3. Beleidsnota Erfgoed 'Van cultuurhistorische waardering naar beleid' - beleidsnota Erfgoed
Tekst van het document
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Beleidsnota Erfgoed
Van cultuurhistorische waardering naar beleid
Brigit Huijsmans en Paul van Sorge, gemeente Veenendaal d.d. december 2021
Motto 1: “Er is geen bestemming zonder duidelijkheid over de herkomst en geen toekomst zonder een leesbare versie van het verleden.” uit: Grand Hotel Europa, Ilja Leonard Pfeijffer
Motto 2: Geen behoud zonder vernieuwing. Het doel is geen musealisering, maar een leefbare stad met levensloopbestendige openbare ruimte en woningen. “Je kunt het verleden niet zo gemakkelijk moderniseren naar hedendaagse veiligheidsnormen zonder het te beschadigen of te vervangen.” citaat uit: Grand Hotel Europa, Ilja Leonard Pfeijffer
Motto 3: “Wij zijn er niet op uit om monumenten te bouwen. Architectuur is niet het belangrijkste. De mensen zijn het doel.” Mels Crouwel (architect van onder meer Utrecht Centraal, uitbreiding Stedelijk Museum Amsterdam, De Pont in Tilburg) in een interview met de Volkskrant, 18 april 2020.
1
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Inhoudsopgave 1. Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .3 1.1 Aanleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1.2 Wettelijk kader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1.3 Doel en uitgangspunten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1.4 Leeswijzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 2. Panden en objecten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 2.1. Waardering en selectie van panden en objecten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 2.2 Monumenten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .7 2.3 Beeldbepalende panden en objecten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .7 3 Gebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 3.1 Onderscheid in gebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 3.2 Integrale ensembles . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 3.3 Stedenbouwkundige ensembles . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 3.4 Agrarisch cultuurlandschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden Bijlage 2: Integrale ensembles Bijlage 3: Stedenbouwkundige ensembles
2
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
1.1 Aanleiding
In opdracht van de gemeente heeft bureau RAAP een Cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardering bestaat uit diverse kenmerken- en waarderingskaarten voor het landschap en de gebouwde omgeving. Deze kaarten bieden een schat aan informatie die gebruikt kan worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en waaruit geput kan worden bij het opstellen van een toelichting in een bestemmingsplan. De cultuurhistorische waardenkaart is vastgesteld door het college en heeft een signaalwaarde. De waardenkaart heeft geen juridische status. Om te kunnen sturen is een vertaling naar beleid nodig. De vertaling naar beleid maakt het mogelijk cultuurhistorische waarden te beschermen en cultuurhistorie mee te kunnen wegen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De voorliggende beleidsnota geeft aan welke elementen van de Cultuurhistorische waardenkaart we gaan beschermen en op welke wijze.
1.2 Wettelijk kader
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Bij de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet zal de afweging van cultuurhistorie een rol krijgen in het nieuwe Omgevingsplan. In dit Omgevingsplan zullen vele aspecten geregeld kunnen worden waarvoor nu nog afzonderlijke instrumenten bestaan. Volgens het nu nog geldende Besluit ruimtelijke ordening (Bro artikel 3.6.1) is de gemeente verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan (Omgevingsplan) een gemotiveerde beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap). Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Dit betekent dat de gemeente een analyse moet maken van de cultuurhistorische waarden in een gebied en daar conclusies aan verbindt die in een bestemmingsplan (Omgevingsplan) verankerd worden. Deze stap zetten we met deze beleidsnota.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
1.3 Doel en uitgangspunten
Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen zijn zij bepalend voor de identiteit van een plek, gebied, dorp of stad en onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Tevens bieden cultuurhistorische waarden aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Het doel van deze notitie is om van de Cultuurhistorische waardering (door RAAP) te komen naar beleid. Dat gebeurt door een selectie te maken van de elementen en gebieden opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart en door op gepaste wijze met de verschillende cultuurhistorische waarden om te gaan.
