3. Bijlage 2 - Evaluatie programma Evaluatie Energieneutraal Veenendaal 22-25
Tekst van het document
Samenwerking met het bedrijfsleven Inzet op samenwerking met het bedrijfsleven, zoals vormgegeven in de Green Deal, blijft in de komende programmaperiode een essentieel onderdeel (zie ook hoofdstuk 4). Deze samenwerking heeft in deze programmaperiode niet alleen geleid tot een beter begrip van gezamenlijke doelen, maar heeft ook concrete resultaten opgeleverd, zoals het opstellen van cases rond netcongestie. In de komende periode is het van belang om deze samenwerking verder te versterken en uit te breiden. Het bedrijfsleven moet niet alleen worden gezien als uitvoerende partner, maar ook als een bron van innovatieve ideeën en betrokkenheid, waarbij in deze programmaperiode ook steeds meer eigenaarschap bij het bedrijfsleven is belegd. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van een SMART Energy Hub. Deze hub heeft het potentieel om uit te groeien tot een bredere blauwdruk. Daarvoor moet ook in de volgende programmaperiode worden ingezet op meer draagvlak en betere afstemming met zowel de provincies als met netbeheerder Stedin. Ook vanuit de regio Foodvalley en provincie wordt samengewerkt om energiehubs te realiseren bij Nijverkamp en Faktorij/De Vendel.
29 / 48
Energieloket voor bedrijven Hoewel het energieloket voor bedrijven wordt gewaardeerd, wordt de kwaliteit van de eerder gegeven adviezen aan bedrijven kritisch beoordeeld. De gegeven adviezen zijn in complexe gevallen niet voldoende. Het REB is momenteel nog in ontwikkeling en kan op dit moment nog geen energieadvies leveren aan individuele bedrijven. Er is wel behoefte aan diepgaande, specialistische adviezen, waarbij complexere cases vanuit het energieloket worden doorverwezen naar gespecialiseerde adviseurs vanuit het Regionaal Energieteam Bedrijven (REB) (zie ook hoofdstuk 4.2). We adviseren om te kijken in welke gevallen het voor het energieloket voor bedrijven nodig is om door te verwijzen naar het REB, dan wel om contact te zoeken met het REB zodat de adviezen versterkt kunnen worden. Daarnaast adviseren we om voor de volgende programmaperiode te kijken hoe de adviezen vanuit het energieloket voor bedrijven en vanuit het REB beter kunnen aansluiten bij de behoeften van bedrijven. Ruimtelijke en politieke uitdagingen voor opwek De beperkte ruimte in Veenendaal maakt grootschalige energieopwekking, zoals windturbines en zonnevelden, complex. Kleine windturbines op bedrijventerreinen en kleinschalige zonnevelden bieden mogelijk kansen, zeker in de context van een energy hub, maar liggen politiek gevoelig.
Volgens betrokkenen kan het opstellen van concrete cases helpen om meer politiek en maatschappelijk draagvlak te creëren.
3.3.3. Pijler Mobiliteit
Figuur 30. Inspanningen Pijler Mobiliteit, programmaperiode 2022-2025 Vanuit de pijler mobiliteit is hoofdzakelijk is ingezet op het uitvoeren van bewustwordingsacties voor het verminderen van autogebruik, op het opstellen van de Laadvisie en op het realiseren van laadpalen/locaties voor laadinfra. Ook voor de pijler Mobiliteit geldt dat het is gelukt om de inspanningen binnen budget uit te voeren. Inzet op STOMP én op het ontmoedigen van autogebruik Het omgevingsprogramma mobiliteit, dat voorlag is in 2024 niet aangenomen door de raad. Volgend jaar komt er een nieuw voorstel voor een aangepaste vorm van het programma. Daarin blijft het STOMP-principe (“Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteitshulpmiddelen, personenauto”) een leidraad voor het mobiliteitsbeleid in Veenendaal.
30 / 48
Volgens de betrokkenen bij de pijler blijft het daarbij belangrijk dat naast het stimuleren van fietsen, lopen en OV, er ook wordt ingezet op het ontmoedigen van autogebruik, wat geen politiek draagvlak heeft. De inzet op fietsparkeren en snelfietsroutes worden als positief ervaren en hebben volgens betrokkenen bijgedragen aan het stimuleren van fietsgebruik, maar volgens betrokkenen bij de pijler zullen deze inspanningen maar beperkt impact hebben op het moment dat het autogebruik niet zal afnemen. Het is bij inzet op het STOMP-principe belangrijk dat er wordt gekeken naar de relatie met ruimtelijke ordening: als een wijk anders wordt ingericht volgens het STOMP-principe, gaat men ook anders bewegen. Gedragsverandering en gerichte doelgroepen Campagnes gericht op gedragsverandering hebben in de afgelopen periode wisselend effect gehad – een eerdere campagne (over een ander onderwerp) leverde in sommige onderdelen goede resultaten op, terwijl andere elementen minder aansloegen. De lessen uit deze ervaringen worden al meegenomen en er wordt meer ingezet op een datagedreven aanpak om de effectiviteit beter te meten en bij te sturen. We stellen vraagtekens bij de effectiviteit van gedragscampagnes op gemeenteniveau als er gekozen moet worden binnen schaarste van middelen en mensen.
Wel kan het interessant zijn om waar mogelijk of relevant aan te haken bij gezamenlijke gedragscampagnes, zoals de campagnes waar vanuit regio Foodvalley momenteel aan wordt gewerkt. Daarbij adviseren we scherp te zijn op het doelbereik en effect. Inzet op laadpalen i.r.t. inzet op woningbouw en impact van netcongestie De laadvisie en de inzet op de uitrol van laadpalen worden als positief beschouwd. Dit proces wordt gezien als een “rijdende trein” en betrokkenen bij de pijler willen hierop blijven inzetten. De insteek is om netcongestie te verminderen door in te zetten op het slim, netbewust laden, door bijvoorbeeld het verminderen van laden op het moment dat er veel vraag naar elektriciteit is. Wel vraagt inzet op snelladers om duidelijke keuzes en afwegingen. Er is conflict met inzet op woningbouw en beschikbare netcapaciteit. Betrokkenen bij de pijler geven aan dat het, indien woningbouw als prioriteit wordt gezien en netcongestie een beperkende factor blijft, het verstandiger kan zijn om tijdelijk de focus te leggen op andere vormen van laadinfra, zoals laadpalen langs snelwegen. Dit is iets dat veel gemeenten in den lande overwegen. Zo experimenteert de gemeente Utrecht al met het benutten van elektrische (deel)auto’s in wijken als buurtbatterij. Dit kan ook een aanvullende denkrichting zijn voor de gemeente Veenendaal.
