3. Bijlage 1a bestemmingsplan toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
EMMALAAN 59-89
Emmalaan 59-89
bestemmingsplan (vastgesteld)
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) plan(nen) 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk2 BESTAANDESITUATIE 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur
8 8 9
Hoofdstuk3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
10 10 11 14 16
Hoofdstuk4 PLANBESCHRIJVING 4.1 Bouwplan 4.2 Stedenbouw
20 20 20
Hoofdstuk5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Bodem 5.2 Waterhuishouding 5.3 Externe veiligheid 5.4 Archeologie 5.5 Cultuurhistorie 5.6 Ontplofbare oorlogsresten 5.7 Ecologie 5.8 Geluid 5.9 Bedrijven- en milieuzonering 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Mobiliteit 5.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.13 Totaalbeeld aspecten
22 22 23 24 25 26 27 27 29 30 30 31 32 33
Hoofdstuk6 JURIDISCHEPLANOPZET 6.1 Inleiding 6.2 De indeling van de planregels
34 34 34
Hoofdstuk7
36
FINANCIEEL-ECONOMISCHEUITVOERBAARHEID
Hoofdstuk8 MAATSCHAPPELIJKEUITVOERBAARHEID 8.1 Participatie 8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.3 Ontwerp ter inzage legging
37 37 37 37
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 2
Klimaattoets
2
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Bijlage 3
Natuuronderzoek
Bijlage 4
Stikstofdepositieberekeningen
Bijlage 5
Akoestischonderzoek
Bijlage 6
Participatietraject
Bijlage 7
Commentaarnota zienswijzen
bestemmingsplan
3
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
4
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding en doel
Aan de Emmalaan 59-89 staan drie volumes met 27 eengezinswoningen en beneden-bovenwoningen. Deze verouderde woningen, die in eigendom zijn van Veenvesters, zullen plaatsmaken voor een appartementencomplex met 48 sociale huurwoningen. Omdat het aantal woningen toeneemt, past de ontwikkeling niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan planologisch-juridisch geregeld.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Emmalaan 59-89 op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Veenendaal, Sectie H, perceel 1897. De ontwikkellocatie betreft een deel van dit perceel. De locatie ligt in de buurt 'de Pol' dat ten noorden van het centrum is gesitueerd. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Prinsessenlaan. Ten noorden van het plangebied bevinden zich de achtertuinen van de woningen aan de Stadhouderslaan, ten oosten de achtertuinen van de aangrenzende woningen aan de Emmalaan. De hoofdfunctie in deze buurt is wonen.
Plangebied weergegeven op kadastrale kaart (bron: perceelloep.nl)
bestemmingsplan
5
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Luchtfoto plangebied (bron: NedBrowser)
1.3
Vigerend(e) plan(nen)
Op de locatie is het bestemmingsplan 'Woongebieden 2018' van kracht. Nadien is dit bestemmingsplan herzien en geactualiseerd met de 'Correctieve Herziening Woongebieden 2018' en het 'Parapluplan 2022'. Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen' met een bouwvlak en de bouwaanduiding 'aaneengebouwd/gestapeld'. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Woongebieden 2018 (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het bouwen van extra woningen is strijdig met de geldende woonbestemming, omdat het aantal woningen niet mag toenemen. Daarom moet het bestemmingsplan (partieel) worden herzien ex artikel 3.1 Wro. Er is geen strijdigheid met de regels die gelden in de molenbiotoop, waardoor deze bestemming in dit bestemmingsplan ongewijzigd is overgenomen. Ter plekke van de molenbiotoop geldt: Om voor de molen vrije windvang te garanderen en het zicht op de molen veilig te stellen geldt binnen de op de verbeelding als 'Vrijwaringszone - molenbiotoop' aangeduide gronden, dat: a. binnen 100 meter tot de betreffende molen, bouwhoogten niet meer bedragen dan de hoogte van
6
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 het onderste punt van de verticaal staande wiek van de betreffende molen, tenzij de bestaande hoogte hoger is, in welk geval de bestaande hoogte als maximum geldt; b. tussen 100 meter en 400 meter tot de betreffende molen, bouwhoogten niet meer bedragen dan 1/30 van de afstand tussen het betreffende bouwwerk en de betreffende molen, vermeerderd met de onder a bedoelde hoogte, tenzij de bestaande hoogte hoger is, in welk geval de bestaande hoogte als maximum geldt. De planlocatie ligt op circa 220 meter van de molen. De hoogte van het onderste punt van de verticaal staande wiek is 6,8 meter. Concreet betekent dit dat er aan de rand van het plangebied tot circa 14,1 meter hoog gebouwd mag worden. Het middelste deel van het plangebied ligt op circa 250 meter van de molen. Hier mag dus maximaal 15,1 meter hoog gebouwd worden. Met een bouwhoogte tussen de 11,5 en 14,5 (in het midden) wordt hieraan volddaan. Tot slot is er geen strijdigheid met de regels uit de correctieve herziening en het Parapluplan. Voor zover relevant worden die regels overgenomen in dit bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven; In hoofdstuk 3 volgt vervolgens een beschrijving van het beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan; In hoofdstuk 4 is het bouwplan beschreven evenals de parkeerbehoefte; In hoofdstuk 5 zijn hierna de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld; Hoofdstuk 6 beschrijft het juridische deel van het plan; In hoofdstuk 7 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod; In hoofdstuk 8 tenslotte zijn de resultaten uit overleg en inspraak besproken en behandeld.
