CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.c.16 Vaststelling bestemmingsplan Groenpoort - toelichting - bijlage 16

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Groenpoort9.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Veenendaal-oost, deelplan Groenpoort

Gemeente Veenendaal

Datum: 8 juli 2021 Projectnummer: 190582

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding De m.e.r. –beoordeling

3 3

2

Kenmerken van het project

7

2.1 2.2 2.4

Inleiding Beschrijving van het project Overige kenmerken van het project

7 7 9

3

Plaats van het project

12

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

12 12 12

4

Kenmerken van het potentiële effect

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Water

17 18 23 24 25 26

5

Conclusie

29

Gebruikte onderzoeken/bronnen

31

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de oostzijde van Veenendaal is de uitbreidingswijk ‘Veenendaal-oost’ gelegen, die gefaseerd wordt ontwikkeld en gerealiseerd. Deelgebied ‘Buurtstede’ is afgerond en deelgebied ‘Veenderij’ is momenteel in aanbouw. Voor het laatste deelgebied (‘Groenpoort’) – met een capaciteit van maximaal 970 woningen – heeft het Ontwikkelingsbedrijf Veenendaal-Oost een stedenbouwkundig plan opgesteld. Naar verwachting wordt het definitieve ontwerp van het stedenbouwkundig plan medio 2020 afgerond. Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘VeenendaalOost’ uit 2006, waarin het plangebied geheel is voorzien van een uit te werken woonbestemming. De huidige (stedenbouwkundige) plannen voor Groenpoort sluiten echter niet aan bij het juridisch-planologisch kader zoals dat destijds beoogd is, onder meer doordat een rechtstreekse ontsluiting op de Rondweg Oost (N233) is beoogd. Bovendien zal met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de mogelijkheid om een uitwerkingsplan te maken komen te vervallen. Derhalve is het wenselijk een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving.

Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.-procedure noodzakelijk is in het kader van dit project.

1.2

De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is 3

de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.

Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld.

4

Toetsing aan Besluit m.e.r. De bestaande bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied zullen conform het op te stellen bestemmingsplan niet meer mogelijkheden en/of ruimte verkrijgen ten opzichte van de geldende planologische situatie. Onderhavig project betreft daarmee enkel de de realisatie van maximaal 970 woningen te Veenendaal, deelgebied Groenpoort. Het voornemen wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” De locatie van onderhavig project is in totaal circa 33,8 hectare. Zoals gesteld betreft het project de realisatie van maximaal 970 woningen. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit onder de drempelwaarde en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag.

Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van

5

het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

6

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het project Veenendaal-oost is onderverdeeld in drie deelgebieden; ‘Groenpoort’ in het noorden, het centrale deelplan ‘Buurtstede’ en ‘Veenderij’ in het zuiden. Deze deelgebieden krijgen ieder hun eigen karakter, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in een kenmerkende dichtheid, sfeer en profilering van de openbare ruimte. Onderhavige notitie betreft deelgebied Groenpoort. Het deelgebied ‘Groenpoort’ – waarop het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft - vormt het noordelijke deelgebied van Veenendaal-oost. De (gemiddelde bruto) woningdichtheid bedraagt circa 26 woningen per hectare. Dit gebied zal worden doorsneden door een brede singel en diverse groene elementen waardoor meerdere kleine woonbuurten ontstaan. De woningblokken bestaan hoofdzakelijk uit halfopen bouwblokken, waarbij de woningdichtheid in oostelijke richting steeds verder afneemt. De oorspronkelijke plannen voor ‘Groenpoort’ gingen uit van een rationele verkaveling, aansluitend op het oost-west gerichte kavelpatroon. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan is deze rationele wijze van verkavelen losgelaten, wat geresulteerd heeft in een flexibel stedenbouwkundig plan dat zich kenmerkt door organische vormen en licht gekromde straten.

De ruimtelijke structuur van ‘Groenpoort’ wordt in hoofdzaak bepaald door een brede singel, die vanaf de Dragonderweg in zuidelijke richting afbuigt en in een vloeiende beweging aantakt op de bestaande waterstructuur in Buurtstede. De singel heeft een breed profiel van circa 40 meter en vormt daarmee de ruggengraat van het plan, waaraan de verschillende woonbuurten - zes in totaal als het ware zijn ‘opgehangen’. Deze woonbuurten worden van elkaar gescheiden door twee stevige groene buffers, die het plangebied van oost naar west doorkruisen en het aangrenzende buitengebied letterlijk en figuurlijk ‘Groenpoort’ in trekken. Groenpoort’ laat zich het beste omschrijven als een groen-stedelijk woonmilieu, met een diversiteit aan woningtypologieën. De verschillende woonbuurten worden gekenmerkt door een ontspannen mix van zowel grondgebonden als gestapelde woningen, waarbij de woningdichtheid in oostelijke richting langzaam afneemt. Met name de eerstelijns bebouwing langs de Buurtlaan Oost en Rondweg Oost (N233) krijgt een wat meer stedelijk karakter. Deze eerstelijns bebouwing wordt overwegend aaneengesloten gebouwd, waardoor de bebouwing een geluidafschermende werking heeft voor het achterliggende woongebied. Dit achterliggende woongebied biedt met name ruimte aan grondgebonden woningen, bestaande uit rijwoningen, geschakelde woningen, tweekappers, vrijstaande woningen 7

en nultredenwoningen. Het stedenbouwkundig plan biedt de nodige flexibiliteit, waardoor de verschillende woningtypen onderling uitgewisseld kunnen worden. Dit biedt de mogelijkheid het aanbod van woningen af te stemmen op de vraag vanuit de markt; nu en in de toekomst.