Het kan eraan bijdragen dat de benodigde verzwaring van de laagspanningsnetten in wijken kan worden verminderd, omdat dan met de autobatterijen pieken op het stroomnet worden opvangen. Dit vraagt wel om laadpunten die stroom uit auto's kunnen halen en op het lokale net kunnen zetten en deze eis moet ook een plek krijgen in de laadpaalconsessie. Beperkt effect van deelauto’s en waterstof Betrokkenen bij de pijler hebben aangegeven dat het effect van deelauto’s op CO₂-reductie in de huidige vorm minimaal is – met slechts vijf deelauto’s in Veenendaal blijft de impact verwaarloosbaar. Daarnaast wordt de inzet op waterstof momenteel gezien als van beperkte impact voor de directe mobiliteitsdoelstellingen, waarbij de rol van waterstof vaak als overschat wordt beschouwd en slechts in niches relevant lijkt. Tegelijkertijd bieden de verwachte ontwikkelingen in de periode 2026–2030 – zoals de toenemende noodzaak voor oplossingen rondom netcongestie, energieopslag en een efficiëntere timing van gebruik – aanleiding om waterstof als innovatieve oplossing voor mobiliteit niet volledig af te schrijven. Het is daarom zinvol om deze koppeling expliciet te onderzoeken en de inzet van waterstof in de volgende programmaperiode nader te evalueren.
31 / 48
3.3.4. Pijler Gemeente als Voorbeeld
Figuur 31. Inspanningen Pijler Gemeente als Voorbeeld, programmaperiode 2022-2025 Te smal geformuleerde doelen en inspanningen Betrokkenen bij de pijler geven aan, dat het in de huidige opzet van de pijler ontbreekt aan een duidelijke focus op de lange termijn. Huidige inspanningen zijn te operationeel en te veel gericht op kleinere, praktische doelen die dichter bij de lijnorganisatie zouden moeten liggen. Dit leidt volgens de betrokkenen tot versnippering. Wel zien we in figuur 31 dat voor de inspanningen uit deze pijler geldt dat deze binnen budget zijn geleverd. Sowieso zien we dat de ambities en inspanningen van deze pijler al elders in de lijn een plek hebben. Daarnaast zien we dat de huidige gestelde doelen eigenlijk niet bijdragen aan het zijn van een ‘Gemeente als Voorbeeld’. Er dient richting de volgende programmaperiode kritisch te worden gekeken of deze pijler nog relevant is. En geven in overweging de pijler Gemeente als Voorbeeld in de volgende programmaperiode op te heffen. Wel kunnen mooie voorbeelden van inzet van inwoners/bedrijven onderdeel worden van de communicatie. Energieverbruik Energieverbruik wordt door betrokkenen bij de pijler gezien als een van de belangrijkste sleutels voor verduurzaming.
In de volgende programmaperiode is het volgens hen noodzakelijk om concrete doelstellingen te formuleren op het gebied van energieverbruik, waaraan inspanningen dienen te worden gekoppeld. Routekaart Er wordt momenteel gewerkt aan een routekaart voor het verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed. In de volgende programmaperiode moet prioriteit worden gegeven aan het finaliseren en implementeren van deze routekaart. De routekaart moet aansluiten op het te actualiseren vastgoedbeleid. Dit is inmiddels ingebed in de staande organisatie.
32 / 48
Integratie van ambities en inspanningen in het Integraal Huisvestingsplan Er wordt momenteel een Integraal Huisvestingsplan voor onderwijs ontwikkeld. Volgens betrokkenen bij de pijler biedt dit plan een plek voor de ambities die momenteel een plek hebben in de pijler Gemeente als Voorbeeld. Dit biedt een mogelijkheid om te herijken welke ambities en inspanningen nog een plek behoeven te krijgen binnen het programma ENV.
3.3.5. Pijler Warmte
Figuur 32. Inspanningen Pijler Warmte, programmaperiode 2022-2025
33 / 48
Figuur 33. Vervolg: Inspanningen Pijler Warmte, programmaperiode 2022-2025 Opschalen en professionaliseren van de uitvoering In bovenstaande figuur is te zien dat er is ingezet op strategische samenwerking op het gebied van collectieve warmte met DEVO - de partij die is aangewezen voor de realisatie van voor warmtenetten in de hele stad – bijvoorbeeld als het gaat om warmtenetten en geothermie (zie ook paragraaf 4.3.2.). DEVO is vooruitstrevend en zoekt naar mogelijkheden om warmtenetten voor nieuwbouwwijken zo in te richten dat ze kunnen fungeren als vliegwiel voor de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Daarnaast is te zien dat de BUP’s Faktorij/de Vendel en Dragonder-Oost volop aan de gang zijn en dat de BUP’s Dragonder-Zuid en Petenbos net zijn opgestart. Vooralsnog lukt het om de inspanningen binnen budget uit te voeren. Volgens betrokkenen bij de pijler verloopt de ontwikkeling van de BUP’s tot dusver goed. Wel wordt aangegeven dat er nu behoefte is aan een structurele aanpak om de uitvoering daadwerkelijk in de buurten te kunnen organiseren. Een van de grootste uitdagingen voor de komende periode wordt het opschalen van de uitvoeringsorganisatie. Dit omvat bijvoorbeeld het opzetten van communicatieprogramma’s, inkoopacties en gerichte subsidies. Daarnaast is er behoefte aan meer capaciteit om ondersteuning te kunnen bieden, om zo in de buurten te kunnen opereren.
