetten voor de dekking van het meerjaren tekort. De richtlijn is dat er maximaal 10% van het surplus vanuit de algemene reserve hiervoor mag worden ingezet, mits er ook sprake is van een solvabiliteit van minimaal 20%. Gezien het huidige perspectief is het niet noodzakelijk om in 2028 en 2029 de volledige 10% van het surplus in te zetten. Op basis van de huidige inschattingen kan de bijdrage vanuit de algemene reserve opgehoogd worden met € 562.000 in 2026, € 541.000 in 2027, € 28.000 in 2028 en € 14.000 in 2029. Daarmee is de inzet van de reserve in 2026 en 2027 10%, in 2028 6% en in 2029 8%. Na de inzet van het surplus van de algemene reserve bedraagt het saldo in 2026 € 1.651.000 (negatief) en is het saldo in de jaren 2027 tot en met 2029 nihil. Het perspectief van deze kadernota loopt tot en met 2029. Zoals eerder al in deze kadernota vermeld, is het wel belangrijk om in ogenschouw te nemen dat een globale doorkijk vanaf 2030 een toename van de kapitaallasten laat zien.

Dit is het effect van een meerjarig investeringsplan dat aanzienlijk is in de aankomende jaren, aangezien er onder andere forse investeringen in de openbare ruimte, het theater en onderwijshuisvesting op de planning staan. Een deel van de totale kapitaallasten van deze investeringen landt pas in 2030 en verder. We zullen daarom in aanloop naar de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 20272029 de investeringen van het MIP nogmaals nauwgezet analyseren en waar nodig met aangepaste voorstellen komen.

Onderuitputting In de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 is, na verwerking van de aangenomen amendementen, een stelpost onderuitputting opgenomen van afgerond € 1,3 miljoen. Mede op basis van de afwijkingen vanuit de jaarstukken 2024 heeft een eerste inventarisatie plaatsgevonden voor de invulling van deze stelpost. Uit deze eerste inventarisatie blijkt dat op dit moment al een gedeelte van de stelpost onderuitputting van € 1,3 miljoen toegerekend kan worden naar de specifieke taakvelden. De komende periode vindt een nadere analyse plaats, waarbij onderzocht wordt hoe we verder invulling kunnen geven aan deze stelpost. In de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 komen wij bij u hierop terug. Recent is in het parlement een motie aangenomen die gemeenten de mogelijkheid moet bieden om, net als het Rijk, een algemene stelpost voor de onderuitputting op te nemen. De minister heeft de motie ontraden en daarbij aangegeven dat de motie in strijd is met de huidige BBV regels. Zolang de BBV regels niet zijn aangepast, wordt ook vanuit de provincie geadviseerd om hier geen gebruik van te maken.

17

Financiële kengetallen en verloop algemene reserve Ontwikkeling schuldquote Om de ambities waar de gemeente voor kiest te realiseren heeft de gemeente veel extra financieringsmiddelen nodig waardoor de schuldquote behoorlijk gaat oplopen. De schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van een gemeente ten opzichte van de eigen middelen (berekend als schulden gedeeld door jaarlijkse baten) en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Het gemeenschappelijke financieel toezichtkader (GTK 2020) van de provincie geeft als signaleringswaarde risicovol bij een schuldquote van > 130%. De komende jaren zien we dat de schuldquote boven deze grens gaat uitkomen. Ook als we rekening houden met een stevige onderuitputting bij de investeringen en hogere reserves wordt de bovengrens van 130% in 2032 bereikt. Gelet op deze ontwikkeling is contact opgenomen met de provincie. De provincie heeft desgevraagd aangegeven dat de ontwikkeling van de schuldquote één van de criteria is die een rol spelen bij de beoordeling van de gemeentelijke positie. Zij adviseert een gedegen financiële onderbouwing te maken van de gehele gemeentelijke financiële positie en de schuldquote daar een onderdeel van te laten zijn. Afhankelijk van de totale gemeentelijke positie zal dan in de toekomst duidelijk moeten worden of het MIP bijstelling behoeft.