Weergave ontwerpprincipes (bron: INBO)

Schets stedenbouwkundige verkaveling deelgebied ‘Groenpoort’ (Bron: INBO)

8

2.3

Omvang van het project De oppervlakte van het totale projectgebied bedraagt circa 33,8 hectare. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Dragonderweg. Aan deze weg zijn enkele (niet-grondgebonden) agrarische bedrijven gevestigd, alsmede een paardensportcentrum. Aan de Buurtlaan Oost – aan de noordzijde van het plangebied – bevinden zich enkele woningen en een tuincentrum. Tot slot is in het zuidelijk deel van het plangebied tijdelijk het moestuincomplex ‘Het Buitenhof’ gesitueerd. Het op te stellen bestemmingsplan voor onderhavige ontwikkeling maakt de bouw van maximaal 970 nieuwe woningen mogelijk. Om de nodige flexibiliteit te behouden, is het woningbouwprogramma niet in een keurslijf gegoten. Dat betekent dat binnen de bestemming 'Woongebied' zowel grondgebonden als gestapelde woningen kunnen worden gebouwd. Om te voorkomen dat een eenzijdig aanbod van woningen tot stand komt, is per woningtype (en woonbuurt) een maximum aantal woningen vastgelegd.

Voor de ontwikkeling van Groenpoort geldt dat:  het aantal sociale huurwoningen tenminste 20% van het totale aantal woningen bedraagt;  het aantal sociale koopwoningen tenminste 10% van het totale aantal woningen bedraagt;  het aantal gestapelde woningen niet meer bedraagt dan 240;  het aantal vrijstaande woningen niet meer bedraagt dan 120;  het aantal twee-aaneengebouwde woningen niet meer bedraagt dan 240;  het aantal aaneengebouwde woningen niet meer bedraagt dan 500. De definitieve invulling van het woongebied wordt aan de markt overgelaten, met dien verstande dat het totale aantal woningen nooit meer dan 970 mag bedragen.

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is mogelijk aan de orde met het nog in aanbouw zijnde deelgebied Veenendaal - Oost ‘Veenderij’. Daarnaast bestaan er plannen om de bestaande Rondweg N223 aan te passen dan wel te verbreden. Aangezien deelgebied ‘Buurstede’ inmiddels is afgerond zal hier geen sprake zijn van cumulatie. Cumulatie met deelgebied ‘Veenderij’ en de plannen voor Rondweg N223 kan aan de orde zijn bij de aspecten verkeer, geluid en lucht. Cumulatie van effecten op de aspecten natuur, archeologie en bodem is op voorhand beperkter gezien de lokale aard van deze aspecten. Voor een eventuele stikstofdepositie geldt dat niet op voorhand gesteld kan worden dat enkel sprake is van een aspect op lokale schaal. Cumulatie voor het aspect stikstofdepositie komt echter pas aan bod bij een overschrijding van de huidige gehanteerde grenswaarde van 0,00 mol/ha/j van een losstaand plan én wanneer significante effecten niet zijn uit te sluiten. Hiervan is geen sprake, zoals ook beschreven in hoofdstuk 4. Een benodigde cumulatietoets in het kader van een ecologische voortoets is niet benodigd.

9

Wat betreft de effecten op de aspecten verkeer, geluid en luchtkwaliteit kan het volgende gesteld worden: 

Verkeer: Het verkeer van het plan Groenpoort zal worden ontsloten op de N223. Er zal geen sprake zijn van een directe ontsluiting op deelgebied Veenderij, als ook het tussengelegen deelgebied Buurtstede. Van cumulatie zal in het kader van verkeer (doorstroming en veiligheid) daarom geen sprake zijn van de (deel)gebieden onderling. Van een mogelijk effect kan wel sprake zijn op de N223. De N223 zal worden aangepast en in dit kader wordt momenteel een milieueffectrapport opgesteld. In het Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport N233 Rondweg Veenendaal Oost (d.d. 18 december 2019, projectnummer 3424) wordt geadviseerd om in te gaan op de onderlinge beïnvloeding van de N223 én onderhavige ontwikkeling Groenpoort. Onderdeel hiervan zal het verkeer betreffen. Verondersteld mag worden dat eventuele benodigde maatregelen voor het aspect verkeer vroegtijdig worden meegewogen in de planvorming van de N223 én het stedenbouwkundig plan van Groenpoort ten behoeve van een verkeerskundig juiste ontsluiting. Eventuele (negatieve) effecten zullen hierdoor in ieder geval minimaal c.q. beperkt blijven. Geluid: Zoals bovenstaand beschreven bij het aspect Verkeer zal er geen onderlinge ontsluiting komen tussen Groenpoort en de deelgebieden Buurstede en Veenderij. Het planverkeer zal worden ontsloten op de N233, waarvoor inmiddels een milieueffectrapport wordt doorlopen.