34 / 48
Netcongestie Netcongestie is ook binnen deze pijler een groeiende uitdaging. De eerste BUP’s zijn grotendeels buiten de effecten van netcongestie om ontwikkeld, maar in de aankomende programmaperiode zal dit steeds meer een cruciale factor worden, zeker daar waar sprake is van elektrificatie van (een deel van) de warmtevraag. Blijvende inzet op de samenwerking met netbeheerder Stedin wordt als essentieel benoemd om creatieve en netbewuste oplossingen te kunnen realiseren. Het is daarbij belangrijk of Stedin inschat dat netcongestie op de laagspanningsnetten zou kunnen ontstaan, waardoor warmtepompen in sommige woningen niet meer aangesloten zouden kunnen worden. Het verder ontwikkelen van experimenten in Dragonder-Oost kan dienen als voorbeeld voor toekomstige wijken. De pijler Warmte kan in die zin ook juist (deels) een oplossing zijn voor netcongestie. Individuele en kleinschalige oplossingen De gemeenteraad heeft besloten om de eerste twee buurten (Dragonder-Oost en Faktorij/de Vendel) op individueel en kleinschalig niveau aan te pakken. Per Buurtuitvoeringsplan wordt een afweging gemaakt welke techniek wordt gekozen. Er is daarnaast voor gekozen om daarbij de einddatum van 2050 voor aardgasvrij te hanteren. Dit geeft inwoners van deze buurten de tijd en ruimte om over te schakelen.
Het is belangrijk dat er periodiek wordt gemonitord op de gestelde tussendoelstellingen in de BUP’s. Focus op energiebesparing Volgens betrokkenen bij de pijler blijft energiebesparing een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie. In de eerste twee BUP-wijken lag de focus op isolatie relatief laag, omdat het hier voornamelijk ging om moderne panden met weinig bespaarbehoefte als randvoorwaarde voor de overstap naar een aardgasvrije situatie. Bij de bedrijfs- en woningadviezen op De Faktorij en De Vendel zijn isolatiemaatregelen echter wel in kaart gebracht en gekwantificeerd. Daarnaast is binnen het BUP Dragonder Zuid via een huis-aan-huis actie een koppeling gelegd tussen het informeren over het BUP en de uitvoering van de Veense Isolatie Actie. Voor VvE’s wordt een ondersteuningsaanpak opgezet vanuit het Energieloket. Het verder faciliteren van bewoners om zelf stappen te zetten – zoals het isoleren van woningen – dient in de volgende programmaperiode verder vorm te krijgen. Daarbij is het van belang om de aanpak vanuit de pijlers wonen en werken nauwgezet af te stemmen op de bredere inzet binnen de warmtetransitie.
35 / 48
3.3.6. Pijler Communicatie
Figuur 34. Inspanningen Pijler Communicatie, programmaperiode 2022-2025 Communicatie was in deze programmaperiode breed gericht en ondersteunde de volledige reikwijdte van het programma. Naast activiteiten met betrekking tot de warmtetransitie, zoals de BUP’s, zijn er diverse bewustwordingsactiviteiten ontwikkeld. Voorbeelden hiervan zijn inspiratieverhalen van inwoners en ondernemers, driehoeksborden langs de weg, een huis-aan-huiskrant, de Week van Duurzaam Veenendaal en een duurzaamheidsmarkt. Er is behoefte aan meer samenhang tussen de verschillende programma’s binnen de opgave, en communicatie over het opgaveperspectief als geheel. Voor inwoners maakt het immers niet uit vanuit welk programma een boodschap komt; zij zien slechts één gemeente. De pijler communicatie heeft deze programmaperiode een positieve impact gehad over de hele breedte van het programma én over de gehele breedte van de opgave. Voor de volgende programmaperiode is het belangrijk om te kijken of de huidige beschikbare capaciteit ook voldoende is om een bredere communicatie-aanpak op te kunnen zetten en uit te kunnen voeren.
36 / 48
3.3.7. Duurzame Innovaties
Figuur 35. Inspanningen Pijler Communicatie, programmaperiode 2022-2025 Een sterker accent op innovatie wordt door betrokkenen bij het programma als wenselijk gezien. Netcongestie is voor het gehele programma een belemmerende factor. Dit stimuleert innovatie. Innovatie zou daarom in een volgende programmaperiode niet alleen ondersteunend moeten zijn, maar een centrale rol kunnen spelen in het programma. Dit kan bijvoorbeeld door de innovatie toe te spitsen op de ontwikkeling naar het ‘Energiesysteem van de toekomst’ en/of innovatie en lerend vermogen sterker te integreren in alle pijlers. Met inzet op een energiesysteem van de toekomst worden energiebesparing, energieopwekking en de warmtetransitie samengebracht en kan tevens een bijdrage worden geleverd aan de netcongestie. Hier wordt vanuit partners ook al op ingezet. Zo is het warmtenet van DEVO in de wijk Groenpoort uitgeroepen tot het Meest Innovatieve Warmtenet van 2024. Deze manier van denken krijgt steeds verder vorm binnen het programma. Zo is Ynnovate met het kernprogrammateam aan de slag gegaan om innovatief denken te ontwikkelen. Dit traject krijgt een vervolg. Daarnaast is de subsidieregeling slimme technieken in ontwikkeling. Deze regeling heeft als doel slim energiegebruik door particulieren te stimuleren. Het is belangrijk dat ook in de volgende programma wordt ingezet op deze manier van innovatief denken.