Geprognotiseerd verloop algemene reserve Algemene reserve Stand per 1/1/25 conform jaarrekening 2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030 22.344

30.616

32.831

28.463

26.226

23.609

Toevoegingen regulier

20

20

20

20

20

20

Onttrekkingen regulier

-16

-16

-16

-16

-16

-16

Onttrekkingen/stortingen o.b.v. Programmabegroting 2025-2028

63

0

0

Onttrekking IKC

-1.600

Resultaat jaarrekening 2024

2.942

Resultaat 1e bestuursrapportage 2025

-723

Voorbereidingskosten t.l.v. algemene reserve

-71

-73

-73

-73

Theater voorstel kadernota Prognose stand algemene reserve

32.831

32.762

28.394

24.557

-350

0

23.263

22.348

Saldo meerjaren perspectief excl. aanvullende bijdrage AR max 10%

-2.213

-541

-28

-14

Reeds opgenomen ontrekking aan AR in Programmabegroting 2025

-1.524

-1.086

-892

-892

Aanvullende onttrekking aan AR max 10% Subtotaal saldo prognose algemene reserve

32.831

-562

-541

-28

-14

28.463

26.226

23.609

22.344

22.348

(Prognose saldo ultimo mei 2025)

Inzet surplus algemene reserve Sinds vorig jaar is het toegestaan om van het surplus van de algemene reserve – dat is dat deel dat niet nodig is voor het afdekken van risico’s (weerstandscapaciteit) - jaarlijks maximaal 10% in te zetten voor het dekken van structurele lasten. Met de voorwaarde dat de solvabiliteit groter of gelijk is aan 20%. Omdat de gemeentelijke solvabiliteit aan het einde van 2024 uitgekomen is op 36% is het zeer aannemelijk dat aan deze voorwaarde de komende jaren wordt voldaan.

18

In de huidige meerjarenraming 2026 -2029 hebben we rekening gehouden om in 2026, 2027, 2028 en 2029 respectievelijk € 1,5 miljoen, € 1 miljoen, € 0,9 miljoen en € 0,9 miljoen te onttrekken aan de algemene reserve en in te zetten in het meerjarenperspectief. Op basis van de huidige inschattingen kan de bijdrage vanuit de algemene reserve opgehoogd worden met € 562.000 in 2026, € 541.000 in 2027, € 28.000 in 2028 en € 14.000 in 2029. De exacte onttrekking is aan verandering onderhevig als gevolg van mutaties in de saldi meerjarenperspectief alsmede mutaties in het benodigde weerstandsvermogen. Bij het opstellen van de Programmabegroting 2026 en meerjarenraming 2027-2029 zal opnieuw bepaald worden hoe hoog de toegestane onttrekking kan zijn.

Optimalisatie doelenboom In het spoorboekje P&C-cyclus 2025 is opgenomen dat we, mede in overleg met de griffie, dit jaar een (eerste) doorontwikkeling in de doelenboom in de programmabegroting (en vervolgrapportages) willen maken. De optimalisatie van de doelenboom is gericht op een compacte structuur en het verbeteren van sturing en verantwoording. Daarmee biedt het op verschillende niveaus meer inzicht in de voortgang en impact, en daarmee meer mogelijkheden om effectief te sturen en te verantwoorden. Dit kan tevens helpend zijn in de aanloop naar een nieuw raadsakkoord. In het spoorboekje is opgenomen daar een eerste opbrengst van in de kadernota te presenteren. Dit proces vraagt echter wat langere doorlooptijd. Eind mei zullen we over de eerste ambtelijke aanzetten afstemming hebben met de auditcommissie. Daar nemen we tevens in mee hoe een en ander verder qua informatie en eventuele verdere betrokkenheid van de raad ingevuld gaat worden in aanloop naar verwerking in de programmabegroting. Dit betreft een met name technische optimalisatie die vanzelfsprekend geen wijziging aanbrengt in de politieke doelen en ambities.