1.4 Leeswijzer
De volgende cultuurhistorische elementen zijn onderscheiden: 1. Rijks- en gemeentelijke monumenten; 2. Beeldbepalende panden en objecten; 4. Integrale ensembles; 5. Stedenbouwkundige ensembles; 6. Agrarisch cultuurlandschap. In de volgende hoofstukken zijn de verschillende onderdelen van de cultuurhistorische waardenkaart per onderdeel toegelicht. Aangegeven is op welke wijze een selectie is gemaakt en hoe we de waarden gaan beschermen. In hoofdstuk 2 wordt ingezoomd op de individuele panden. In hoofdstuk 3 komen de cultuurhistorisch waardevolle gebieden aan bod, zoals stedenbouwkundige structuren, ensembles en het agrarisch cultuurlandschap. In de bijlagen staat een meer uitgebreide toelichting op de panden, objecten en gebieden. Meer informatie is te vinden in het RAAP-RAPPORT 3334 ‘… alles gebeurde met de hand …’
3
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Cultuurhistorische waardering door RAAP Panden en objecten
Gebieden
circa 600
Waardering: Hoog
Waardering: Positief (middel)
Verdiepingsslag: 380 nader bekeken
Voordragen als gemeentelijk monument
Voordragen als Beeldbepalend pand / object
Waardering: Laag -> geen status circa 220
Geen status geven
Het bovenstaande schema geeft de werkwijze van waardering naar selectie en beleid weer
4
Integrale ensembles
Stedenbouwkundige ensembles
Agrarisch cultuur landschap
Selectie gemaakt van de voorgestelde RAAP gebieden
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
2. Panden en objecten 2.1. Waardering en selectie van panden en objecten
Voor de cultuurhistorische waardenkaart zijn ruim 600 panden en objecten bekeken en gewaardeerd, waarbij het label hoog, positief (middel) en laag is toegekend door bureau RAAP. Ook de reeds bestaande Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn hierin meegenomen. In deze inventarisatie zijn, naast de vooroorlogse bouwhistorie, ook de wederopbouwperiode 1945-1965 en de periode 1965-1985 meegenomen. Deze categoriën zijn nieuw ten opzichte van eerdere onderzoeken waar panden tot 1940 zijn onderzocht. Naast panden, zijn ook objecten en plekken geïnventariseerd en gewaardeerd, zoals kunstobjecten, muurkunst, herdenkingsstenen en begraafplaatsen. Niet in alle gevallen is de term ‘panden en objecten’ gebruikt. Daar waar gesproken wordt over panden, gebouwen en dergelijke worden ook de objecten bedoeld. De panden met een lage waardering (220) zijn niet verder meegenomen in deze verdiepingsslag. Bij deze panden is er vaak te weinig van de oorspronkelijke kwaliteit (het ontwerp) over. Vaak is de hoofdverschijning nog herkenbaar (hoofden kapvorm), maar zijn details, gevelindelingen, aan- uit- en opbouwen over het algemeen dusdanig gewijzigd en toegevoegd dat de oorspronkelijke uitstraling (sterk) is gewijzigd. Om die reden is gekozen om geen bescherming te geven aan deze cultuurhistorisch laag gewaardeerde objecten.
Voor de panden met het label hoog en positief, bij elkaar zo’n 380 panden, is vervolgens een verdiepingsslag gemaakt om te beoordelen welke panden in aanmerking komen om te beschermen. Bij de verdiepingsslag zijn de 380 objecten langs de meetlat met de onderstaande criteria gelegd. Dat heeft geleid tot het voorstel om 16 gemeentelijke monumenten voor te dragen en 45 beeldbepalende panden. Samen zijn dat 61 panden en objecten.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Criteria voor gebouwen en objecten
De selectie van de cultuurhistorisch waardevolle panden en objecten en de uiteindelijke klassering heeft plaats gevonden via een toetsing aan de hand van onderstaande criteria: 1. Cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde (CH): Door aspecten van plaats, tijd en / of functie vormt het object een tastbare herinnering aan belangrijke historische gebeurtenissen of ontwikkelingen in de gemeente Veenendaal; 2. Architectuurhistorische en esthetische waarde (AH): Het belang van het object vanwege een kenmerkende / bijzondere bouwstijl, typologie, vorm, materiaalgebruik en constructie; het belang binnen het oeuvre van een architect; 3. Ensemble waarde (ST): Het belang van het object als onderdeel van de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied of een bijzondere stedenbouwkundige ontwikkeling of planvorming; en/of als onderdeel van cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en/of ensemblewaarde, een waardevol gebied en beschermde monumenten; 4. Gaafheid (GH): Het belang van het object wegens de authenticiteit / oorspronkelijkheid van hoofdvorm, gevelindeling en/of detaillering; 5.