Dit vraagt om leren en innoveren. Daarbij dient goed te worden nagedacht over de rol die de gemeente op het gebied van innovatie wil en kan spelen: op welke typen innovatie wordt ingezet: technisch, organisatorisch, democratisch, etc.? Gaat de gemeente zelf innovaties ontwikkelen? Of zet de gemeente in op het stimuleren van initiatieven uit de samenleving? Indien dat laatste, zet de gemeente dan in op het creëren van regelruimte om innovatie mogelijk te maken en/of op subsidies? Dit zijn vragen waar in de opzet van de volgende programmaperiode goed over dient te worden nagedacht. Een mogelijkheid voor de volgende programmaperiode is het verder ontwikkelen van een innovatieagenda, waar momenteel aan wordt gewerkt. Deze agenda moet richting geven aan de rol van innovatie binnen het programma, en daarin moet worden uitgewerkt welke gebieden prioriteit krijgen. De agenda kan zo fungeren als een overkoepelend raamwerk, dat ervoor zorgt dat innovaties consistent kunnen bijdragen aan de bredere doelen van het programma. Voor de komende periode is het daarbij belangrijk om samen met de netbeheerder te zoeken naar manieren om innovaties sneller en efficiënter te kunnen integreren. Dit vraagt om een structurele samenwerking en het opzetten van
37 / 48
pilotprojecten die als voorbeeld kunnen dienen. De focus kan daarbij ook gelegd worden op het lerend vermogen van het programma en de organisatie ten aanzien van de energietransitie en duurzaamheid. Het is richting de volgende programmaperiode belangrijk om te kijken of dit een plek krijgt binnen de pijler Innovatie, of elders binnen het programma ENV. Een ander belangrijk aandachtspunt blijft het actief verspreiden van kennis binnen het programma en het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en innovatie. Daarbij dient te worden aangesloten bij inspanningen vanuit de pijler communicatie. Kennisdeling helpt niet alleen om de rest van het programma te voeden met nieuwe inzichten, maar versterkt ook de rol van de gemeente als een koploper op het gebied van duurzaamheid en het versterken van de samenwerking met externe partners.
3.3.8. Werkgroep Netcongestie Netcongestie is een belemmering voor het gehele programma, die nog aanzienlijke tijd aanhoudt, en moet daarom totdat afdoende netverzwaring of andere oplossingen zeker zijn, als een gegeven worden beschouwd. Dit betekent dat de werkgroep niet alleen moet blijven inzetten op technische oplossingen, maar ook moet worden geïntegreerd met beleidsmatige en strategische keuzes. In 2022/2023 is een plan ontwikkeld voor de aanpak van netcongestie. Dit plan (en de evaluatie daarvan) biedt een goede basis om op voort te bouwen. De evaluatie van dit plan, laat zien dat aandacht nodig is op de volgende onderdelen: • Ontwikkel en borg ‘energieplanologie’ bij ruimtelijke ontwikkelingen • Bedenk en ontwikkel een lokaal, toekomstbestendig energiesysteem • Ontwikkel Smart Energy Hubs ook op andere bedrijventerreinen • Geef ook met het eigen vastgoed het goede voorbeeld • Continueer de huidige actielijnen en pak de landelijke en provinciale maatregelen op • Samenwerken met de woningcorporatie • Zet de samenwerking met Stedin, BOV en gemeente voort
3.4. Programmabrede analyse De overkoepelende doelstellingen van het programma zijn ruim gehaald. Dit roept echter vragen op over de oorspronkelijke ambitie: waren de gestelde doelen in de vorige programmaperiode te laag, en/of hebben externe omstandigheden een forse bijdrage geleverd aan de behaalde resultaten? Deze tegenstrijdige inzichten maken het lastig om eenduidig te stellen of het programma in de afgelopen jaren voldoende ambitieus en effectief was, zeker als we de toekomstgerichte doelen voor 2050 in ogenschouw nemen. Hoewel de resultaten op programma-niveau als succesvol worden ervaren, blijft onduidelijk hoe de afzonderlijke pijlers concreet hebben bijgedragen aan deze successen. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de meetbare doelen voornamelijk op het niveau van inspanningen zijn geformuleerd (zie ook hoofdstuk 2). Externe factoren en betrokkenen hebben, logischerwijs, een grote rol gespeeld in de behaalde resultaten. De oorlog in Oekraïne, met als gevolg sterk stijgende energieprijzen, heeft bijvoorbeeld geleid tot meer bewustwording en actie rondom energiebesparing en de energietransitie. Deze ontwikkeling is in heel Nederland zichtbaar. Dit roept de vraag op of de behaalde tussendoelen voor 2025 ook zonder de inspanningen van het programma zouden zijn gerealiseerd.
38 / 48
Netcongestie wordt breed erkend als een overkoepelende belemmerende factor. Het heeft de uitvoering van verschillende onderdelen van het programma vertraagd en beperkt. Dit vraagt om een strategische heroriëntatie, waarbij instrumenten en plannen beter afgestemd worden op de huidige netcapaciteit. Tegelijkertijd kan netcongestie gezien worden als een stimulans om innovatieve oplossingen te ontwikkelen. Dit potentieel is echter nog onvoldoende benut, en een meer samenhangende aanpak is nodig om dit structurele probleem effectief aan te pakken. Een beter uitgewerkte strategie, gebaseerd op het gemeentelijk instrumentarium en wat mogelijk is, gelet op maatschappelijk en politiek draagvlak en netcongestie, zou kunnen helpen om meer gefundeerde keuzes te maken. Dit kan ook betekenen dat sommige activiteiten beter kunnen worden stopgezet, zodat middelen effectiever worden ingezet op activiteiten die daadwerkelijk bijdragen aan de programmadoelen. We adviseren de gemeente om kritisch te kijken naar de ambitie van haar doelstellingen voor de volgende programmaperiode en te zorgen dat deze in lijn zijn met de langetermijndoelen. Op deze manier kan het programma een grotere impact realiseren en blijven de langetermijndoelen in beeld. Hier wordt ook aandacht aan besteed bij het opstellen van het nieuwe programmaplan.
3.5. Conclusie Is gedaan wat was afgesproken (gekozen inspanningen, binnen budget)? Op basis van de voorgaande paragrafen is de conclusie dat er grotendeels is gedaan wat is afgesproken. Het programma is adaptief geweest en heeft aanvullende financiering gekregen. Het geheel van de opgave is binnen begroting gebleven en alle uitgevoerde inspanningen zijn erop gericht geweest om de gestelde doelen te behalen. Sommige van de voorgenomen inspanningen zijn niet of beperkt uitgevoerd, dit zijn echter weloverwogen keuzes geweest en het resultaat van bijsturing. De uitvoering is binnen budget gebleven, mede dankzij een toename van beschikbare middelen vanuit (Rijks)regelingen. In hoeverre zijn de doelen gerealiseerd (inclusief koppeling met geleverde inspanningen)? De overkoepelende hoofddoelen voor 2025 zijn al in 2022 behaald en de meeste doelen binnen de pijlers zijn gerealiseerd of liggen op koers. Dit is deels te danken aan brede steun voor de programmadoelen. Wel zien we dat er sprake is van beperkt politiek draagvlak voor het inperken van het privégebruik van de auto (al is er op projectniveau wel sprake van steun). Het is onduidelijk in hoeverre de gedane inspanningen concreet hebben bijgedragen aan het behalen van de doelen. Dit komt ook doordat meetbare doelstellingen in de pijlers zijn geformuleerd op het niveau van inspanningen.