bestemmingsplan
7
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Hoofdstuk 2 2.1
BESTAANDE SITUATIE
Ruimtelijke structuur
De bebouwing in de buurt waar de Emmalaan is gelegen is in verschillende bouwperiodes gebouwd. Van origine stond langs de twee historische linten, de Nieuweweg en de Prins Bernhardlaan, de oudste bebouwing. Door de jaren heen heeft hier in beide straten sloop en nieuwbouw plaatsgevonden. Vanaf eind jaren ’30 is Veenendaal vanaf het centrum tussen deze twee linten uit gaan breiden. De oudere woningen aan de Mulderslaan, Emmalaan, Buurtlaan West, Prinsesselaan en Koninginnelaan zijn toentertijd gebouwd. Deze bebouwing bestaat uit vrijstaande, maar meestal twee aan twee geschakelde kleine middenstandswoningen. De hoofdvorm van deze woningen is vaak nog intact, maar in details zijn er wijzigingen doorgevoerd. Het gebied tussen de Buurtlaan West en de Emmalaan is later gefaseerd gerealiseerd, waarbij een groot deel begin jaren ’70 is gebouwd. Direct ten noorden van het plangebied heeft in 2017 een herontwikkeling plaatsgevonden, waarbij de oude bebouwing is gesloopt en is vervangen door een nieuwbouw appartementencomplex. De rest van de omgeving bestaat voornamelijk uit vrijstaande-, twee-onder-een-kap woningen en rijwoningen. Door ook aan de Emmalaan 59-89 appartementen te realiseren, wordt aansluiting gezocht bij de appartementen aan de noordzijde van het plangebied. Aan de Emmalaan 59-89 staan in de huidige situatie drie blokken met 27 rijwoningen en beneden-bovenwoningen.
In de nieuwe situatie moet dezelfde rooilijn gehanteerd worden en zal het gebouw zo ontworpen moeten worden, dat er opnieuw een zekere driedeling bereikt wordt. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving.
De huidige situatie in vogelvlucht (bron: NedBrowser)
8
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
2.2
Functionele structuur
Het plangebied is gelegen in de buurt ‘de Pol’. De buurt ligt direct ten noorden van het centrum en wordt door verschillende wegen begrensd. Aan de west- en de oostzijde zijn dat twee van de historische bebouwingslinten van Veenendaal, respectievelijk de Nieuweweg en de Prins Bernhardlaan. Deze bebouwingslinten lopen als radialen vanuit het centrum van Veenendaal naar de randen. De zuidelijke grens van de buurt wordt gevormd door de centrumring, die hier de Bevrijdingslaan heet. Aan de noordkant vormt de Buurtlaan West de overgang naar de aangrenzende woonbuurt ‘de Gelderse Blom’. Het plangebied zelf ligt globaal gezien in het midden van de woonbuurt. In de buurt 'De Pol' is wonen de hoofdfunctie. In de huidige situatie staan er woningen, in de nieuwe situatie zal dat zo blijven. Het aantal woningen neemt toe. Dit is passend doordat gebruik kan worden gemaakt van de ongebruikte strook ten noorden van de woningen in combinatie met het toepassen van gestapelde woningen in plaats van rijwoningen en beneden-boven woningen. Net als in de huidige situatie bevat het plan enkel sociale huurwoningen.
bestemmingsplan
9
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Hoofdstuk 3 3.1
BELEIDSKADER
Rijksbeleid
Hoofddoel van het nationale ruimtelijke beleid is om ruimte te scheppen voor verschillende ruimtevragende functies. Het beperkte oppervlak dat Nederland ter beschikking staat, maakt het nodig dit op een efficiënte en duurzame wijze te doen en niet alleen in kwantitatieve, maar ook in kwalitatieve zin. Bundeling van verstedelijking is een beleidsstrategie die het Rijk hanteert. Er wordt op deze manier optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is. 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. De NOVI heeft maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Conclusie De herstructurering van de woningen aan de Emmalaan is in lijn met het rijksbeleid waarin gemotiveerd wordt binnenstedelijk extra woningen te realiseren. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit het nationaal ruimtelijk beleid en bevat nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en nadien een aantal keer gewijzigd. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Het rijk beëindigt de rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones en het verstedelijkingsbeleid. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen onderdelen van het Barro aanwezig en hiermee behoeft het geen specifieke aandacht in het onderhavige plan.
