3.d Bijlage 1.4 Bestemmingsplan ‘Dijkstraat 159a’ (bijlagen)
Tekst van het document
OV ERIG
GRAD ATIE GRIN D
bodem vreem de best andsdelen aanwezig
f = fijn (2-5.6 m m ) m g = m at ig grof (5.6-16 m m ) zg = zeer grof (16-63 m m )
wat er
BESCH RIJV IN G BOD EM LAAG pid = fot o ionisat ie det ect or bv = bodem vocht ow = olie op wat er
Zeer st erk
BIJLAGE 4 Foto’s locatiebezoek
TEKENING 1-1: Situatie onderzoekslocatie met boringen
Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 28-02-2023 10:34
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG:
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
28-02-2023
P agina 1 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het om een ruimtelijk plan dat uits luitend een functiewijziging betreft van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? nee
2.
Wordt er in de huidige s ituatie wateroverlas t ervaren binnen het plangebied? nee
3.
Gaat u verhard oppervlak toevoegen? ja
4.
Voegt u 1500m2 of meer verhard oppervlak toe? nee
5.
Raakt het plangebied een A of B watergang? nee
6.
Raakt het plangebied een riooltrans portleiding? nee
7.
Raakt het plangebied een waterbergings gebied? nee
8.
Raakt het plangebied een waterkering? nee
9.
Raakt het plangebied een grondwaterbes chermings gebied? nee
10.
Raakt het plangebied de grondwaterfluctuatiezone? nee
11.
Raakt het plangebied "natuurwateren" (voorheen wateren met HEN- of SED-functie)? nee
28-02-2023
P agina 2 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets 12.
Raakt het plangebied een KRW-waterlichaam? nee
28-02-2023
P agina 3 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
28-02-2023
P agina 4 van 4
https://dewatertoets.nl
broed
ARCHITECTENBUREAU DBL B.V. T.a.v. mevr. A. Helder Meuluntereseweg 34 6741 HN Lunteren
Datum
8 november 2021
Kenmerk
BE/2021/968/r
Uw kenmerk
Email d.d. 16 september 2021
Auteur(s)
ir. L. Davids
Collegiale toets
ing. G. Fairhurst
Quickscan Wet natuurbescherming Dijkstraat 159A te Veenendaal Aan de Dijkstraat 159A te Veenendaal is een paardenhouderij met pensionstal en weidepercelen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het westelijke weideperceel een uitbreiding van de zorgboerderij en een servicepunt te realiseren. De quickscan zal alleen betrekking hebben op het weideperceel waar de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling, een bouwvlak dient toegekend te worden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Architectenbureau DBL B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dijkstraat 159A te Veenendaal (figuur 1). Het betreft een weideperceel toebehorend aan een paardenhouderij met pensionstal. Het weideperceel is opgedeeld door middel van verschillend hekwerk. Het geheel heeft een hoog kwaliteitsbeeld. Op de planlocatie is geen bebouwing of oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied en wordt omringt door een houtsingel, deze blijft in de beoogde ontwikkeling behouden. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is circa 2 km ten westen van het centrum Veenendaal gelegen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vergelijkbare agrarische percelen. Circa 400 m ten zuidwesten is het Prattenburgse bos gelegen. Station Veenendaal is op circa 1,7 km ten oosten gesitueerd en op circa 4,7 km ten zuiden stroomt de Neder-Rijn.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Dijkstraat 159A te Veenendaal (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een gebouw ter uitbreiding van de zorgboerderij en een servicepunt met daarbij een terras. Een bouwvlak dient toegekend te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
verwijderen terreininrichting: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Architectenbureau DBL B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 november 2021 en is uitgevoerd door ir. L. Davids. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden.
Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening van Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. (b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten.
Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
4
Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een weideperceel behorend tot een paardenhouderij met een hoog kwaliteitsbeeld. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beukhaag, grote brandnetel, klaproos, madelief, paardenbloem en Spaanse aak. Omliggende bomen in de houtsingel betreffen voornamelijk Amerikaanse eik, berk, paardenkastanje en zomereik. De bomen worden niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
5
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, das en rode eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De boommarter en rode eekhoorn komen voor in aaneengesloten bossen. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied met daaromheen bomenlanen. Op de planlocatie zelf zijn geen bomen aanwezig en de omliggende bomenlanen worden niet aangetast.
Eventuele migratieroutes worden hierdoor niet aangetast. Tevens zijn er geen nesten in de omliggende bomen aangetroffen. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling van zeer beperkte omvang. Derhalve worden negatieve effecten op de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming is op circa 450 m ten zuidwesten van de planlocatie. Op de planlocatie zijn geen sporen van de das (c.q. dassenburcht, graafsporen, mestputjes of prenten) waargenomen. Derhalve wordt uitgesloten dat het perceel een functie vervult als vaste rust- en/of voortplantingsplaats. De omliggende bomen en groenstructuren worden niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Daarnaast zijn er vele vergelijkbare percelen in de directe omgeving aanwezig en is de beoogde ontwikkeling zeer beperkt van omvang.
Tevens zal een groot deel van de planlocatie dezelfde functie behouden in de beoogde ontwikkeling. Door het voorgenoemde worden negatieve effecten op de das uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen of bebouwing aanwezig. De beoogde ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen.
6
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn geen bomen of bebouwing aanwezig. Wegens vergelijkbare percelen in de directe omgeving is er geen sprake van essentieel foerageergebied. De bomenrijen die de planlocatie omgeven kunnen echter gebruikt worden als vliegroute voor vleermuizen, hiervoor dienen er met te treffen maatregelen rekening gehouden te worden (zie Te treffen maatregelen). In de luwte van opgaande vegetatie kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.
Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie of binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkeling is geen oppervlaktewater aanwezig. Op de planlocatie zelf zijn ook geen vorstvrije structuren aanwezig. Tevens is er mogelijk sprake van verstoring doordat het perceel in gebruik is van een paardenhouderij en heeft het geheel een hoog kwaliteitsbeleid. Daarnaast zal een groot deel van de planlocatie dezelfde functie behouden in de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen waarnemingen bekend van de kamsalamander en poelkikker binnen een straal van 1,4 km.
Door het voorgenoemde wordt de aanwezigheid van de kamsalamander en poelkikker op de planlocatie uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, levendbarend hagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie betreft slechts een weideperceel met een hoog kwaliteitsbeeld. Tevens is er sprake van verstoring doordat het perceel in gebruik is door een paardenhouderij. Het overgrote deel van de waarnemingen van de voorgenoemde soorten zijn afkomstig uit het Prattenburgse bos circa 400 m ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2011-2021). De hazelworm is op circa 400 m ten oosten van de planlocatie waargenomen.
Hazelworm leven over het algemeen in open bossen, bosranden, houtwallen of steenachtige biotopen (RAVON hazelworm, 2021). Het is mogelijk dat de hazelworm voorkomt in de omringende houtsingel, echter wordt deze niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is er geen sprake van functioneel leefgebied op de planlocatie wegens de afwezigheid van houtige vegetatie en/of steenachtige biotopen.