Daarnaast is er een beperkte relatie tussen de tussendoelen van deze programmaperiode en het einddoel van een energieneutraal Veenendaal in 2050. Gedurende de programmaperiode is de scope van het programma en de pijlers sterk veranderd. Deze flexibiliteit heeft geleid tot een bredere workload dan oorspronkelijk beoogd. Hierdoor is veel werk gedaan, maar is de focus op de oorspronkelijk vastgestelde doelen deels verwaterd.
39 / 48
4. Samenwerking 4.1. Intern Intern Het kernteam van ENV bestaat uit de programmamanager, een ondersteuner, en coördinatoren van de pijlers. Dit team vormt de spil van het programma en heeft maandelijks overleg over de lopende zaken. Daarnaast is er een breder programmateam, waar alle betrokkenen bij ENV aan deelnemen, inclusief de inspanningsleiders. Er is voor de aansturing van het programma een interne stuurgroep geformeerd. De stuurgroep zorg voor afstemming van en afwegingen bij de ambities in de opgave Duurzaam Veenendaal, de opgave Groei & Bloei en de ambitie en rijksopdracht voor de energietransitie, om zo integraliteit te borgen.
Figuur 36. Bijgewerkte organisatiestructuur Programma ENV (2023)
4.2. Extern Om de gestelde doelstellingen te kunnen realiseren, wordt vanuit het programma samengewerkt met een aantal belangrijke stakeholders. De stakeholders worden betrokken bij invulling van de uitvoering van de energietransitie d.m.v. stakeholderstafels op verschillende niveaus. Dit is analoog aan de structuur van de RES. Deze betrokkenheid in stakeholdertafels vindt zowel plaats op het niveau van de centrale aansturing en koersbepaling, als op het niveau van strategieën voor wijkaanpakken en in bijdragen in of uitvoering van concrete projecten in de pijlers.
40 / 48
Figuur 37. Organisatie samenwerking externe partners De belangrijke stakeholders betreffen onder meer de netbeheerders, energiecoöperaties, VvE-koepels, bovenlokale overheden, maatschappelijke instellingen, bouw- en projectontwikkelaars en inwoners/huiseigenaren, naast de huidige partners de BOV en de woningcorporatie. Er was jaren geleden sprake van een stuurgroep waar ook externe partners aan deelnamen, maar deze stuurgroep is opgeheven. Het is goed om richting de volgende programmaperiode (op opgaveniveau) te onderzoeken op welke wijze structureel overleg met externe stakeholders kan worden opgezet en ingericht.
4.3. Analyse 4.3.1. Interne samenwerking Binnen het team en breder in het programma ENV heerst een sterke intrinsieke motivatie. De betrokkenen bij het programma werken vanuit een overtuiging dat het programma echt nodig is. Deze drive en betrokkenheid geven het programma een zekere sterke bezieling. Een belangrijk kenmerk van de ontwikkeling van het programma ENV is de verschuiving van een ‘bolwerk’ in de vorige programmaperiode naar een meer samenwerkingsgerichte aanpak in de huidige programmaperiode. In de eerste programmaperiode werd het programma vaak als een gesloten club of eiland ervaren, waarin alles mogelijk leek binnen het programma, maar waar weinig aansluiting was met de rest van de organisatie. Met de komst van een nieuwe programmamanager is bewust ingezet op een meer open en samenwerkingsgerichte benadering. Dit heeft volgens betrokkenen bij de pijler geleid tot een positieve beweging, waarbij intern meer afstemming is ontstaan en de verbinding met andere onderdelen van de organisatie is verbeterd. Een aandachtspunt dat wordt benoemd, is het gebrek aan duidelijke sturing en het soms ontbreken van strategische gesprekken. Gesprekken over bijvoorbeeld het aanpakken van CO2-uitstoot zonder dat daar politieke rugdekking voor is, of over het maken van duidelijke afwegingen gelet op wat wel en niet mogelijk is door netcongestie, blijven vaak uit.
Het is richting de volgende programmaperiode daarom goed om te kijken wat een gewenste en werkbare breedte is van het (kern)programmateam.
41 / 48
Spanning tussen lijndoelen en programmadoelen Over het algemeen is er tussen de programmadoelen en lijndoelen sprake van gedeelde ambities. Wel is er sprake van een spanningsveld op het gebied van financiën. Hoewel de duurzaamheidsambitie breed wordt gedragen binnen de gemeente, worden de grenzen zichtbaar wanneer deze ambitie geconfronteerd wordt met financiële druk. Een concreet voorbeeld hiervan is de bezuiniging van €140.000 het programma, ondanks inspanningen van de bestuurlijk opdrachtgever om te benadrukken dat deze bezuiniging niet wenselijk is voor de voortgang van de doelrealisatie. Verder zijn dit soort conflicten tot nu toe beperkt gebleven, maar gelet op het ‘ravijnjaar’ is het een uitdaging om voldoende (financiële) prioriteit te blijven geven aan het programma. Wel is er binnen specifieke pijlers sprake van wat ervaren spanning tussen programmadoelen en lijndoelen. Betrokkenen bij de pijler Wonen geven bijvoorbeeld aan dat de programmadoelen vereisen dat de welstandsnota herschreven wordt om een duurzamer beleid te faciliteren, terwijl binnen RO/vergunningen momenteel onvoldoende capaciteit en prioriteit is om die aanpassing door te voeren. Daarnaast wordt opgemerkt dat bepaalde energietransitiemaatregelen een negatieve invloed kunnen hebben op de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente.