Herkenbaarheid (HH): Het belang van het object vanwege de herkenbaarheid van het oorspronkelijke concept en de oorspronkelijke (bijzondere) functie, in relatie tot de ontwikkelingsgeschiedenis en de historische gelaagdheid van het gebied; relatie met voor de gemeente Veenendaal belangrijke personen, gebeurtenissen en activiteiten; 6. Zeldzaamheid (ZH) in architectuur- en/of bouwhistorisch, stedenbouwkundig, typologisch, functioneel of historische opzicht. 7. Veense criteria (V): Religie, agrarische ontginningsgeschiedenis, militair erfgoed, industrieel erfgoed, lokale architecten en elementen die uitdrukking geven aan bepaalde gebeurtenissen of personen (herinneringswaarde).
5
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Uitgangspunten hierbij zijn: 1. Panden die hoog scoren op de Veense criteria en bijdragen aan het Verhaal van Veenendaal worden voordragen als gemeentelijk monument (GM). Deze panden dragen bij aan het verhaal over de geschiedenis van Veenendaal en hebben een uitstraling waardoor zij positief opvallen tussen alle andere panden. 2. We onderscheiden een categorie Beeldbepalend (BB). Tussen ‘gewone’ gebouwen en monumenten zijn er panden die opvallen, bijvoorbeeld door uiterlijk, ligging, bijzondere architectuur, etc. De waarde van deze panden willen we vastleggen zodat bij ontwikkelingen rekening gehouden kan worden met de betekenis van dat pand en zijn kenmerken op die plek. Het zijn veelal panden met een heldere beeldtaal die hoort bij een architectuurstroming, waarbij het uiterlijk niet (teveel) is aangetast, het oorspronkelijke concept van het ontwerp is nog duidelijk aanwezig en de panden dragen bij aan het verhaal van Veenendaal. Dit zijn de zogeheten ‘beeldbepalende panden’, deze komen uitgebreid aan bod in paragraaf 2.3. 3. Hoogbouw: In Veenendaal is veel hoogbouw aanwezig, zoals in Schrijverspark, Engelenburg, Zuiderkruis en PWA park. Deze hoogbouw staat in herkenbare gebieden (buurten) en is gebaseerd op herhaling van eenzelfde type en opgebouwd uit ‘stempels’: herhaling van een groep gebouwen in een stedenbouwkundige setting, veelal in combinatie met groen.
Deze hoogbouw is representatief voor de aanpak van de toenmalige woningnood en toenmalige architectuurstromingen. Veel van de hoogbouw is reeds gerenoveerd, veelal met aandacht voor de architectonische kwaliteit. Soms is hoogbouw gesloopt (Schijverspark), veelal omdat ze bouwkundig niet meer voldeden aan de geldende maatstaven. Hoogbouw heeft een financiële waarde en draagt nog steeds bij aan de huisvesting van veel Veenendalers. Dat zal naar verwachting nog lang zo blijven. De kans dat hoogbouw op een grootschalige manier verdwijnt en daarmee niet meer aanwezig zal zijn in Veenendaal is om die reden niet groot. Renovaties en aanpassingen gebeuren zorgvuldig en zijn afgestemd op de architectuur van de hoogbouw. Om die reden is er geen aanleiding om de hoogbouw op grote schaal vanuit cultuurhistorisch oogpunt te beschermen.