7
De omvang van de beoogde ontwikkeling is zeer beperkt en een groot deel van de planlocatie zal dezelfde functie behouden. Door het voorgenoemde worden negatieve effecten op beschermde reptielen uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos en kleine ijsvogelvlinder (NDFF 2011-2021). De grote vos en kleine ijsvogelvlinder zijn gebonden aan houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. De soorten hebben respectievelijk iep en kamperfoelie als waardplant. Binnen de planlocatie zijn geen geschikte habitatonderdelen of waardplanten voor de soorten aanwezig zijn. Daarnaast blijft de omringende houtsingel behouden in de beoogde ontwikkeling. Derhalve worden negatieve effecten op de grote vos en kleine ijsvogelvlinder uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: koolmees, merel en roodborst. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Vanwege het ontbreken van bebouwing op de planlocatie kan de aanwezigheid van nestlocaties van huismus uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Derhalve geldt ook voor de gierzwaluw dat er geen sprake is van aantasting van nestlocaties of functioneel leefgebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In agrarisch gebied kan sprake zijn van jachtgebied van uilen met jaarrond beschermde nesten. Van het wegnemen van rust- of nestplaatsen is op voorhand geen sprake, wegens het ontbreken van opstallen. Op het perceel zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Ook is de aanwezigheid van rustplaatsen en/of nesten van dergelijke soorten op korte afstand onbekend (NDFF 2011-2021). Wegens de beperkte grootte van de beoogde ontwikkeling en het grote aanbod van vergelijkbare percelen is er geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. Echter is er op circa 50 m een parend buizerdkoppel waargenomen in 2021 en in 2017 een broedend koppel (NDFF 2011-2021). Het is aannemelijk dat in de nabije omgeving een nestlocatie van de buizerd aanwezig is. Op het moment dat er jongen aanwezig zijn in het nest mogen nesten niet binnen 50 tot 75 meter benaderd worden door mensen of materiaal (BIJ12 kennisdocument Buizerd, 2017).
Om verstoring van de buizerd te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de buizerd (februari t/m augustus) plaats te vinden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten wegens het grote aanbod van vergelijkbare percelen.
8
Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De naastgelegen struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ (figuur 4).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van gebouw ter uitbreiding van de zorgboerderij en een servicepunt met daarbij een terras. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid
9
van deze partiële vrijstelling onzeker. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien de afstand (3,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland of Groene Contour. Op een afstand van circa 280 m ligt het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour grenst aan de planlocatie (figuur 5).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 280 m tot het Natuurnetwerk Nederland en grenst aan de Groene Contour (ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels en de buizerd geldt dat de nesten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief begin februari en eind augustus). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek regime Wnb. onderzoek Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)
Tabel 3
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
3,2 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
280 m
Geen
N.v.t.
Groene Contour
0m
Geen
N.v.t.
Tabel 4
11
Mogelijk functie plangebied
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Nee
Nee
N.v.t.
Bomen
Nee
Nee
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De realisatie van een gebouw ter uitbreiding van de zorgboerderij en een servicepunt aan de Dijkstraat 159A te Veenendaal is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De omliggende bomenlanen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van de buizerd (indicatief begin februari t/m eind augustus). Met betrekking tot algemene broedvogels dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9.
Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. L. Davids Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Dijkstraat 159A te Veenendaal en bestaat uit een weideperceel behorend tot een paardenhouderij.
Figuur 2
De directe omgeving ten zuiden van de planlocatie.
Omgevingsonderzoek geur, luchtkwaliteit en geluid Dijkstraat 159A te Veenendaal
De Omgevingsadviseurs Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle www.deomgevingsadviseurs.nl
Datum 7 oktober 2022 Opdrachtgever Architectenbureau D.B.L. B.V. Meulunterseweg 34 6741 HN Lunteren Contactpersoon De Omgevingsadviseurs R. Kamphuis Adviseur Ruimtelijke Ordening en Milieu ✆ (06) 101 89 557 ✉ r.kamphuis@deomgevingsadviseurs.nl
2
Inhoud Inhoud ..................................................................................................................................................... 3 1
2
Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1
Algemeen................................................................................................................................. 5
1.2
Onderzoeksvraag ..................................................................................................................... 5
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................................ 5
Initiatief ........................................................................................................................................... 6 2.1
2.1.1
Medische/psychische zorg .............................................................................................. 6
2.1.2
Erkend leerbedrijf ............................................................................................................ 7
2.1.3
Bijeenkomstruimte .......................................................................................................... 7
2.2 3
4
Initiatief ................................................................................................................................... 7
Omgeving....................................................................................................................................... 10 3.1
Algemene beschrijving .......................................................................................................... 10
3.2
Agrarisch bedrijf Dijkstraat 115 ............................................................................................. 10