Dit leidt tot de vraag welk doel in een specifieke situatie zwaarder weegt. Positief is dat er binnen ENV steeds vaker een gedeelde verantwoordelijkheid wordt gevoeld bij de afweging tussen energietransitie en ruimtelijke kwaliteit en dat vanuit RO steeds vaker de samenwerking met ENV wordt opgezocht. Betrokkenheid van lijnorganisatie Er is sprake van een directe betrokkenheid van de lijnorganisatie bij het programma. Voor bepaalde pijlers, zoals Mobiliteit en het deel GAV voor vastgoed, zijn teamleden zowel onderdeel van de lijn als dat ze een rol vervullen in het programma. Dit is een voordeel, maar leidt volgens betrokkenen ook wel tot een gebrek aan duidelijkheid over verantwoordelijkheden. De vraag wie verantwoordelijkheid draagt voor te leveren inspanningen – de pijlercoördinator of de teamleider – blijft soms onbeantwoord. Het duidelijk beleggen van verantwoordelijkheden voor concrete baten en inspanningen is een aandachtspunt voor de volgende programmaperiode. Daarnaast wordt ervaren dat sommige teamleiders zich meer verbonden voelen met de lijn dan met het programma, wat risico’s kan geven in het beschikbaar stellen van capaciteit voor de rollen in het programma. Verschillende teamleiders tonen een beperkte betrokkenheid bij het programma. Dit leidt er in de praktijk toe dat verantwoordelijkheden soms worden afgeschoven op het programma.
Zo blijven programmadoelen en pijlers te veel ’een eilandje’ binnen de organisatie, zonder dat er sprake is van een volledig gedeelde verantwoordelijkheid in het realiseren van de doelen. Er zijn ook diverse voorbeelden van goede samenwerking tussen de lijn en het programma. Zo is er goede samenwerking geweest tussen betrokkenen en bij ENV en teamleiders bij de onderhandelingen met DEVO (zie paragraaf 4.2.). Het kan nuttig zijn om vanuit degenen die vanuit ENV een ambassadeursrol (kunnen) vervullen - zoals de programmamanager, bestuurlijk opdrachtgever en opgavemanager - wat meer zendingswerk te laten verrichten richting de rest van de gemeentelijke organisatie. Aansluiting bij opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal In 2024 is het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal vastgesteld waar energie een van de drie onderwerpen van is, naast circulair en klimaatadaptatie. Er is aansluiting bij dit opgaveperspectief in de vorm van een Stuurgroep. Voor de volgende programmaperiode zijn er kansen om de aansluiting met de andere thema’s en energietransitie nog nadrukkelijker te leggen. In praktijk wordt de verbinding al gevonden in de pijlers wonen en communicatie.
42 / 48
Betrokkenheid bestuurlijk opdrachtgever en gemeenteraad De bestuurlijk opdrachtgever toont een sterke betrokkenheid bij het programma en fungeert als een belangrijke ambassadeur, zowel binnen de gemeente als richting externe partners als regio Foodvalley. Hij hecht er waarde aan goed betrokken en geïnformeerd te worden over de voortgang van het programma, en dit wordt door het programma ook gewaarborgd. Er is regelmatig contact tussen de bestuurlijk opdrachtgever en de ambtelijk opdrachtgever, waarbij onderwerpen en ontwikkelingen binnen ENV worden afgestemd. De bestuurlijk opdrachtgever voelt zich voldoende betrokken en geïnformeerd. Zijn betrokkenheid wordt versterkt door regelmatige afstemming met de programmamanager en de ambtelijk opdrachtgever. De bestuurlijk opdrachtgever heeft contact met betrokkenen bij het programma via portefeuillehoudersoverleggen. Daarnaast sluit de bestuurlijk opdrachtgever eens in de zoveel tijd aan bij het kernprogrammateam, waardoor hij een goed beeld heeft van de inhoudelijke ontwikkelingen binnen het programma. Ook de raad heeft over het algemeen een positieve houding ten opzichte van het programma ENV. Besluiten worden vaak soepel aangenomen, en er lijkt sprake te zijn van een gedeelde visie.
Kritische vragen worden gesteld, maar deze dragen bij aan constructieve discussies en hebben niet geleid tot grote obstakels voor de voortgang van het programma. Wel laat het niet aannemen van het Omgevingsprogramma Mobiliteit door de raad laat zien dat er bij bepaalde onderwerpen waar geen sprake is van politieke rugdekking, het een uitdaging is om gemeentebreed commitment op de inspanningen en doelen van het programma te krijgen. Desondanks is er over het algemeen sprake van politieke drive en ambitie binnen de raad. Deze gedeelde visie biedt een solide basis voor verdere samenwerking en besluitvorming.
4.3.2. Externe samenwerking Externe samenwerking wordt als essentieel gezien voor het behalen van de programmadoelen. De gemeente heeft sterke relaties opgebouwd met belangrijke externe partijen, zoals de Bedrijvenkring Ondernemend Veenendaal, woningcorporatie Veenvesters, Regio Foodvalley en het warmtebedrijf DEVO. Deze samenwerkingen zijn goed georganiseerd en worden gekenmerkt door een gedeelde inzet voor duurzaamheid. De Bedrijvenkring speelt een actieve rol in projecten zoals de Green Deal en de Werklandschappen van de Toekomst. Betrokkenen van het programma vinden dat de goede samenwerkingspartners over het algemeen aan tafel zitten. De Green Deal met het bedrijfsleven is daarbij een belangrijk instrument geworden. Waar het eerdere convenant gericht was op handhaving en administratieve afspraken, richt de Green Deal zich op constructieve samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid. Dit omvat afspraken over communicatie, evaluatie en gezamenlijke keuzes. Het bedrijfsleven neemt hier een actieve rol in, met eigen energiemanagers en trekkers van projecten. Dit eigenaarschap vanuit het bedrijfsleven is een positief signaal en laat zien dat zij bereid zijn om bij te dragen aan de energietransitie.
Wel wordt door de externe samenwerkingspartners de wens uitgesproken voor een overkoepelend overleg tussen stakeholders, zoals woningcorporaties, huurdersverenigingen en netbeheerders, om zo de samenwerking versterken. Zoals beschreven in paragraaf 4.1. was er jaren geleden sprake van een stuurgroep waar ook externe partners aan deelnamen, maar deze stuurgroep is opgeheven. Zo’n overkoepelend overleg vraagt om een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en een centrale structuur om gezamenlijke doelen te formuleren. Een overkoepelende sturing voor de breedte van het programma met partners is er op dit moment niet. Of dit wenselijk is, is goed om te onderzoeken richting de nieuwe programmaperiode. Relevant daarbij is in hoeverre de partners ook inspanningen ‘trekken’.