Bij de woningen aan de N233 zou het geluid dus kunnen toenemen. In het kader van de reconstructie van de N233 wordt een akoestisch onderzoek doorlopen. De ontwikkeling van Groenpoort zal hierin voor de te hanteren etmaalintensiteit dienen te worden meegewogen. Waar nodig zullen geluidsmaatregelen worden getroffen om de (eventuele) milieueffecten zo beperkt mogelijk te houden. Indien sprake zou kunnen zijn van een merkbare toename van de geluidbelasting zullen de eventuele (negatieve) effecten zullen hierdoor in ieder geval minimaal c.q. beperkt blijven. Luchtkwaliteit: Zoals beschreven bij het aspect Verkeer zal er geen onderlinge ontsluiting komen tussen Groenpoort en de deelgebieden Buurstede en Veenderij. De gecumuleerde effecten zullen voor wat betreft luchtkwaliteit daarom beperkter zijn. Van effecten op de luchtkwaliteit ter hoogte van de N233 is mogelijk sprake daar hier een directe ontsluiting van Groenpoort wordt gerealiseerd. In het Advies over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport N233 Rondweg Veenendaal Oost (d.d. 18 december 2019, projectnummer 3424) wordt geadviseerd om in te gaan op de onderlinge beïnvloeding van de N223 én onderhavige ontwikkeling Groenpoort. Onderdeel hiervan zal het aspect luchtkwaliteit betreffen.

Verondersteld wordt dat eventuele benodigde maatregelen voor het aspect luchtkwaliteit vroegtijdig worden meegewogen in de planvorming van de N223. Eventuele (negatieve) effecten zullen hierdoor in ieder geval minimaal blijven. Voor Groenpoort individueel, zoals navolgend besproken in hoofdstuk 4, zal geen sprake zijn een negatief milieueffect.

Gezien voorgaande worden geen (significant) negatieve milieueffecten verwacht voor wat betreft cumulatie. Bovendien is ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan Veenendaal – Oost reeds een PlanMER doorlopen. In het kader van uitwerkingsplan ‘Centrale groenzone Buurtstede’ is vervolgens een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd waaruit tevens volgde dat geen belangrijke nadelige effecten te verwachten zijn.

10

Navolgend zullen alleen de (eventuele) milieueffecten van Groenpoort individueel worden beoordeeld. 2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De nieuwe woningen hebben een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

11

3 3.1

Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het voorliggende plangebied bestaat uit een open agrarisch gebied met een kenmerkende oost-west georiënteerde strokenverkaveling. In het plangebied is zowel een toplaag van zand als venig materiaal aanwezig. Ondanks de opgaande beplanting en houtsingels, heeft het plangebied een relatief open karakter en wordt agrarisch intensief gebruikt (landbouw en grasland). Het verkavelingspatroon is ontstaan door de eigendomsverhoudingen zoals die waren voor de vervening. Tijdens de vervening ontstond door de aanleg van de wijken een fijnmazige strokenverkaveling die ook na afloop van de turfwinning - toen de gronden in het plangebied een agrarische bestemming kregen, op hoofdlijnen is gehandhaafd.

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

12

Type gebied

Juridisch kader

Kustgebieden

Relevantie voor de activiteit Het projectgebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het projectgebied is niet gelegen in een berggebied. Wel kent de locatie een groen karakter (zie verder onder 1).

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het projectgebied ligt in een Na-

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

tionaal Landschap (zie verder

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

onder 2).

van de EHS.

Het plangebied ligt niet in een Nationaal Park.

3.3.2.1

Speciale beschermingszones,

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het project-

door de lidstaten aangewezen

gebied liggen Natura 2000-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

gebieden (zie verder onder 3).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het projectgebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar basis van commu-

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

nautaire wetgeving reeds nor-

kwaliteit reeds worden

men worden overschreden.

overschreden Gebieden met hoge bevol-

Het projectgebied is niet gele-

kingsdichtheid

gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

Het plangebied is vanaf het

historisch belang

Monumentenwet

midden van de 18e eeuw tot in

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

de Tweede Wereldoorlog on-

ontwikkelingsplan

derdeel geweest van (het inun-

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

datiegebied van) de Grebbelinie

archeologisch belang

en behoorde tot de meest zuidelijke inundatiekom (zie verder onder 4). Verder heeft het projectgebied een lage archeologische verwachtingswaarde.

1. Bosgebied Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De Wet natuurbescherming schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

13

1

Voor het planvoornemen is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat binnen het plangebied vier bomen aanwezig zijn met een waardevolle status, 25 bomen met een hoge behoudenswaardigheid, 88 bomen met een gemiddelde behoudenswaardigheid, 60 bomen met een lage behoudenswaardigheid en 18 bomen met geen behoudenswaardigheid. Geadviseerd wordt, in het kader van het stedenbouwkundig en waterhuishoudkundig plan, de houtopstanden te benaderen in hun onderlinge samenhang om zodoende de opstanden wellicht als lintvormige structuren te sparen. Daarnaast dient beoordeeld te worden of de houtopstanden met een gemiddelde tot hoge behoudenswaardigheid in te passen zijn in het inrichtingsplan. De drie houtopstanden met een lage behoudenswaardigheid dienen niet gehandhaafd te worden. Indien de boomgroepen met knotwilgen worden gehandhaafd wordt geadviseerd deze onderhoussnoei uit te voeren. Ervan uitgaande dat bovengenoemde werkwijze wordt gehanteerd kan op voorhand in ieder geval worden geconcludeerd dat significante negatieve milieueffecten zijn uitgesloten. Het aspect bosgebied wordt daarom ook niet nader beschreven in hoofdstuk 4. 2. Nationaal landschap Het plangebied ligt concreet binnen het Nationaal Landschap, Gelderse Vallei.