6
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
We kiezen ervoor om één representatief naoorlogs pand als beeldbepalend aan te wijzen: Rembrandtlaan 1-15. Daarnaast is diverse hooogbouw onderdeel van een stedenbouwkundig ensemble. Dit zijn gebieden waar de nadruk ligt op behoud van de stedenbouwkundige structuur en samenhang. 4. Panden waar reeds afspraken liggen voor herontwikkeling, krijgen geen beschermingsregime opgelegd. Categorie GM BB Totaal Agrarische bouw 3 1 4 Bedrijfspanden 1 2 3 Begraafplaats 1 1 Gedenktekens, wandkunst, etc 4 1 5 Hoogbouw 1 1 Infrastructuur (tunnels) Kerken 1 2 3 (Voormalige) Scholen 1 1 Trafo’s 2 5 7 Winkels 1 1 2 Woonhuizen voor 1940 Rij 5 5 Woonhuizen voor 1940 vrijstaand 2 18 20 Woonhuizen na 1940 Rij 4 4 Woonhuizen na 1940 vrijstaand 1 4 5 Totaal 16 45 61 In de bovenstaande tabel is een overzicht van het aantal panden per categorie weergegeven. Hierbij moet er worden opgemerkt dat er soms panden zijn met meerdere huisnummers (woonhuizen in rij of twee-onder-één-kapwoningen); dit kan het beeld in de bovenstaande tabel vertekenen.
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
2.2 Monumenten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
In Veenendaal zijn reeds 108 gemeentelijke en 47 Rijksmonumenten aangewezen. De status van een monument geeft duidelijkheid over wat wel en niet mag qua verbouwing en onderhoud. Monumenten kennen een bescherming via de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening. De erfgoedverordening wordt geïntegreerd in het Omgevingsplan deel 1. Vrijwel iedere wijziging aan een monument is vergunningplichtig.
Beeldbepalende panden bepalen mede het aanzicht van een gebied of zijn onderdeel van een structuur die belangrijk is voor het karakter van stad of landschap. Bij deze panden gaat het meestal om kenmerken die karakteristiek zijn voor de het pand in zijn omgeving en/of voor een bepaald tijdperk, zoals een de opbouw van de bouwmassa, afmetingen van de bouwmassa, bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm, goothoogte en (dak)richting, een geveltype, rooilijnen, zichtlijnen, markante ligging (in straat of lint), opmerkelijke (hoek)ligging, herkenbaar als landmark in zijn omgeving, de relatie en afstand tot nabije panden, een karakteristiek gevelbeeld, gevelopeningen, ornamenten en het materiaal- en kleurgebruik van de gevels, etc. Zij zijn architectonisch iets minder van belang dan een monument. (Voor een overzicht van beeldbepalende panden zie bijlage 2)
Voorstel: 1. Op basis van het hiervoor beschreven selectieproces worden 16 panden en objecten voorgedragen om aan te wijzen tot gemeentelijk monument. Tot deze groep horen enkele panden gebouwd voor WOII, panden uit de naoorlogse periode en kunst- en herdenkingsbeelden. De procedure voor de aanwijzing van gemeentelijke monumenten is vastgelegd in de Erfgoedverordening, die deel gaat uitmaken van Omgevingsplan deel I. Deze aanwijzingsprocedure voor het toevoegen van 16 gemeentelijke monumenten wordt apart opgestart. 2. De bestaande Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn opgenomen in een monumenten register. De bestaande monumenten worden opgenomen in het Omgevingsplan deel 1. Voor de nieuwe aan te wijzen monumenten wordt de aanwijzingsprocedure gevolgd, die is vastgelegd in het Omgevingsplan deel 1 (voorheen in de Erfgoedverordening).
Beleidsuitgangspunten 1. Uitgangspunt is bescherming van beeldbepalende panden en objecten. Deze vertegenwoordigen een bepaalde cultuurhistorische waarde en ze mogen niet zonder meer gesloopt of drastisch gewijzigd of verbouwd worden. 2. De karakteristieke kenmerken van beeldbepalende panden worden beschreven, zodat duidelijk is met welke waarden rekening moet worden gehouden. Een bijlage met de beschrijvingen van de karakteristieke kenmerken kan als toetsingskader bij vergunningverlening worden gebruikt. Karakteristieke waarden zijn bijvoorbeeld de opbouw van de bouwmassa, afmetingen van de bouwmassa, goothoogte en (dak)richting, een karakteristiek gevelbeeld, gevelopeningen, ornamenten en het materiaalen kleurgebruik van de gevels en het dak. Maar het kan ook gaan om een specifieke situering. 3. Wijzigingen aan beeldbepalende panden, zichtbaar vanaf de openbare ruimte en voor zover niet vergunningvrij, zijn mogelijk indien daarbij de cultuurhistorische waarden van het pand niet onevenredig worden aangetast. Om dit te borgen worden de beeldbepalende panden opgenomen in het Omgevingsplan, waarbij specifieke regels worden opgenomen ter bescherming van deze panden en objecten.