43 / 48
Samenwerking met bedrijfsleven De samenwerking tussen de gemeente Veenendaal en het georganiseerde bedrijfsleven wordt overwegend positief ervaren, zowel door de gemeente als door ondernemers. Een belangrijke factor die deze samenwerking kenmerkt, is de goede organisatiegraad in Veenendaal, ondersteund door een integrale programmering bij de gemeente op het gebied van duurzaamheid, energietransitie en mobiliteit. De Bedrijvenkring Ondernemend Veenendaal (BOV) speelt hierin een centrale rol en fungeert als een effectieve partner voor het gemeentelijke programma. Ondernemers waarderen dat duurzaamheid in Veenendaal hoog op de agenda staat en dat er een pragmatische aanpak is waarin niet alleen plannen worden gemaakt, maar ook concrete acties worden ondernomen. Dit onderscheidt Veenendaal volgens de samenwerkingspartners van andere gemeenten binnen de regio en dit draagt merkbaar bij aan de effectiviteit van de samenwerking. Het was een aanleiding om nauwer samen te werken en gezamenlijke oplossingen te zoeken. Zo zijn er op bedrijventerreinen Nijverkamp en Faktorij/De Vendel pilotprojecten gestart, zoals SMART Grids en digital twins. Deze projecten zijn niet alleen gericht op het oplossen van de netcongestie, maar dragen ook bij aan op het opzetten van een toekomstbestendig energiesysteem.
Hoewel het energieloket een belangrijk instrument is voor ondernemers, wordt de kwaliteit van de adviezen kritisch beoordeeld. De gegeven adviezen zijn in complexe gevallen niet voldoende. Er is behoefte aan diepgaande, specialistische adviezen, waarbij complexere cases vanuit het energieloket worden doorverwezen naar gespecialiseerde adviseurs vanuit het Regionaal Energieteam Bedrijven (REB). Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2. adviseren we daarom te kijken in welke gevallen het voor het energieloket voor bedrijven nodig is om door te verwijzen naar het REB, dan wel om contact te zoeken met het REB zodat de adviezen versterkt kunnen worden. En daarnaast om voor de volgende programmaperiode te kijken hoe de adviezen vanuit het energieloket voor bedrijven en vanuit het REB beter kunnen aansluiten bij de behoeften van bedrijven. Samenwerking met netbeheerder De samenwerking met Stedin, de netbeheerder, is een belangrijk onderdeel van het programma gezien de cruciale rol van Stedin in projecten zoals SMART Energy Hubs, netcongestie, het uitbreiden van het elektriciteitsnet en de energietransitie in het algemeen. De huidige wijze van samenwerking en afstemming wordt gewaardeerd.
Er is structureel overleg vanuit de werkgroep Netcongestie, er is een regulier overleg over kabels en leidingen waarbij Stedin aanwezig is, en Stedin neemt regulier deel aan verschillende projectgroepoverleggen. Het is belangrijk dat de samenwerking met Stedin, gezien haar belangrijke rol, wordt geïntensiveerd op strategisch niveau om met de problemen rondom netcongestie om te kunnen gaan en voor te sorteren op een energiesysteem van de toekomst. Samenwerking met Veenvesters De samenwerking tussen Veenvesters en de gemeente Veenendaal wordt over het algemeen positief gewaardeerd. De samenwerking is de afgelopen jaren verbeterd. Beide partijen erkennen de wederzijdse voordelen van een constructieve relatie en de mogelijkheden om gezamenlijke doelen te realiseren. Veenvesters waardeert de open communicatie en de bereidheid van de gemeente om samen te werken aan projecten rondom energiebesparing en duurzame warmte. Veenvesters’ agenda wordt grotendeels bepaald door nationale prestatieafspraken, waarin zij zich committeren aan duurzaamheidsdoelen. Dit kan in situaties spanningsvelden opleveren, vooral wanneer de gemeentelijke ambities verder reiken dan de wettelijke verplichtingen van Veenvesters. Veenvesters ziet volop mogelijkheden voor een
44 / 48
versterkte samenwerking. Het integreren van plannen voor duurzame warmte met renovatieplannen is een voorbeeld van hoe koppelkansen benut kunnen worden. Samenwerking met EnergieSamen EnergieSamen zorgt voor de bemensing van het Trefpunt en het online/telefonisch loket en speelt daarnaast een actieve rol in de uitvoering van wijkuitvoeringsplannen. Hun energieopbouwwerkers werken als sociale verkenners in wijken en helpen bewoners te groeperen en te mobiliseren. Dit vervult een belangrijke sociale functie die voorheen volledig door de gemeente werd uitgevoerd. Zoals beschreven in hoofdstuk 3.3.1. is het wel belangrijk om de impact van het Trefpunt te monitoren. Aandachtspunt daarbij is het gebrek aan monitoring van de daadwerkelijke impact van de activiteiten. Voor de volgende programmaperiode pleit EnergieSamen voor een meer gerichte aanpak op basis van pilots. Door in specifieke wijken en straten te experimenteren met verschillende benaderingen, kan worden vastgesteld wat wel en niet werkt. Daarnaast is het belangrijk om de ondersteuning verder te personaliseren. De focus moet komen te liggen op doelgroepen die praktische hulp nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door direct oplossingen te bieden, zoals bijvoorbeeld direct een raam te vervangen, in plaats van het verstrekken van financiële ondersteuning.