3.3
Agrarisch bedrijf Dijkstraat 117 ............................................................................................. 11
Wettelijk kader .............................................................................................................................. 12 4.1
Ruimtelijk ordening en milieu ............................................................................................... 12
4.2
Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 12
4.2.1
Algemeen....................................................................................................................... 12
4.2.2
Richtafstanden............................................................................................................... 12
4.2.3
Gebiedstypering ............................................................................................................ 13
4.2.4
Stappen.......................................................................................................................... 13
4.3
Wet geurhinder en veehouderij ............................................................................................ 14
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 14
4.4.1
Blootstellingscriterium .................................................................................................. 15
4.4.2
Correctiefactoren .......................................................................................................... 15
4.5 5
Huidige situatie........................................................................................................................ 6
Wet geluidhinder ................................................................................................................... 15
Resultaten onderzoek nieuwbouw................................................................................................ 16
3
5.1
Gebiedstypering .................................................................................................................... 16
5.2
Afstanden .............................................................................................................................. 16
5.3
Geur ....................................................................................................................................... 18
5.3.1
Definitie geurgevoelig object ........................................................................................ 18
5.3.2
Beoordeling geurgevoelig object................................................................................... 20
5.3.3
Conclusie geur ............................................................................................................... 21
5.4 6
Resultaten onderzoek bestaande zorgfunctie paardenhouderij................................................... 22 6.1
Afstanden .............................................................................................................................. 22
6.2
Geur ....................................................................................................................................... 23
6.2.1
Definitie geurgevoelig object ........................................................................................ 23
6.2.2
Beoordeling geurgevoelig object................................................................................... 24
6.2.3
Conclusie geur ............................................................................................................... 25
6.3
Luchtkwaliteit en stof ............................................................................................................ 25
6.3.1
Gevoelig object .............................................................................................................. 25
6.3.2
NIBM .............................................................................................................................. 26
6.3.3
Conclusie luchtkwaliteit/stof ......................................................................................... 26
6.4
Geluid .................................................................................................................................... 26
6.4.1
Gevoelig object .............................................................................................................. 26
6.4.2
Conclusie geluid ............................................................................................................. 27
6.5
Zoönose ................................................................................................................................. 27
6.5.1
Maatregelen op bedrijfsniveau ..................................................................................... 27
6.5.2
Gezondheidsdienst ........................................................................................................ 28
6.6 7
Conclusie ............................................................................................................................... 21
Verblijfsklimaat GGD ............................................................................................................. 28
Conclusie ....................................................................................................................................... 29
4
1 Inleiding 1.1 Algemeen De initiatiefnemer heeft een paardenhouderij met een agrarische gerelateerde zorgfunctie en bijeenkomstruimte op de locatie Dijkstraat 159A te Veenendaal. Het voornemen is om een gebouw voor agrarisch gerelateerde zorg, alsmede een recreatief servicepunt te realiseren aan de Dijkstraat 159A, kadastraal bekend gemeente Veenendaal, sectie B, nummer 3247. Voor het realiseren van het nieuwe gebouw en het servicepunt is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Veenendaal heeft aangegeven dat, hoewel de zorgfunctie reeds jarenlang aanwezig is op de paardenhouderij, het vigerende bestemmingsplan niet voorziet in deze activiteit. Het is de wens om de zorgfunctie ook planologisch correct te bestemmen. Hiervoor is ook een wijziging van de bestemming nodig. Concreet betekent dit dat er een juiste bestemming dient te komen voor het nieuwe gebouw voor agrarische zorg, het recreatief servicepunt de bestaande zorgfunctie en de bijeenkomstruimte op de paardenhouderij. In dit kader is een omgevingsonderzoek naar geur, luchtkwaliteit en geluid nodig. De resultaten van dit onderzoek zijn in deze rapportage opgenomen.
1.2 Onderzoeksvraag Het onderzoek geeft antwoord op de volgende vragen: -
Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat?