10
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren. De Ladder voor duurzame verstedelijking is gewijzigd per 1 juli 2017. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in een om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder met deze wijziging beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden. De Ladder als motiveergrond voor ruimtelijke plannen is aangescherpt, maar wordt lichter in het gebruik. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
Met de ontwikkeling worden ruim 20 woningen extra toegevoegd, waardoor de ontwikkeling gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Vanuit diverse beleidsstukken (Hoofdstuk 3) blijkt dat de woningen binnen de behoefte aan extra woningen binnen de rode contour passen. Er is nog een behoefte aan een substantiële uitbreiding van het aantal woningen in Veenendaal. In de provinciale omgevingsvisie wordt vermeld dat er in de regio FoodValley behoefte is aan 7.000-8.000 extra woningen in de periode tot 2040. Veenendaal zal door haar beperkte oppervlakte extra woningen voornamelijk binnenstedelijk en door verdichting moeten realiseren. De herontwikkeling aan de Emmalaan draagt hier aan bij. Conclusie De grote vraag naar extra woningen zal voornamelijk binnenstedelijk en door verdichting moeten worden opgepakt. De herontwikkeling van de Emmalaan 59-89 draagt hieraan bij.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050. De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Stad en land gezond Klimaatbestendig & waterrobuust Duurzame energie Vitale steden & dorpen Duurzaam gezond & veilig bereikbaar Levend landschap erfgoed & cultuur Toekomstbestendige natuur & landbouw
De ambities en keuzes zijn gebiedsgericht samengevat per regio. De regio Foodvalley, waar Veenendaal onderdeel van is, ligt binnen de provincies Utrecht en Gelderland en bestaat uit acht gemeenten. Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte.
bestemmingsplan
11
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. In de gemeente Veenendaal is er op de korte termijn voldoende plancapaciteit om het grootste gedeelte van haar woningbouwopgave te realiseren. Dit gebeurt in Veenendaal-Oost en in de nabijheid van station Veenendaal-Centrum. Na circa 2030 bereikt de gemeente Veenendaal letterlijk de grenzen van haar groei. Voor de langere termijn is het noodzakelijk om in de regio op zoek te gaan naar nieuwe locaties voor integrale ontwikkeling van wonen en werken, bij voorkeur rondom knooppunten. De aanvullende behoefte aan werklocaties binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley tot 2030 is 6 tot 9 hectare. De inzet van de provincie is vooral gericht op herstructurering, verduurzaming en efficiënter ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen. Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied in de regio Foodvalley speelt onder meer het belang van de bodemdaling in het Binnenveld, het militair erfgoed van de Grebbelinie, (nieuwe) natuur en innovaties op het gebied van circulaire landbouw, voedselproductie en gezondheid. Conclusie Het plan is in lijn met de ambitie van de provincie om veel extra woningen in de regio te realiseren. 3.2.2
Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. In de omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening. De omgevingsverordening bevat een verstedelijkingsverbod voor landelijk gebied, tenzij in de verordening anders bepaald. Voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied, geeft de verordening instructieregels voor onder meer woningbouw. Woningbouw dient te passen in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma woningbouw en woningbouw mag niet leiden tot extra bodemdaling. Daarnaast worden er instructieregels gegeven voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid.