Samenwerking met DEVO De samenwerking tussen de gemeente Veenendaal en DEVO wordt als zeer positief ervaren. Er is sprake van een constructieve relatie waarin beide partijen elkaar ondersteunen bij de ontwikkeling en uitvoering van warmtenetprojecten. De gemeente is meerderheidsaandeelhouder van DEVO en heeft gekozen voor een grotendeels publieke uitvoering van de warmtetransitie. DEVO werkt nauw samen met verschillende stakeholders, waaronder Veenvesters. Een recent voorbeeld is de samenwerkingsovereenkomst met Veenvesters voor bijna 1.900 woningen, waarmee een belangrijke stap is gezet richting uitbreiding van het warmtenetwerk. Veenvesters fungeert als motor voor dit project. DEVO’s rol in het verduurzamen van wijken zoals Veenendaal-Oost en Groenpoort (waar DEVO een prijs voor heeft gewonnen), laat zien dat het bedrijf niet alleen effectief bijdraagt aan de warmtetransitie, maar ook kansen benut om energieoplossingen te integreren. In Groenpoort worden bijvoorbeeld daken volgelegd met zonnepanelen, waarbij DEVO onderzoekt hoe overtollige energie kan worden omgezet in warmte. Dit vermindert verspilling en biedt een oplossing voor netcongestie. Daarnaast werkt DEVO samen met Liander om netcongestie te vermijden. Door warmteproductie buiten piekmomenten om te plannen, draagt DEVO bij aan de ontlasting van het elektriciteitsnet.
Voor de toekomst ziet DEVO mogelijkheden in geothermie als duurzame energiebron. Dit vereist echter schaal, met minimaal 7.000 tot 8.000 aangesloten woningen om rendabel te zijn. DEVO pleit daarnaast voor een meer integrale aanpak, waarbij zonne-energie, wind, batterijen en warmtenetten in samenhang worden ontwikkeld. Een masterplan voor warmtenetten zou hierin richting kunnen geven, met mogelijkheden om netten te verbinden en gezamenlijke operaties te faciliteren. Wel wordt als behoefte naar de toekomst toe benoemd dat structurele afstemming tussen DEVO, de gemeente en andere stakeholders een positieve ontwikkeling kan zijn. Plannen van de gemeente en woningcorporaties, zoals renovatie- en infrastructuurprojecten, worden niet altijd goed op elkaar afgestemd. Daarnaast blijft netcongestie een grote uitdaging. Het uitfaseren van gasgestookte warmtekrachtkoppelingen en de overstap naar elektrische opwek worden als noodzakelijke ontwikkelingen gezien, die alleen haalbaar zijn met voldoende netcapaciteit en politiek draagvlak.
45 / 48
Samenwerking met overheidspartners De samenwerking tussen het programma ENV en haar overheidspartners wordt overwegend positief ervaren. Partners benadrukken de sterke betrokkenheid van Veenendaal. De gemeente wordt geprezen om haar pragmatische aanpak, waarbij samenwerking met bedrijven en andere stakeholders centraal staat. Daarbij is sprake van een integrale benadering van vraagstukken. De provincie Utrecht waardeert de betrokkenheid van Veenendaal bij projecten zoals de SMART Energy hubs op de bedrijventerreinen Nijverkamp en Faktorij/De Vendel. Daarnaast wordt gewaardeerd dat Veenendaal aansluit bij het uitgangspunt van de provincie dat netcongestie een kans is om lokale energiesystemen robuuster en flexibeler te maken. Ook binnen de Regio Foodvalley wordt Veenendaal gezien als een actieve en betrokken gemeente die sterk inzet op energietransitie en duurzaamheid., wat zich uit in de deelname aan regionale initiatieven. Tegelijkertijd merkt de regio op dat Veenendaal – net als andere gemeenten – nog stappen kan zetten in het integreren van verschillende duurzaamheidsdoelen en het betrekken van bredere maatschappelijke stakeholders. Dit vraagt echter om betere afstemming, met name waar het gaat om het delen van kennis en het coördineren van regionale en lokale aanpakken.
Foodvalley adviseert om meer kennisuitwisseling te organiseren en regionale samenwerkingen te versterken. Een aandachtspunt in de samenwerking is de afstemming met het REB (Regionaal Energieteam Bedrijven). Hoewel de gemeente Veenendaal en de BOV (Bedrijvenkring Ondernemend Veenendaal) goed samenwerken, loopt de samenwerking met het REB niet altijd soepel. Het REB heeft een eigen aanpak ontwikkeld voor energietrajecten, die soms parallel loopt aan de provinciale aanpak. Dit leidt tot verwarring en spanning over rollen en verantwoordelijkheden. Dit verschil in focus vraagt om verdere afstemming en een duidelijkere rolverdeling.
4.4. Conclusie Er is sprake van een sterke intrinsieke motivatie binnen het programma ENV. De betrokkenen bij het programma werken vanuit een overtuiging dat het programma echt nodig is en zetten zich in om de beoogde doelstellingen te bereiken. Wel zien we dat er sprake is van onduidelijkheid met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor het sturen op inspanningen en baten op intern niveau. Daarnaast kan er beter worden aangesloten op waar vanuit het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal aan wordt gewerkt. Externe samenwerking wordt als essentieel gezien voor het behalen van de programmadoelen. De gemeente heeft sterke relaties opgebouwd met belangrijke externe partijen. Betrokkenen van het programma vinden dat de goede samenwerkingspartners over het algemeen aan tafel zitten. Er is geen structureel overleg/sturing met externen over de breedte van het programma. Hier is bij de evaluatie van de eerste programmaperiode bewust voor gekozen. Dit is wel een aandachtspunt richting de volgende programmaperiode.
46 / 48
Bijlage 1: Geïnterviewde partijen Ambtelijk opdrachtgever Bestuurlijk opdrachtgever Programmamanager en programmaondersteuner Betrokkenen bij pijlers: • Pijler Warmte • Pijler Mobiliteit • Pijler Gemeente als Voorbeeld • Pijler Wonen • Pijler Werken • Pijler Communicatie • Pijler Duurzame Innovatie • Werkgroep Netcongestie Bedrijfsleven: • BOV • REB Partners Wonen/Warmte: • DEVO • EnergieSamen • Veenvesters Overheidspartners • Gemeente Ede • Provincie Utrecht • Regio Foodvalley
47 / 48
Werken met TwynstraGudde betekent samen maatschappelijke transities werkend krijgen. Met advies, management en opleidingen helpen we mensen en organisaties bij duurzame veranderingen. Denk aan energie en klimaat, wonen, veiligheid, landbouw, mobiliteit, zorg en onderwijs. Onze kracht ligt in daadkracht. In het creëren van oplossingen die werkbaar zijn én werkbaar blijven. Samen met onze opdrachtgevers - en alle belanghebbenden daaromheen - werken we aan een samenleving die schoon, veilig, gezond en weerbaar is. Zo maken we blijvend impact op morgen.