7
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
2.4 Schema met samenvatting beleid voor de panden 4. Voor verbouw, aanbouw, schilderen of wijzigen van een beeldbepalend gebouw gelden de regels die voor andere gebouwen ook gelden. Wat vergunningsvrij of -plichtig was, blijft vergunningsvrij of vergunningsplichtig. 5. Als er een ingreep vergunningsplichtig is, wordt een toets ingebouwd om te waarborgen dat de karakteristieke kenmerken behouden blijven. Het plan komt dan bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) en er vindt, net als nu, een “Welstands- toets” plaats, waarbij ook op de kenmerken van het beeldbepalend pand wordt getoetst. De gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur is voor deze panden onderdeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit; 6. Mocht behoud van deze panden toch niet mogelijk zijn, dan kan een omgevingsvergunning voor sloop worden aangevraagd. De sloopvergunning wordt pas afgegeven als duidelijk onderbouwd is dat de beeldbepalende bouwmassa niet te handhaven is en er een nieuw plan ligt dat aantoont hoe met de cultuurhistorische waarden en kenmerken wordt omgegaan. Doel en werkwijze Het doel is hehoud van cultuurhistorisch waardevolle (kenmerken van) panden. In een ‘redengevende beschrijving’ staat de bijzondere waarde beschreven en wordt duidelijk waaraan plannen worden getoetst.
In het Omgevingsplan krijgen de betreffende panden een aanduiding ‘beeldbepalend’ en in de regels vermelden dat een ‘omgevingsvergunning voor activiteit bouwen’ uitsluitend kan worden verleend als aan de beleidsregels wordt voldaan. Voorstel beleid 1. In deze beleidsnota staan ‘redengevende beschrijvingen’ voor de panden en objecten. De beleisnota wordt t.z.t. toegevoegd aan de Welstandsnota, zodat getoetst kan worden aan de beschrijvingen. 2. In het Omgevingsplan krijgen de beeldbepalende panden een aanduiding en bijbehorende (beleids)regel. 3. Bij ontwikkelingen/plannen vindt toetsing plaats door (de erfgoed specialist binnen) de commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
8
Cultuurhistorische waardering panden en objecten door RAAP
Waardering: Hoog
Waardering: Positief (middel)
Waardering: Laag -> geen status
Verdiepingsslag
Voordragen als gemeentelijk monument: Aanduiding in Omgevingsplan Bescherming via Erfgoedverordening (gaat op in Omgevingsplan)
Voordragen als Beeldbepalend pand / object: • Aanduiding in Omgevingsplan • Vergunningvrij blijft • ‘Welstandstoets’ verbreden met CHW • Sloop koppelen aan vergunning en ‘Welstandstoets’
Geen status geven
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3 Gebieden 3.1 Onderscheid in gebieden
De volgende gebieden zijn onderscheiden: 1. Integrale ensembles: structuren in blauw aangeduid op de kaart; 2. Stedenbouwkundige ensembles: deze staan niet op de kaart hiernaast, maar op een aparte kaart in paragraaf 3.3; 3. Agrarisch cultuurlandschap: paarse gebieden op nevenstaande kaart.
9
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3.2 Integrale ensembles
Op basis van de volgende uitgangspunten heeft bureau RAAP integrale ensembles benoemd: 1. “Het waarderen van losse, individuele elementen, zoals in het vakgebied van de historische geografie wel eens wordt gedaan, achten we voor Veenendaal minder zinvol. Naar de aard van het landschap -namelijk vooral een verstedelijkte context bestaat het waardevolle hier eerder uit samenhangende structuren of ‘netwerken’. 2. De integrale ensembles geven antwoord op de vraag: “Welke gebieden zijn van belang om de ruimtelijke geschiedenis van Veenendaal te begrijpen?” Daarmee doelen we op die plekken, die vanuit hun structuur een bijzondere bijdrage leveren aan de herkenbaarheid van de wordingsgeschiedenis van Veenendaal. De integrale ensembles vertegenwoordigen een combinatie van de historisch landschappelijke structuur, stedenbouwkundige ensembles en historische bouwkunst. Deze integrale ensembles weerspiegelen de belangrijkste herkenbare structuren binnen Veenendaal.