Tot slot bevat de omgevingsverordening specifieke instructieregels voor een Omgevingsplan betrekking heeft op een locatie binnen onder andere de Cultuurhistorische hoofdstructuur, Stiltegebied, Overstroombaar gebied, een boringsvrije zone, beschermd natuurgebied, of een geluidscontour van een provinciale weg. Conclusie Er is geen strijdigheid met de provinciale verordening. 3.2.3
Bodem- en waterprogramma 2022-2027
Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) welke liep tot 22 december 2021. In het programma wordt invulling gegeven aan het wettelijk verplichte Regionaal Waterprogramma en worden de ambities en het beleid uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht uitgewerkt. Het beleid in de Omgevingsvisie is opgehangen aan zeven samenhangende beleidsthema’s. Een van de beleidsthema’s is ‘klimaatbestendig en waterrobuust’. Het BWP geeft invulling aan dit thema. De ambities en uitgangspunten van de provincie uit het beleidsthema ‘klimaatbestendig en waterrobuust’ zijn als volgt: Het bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) dient blijvend robuust te zijn en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte De ondergrond en het bodem- en watersysteem dienen duurzaam te worden gebruikt, waarbij gebruik en functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de
12
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt. De duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert op een veilige en verantwoorde manier zo optimaal mogelijk benutten. Een effectieve aanpak van nieuwe opkomende stoffen zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, omdat deze stoffen een bedreiging kunnen vormen voor schoon en gezond oppervlaktewater en grondwater. Er dient altijd voldoende en schoon drinkwater te zijn, zelfs wanneer zich een extreme groei van de drinkwatervraag zou voordoen. Er dient voldaan te worden aan de doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen). De gemeente Veenendaal wordt in dit beleid aangeduid als stedelijk gebied waar opgaven gelden die vaak anders bezien zijn vanuit bodem- en waterperspectief dan in de andere gebieden. De huidige manier waarop steden en ook dorpen zijn ingericht, samen met onder meer de woningbouwopgave en de energietransitie, zorgen voor een toenemend probleem van wateroverlast, droogte- en hittestress en toenemende drukte in de ondergrond. Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren en wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Ook valt de gemeente Veenendaal gezien de bijbehorende kaarten in een overstroombaar gebied.
Dit betekent dat bij een eventuele doorbraak van de keringen Veenendaal te maken krijgt met overstromingen. De provincie draagt zorg voor het overstromingsgevaar en de overstromingsrisico's en neemt zowel preventieve als reactieve maatregelen. Voor de gemeente Veenendaal zal dit betekenen dat bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met het robuuster maken van het regionale watersysteem. De gemeente dient te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot meer risico op verslechtering van de kwaliteit van oppervlaktewater. Dit betekent dat bij functiewijzigingen de gemeente de taak heeft om te voorkomen dat de kwaliteit van het grond en drinkwater achteruit gaat. Conclusie Er is geen strijdigheid met het bodem- en natuurprogramma. 3.2.4
Natuurvisie
In de provincie Utrecht komen veel natuurwaarden voor. Het groene netwerk draagt bij aan het welbevinden en de gezondheid van inwoners waardoor mensen graag in Utrecht wonen en werken. De keerzijde in stedelijk Utrecht is de infrastructuur die de landschappen en natuurgebieden doorsnijdt. De economische activiteiten hebben een negatief effect op de natuur. Voor een robuuste natuur met een duurzame instandhouding is daarom natuurbeleid opgesteld. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is inmiddels omgedoopt tot Natuurnetwerk Nederland (NNN), het aaneengesloten stelsel van natuurgebieden. Ook natuur in agrarische en stedelijke gebieden krijgen meer aandacht. Soorten van dieren en planten dienen beschermd te worden en het stoppen van de teruggang van de biodiversiteit heeft prioriteit. Verdroging en stikstofuitstoot zijn knelpunten, en natuurgebieden zijn nog onvoldoende aaneengesloten. Het integraal benaderen van het natuurbeleid met bijvoorbeeld landbouw, recreatie, en bosbeheer zal dit moeten verbeteren. Ook bodem, water, milieu, erfgoed, en cultuurhistorie zijn pijlers die kansen bieden voor een betere natuur.
bestemmingsplan
13
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Natuurnetwerk Nederland (bron: Natuurvisie 2017, provincie Utrecht).