-
Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad door de voorgenomen ontwikkeling?
Om antwoord te kunnen geven op deze vragen onderzoeken wij de aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de vigerende wet- en regelgeving.
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is het initiatief beschreven, waarna in hoofdstuk 3 de omgeving van het initiatief nader is toegelicht. In hoofdstuk 4 is het wettelijke toetsingskader uitgewerkt. De nieuwbouw voor agrarische gerelateerde zorg en het recreatief servicepunt is getoetst in hoofdstuk 5. De toetsing van de zorgfunctie bij de bestaande paardenhouderij en de bijeenkomstruimte is beschreven in hoofdstuk 6. De conclusie is in hoofdstuk 7 weergegeven.
5
2 Initiatief 2.1 Huidige situatie Op deze locatie heeft de initiatiefnemer een paardenhouderij. De paardenhouderij heeft tot doel het fokken, beleren en berijden van paarden en pony’s, zowel onder het zadel als voor de wagen. Deze paardenhouderij bestaat reeds tientallen jaren. 2.1.1
Medische/psychische zorg
Naast de paardenhouderij worden op deze locatie sinds 2012 cliënten, zowel kinderen als volwassenen, ontvangen. Dit betreffen cliënten die medisch en/of psychisch zijn geïndiceerd door de daartoe bevoegde instanties. Cliënten doorlopen voorafgaande aan deze indicatie vanuit de instanties een traject in het kader van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Om mogelijke verwarring te voorkomen wordt opgemerkt dat het in deze situatie niet gaat om kinderopvang. Wel betreft een deel van de cliënten geïndiceerde kinderen. Het centrale thema in de zorgfunctie is het buitenleven. Dit komt in alles naar voren. De activiteiten betreffen onder meer het contact met en de verzorging van dieren en het bezig zijn in de natuur. Cliënten verzorgen de paarden, ze tuinieren, doen onderhouds- en herstelwerkzaamheden op de paardenhouderij en verzorgen de paardentuigen zoals het invetten van leer. Daarnaast worden er gerichte outdoor activiteiten geboden aan de cliënten, die veelal plaatsvinden in het aangrenzende bos bij de boerderij. Contact met de natuur heeft immers een positief effect op de ontwikkeling de cliënten. Op de locatie komen op dit moment 7 volwassenen voor 2 dagen per week voor dagbesteding en gedurende vier dagen per week worden gemiddeld 12 kinderen (groep wisselt per dag in samenstelling) in de leeftijd vanaf 5-6 jaar opgevangen.
Dit betreffen kinderen met een speciale hulpvraag zoals ASS, kinderen met een syndroom of ontwikkelingsachterstand. Wanneer deze kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken, vallen ze onder de volwassenen. Het programma van dinsdag tot en met donderdag ziet er voor de kinderen in grote lijnen als volgt uit. De dag start om 14.15 uur met een ontvangst die ongeveer een half uur duurt. Dit vindt plaats in de ontvangstruimte achter de stallen. Na het ontvangst bestaat het programma uit werken in de stal en daarna buitenactiviteiten. Het programma is rond 17.15 uur afgerond. Op zaterdag is er een programma van 9 uur tot 15 uur. Dat programma richt zich ook op buitenactiviteiten. Los van de ontvangst en eventueel een lunch binnen worden de activiteiten buiten uitgevoerd. Denk daarbij aan paardrijden, werken in de tuin, activiteiten in het bos, etc.
6
Op zondag en maandag zijn er geen cliënten aanwezig. 2.1.2
Erkend leerbedrijf
De paardenhouderij met de zorgactiviteit is een erkend leerbedrijf van de SBB, de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs. Voor deze locatie is een Risico-Inventarisatie en Evaluatie rapport opgesteld, waarin de risico’s in het bedrijf op het gebied van gezondheid en veiligheid van werknemers opgesteld en beoordeeld zijn. Een audit door de Nederlandse arbeidsinspectie heeft in week 15 van 2022 plaatsgevonden. De arbeidsinspectie had geen aan- of opmerkingen. 2.1.3
Bijeenkomstruimte
Op de paardenhouderij is een bijeenkomstruimte aanwezig. Deze ruimte wordt regelmatig door derden gebruikt voor bijvoorbeeld vergaderingen.