Dit landschap kent de volgende kernkwaliteiten: - Rijk gevarieerde kleinschaligheid - Stelsel van beken, griften en kanalen - Grebbelinie - Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank) Op basis van de Ambitiekaart voor de Gelderse Vallei, opgenomen in de Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen, is onderhavig plangebied echter ingedeeld als stedelijk gebied en maakt daarmee geen onderdeel van een deelgebied waarop bovengenoemde kernkwaliteiten betrekking hebben. Gezien voorgaande is een negatief milieueffect, voor zover aanwezig, gering en op voorhand zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu aan te merken. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht. 3. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied is gelegen nabij Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’, dat zich circa 1.150 meter ten zuiden van het plangebied bevindt. Op grotere afstand zijn de Natura 1

Duifhuizen Boomadviesbureau (2019). Inventarisatie Groenpoort Veenendaal. 21 oktober 2019 14

2000-gebieden ‘Veluwe’ (op circa 6 kilometer) en ‘Rijntakken’ (op circa 7,7 kilometer) gelegen. Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 4. Cultuurhistorische waarden Kenmerkend voor inundatiegebieden zijn de landschappelijke openheid, een relatief lage ligging en een vlak karakter. Deze eigenschappen zijn in het plangebied nog goed herkenbaar. Het inundatiegebied strekte zich buiten het plangebied uit in oostelijke richting tot aan De Kade (gemeente Ede). In de Tweede Wereldoorlog bevonden zich enkele stellingen in het plangebied. Deze zijn heden ten dage niet meer herkenbaar c.q. aanwezig. De Grebbelinie is in 1951 opgeheven en bovendien niet meer herkenbaar in het voorliggende plangebied. Voor het overige is het plangebied aangemerkt als een relatief laag gelegen cultuurlandschap (veenlandschap). De Buurtlaan Oost is aangemerkt als een historische route van vóór 1832, gelegen op een dwarskade. Deze weg – voorheen bekend onder de naam Buursteeg – vormde de verbinding tussen de Boveneindsche Grift en Ede.

Het westelijk deel is later aangelegd (als weg), maar waarschijnlijk was er al een waterverbinding (vóór 1545). De Buurtlaan Oost is net buiten het voorliggende plangebied gelegen. Met het op te stellen bestemmingsplan wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van deze weg. Tot slot is de laanbeplanting langs de Spitsbergenweg aangemerkt als historisch groenelement. Deze wordt waar mogelijk behouden. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Met inachtneming van deze gegevens zijn daarom op voorhand geen negatieve effecten te verwachten wat betreft het aspect cultuurhistorische waarden. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het projectgebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 5).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het projectgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 6).

15

Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

Het projectgebied ligt niet in een

foerageergebied

beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het projectgebied is niet gelegen

Provinciale verordening

in een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

5. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland. Volledigheidshalve wordt wel opgemerkt dat ten oosten van de Dragonderweg het gebied ‘De Groene Grens’ is gelegen. Dit gebied is gelegen in de provincie Gelderland en behoort derhalve tot het Gelders Natuurnetwerk. Aangezien het plangebied niet in het Gelders natuurnetwerk ligt leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van deze gebieden. De bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van onderhavig plan op voorhand niet in de weg. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht 6. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

16

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van maximaal 970 nieuwe woningen betreft binnen Veenendaal-Oost, deelgebied ‘Groenpoort’. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het projectgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het project kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer.  water: Er is met het project sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Dit heeft mogelijke negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten.  cultuurhistorie: Er is geen sprake van negatieve effecten voor cultuurhistorische waarden door onderhavig project.

17

 archeologie: Er worden op voorhand geen negatieve effecten op het gebied van archeologie verwacht.  bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie 2

Bureau Bleijeveld heeft met een ecologische quick scan het huidige plangebied in beeld gebracht. Het plangebied wordt gevormd door een landbouwgebied van circa 34 hectare groot dat is begrensd door de Buurtlaan-Oost, de Spitsbergenweg, N233 en de Dragonderweg. Naast landbouwpercelen zijn enkele woningen en agrarische bedrijven in het gebied aanwezig. Het gaat om een cluster aan de oostzijde met enkele woningen, een varkenshouderij en een manege. Langs de noordzijde staan enkele woningen. Het landbouwgebied bestaat grotendeels uit reguliere grasland- en maispercelen. Langs de zuidrand en noordrand zijn verschillende percelen in gebruik als kwekerij en volkstuinencomplex. Langs de randen van de landbouwpercelen, voornamelijk in de zuidelijke helft, staan plaatselijk singels met voornamelijk zwarte elzen, essen en wilgen. Langs de reguliere percelen in de noordelijke helft ontbreekt begroeiing vrijwel geheel. Rond de cluster bewoning aan de oostzijde staan drie kleine houtopstanden. Het gaat om een wilgenbosje aan de zuidzijde, een houtsingel rond een vijver aan de westzijde met allerlei soorten waaronder uitheemse zoals coniferen en een populierenbosje ten noordwesten van de cluster. Verder staat op de erven de gebruikelijke erfbeplanting. De begroeiing in het plangebied is overwegend jong. In en rond de cluster bewoning aan de oostzijde staan ook oudere bomen (max.