Conclusie De locatie ligt niet in beschermd natuurgebied. Daarnaast blijkt uit paragraaf 5.7 dat de ontwikkeling ook geen onevenredig negatief effect zal hebben op beschermd natuurgebied.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regio FoodValley
Tot 1 januari 2011 werd met de gemeenten Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal samengewerkt in een verband onder de naam WERV. Dit samenwerkingsverband is per 1 januari 2011 opgegaan in een nieuwe samenwerkingsvorm onder de naam regio FoodValley, dit betreffen de vier WERV gemeenten aangevuld met de gemeenten Renswoude, Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel. In 2011 was FoodValley nog een abstract begrip met aan de verre horizon het beeld van een economisch krachtige, vitale en duurzame groene regio, waar het goed wonen, werken, leren en recreëren is. Anno nu is dat visioen geworden tot een nationaal én internationaal sterk beeld van Regio FoodValley, waarin Ondernemers, Onderwijs- en onderzoeksinstellingen en Overheid eensgezind optrekken. De drie O’s hebben de ambitie om met elkaar een economische topregio tot stand te brengen en uit te groeien tot hét agrofoodcentrum van Europa. Ze hebben daarvoor in 2015 de Strategische Agenda 2015-2019 vastgesteld, waarin het ideaalbeeld FoodValley regio 2025 is geformuleerd en afspraken zijn gemaakt over de inzet van de regionale partners. De Strategische Agenda is vervolgens uitgewerkt in een Uitvoeringsprogramma, waarin projecten zijn benoemd die een bijdrage kunnenleveren aan de in de agenda geformuleerde en door de samenwerkingspartners omarmde opgaven: Verbeteren kennisinteractie Uitbouwen global pipelines
14
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 Vergroten innovatiekracht Branding en marketing Versterken fysiek en sociaal duurzame leefomgeving. Het Uitvoeringsprogramma Triple Helix Regio FoodValley is een dynamisch programma: afgeronde projecten worden afgevoerd en nieuwe projecten en initiatieven worden toegevoegd. De uitdaging voor Regio FoodValley en de daaraan deelnemende gemeenten ligt in het optimaliseren van het woon-, werken leefklimaat in deze regio. De gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Deze gezamenlijke opgave is in de regionale portefeuillehoudersoverleggen ‘Economie en Werkgelegenheid’ en ‘Ruimtelijke Ontwikkeling, Wonen en Mobiliteit’ uitgewerkt in werkprogramma’s. Daarbij wordt ook samengewerkt met maatschappelijke organisaties, die geen vaste plaats hebben in de triple helix stuurgroep. Conclusie Het plan is niet strijdig met het regionaal beleid van FoodValley. 3.3.2
Visie "Natuurlijk Ontwikkelen"
Gemeenten en waterschap zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het verwerken van neerslag en het inzamelen en zuiveren van afvalwater. De achtentwintig gemeenten en het waterschap in de regio Vallei en Veluwe hebben op 22 oktober 2015 via het Platform Water gezamenlijk een visie uitgebracht over omgaan met hemelwater en gebruikt water. De visie geeft richting aan de manier waarop kan worden omgegaan met veranderingen en ontwikkelingen met betrekking tot klimaat, geneesmiddelen in afvalwater, technologische innovaties en de rol van de overheid. De visie bevat gidsprincipes, handelingsperspectieven en praktijkvoorbeelden en is tot stand gekomen tijdens een aantal discussiebijeenkomsten. De betrokken organisaties zien de visie als middel om in dialoog te komen met belanghebbenden in de regio, gericht op kansen. Conclusie Het plan is niet strijdig met het regionaal beleid van FoodValley. 3.3.3
Blauwe Omgevingsvisie 2050
Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma. Conclusie Het plan is niet strijdig met de blauwe Omgevingsvisie. 3.3.4
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027
Waterschap Vallei en Veluwe hebben het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) op 21 november 2021 vastgesteld. Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050). Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Veenendaal valt binnen het gebiedsprogramma Gelderse Vallei. In en rondom Veenendaal zijn de volgende doelen opgesteld: Op orde houden van de waterkeringen. Na realisatie van de Grebbedijk is het doel om met gebiedspartners na te denken over toekomstige functies en status van de Slaperdijk. Klimaatadaptatie maatregelen uitvoeren in bestaand stedelijk gebied door het bevorderen van een klimaatadaptieve inrichting van openbare- en particuliere terreinen. Energiewinning zoals thermische energie uit oppervlaktewater, wind en zon, gekoppeld aan de gemeentelijke Transitievisie Warmte.