2.2 Initiatief Het voornemen is om de paardenhouderij (nr 1 in onderstaande figuur) uit te breiden met een gebouw voor agrarisch gerelateerde zorg (nr 3 in onderstaande figuur) alsmede een recreatief servicepunt (nr 2 in onderstaande figuur). Hiervoor is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. In deze wijziging zal voor de bestaande paardenhouderij ook de reeds feitelijk bestaande zorgfunctie worden meegenomen.
3 2
1 Figuur 1: Ligging onderdelen van het initiatief
7
Zorgfunctie paardenhouderij (1) De bestaande zorgfunctie op de paardenhouderij is reeds beschreven in paragraaf 2.1.1. Er vindt geen feitelijk wijziging plaats van de bestaande zorgfunctie. In de onderstaande figuur 2 is een indeling van de gebouwen weergegeven.
Figuur 2: gebouwen voor zorgfunctie
De activiteiten met betrekking tot zorg op deze paardenhouderij zijn gesitueerd in de ruimten die in bovenstaande figuur 2 aangeduid zijn met de nummers: 3, 5, 11 en 12. In ruimte 8 is een bijeenkomstruimte aanwezig, die hoewel niet gerelateerd aan de zorgfunctie wel wordt meegenomen in dit onderzoek. Ruimte 3 is de timmerwerkplaats voor zorgcliënten. Ruimte 5 betreft een overkapping. In voorkomende gevallen wordt deze ruimte gebruikt als ‘knutselruimte’. In ruimte 12 vindt de ontvangst van de clienten plaats. Ruimte 11 wordt gebruikt als kantoor/opslagruimt voor zowel de paardenhouderij als de zorgfunctie. Ruimte 8 wordt gebruikt als gasterij/bijeenkomstruimte. Recreatief servicepunt (2) Het recreatief servicepunt betreft de nieuwbouw van een gebouw (circa 15 m2) op een terrein ten westen van de bestaande paardenhouderij. Feitelijk betreft het een rustpunt voor fietsers. Ter
8
plaatse wordt de mogelijkheid geboden om uit te rusten en om koffie/thee te nuttigen. Er is sprake van zelfbediening en daarnaast zal ook door de zorgcliënten worden geholpen/bediend. Gebouw voor agrarisch gerelateerde zorg (3) Dit betreft een gebouw wat op hetzelfde terrein als het recreatief servicepunt zal worden gerealiseerd. Het gebouw zal op eenzelfde wijze worden gebruikt als de ontvangstruimte op de paardenhouderij. Dat betekent dat voornamelijk de ontvangst van de cliënten hier plaatsvindt. Na ontvangst ondernemen cliënten buiten activiteiten.
9
3 Omgeving 3.1 Algemene beschrijving In de directe oostelijke omgeving van de Dijkstraat 159A liggen 2 agrarische bedrijven. Op grotere afstand liggen in de westelijke omgeving een sauna en een viskwekerij. Verder liggen in de omgeving enkele burgerwoningen. In het kader van dit onderzoek zijn met name de 2 agrarische bedrijven van belang. Dit betreffen de bedrijven aan de Dijkstraat 115 en de Dijkstraat 117. Deze zijn weergegeven in onderstaande figuur 3.
Dijkstraat 117
Dijkstraat 115
Figuur 3: omgeving initiatief
3.2 Agrarisch bedrijf Dijkstraat 115 Op de Dijkstraat 115 is een zorgboerderij aanwezig. De activiteiten betreffen onder meer het verzorgen van pluimvee door zorg-cliënten. In het bestemmingsplan is hiervoor de bestemming ‘Agrarisch met waarden – zorgboerderij opgenomen’. Daarbij is aangegeven dat maximaal 650 m2 mag worden benut voor intensieve veehouderij. Voor het bedrijf is een melding Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan. Deze melding heeft betrekking op het houden van 500 legkippen.