10
Integrale ensembles: 1. Fort aan de Buursteeg 2. Nieuweweg 3. Munnikenweg 4. Ruisseveen (park in west) 5. De oude linten (griften): Gelders Benedeneind, Valleistraat-Verlaat, Zandstraat, Prins Bernhardlaan, Stationsstraat, Hoofdstraat, Kerkewijk 6. Dijkstraat 7. Bergweg 8. Middellaan 9. Middelbuurtseweg 10. Prattenburg 11. Hondzenelleboog
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Binnen de integrale ensembles staan veel monumenten en beeldbepalende panden, maar ook panden zonder een cultuurhistorische status. Tevens is er onderling verschil tussen de ensembles. Zo heeft de Kerkewijk met veel vooroorlogse villa’s een ander karakter dan Verlaat/Valleistraat waar meer kleinschalige bebouwing staat. Daarnaast zijn er integrale ensembles die deel zijn van het buitengebied of samenvallen met groenstructuren, zoals het Ruisseveen en Hondzenelleboog Beleidsuitgangspunten Integrale ensembles: 1. Bescherming is gericht op behoud van deze relatief oude structuren, waarlangs Veenendaal zich heeft ontwikkeld. Het gaat om de oude kern van Veenendaal, waar het water de basis vormde voor de afvoer van turf. De veelal van oorsprong organisch ontstane lintbebouwing en bebouwing in deze integrale ensembles is verschillend van karakter. Daarnaast gaat het om nog maar ook om nog herkenbare wegen, paden, (groen)structuren van voor 1832, gecombineerd met verspreid liggende erven, zoals in de ensembles van het Ruisseveen, Hondzenelleboog en het gebied ten zuiden van de Dijkstraat. Uitgangpunt is behoud van deze verschillende karakteristieke structuren. 2. Voor vergunningplichtige ontwikkelingen die binnen het omgevingsplan passen wordt geen extra toets ingebouwd.
De huidige welstandstoets blijft bestaan en biedt voldoende houvast om ook te toetsen op de context en daarmee ook op de verschillende karakteristieken van de ensembles. 3. Wel zal een zogenaamde “Zorgplicht” voor instandhouding van het integrale ensemble worden opgenomen. De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. Verantwoordelijkheid ligt bij de burger zelf. Er kan wel gehandhaafd worden. 4. Voor ontwikkelingen die niet binnen het Omgevingsplan passen zal vanaf het begin van het ontwerp rekening moeten worden gehouden met de cultuurhistorische aspecten van de integrale ensembles. Dit zal worden beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
5. Binnen het integraal ensemble wordt geen omgevingsvergunning voor sloop vereist, behalve voor de aangewezen monumenten en beeldbepalende panden. 6. Fort aan de Buursteeg is aangewezen als Rijksmonument. Hiervoor geldt een aparte bescherming via de erfgoedwet. Doel en werkwijze Het doel voor de Integrale ensembles is: 1. Behoud en versterken structuren; 2. Het historisch karakter meer tot uitdrukking te laten komen en als inspiratiebron te gebruiken bij inrichting, reconstructies en ruimtelijke ontwikkelingen. Gelet op de bestaande bestemmingspannen en Welstandsnota is het niet mogelijk deze linten aan te passen zonder bestemmingsplanherziening. Bij een bestemmingsplanherziening is cultuurhistorie een van de toetsingscriteria. Door de cultuurhistorisch waardevolle kenmerken te beschrijven, kan hier met nieuwe ontwikkelingen rekening mee worden gehouden. Voorstel beleid Integrale ensembles: 1. De Integrale ensembles opnemen in het Omgevingsplan; 2. Borgen dat ruimtelijke ontwikkelingen hieraan worden getoetst; 3. Opnemen van een zogeheten “Zorgplicht” voor instandhouding van de Integrale ensembles; 4. De beleidsnota wordt t.z.t. toegevoegd aan de Welstandsnota, zodat getoetst kan worden aan de beschrijvingen. Ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is worden beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