bestemmingsplan
15
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 Verkennen principe klimaatmantels (bufferen van hemelwater) rond stedelijke kernen FoodValley. Conclusie Het plan is niet strijdig met het blauwe Omgevingsprogramma.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Strategische Visie Veenendaal 2040
Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik naar de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken. Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En –in lijn met de wensen van inwoners– moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling en functieverandering en voldoende aandacht blijft houden voor groen. Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting – Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding – werken we uit aan de hand van vier thema’s. Juist binnen deze thema’s liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd: 1. Netwerksamenleving: “niet alleen, maar samen” met ruimte voor ieders eigen identiteit; 2. (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat; 3. Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardige duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum; 4. Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond. Conclusie Het plan is in lijn met de doelstellingen van Veenendaal zoals verwoord in de Strategische Visie. 3.4.2
Omgevingsvisie Veenendaal 2030
De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 17 december 2020 de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 vastgesteld. De Omgevingsvisie 2030 is een plan op hoofdlijnen dat alle strategische beleidsplannen vervangt die gaan over de fysieke leefomgeving, zoals het milieubeleidsplan, het gemeentelijk verkeersen vervoersplan en de structuurvisie. De inhoud van de Strategische Visie 2040, die de gemeenteraad in 2017 vaststelde, is de basis geweest voor de omgevingsvisie. De Omgevingsvisie zet in op een koerswijziging van kwantiteit naar kwaliteit: beter en slimmer inrichten van de leefomgeving met gebruik van innovatie, kennis en creativiteit. Bij ieder initiatief moeten afwegingen worden gemaakt. Voor Veenendaal staan hierbij de principes gezondheid, duurzaamheid en veiligheid voorop. Voor nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie 2030 het volgende afwegingskader gegeven: 1. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan een Gezonde, Duurzame en Veilige leefomgeving. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans om hier aan bij te dragen. Zo zal ook de
16
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 gewenste groei van Veenendaal moeten bijdragen aan deze doelen. 2. We kiezen voor meervoudig boven enkelvoudig ruimtegebruik, zodat de beperkte ruimte optimaal wordt benut. 3. We voorkomen dat negatieve gevolgen van ontwikkelingen afgewenteld worden op de omgeving. We beoordelen ruimtelijke ontwikkelingen integraal en in relatie tot de omgeving. Daarnaast bevat de Omgevingsvisie 2030 specifieke opgaven en doelstellingen voor de thema's Gezond duurzaam en veilig, Bouwen en wonen, Groen natuur en water, Mobiliteit, Economie, Milieu, en er worden aanvullende opgaven en doelstellingen voor het centrum gegeven. Conclusie Met de ontwikkeling wordt er op een binnenstedelijke locatie verdicht door woningen toe te voegen. Dit is in lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.3
Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal
Op 17 december 2021 is de Omgevingsvisie Veenendaal vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt een gezond, duurzaam en veilig Veenendaal nagestreefd. De visie bevat ambities en doelen om dit te bereiken. In het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal dat als beleidsregel is vastgesteld door het college, worden de ambities concreet gemaakt. De volgende thema's uit de omgevingsvisie zijn opgenomen: Gezonde en groene leefomgeving; Bewegen, ontmoeten, sporten en spelen (BOSS); Energietransitie en duurzaam bouwen; Natuurinclusief bouwen; Klimaatadaptatie; en Veiligheid en leefbaarheid. Voor elk thema uit de Omgevingsvisie zijn maatregelen opgesomd waarmee wordt bijgedragen aan deze verschillende thema's. Aan deze maatregelen zijn punten gekoppeld. Een ontwikkelaar moet straks een minimale score per thema en een minimale score voor het totaal behalen. Op deze manier laten we de ambities uit de omgevingsvisie terugkomen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het puntensysteem is toegespitst op de realisatie van woningen. Het fungeert daarmee als kader voor de beoordeling of een ontwikkeling voldoende bijdraagt aan een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. Het puntensysteem wordt toegepast bij ontwikkelingen waarvoor een herziening, wijziging, uitwerking of afwijking van het bestemmingsplan nodig is.
Het wordt alleen toegepast bij nieuwbouw van woningen en dus niet toegepast bij transformatie van bestaande bebouwing. In het bestemmingsplan wordt middels een dynamische verwijzing in de regels opgenomen dat de ontwikkeling moet voldoen aan het puntensysteem. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de eis om te voldoen aan het puntensysteem opgenomen in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning. Conclusie Het plan zal moeten voldoen aan het Puntensysteem. Dit wordt getoetst bij de omgevingsvergunning voor bouwen. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om deze toets te doen. In de klimaattoets (Bijlage 2) is al een voorzet gedaan voor een aantal thema's, aan welke maatregelen gedacht wordt. 3.4.4