60 cm) maar uitzonderlijk dikke exemplaren ontbreken. De perceelsloten zijn smal en ondiep, en staan in het oostelijke deel grotendeels droog in de zomer. Naar het westen toe zijn de sloten vaker watervoerend en dieper. Ten westen van wooncluster in het oosten ligt een poel met moerasbegroeiing eromheen en een sterk beschaduwd, rechthoekig plasje met een houtsingel eromheen. Aan het plasje ligt een rietveld in ondiep water. Ten oosten van het plangebied ligt natuurontwikkelingsgebied De Groene Grens. Dit gebied is samen met Veenendaal-Oost door provincie Gelderland aangelegd voor Natuurnetwerk Nederland. Ten noorden hiervan liggen enkele landbouwpercelen. Verder staan langs de Dragonderweg ten oosten van het plangebied enkele woningen. 2

Bureau Bleijeveld (2019). Quick scan Wnb Groenpoort Veenendaal (concept). 15 oktober 2019. 18

4.2.2

Effecten ontwikkeling 3

Bureau Bleijeveld heeft in de ecologische quick scan en aanvullend onderzoek naar 4 vaste rust- en verblijfsplaatsen onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook 5 is, middels een onderzoek stikstofdepositie door Langelaar Milieuadvies, nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scans uiteengezet. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen nabij Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’, dat zich circa 1.150 meter ten zuiden van het plangebied bevindt. Op grotere afstand zijn de Natura 2000-gebieden ‘Veluwe’ (op circa 6 kilometer) en ‘Rijntakken’ (op circa 7,7 kilometer) gelegen. Allereerst is in het onderzoek stikstofdepositie voor de gebruiks- en aanlegfase (bouwrijp maken, bouwen en woonrijp maken) voor de ontwikkeling van 970 woningen in het projectgebied Groenpoort de stikstofdepositie berekend. Uit de stikstofberekening voor de gebruiksfase blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied ‘Binnenveld’ een stikstofdepositie plaatsvindt tot maximaal 0,77 mol/ha/jaar. Hierbij worden de kritische depositiewaarden overschreden.

De bijdrage in de aanlegfase – dit betreft een tijdelijke stikstofdepositie – bedraagt maximaal 0,20 mol/ha/jaar. De gebruiksfase is zodoende leidend. In het plangebied vinden momenteel diverse agrarische activiteiten plaats, die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beëindigd zullen worden. De stikstofemissie van deze agrarische activiteiten wordt verrekend met de toekomstige stikstofemissie (interne saldering). Zodoende is een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie (bestaande situatie) en de gebruiksfase. Deze verschilberekening levert geen verschillen op boven 0,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase per saldo niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar en er dus geen toename is te verwachten. Op de omliggende Natura 2000-gebieden is zelfs sprake van een afname. Voor Binnenveld is een afname berekend van minimaal -0,75 mol/ha/jaar. De maximale afname op één van de relevante hexagonen bedraagt zelfs -3,24 mol/ha/jaar. Dit is een significante afname. Op grond van de uitgevoerde verschilberekening is door de provincie Utrecht een vergunning op grond van de Wet natuurbe6 scherming verleend.

3

4

5

6

Bureau Bleijeveld (2019). Quick scan Wnb Groenpoort Veenendaal (concept). 15 oktober 2019. Onderzoek vaste rust- en verblijfsplaatsen Groenpoort Veenendaal, Bureau Bleijeveld, d.d. 21 januari 2021. Langelaar Milieuadvies (2020). Onderzoek stikstofdepositie. Groenpoort te Veenendaal. Projectnummer: 19111/04. 13 april 2020. Provincie Utrecht – Beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming – woningbouw Groenpoort in Veenendaal, zaakkenmerk Z-WNB-PP-NA-20200674, d.d. 5 oktober 2020 19

Deze afname is een direct gevolg van het beëindigen van de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf aan de Dragonderweg 14. Voor de beëindiging van de huidige agrarische activiteiten is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Op deze wijze is de bedrijfsbeëindiging voldoende verzekerd. Gelet op het voorgaande vormt het aspect stikstof geen belemmering voor de realisatie van onderhavig deelgebied Groenpoort. Soortenbescherming Planten Het plangebied bestaat grotendeels uit reguliere landbouwpercelen en erven die intensief gebruikt worden en voedselrijk zijn. De meer natuurlijke delen van het gebied bestaan uit smalle singels en perceelsloten die sterk beïnvloed zijn door het aangrenzende agrarische gebruik. In het gebied zijn alleen algemene vegetaties van voedselrijkere milieus aangetroffen. Er zijn geen beschermde plantensoorten gevonden. Zoogdieren In het gebied zijn alleen ree en haas daadwerkelijk waargenomen. Daarnaast zijn sporen van klein zoogdieren gevonden in de vorm van holen en uitwerpselen. In het gebied zijn alleen algemene soorten te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling van de Wnb geldt in geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de strenger beschermde kleine diersoorten voldoet het terrein niet als leefgebied of deze soorten zijn niet bekend in de regio.