10
3.3 Agrarisch bedrijf Dijkstraat 117 Op de locatie Dijkstraat 117 is een voormalige kalverhouderij aanwezig. Op het bedrijf worden geen dieren meer gehouden. De gebouwen worden nu onder meer gebruikt voor caravanstalling. Het vigerende bestemmingsplan voor deze locatie betreft het bestemmingsplan ‘correctieve herziening bestemmingsplan landelijk gebied’ van 23 januari 1992. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Conform dit bestemmingsplan mag er niet worden uitgebreid met niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten. Voor het bedrijf is een Omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 362 vleeskalveren tot 8 maanden.
11
4 Wettelijk kader In dit hoofdstuk is het wettelijke kader beschreven waaraan getoetst wordt in dit onderzoek. In de hoofdstukken 5 en 6 vindt de verdere inhoudelijke toetsing aan deze wet- en regelgeving plaats.
4.1 Ruimtelijk ordening en milieu Voor een goede ruimtelijk ordening is het belangrijk dat gevoelige objecten zoals woningen en bedrijven die milieubelastende activiteiten uitvoeren voldoende ruimtelijk zijn gescheiden. Hierdoor kunnen op een duurzame wijze activiteiten naast elkaar bestaan. Uit de Wet ruimtelijk ordening en jurisprudentie volgt dat wanneer in een ruimtelijk plan nieuwe gevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, verzekerd dient te zijn dat ter plaatse van deze objecten een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ook mogen de rechten van omliggende bedrijven niet (onevenredig) worden aangetast. Dit wordt ook wel de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving genoemd. Concreet betekent dit dat in beginsel binnen de milieucontouren (bijv. geur, geluid, fijnstof) geen nieuwe gevoelige objecten mogen worden gerealiseerd. Wanneer binnen de milieucontouren reeds gevoelige objecten aanwezig zijn, kan daarvan gemotiveerd worden afgewogen.
4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1
Algemeen
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) zover als nodig is, ruimtelijk van elkaar worden gescheiden. Dit om hinder en overlast te voorkomen en zorg te dragen voor een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor is de Brochure Bedrijven en milieuzonering (hierna te noemen Brochure) de handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordening. De nieuwe publicatie Milieuzonering nieuwe stijl is niet beoordeeld. Deze nieuwe VNG-publicatie is een alternatief naast de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Omdat in dit dossier sprake is van een wijziging van een bestaand bestemmingsplan Buitengebied is de Brochure gebruikt. De systematiek uit deze Brochure is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn − ook na de overgang in het omgevingsplan van rechtswege - wordt de huidige systematiek toegepast. Gedurende die tijd houdt de huidige publicatie haar waarde, als achtergronddocument bij de in de bestemmingsplannen opgenomen systematiek. 4.2.2
Richtafstanden
De luchtkwaliteit wordt beoordeeld op plaatsen waar de blootstelling significant is. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen)
12
In de Brochure staat een uitgebreide lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen. Tevens staan hierbij vermeld de richtafstanden voor verschillende milieucategorieën zoals geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is maatgevend voor de indeling van de activiteit in een milieucategorie. De lijst wordt gebruikt bij het realiseren van nieuwe bedrijventerreinen of woningbouwlocaties, de locatiekeuze van een activiteit, de ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijventerreinen of andersom. 4.2.3
Gebiedstypering
In de Brochure wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypes rustige woonwijk (geldt ook voor een rustig buitengebied) en het omgevingstype gemengd gebied. Deze zijn als volgt omschreven: Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van de functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend een agrarische functie en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. De richtafstanden die in de Brochure zijn opgenomen zijn van toepassing in een rustige woonwijk die is ingericht op het principe van functiescheiding. 4.2.4