Woonvisie 2022-2025
Op 23 juni 2022 heeft de raad van Veenendaal de Woonvisie 2022-2025 vastgesteld. Onder de nieuwe Woningwet is het vanaf 1 januari 2022 weer verplicht dat gemeenten een Woonvisie opstellen. De Woonvisie 2022-2025 zal in deze de Woonvisie 2014-2019 vervangen die eerst werd aangehouden door de verwachte intreding van de Omgevingswet in 2022. In de Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt: “De Woonvisie is richtinggevend en normstellend voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en nieuwbouw van woningen in onze gemeente. Zo blijft het prettig wonen in Veenendaal voor iedereen. Veenendaal is een aantrekkelijke woongemeente. We streven naar behoud van de huidige aantrekkelijkheid, ook onder de groeiende en veranderende woningbehoefte in de komende jaren. We spannen ons nu maximaal in om
bestemmingsplan
17
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 voor de lange termijn te sturen op de gewenste kwantiteit en kwaliteit. Keuzes van nu zijn namelijk van groot belang voor de toekomst. Een verkeerde keuze nu, kan groot effect hebben op de lange termijn. Van goede keuzes zullen we daarentegen nog lang profijt hebben. Vanzelfsprekend passen we nieuwbouw altijd met zorg en aandacht voor de omgeving in.” Op grond van de Woonvisie richt de gemeente Veenendaal zich in de uitvoering op 6 speerpunten: 1. Goed wonen voor iedereen: omgaan met de groei die Veenendaal door maakt en aandacht houden voor verschillende en bijzondere doelgroepen; 2. Bestaande woningvoorraad: bewustwording rondom verduurzaming van de particuliere woningvoorraad en het aanpassen van bestaande woningen op de afnemende mobiliteit van oudere huishoudens; 3. Betaalbaarheid en beschikbaarheid: inzetten op het hebben van voldoende betaalbare sociale woningen, zowel koop als huur; 4. Aantrekkelijke nieuwbouw: inzetten op complementaire nieuwbouw om daarmee de doorstroming in de woningmarkt te bevorderen; 5. Vitale wijken: inzetten op een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in elke wijk; 6. Wonen met zorg: de lokale opgave naar woon(zorg)voorziening in kaart brengen en aanpakken. Conclusie Het plan is in lijn met de Woonvisie van Veenendaal. 3.4.5
Duurzaamheidsbeleid
De wettelijke eisen voor energiezuinigheid van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend heeft de gemeente Veenendaal beleid opgesteld voor duurzaamheid in het programmaplan "Energieneutraal Veenendaal 2050" (30 maart 2017). De gemeente geeft uitwerking aan de volgende ambities en doelstellingen: Veenendaal is energieneutraal in 2050: streven naar energie neutrale woningen en wijken. Het streven is naar energieneutraliteit (EPC=0 of beter: Nul Op de Meter). Deze woningen moeten energieneutraal zijn en niet afhankelijk van gas. Veenendaal is energieneutraal in 2050: stimuleren schonere voertuigen. Voor de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden worden dat bewoners een elektrische auto hebben en willen opladen. Veenendaal is voorbereid op klimaatverandering: ontwikkelingen worden minimaal waterneutraal uitgevoerd, groen wordt strategisch ingezet voor hemelwaterafvoer en koeling in de stad.
De gemeente vindt het daarbij belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen de volgende onderwerpen aan de orde komen bij het thema duurzaam bouwen: Toepassen van een prestatie-instrument voor duurzaam bouwen; Mogelijkheden om het dak te benutten voor warmte-opslag, waterberging, het bufferen van fijnstof of energiewinning; Natuurvriendelijke maatregelen aan of rond het gebouw; Geen koper, lood of zink gebruiken voor de hemelwaterafvoer; Toepassen van duurzaam hout; Energiezuinige terrein- en gebouwverlichting. Conclusie Met de ontwikkeling worden veel duurzaamheidsmaatregelen genomen. Zo wordt het complex gasloos en wordt het hele dak volgelegd met zonnepanelen. 3.4.6
Welstandsnota 2017
Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. Deze welstandsnota vormt het toetsingskader voor zowel de reguliere vergunningsplichtige bouwwerken als voor de zogeheten veel voorkomende kleine bouwwerken die vergunningsplichtig zijn. Gekozen is
18
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 welstandsvrij bouwen mogelijk te maken in een nieuw te ontwikkelen woongebied en op bestaande bedrijventerreinen. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren.
Conclusie Een eerste conceptversie van het plan is getoetst door Welstand en akkoord bevonden.
bestemmingsplan
19
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Hoofdstuk 4 4.1
PLANBESCHRIJVING
Bouwplan
De beoogde functie voor de locatie is, net als nu, wonen, gecombineerd met verkeer en groen. In totaal is er ruimte voor 48 appartementen. Alle woningen worden sociale huurappartementen, die levensloopbestendig gerealiseerd zullen zijn. Dit betreft met name bouwtechnische punten op het gebied van toegankelijkheid en aanpasbaarheid.