Van de overige zoogdieren zijn naast haas en ree, kleine marterachtigen en vos te verwachten. Voor deze soorten geldt ook een algemene vrijstelling. Een deel van de aanwezige gebouwen zijn in potentie geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. Tijdens de inspecties zijn geen steenmarters of sporen van gebruik gevonden. De afwezigheid van deze soort wordt ondersteund door het feit dat op Dragonderweg 10 kippen worden gehouden die dag en nacht los rondlopen. Ook broeden hier in de schuren een steenuil en holenduiven. Deze situatie zou bij aanwezigheid van steenmarters niet mogelijk zijn. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. De bomen in het gebied zijn te jong of in te goede staat om geschikt te zijn als verblijfplaats. De bebouwing is deels geschikt als verblijfplaats met name de aanwezige woningen. Zodoende is een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het vleermuisonderzoek blijkt dat er tijdens de veldbezoeken geen in- of uitvliegende dieren zijn waargenomen. Ook zijn er geen andere aanwijzingen gevonden voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de aanwezige bebouwing. Wel zijn er twee vliegroutes vastgesteld, waarvan er één vrij intensief gebruikt wordt. Deze is parallel aan de Buurtlaan Oost gelegen, aan de noordzijde van het plangebied.

Daarnaast wordt het plangebied (zeer) beperkt gebruikt als foerageergebied.

20

Gelet op de aanwezige vliegroutes en potentieel foerageergebied is een activiteiten7 plan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Vogels De sloop van de bestaande bebouwing kan leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van rust- of voortplantingsplaatsen van vogels. Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten die het nest ook buiten de broedperiode gebruiken. In het plangebied zijn allerlei algemene vogelsoorten van bos, struweel en ruigte aanwezig. De opgaande begroeiing is grotendeels ongeschikt voor soorten met een vaste nestplaats vanwege de beperkte ouderdom van de bomen. In de oudere bomen in het gebied zijn geen grotere nesten waargenomen die duiden op horsten en dergelijke. Tijdens de veldbezoeken is (meermaals) een broedende ooievaar vastgesteld in een mast ten westen van de Dragonderweg 10. In 2020 zijn er drie jonge ooievaars uitgevlogen. Verder is in de voortuin van de Dragonderweg 12 een steenuil aangetroffen. Deze heeft een nestplaats op het erf van nummer 10.

Tijdens het huismusonderzoek in 2020 verbleef een steenuil nabij een gat op het dak van het meest oostelijke bijgebouw. Er is vanuit gegaan dat het nest zich hier bevond. Er is daarom geen specifiek veldonderzoek naar steenuil gedaan. De te slopen gebouwen van de overige adressen zijn niet geschikt als nestplaats voor steenuil. In het gebied is verder de aanwezigheid van de huismus vastgesteld. Tijdens het muismussenonderzoek zijn op de erven van de Dragonderweg en bij Buurtlaan Oost 84 huismussen waargenomen. Nestindicerend gedrag is waargenomen bij Dragonderweg 8, 12, 14 en 16. In totaal ging het om circa tien paren waarvan circa zes paren bij huisnummer 16. Bij de te slopen bebouwing zijn echter geen nestplaatsen vastgesteld. Bij de wooncluster Buurtlaan Oost 84-88 is de aanwezigheid van de huismus wel vastgesteld, maar is geen nestindicerend gedrag waargenomen. De vogels bleken hier te foerageren op kippenvoer en vlogen over de provinciale weg heen-en-weer naar de woonwijk ten westen van de weg. Gelet op het voorgaande is voor de ooievaar en steenuil een activiteitenplan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Daarnaast moet in het plangebied – met name in opgaande begroeiing en gebouwen – rekening worden gehouden met algemene broedvogels.

Bij het slopen van gebouwen en het rooien van begroeiing is verstoring van broedsels en sterfte een mogelijk effect, hetgeen in strijd is met de Wnb. Derhalve dienen dergelijke ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden, tenzij een controle uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, 7

Activiteitenplan Groenpoort Veenendaal-oost, Bureau Bleijerveld, d.d. 2 december 2020. 21

maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 15 augustus tot 15 maart is de kans op broedgevallen gering. Amfibieën Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn alleen bastaardkikkers waargenomen. Verder zijn alleen de algemene, lichtbeschermde soorten te verwachten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor de genoemde soorten geldt een algemene vrijstelling van de Wnb in geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Ten oosten van het plangebied komt de poelkikker voor en ten zuiden van Veenendaal-oost de heikikker. Beide soorten zijn strikt beschermd volgens het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. Met name de poelkikker is niet geheel uit te sluiten vanwege de nabijheid van een populatie. De aanwezigheid van de heikikker is niet waarschijnlijk vanwege de relatief grote afstand tot het plangebied. In het voorjaar van 2019 is een e-DNAonderzoek uitgevoerd naar de heikikker in het de sloten en plassen in het plangebied. De resultaten hiervan waren negatief. Om de aanwezigheid van de poelkikker in het voorliggende plangebied uit te sluiten is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tijdens de drie uitgevoerde veldbezoeken zijn geen poelkikkers waargenomen in de aanwezige potentieel geschikte water- en landbiotopen in het plangebied.