19

Financiële en beleidsmatige risico’s en ontwikkelingen Er zijn diverse financiële en beleidsmatige risico’s en ontwikkelingen te benoemen die in deze kadernota niet financieel zijn vertaald, maar die in de komende periode wel kunnen leiden tot hogere lasten. Ook zijn er ontwikkelingen zonder financiële impact (of budgetneutraal) die we graag bij u onder de aandacht brengen. Impulsbudget en sociale infrastructuur IW4 In de komende jaren ontvangen we vanuit het Rijk twee semi-structurele budgetten, namelijk een impulsbudget en een budget ten behoeve van de infrastructuur van sociale werkbedrijven. In de afgelopen jaren is door de deelnemende gemeenten reeds ingezet op de doorontwikkeling van IW4. De middelen, ingeschat op € 285.000 jaarlijks tot 2034, worden gebruikt voor het aflossen van de langlopende lening van € 2,65 miljoen bij BNG (kosten zijn voor de GR). Versterken infrastructuur arbeidsmarkt De financiële middelen die het Rijk beschikbaar stelt voor het versterken van de infrastructuur van de arbeidsmarkt bestaan uit bestaande en nieuwe structurele middelen en tijdelijke middelen die aflopen tot 2034. Deze middelen lopen via de centrumgemeente Ede. Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek Vanuit het Rijk ontvangen we middelen ten behoeve van de zogenaamde alleenverdienersproblematiek.

We ontvangen hiertoe een decentralisatie uitkering en derhalve worden de middelen te zijner tijd budgetneutraal verwerkt. Onderhoudsvoorziening gemeentelijke gebouwen In aanloop naar het vastgoedbeleidsplan en het vastgoedbeheersplan, welke in het laatste kwartaal van 2025 ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd, heeft door een extern bureau een inventarisatie/schouw plaatsgevonden van het benodigde onderhoud aan het gemeentelijk vastgoed voor de komende tien jaren. Uit deze inventarisatie blijkt dat de geprognotiseerde onderhoudskosten voor de komende tien jaar aanzienlijk hoger zijn dan de dotaties in deze periode. Hierdoor wordt de onderhoudsvoorziening vanaf 2028 negatief. De belangrijkste oorzaken van de stijging van de kosten zijn de werkelijke prijsstijgingen in de afgelopen vijf jaar, de groei van het gebouwenbestand in de afgelopen jaren en een aantal grote werkzaamheden die in de komende tien jaren moet plaatsvinden. In de jaarrekening 2024 is reeds een aanvullende storting in de onderhoudsvoorziening van afgerond € 1,1 miljoen verwerkt. Daarnaast is de verwachting dat ook de structurele storting in de onderhoudsvoorziening in ieder geval voor de periode na 2029 opgehoogd moet worden. In het vastgoed beleids- en beheersplan wordt u hierover nader geïnformeerd/geadviseerd.

PBBP- systematiek In 2024 is besloten om vanaf 2026 de indexering van gemeentelijke budgetten te baseren op de pbbp systematiek, conform de indexering van de Algemene uitkering van het Rijk. In de Programmabegroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 is ook opgenomen dat er risico's verbonden zijn aan de (vervroegde) invoering van deze systematiek. Dit komt onder andere naar voren bij de eerdergenoemde wettelijke verplichtingen om reële tarieven te betalen voor uitvoering van taken binnen Jeugdzorg en Wmo. Indien prijs- en loonstijgingen hoger liggen dan de indexeringen vanuit de pbbp-systematiek dan betekent dit ook dat de gesubsidieerde instellingen, gemeenschappelijke regelingen (zoals de VRU en de GGDrU) en andere partijen zoals Veens Welzijn, het CJG, Sportservice Veenendaal en de cultuurinstellingen onvoldoende compensatie ontvangen en een tekort zelf moeten opvangen of dat de gemaakte afspraken moeten worden herzien. Indien bij onvoldoende compensatie de afspraken moeten worden herzien, dan kan dit ook

20

frictiekosten met zich meebrengen, bijvoorbeeld als gevolg van het afstoten van formatie. Voor gemeenschappelijke regelingen geldt dat we gehouden zijn aan het betalen van de bijdrage zoals deze uiteindelijk door de besturen van de betreffende regelingen wordt vastgesteld. VRU De focus voor de VRU ligt op het voorbereiden van toekomstscenario’s voor 2027, waarin de VRU voor grote financiële uitdagingen staat. Naast bestaande scenario’s zijn door het AB ook een ‘nulscenario’ en een ‘krimpscenario -3%’ toegevoegd. De voorgenomen BDURkorting van 10% is nog niet van tafel. Voor Veenendaal wordt mogelijk gestart met de afbouw van een nadeelcompensatie (circa € 800.000 per jaar), afhankelijk van wijzigingen in de dagbezetting van de brandweer. ODRU Per 1 januari 2026 wordt de ODRU naar verwachting opgeheven vanwege de voorgenomen fusie met RUD Utrecht tot één nieuwe Omgevingsdienst Utrecht. De financiële gevolgen voor gemeenten worden medio 2025 duidelijk. De verwachtingen voor de toekomst zijn positief. Bij het niet realiseren van een fusie zal er aanvullend budget nodig zijn. Minimaregelingen Het contract met de huidige uitvoerder loopt tot 1 juli 2026. Een nieuwe aanbesteding of andere constructie is nodig, waarbij risico’s zijn op hogere kosten. Wet van school naar duurzaam werk. Deze wet is nog in behandeling. Verwacht wordt dat deze geen budgettaire gevolgen heeft.