4.2
Stedenbouw
Het slopen van de bestaande duplexwoningen en deze vervangen door appartementen sluit ruimtelijk aan op een transformatie van dit bouwblok. Het gevraagde woningbouwprogramma en de eigendomssituatie (het gehele bouwblok is in eigendom van Veenvesters) geven aanleiding voor de transformatie van huizen met tuinen naar een appartementencomplex met een collectieve parkeer- en verblijfsruimte in de kern van het bouwblok. De aanzet hiervoor is reeds gemaakt met de realisatie van het appartementengebouw aan de Stadhouderslaan en de geplande ontwikkeling sluit aan bij deze benadering in het bouwblok. Het zuidelijk gelegen bouwblok bestaat uit bebouwing met een kleinere korrel. Tussen de nieuwbouw en deze grondgebonden woningen is een bomenrij aanwezig. Deze strook blijft behouden en er zal worden onderzocht of er tussen de stoep en de nieuwbouw ook opgaand groen aangeplant kan worden, met inachtneming van de geplande herinrichting. Het groen en de ruime afstand zijn bemiddelend in de overgang van de grotere naar de kleinere schaal. De nieuwbouw moet aan weerszijden aansluiten op de rooilijnen om zich op deze manier te voegen naar de context. Tevens is het belangrijk voldoende afstand te behouden tot de omliggende woningen, in het kader van privacy en bezonning. Aan de noordzijde wordt dit bewerkstelligt door daar de autoparkeerplaatsen te situeren.
Op dit moment staan er drie losse gebouwen. In de nieuwbouw zullen de volumes aan elkaar worden geschoven waardoor er één gebouw ontstaat. In de volume-opbouw en architectuur kan een zekere driedeling bereikt worden, waarmee kan worden gerefereerd naar de huidige drie bouwvolumes. Aan de voorzijde wordt de huidige rooilijn aan aan de oost- en westzijde aangehouden, in het midden is er een mogelijkheid om te werken met een setback. De nieuwe woningen zijn dieper dan de huidige, wat betekent dat de bebouwing wat dichter op het achterterrein komt te staan.
20
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Impressies van de nieuwe situatie De hoogte van de bebouwing moet passen binnen de ruimtelijke structuur en de context van de betreffende locatie. Het woonprogramma zal worden gewijzigd naar appartementen. In dat kader wordt er gerefereerd naar het appartementencomplex aan de Stadhouderslaan. De nieuwbouw kan, in aansluiting op het reeds gebouwde appartementencomplex, drie bouwlagen hoog worden met daarboven een flauwe kap. Met dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden het middelste deel vier lagen hoog te bouwen. Deze moet terug liggen ten opzichte van de voorgevelrooilijn, om zo zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte wat te beperken. Ook word het volume hierdoor visueel in drieën opgesplitst, waardoor er wordt verwezen naar de huidige opdeling in drie bouwblokken.
bestemmingsplan
21
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
Hoofdstuk 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij om de aspecten natuur, water, archeologie, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd.
5.1
Bodem
Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten. 5.1.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging.De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren.
Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de provincie Utrecht in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit. Daarnaast beschikt de Gemeente Veenendaal over een Nota bodembeheer waarin gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen voor grondverzet binnen de gemeente en binnen het hierin vastgelegde regionale bodembeheergebied. 5.1.2
Toetsing bouwplan
Ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe appartementen is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Hieruit blijkt dat er geen vervolgonderzoek nodig is ten behoeve van het bestemmingsplan. 5.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen om voor deze ontwikkeling.
22
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
5.2
Waterhuishouding
5.2.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.
Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater.
Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd. De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast
bestemmingsplan
23
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.2.2
Toetsing bouwplan
Voor voorliggend plan is een klimaattoets opgesteld (Bijlage 2), waarin onder andere het aspect water is meegenomen. De klimaattoets is opgesteld om de belangen van het klimaat in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een klimaatrobuuste ontwikkeling. Uit de klimaattoets blijkt dat voldaan kan worden aan het verplichte aantal m2 waterberging wat gerealiseerd moet worden. Naast de wateropgave worden maatregelen genoemd die genomen kunnen worden met betrekking tot de thema's droogte, hittestress en schaduw, waterveiligheid en biodiversiteit. Hiermee blijkt dat op op die thema's voldaan kan worden aan het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal. 5.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: c. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); d. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; e. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. 5.3.1
Wettelijk kader
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.
24
bestemmingsplan
bestemmingsplan Emmalaan 59-89
5.3.2
Toetsing bouwplan
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Nader onderzoek naar de externe veiligheid is derhalve niet benodigd.
Uitsnede risicokaart 5.3.3
Conclusie
Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van extra woningen aan de Emmalaan.
5.4
Archeologie
5.4.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn
bestemmingsplan
25
bestemmingsplan Emmalaan 59-89 namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen. Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg.
Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting. Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020. 5.4.2
Toetsing bouwplan
De locatie heeft geen archeologische verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd. 5.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie is er geen belemmering voor de realisatie van extra woningen aan de Emmalaan.
5.5
Cultuurhistorie
5.5.1
Wettelijk kader
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2
Cultuurhistorischekenmerken
In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.