Ook zijn geen waarnemingen gedaan van roepende mannetjes. Dit laatste terwijl er op de inventarisatiedata elders in Nederland wel kooractiviteit van poelkikker is waargenomen. Reptielen Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. Het gebied is tot op zekere hoogte geschikt als leefgebied voor ringslang maar in het gebied is geen populatie van deze soort bekend. Voor de overige soorten reptielen vormt het plangebied geen geschikt leefgebied. Vissen Van het gebied ten oosten van Veenendaal is bekend dat de grote modderkruiper er voorkomt. Deze soort is in eerdere ontwikkelingsfasen gevonden in vergelijkbaar sloten. Zodoende is in het voorjaar van 2019 een eDNA-onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper in sloten en plassen in het plangebied. In één van de watermonsters (nr. 21891) is een lage concentratie eDNA aangetoond. Dit duidt op een kleine populatie grote modderkruipers, maar de populatiegrootte is niet exact te bepalen via de eDNAmethode. Dit neemt niet weg dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling het leefgebied van deze soort verloren gaat en er mogelijk sterfte optreedt, hetgeen in strijd is met de Wnb. Gelet op het voorgaande is voor de grote modderkruiper een activiteitenplan opgesteld, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.

Op grond van het activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd.

22

Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Deze komen in het plangebied niet voor. Derhalve is de aanwezigheid van deze soortgroep uitgesloten. Samenvattend In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Daarbij zijn de volgende beschermde soorten aangetroffen:

Naar aanleiding van de aangetroffen beschermde soorten is een activiteitenplan opgesteld. Op grond van dit activiteitenplan dient te zijner tijd een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. De beoogde werkzaamheden mogen niet starten zonder ontheffing, tenzij de betreffende werkzaamheden niet van invloed zijn op de hiervoor genoemde vliegroutes, foerageer- en leefgebieden en/of vaste verblijfsplaatsen. Conclusie Gezien voorgaande is wat betreft de gebiedsbescherming geen sprake van een significant negatief milieueffect. Wat betreft de soortenbescherming is op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie Het plangebied is momenteel ingericht als agrarisch gebied met enkele bedrijven en woningen. Momenteel is daarom reeds sprake van enig verkeer binnen het plangebied.

4.3.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling (de realisatie van maximaal 970 nieuwe woningen) zorgt voor de aantrekking van een toename van het verkeer ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling van onderhavig project heeft gevolgen voor het verkeer en de wegen in de omgeving van het projectgebied. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is ingeschat met behulp van het regionale verkeersmodel van de provincie Utrecht. Dit verkeersmodel is opgesteld en toegepast voor de beoogde verbreding van de N233 (Rondweg Oost). Uit dit ver23

keersmodel blijkt dat de totale verkeersgeneratie - als gevolg van de ontwikkeling van 970 woningen in Groenpoort - 6.713 motorvoertuigen per gemiddelde weekdag bedraagt, ofwel gemiddeld 6,9 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal. Dit sluit aan bij de cijfers die het CROW hanteert voor de gemiddelde verkeersgeneratie van woningen. In de toekomstige situatie zal het verkeer van en naar het voorliggend plangebied grotendeels worden afgewikkeld via de hoofdontsluiting van Groenpoort op de (verbrede) rondweg (N223). De (verbrede) Rondweg Oost beschikt over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen te verwerken. Het plangebied wordt secundair ontsloten op de Buurtlaan Oost, maar de verwachte verkeersintensiteiten op deze ontsluitingsweg zijn aanzienlijk lager. Verondersteld dat eventuele benodigde maatregelen voor het aspect verkeer vroegtijdig worden meegewogen in de planvorming worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie Het plangebied zelf is momenteel ingericht als agrarisch gebied met enkele bedrijven en woningen. In de directe nabijheid van het plangebied zijn diverse drukke ontsluitingswegen gelegen waarbij verwacht kan worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting in de omgeving.

4.4.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling (de realisatie van maximaal 970 nieuwe woningen) zorgt voor de aantrekking van meer verkeer (ten opzichte van de huidige situatie) en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal direct worden ontsloten op de (aangepaste) Rondweg N223. Nabij de N223 zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. In het kader van het op te stellen bestemmingsplan wordt een akoestisch onderzoek verricht door BuroDB waarbij onderstaande etmaalintensiteiten per etmaal zijn gehanteerd voor het jaar 2035: Weg

Etmaalintensiteit in mvt/etm

Rijksweg A12

85.050

Rondweg-Oost, ten zuiden van Rijksweg A12

42.328

Rondweg-Oost, ten zuiden van aansluiting Groenpoort

42.428

Aansluiting Groenpoort

4.039

Buurtlaan Oost, ten westen van Groenpoort

6.340

Buurtlaan Oost, ten oosten van Groenpoort

7.566

Overzicht gehanteerde etmaalintensiteiten (gemiddelde weekdag, planjaar 2035)

Uit de Wet Geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze 24

toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de (extra) verkeersaantrekking geschat op circa 6.713 extra motorvoertuigen per etmaal. Op de Ronweg N322 geldt een etmaalintensiteit van circa 42.500 motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is daarmee te verwachten dat de verkeerstoename op de N322 veel lager zal zijn dan 40%. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst ca. 16%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename op de N322 als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof 8 (PM10) bestudeerd . De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie (2016, huidig) 3 29 µg/m 3 24 µg/m 3 15 µg/m

Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Sweco).