Wet proactieve dienstverlening SZW Deze wet, die waarschijnlijk nog in 2025 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd, moet het niet-gebruik van voorzieningen verminderen. Mogelijk leidt dit tot een efficiëntere werkwijze en lagere uitvoeringslasten. Inburgering Landelijke beleidswijzigingen rond migratie en asiel kunnen zorgen voor instabiliteit in de instroom van inburgeraars. Dit heeft directe gevolgen voor de inkoop van voorzieningen en de formatie. Wet participatiewet in balans Per 2026 worden wetswijzigingen verwacht die de Participatiewet beter laten aansluiten op de behoeften en mogelijkheden van mensen. Gemeenten krijgen meer ruimte voor maatwerk, met als doel effectievere ondersteuning richting werk. De nadruk komt te liggen op vertrouwen en menselijke maat. Voor de uitvoering is een investering nodig, waarvan de impact pas later volledig duidelijk wordt. Uitsluitsel volgt na besluitvorming in oktober 2025. Grenzen aan de jeugdzorg Met de raad zijn we in gesprek over de vraag ‘Hoe verdelen wij de schaarse middelen goed over de jeugdigen in Veenendaal. Dit traject is erop gericht om, aanvullend op de maatregelen vanuit de Hervormingsagenda, gemeentelijke en/of regionale oplossingen te creëren om de jeugdzorg betaalbaar te houden.

Hierbij wordt ook, zoals geadviseerd wordt in het rapport ‘Groeipijn’, ingezet op maatregelen in de andere (aanpalende) domeinen, zodat er minder een beroep wordt gedaan op de jeugdzorg (als sluitstuk in de keten). Deze maatregelen vragen om een investering om op de lange termijn tot een besparing te komen waarvan de omvang nog niet te voorzien is. Duidelijkheid is er pas na besluitvorming door de raad hierover in oktober 2025. Als de vraag niet afneemt, zijn stijgende kosten en personele tekorten te verwachten. Dit zal niet alleen de jeugdzorg raken, maar ook druk zetten op andere gemeentelijke voorzieningen.

21

Aanbesteding woonvoorzieningen In 2025 vindt een nieuwe aanbesteding plaats voor woonvoorzieningen. De tarieven voor 2026 zijn nog niet bekend, wat onzekerheid geeft over de financiële consequenties. Invoering Eigen Bijdrage Hulp bij huishouding (Wmo) per 1 januari 2027 De invoering van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de Hulp bij huishouding is verschoven naar 2027. In 2026 vinden de voorbereidende werkzaamheden plaats. De verwachte financiële effecten zijn meegenomen in de meerjarenraming. IZA / GALA / AZWA Als opvolging van het IZA en GALA wordt op landelijk niveau gewerkt aan en onderhandeld over een Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA). Op het moment van schrijven is er nog geen duidelijkheid over de inhoud van dit akkoord en de financiële middelen. De huidige uitvoering van onderstaande onderdelen en de ambtelijke formatie die nodig is om de onderdelen uit te voeren is deels danwel volledig afhankelijk van de komst van dit AZWA. Het gaat om: Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, JOGG, Welzijn op Recept, één tegen eenzaamheid, voortzetten activiteiten vanuit IZA en onderhoud ketenaanpakken overgewicht Vanuit het IZA en de regionale netwerksamenwerking met samenwerkingspartners in zorg en welzijn zijn vanaf 2024 diverse activiteiten en projecten gestart met als doel de beweging van zorg naar gezondheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15611122/1