4.5.2

Effecten ontwikkeling Onderliggend project voorziet in de ontwikkeling van maximaal 970 woningen. Uit de resultaten van het door Sweco uitgevoerde onderzoek blijkt dat langs de ontsluitende wegen van het plangebied en binnen het plangebied, in de onderzochte situaties wordt voldaan aan de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de toekomstige situatie, zoals in navolgende tabel in beeld gebracht. Hiermee voldoet het plan aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie (2026, toekomst) 3 19 µg/m 3 22 µg/m 3 13 µg/m

Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m

Stikstofdioxide en fijnstof toekomstige situatie (Bron: Sweco).

Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

8

Sweco (2016). Onderzoek luchtkwaliteit. Bestemmingsplan Veenendaal Oost. Projectnummer: 348469. 17 mei 2016. 25

4.6

Water

4.6.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een grotendeels onbebouwd agrarisch gebied met enkele bedrijven en woningen.

4.6.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling (de realisatie van maximaal 970 nieuwe woningen) zorgt voor een toename van het verharde oppervlak. In het kader van de voorgenomen 9 ontwikkeling is daarom een waterhuishoudingsplan opgesteld , waarin het waterhuishoudingssysteem voor ‘Groenpoort’ is beschreven. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord. Uitgangspunten De uitgangspunten voor het waterhuishoudingsplan zijn:  ‘Groenpoort’ heeft een totaal oppervlak van 33,4 hectare;  voor de verdeling van het verhard en onverhard oppervlak wordt dezelfde verdeling aangehouden als in 2007. Die betekent dat er is uitgegaan van 13,4 hectare verhard, 18,2 hectare onverhard oppervlak en 1,8 hectare open water;  de totale watercompensatieopgave van Veenendaal-oost is 15,8 hectare. Hiervan is 3,5 hectare gerealiseerd in deelgebied ‘Buurtstede’ en wordt er op het moment van schrijven 6,7 hectare gerealiseerd in deelgebied ‘Veenderij’. De resterende waterberging wordt voor 3,8 hectare gerealiseerd in ‘De Groene Grens’ en voor 1,8 hectare in deelgebied ‘Groenpoort’;  voor het hele gebied rond ‘Groenpoort’ en ook voor het gebied zelf geldt een maximale afvoer van 3 l/sec/hectare bij T=100;  er wordt uitgegaan van een centrale watergang in ‘Groenpoort’ van noord naar zuid, de zogenaamde Singel.

Via deze watergang wordt het water dat afkomstig is uit ‘Groenpoort’ afgevoerd richting deelgebied ‘Buurtstede’. Aan het einde van de watergang wordt een nieuwe stuw geplaatst waarmee de peilverschillen tussen deelgebieden ‘Groenpoort’ en ‘Buurtstede’ gehandhaafd worden;  de centrale watergang door deelgebied ‘Groenpoort’ wordt verbonden aan het watersysteem van deelgebied ‘Buurtstede’. In deelgebied ‘Buurtstede’ wordt er een koppeling gemaakt met de waterberging in ‘De Groene Grens’;  ‘Groenpoort’ krijgt – net als de rest van Veenendaal-oost een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwaterriool kan worden aangesloten op het oppervlaktewater. Het is ook mogelijk wadi’s te realiseren in het plangebied. Er is van uitgegaan dat het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor de berekeningen die zijn uitgevoerd en beschreven in het waterhuishoudkundig plan is er niet van uitgegaan dat er buiten het beoogde oppervlakwater extra waterbergingen, zoals bijvoorbeeld wadi’s, worden gerealiseerd. Mocht dit uiteindelijk wel gerealiseerd worden dan zal dit aanvullende berging betreffen, als ook eventuele inflitratie onder parkeeroplossingen.

9

Witteveen+Bos B.V. (2020). Waterhuishoudingsplan Groenpoort. Projectnummer: 113870. 8 januari 2020. 26

Watercompensatie De totale watercompensatieopgave van Veenendaal-oost is bepaald voordat de ontwikkeling van het gebied is begonnen. Tijdens deze fase is besloten om een groot deel van de waterberging te realiseren in het deelgebied ‘Veenderij’ en in mindere mate in deelgebied ‘Buurtstede’ vanwege de lage ligging en de feit dat door de aanleg van de wijken een deel van de waterberging van de Grift verloren is gegaan. Dit betekent dat de resterende opgave voor deelgebied ‘Groenpoort’ relatief laag is, namelijk 1,8 hectare. Watercompensatie wordt gevonden in de aanleg van een singel. Uitgaande van de benodigde watercompensatie van 1,8 hectare, resulteert dit in een watergang van 820 meter lang en 22 meter breed. De singel zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan is minder breed (circa 12 meter), maar niettemin wordt wel voldaan aan de totale eis van 1,8 hectare. Om de benodigde compenserende maatregelen te waarborgen, is in de regels van het op te stellen bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Effecten van extreme neerslag In het waterhuishoudkundig plan is tevens beoordeeld wat de effecten zijn van extreme neerslag op de waterstanden in het gebied. Op basis hiervan is bepaald welke afmetingen de stuwen aan de noord- en zuidzijde van deelgebied ‘Groenpoort’ moeten zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11112435/1