11
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3.2. Integrale ensembles
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles Stedenbouwkundige ensembles zijn karakteristieke gebieden, die representatief zijn voor belangrijke momenten in de stedenbouwkundige en ruimtelijke ontwikkeling van Veenendaal. Zij zijn door bureau RAAP geselecteerd c.q. gewaardeerd op basis van onderstaande criteria: 1 Het gebied of ensemble is van belang als voorbeeld of onderdeel van de cultuurhistorische gebiedskarakteristiek en de ontwikkelingsgeschiedenis/ historische gelaagdheid; 2 Het gebied of ensemble is van belang vanwege de bijzondere betekenis voor het beeld van de omgeving, vanwege opmerkelijke ligging, zichtlijnen, aanwezigheid van landmarks, etc. 3 Er is sprake van een structurele gaafheid, herkenbaarheid en/of samenhang in het gebied of ensemble; 4 Er is sprake van een zekere zeldzaamheid van het gebied of ensemble, stedenbouwkundig/structuur), op gemeentelijk / regionaal niveau; 5 De dichtheid en kwaliteit van de aanwezige beschermde en/of karakteristieke bebouwing, waarbij gelet is op herkenbaarheid, gaafheid en (in mindere mate) zeldzaamheid.
11 8
2 1
12
10
5
4
Er is een selectie gemaakt van de stedenbouwkundige ensembles op de cultuurhistorische waardenkaart. Daarbij is gekeken naar een zekere gaafheid en/ of duidelijke samenhang in aanwezige bebouwing en in het stedenbouwkundig ontwerp. Voorgedragen zijn voor- en naoorlogse ensembles: min of meer organisch gegroeide straten als Beatrixstraat en Gortstraat, geplande naoorlogse wijken zoals Franse Gat en gebieden met een ‘architectonische signatuur’ zoals Stad in de Stad. Beleidsuitgangspunten Stedenbouwkundige ensembles: 1. Binnen de op de cultuurhistorische waardenkaart aangegeven stedenbouwkundige ensembles is een selectie gemaakt van stedenbouwkundige structuren waar bescherming zich richt op het behoud van de stedenbouwkundige karakteristiek. 2. In de eerste plaats gaat het om structuur: lijnen, punten en vlakken. Gekeken wordt naar opzet van de wijk, de randen, structurerende lijnen, waar
3
6 7 9 12
Stedenbouwkundige ensembles: 1. Beatrixstraat 2. Kostverloren 3. Gortstraat 4. Franse Gat 5. Kanaalweg 6. Keucheniusstraat - Dr. Kuyperstraat, Savornin Lohmanstraat 7. Larikslaan - Dennenlaan 8. Korenbloemstraat Goudsbloemstraat 9. Salamander 10. Tarweveld -Gersteveld 11. Vrekenhorst 12. Stad in de Stad
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
3.
4.
5. 6.
7. 8.
9.
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
liggen rooilijnen, zichtlijnen, bijzondere gebiedjes of functies, bijzondere elementen als een plein, parkje of samenhangende groenstructuren etc. Pas in tweede instantie gaat het om de architectuur: het beeld. Tot welke architectuurstroming behoren de gebouwen, wat zijn kenmerken hiervan en welke architectonische elementen kunnen bijdragen aan behoud van het stedenbouwkundige karakter. Een wijk gaat niet op slot, vernieuwing en dus ook sloop en herbouw blijven mogelijk. In plaats van letterlijk terug bouwen van een of meerdere gebouwen na sloop, is de onderlinge eenheid van de nieuwbouw stedenbouwkundig meer van belang dan het terugbouwen van een kopie van het gebouw. Vernieuwing en nieuwe architectuur blijven mogelijk, wanneer deze bijdragen aan het gewenste karakter, bijvoorbeeld variatie, versterken van een bijzondere plek, etc; Bij deze stedenbouwkundige structuren ligt de nadruk op (nieuwe) ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan passen. Hiervoor geldt dat de cultuurhistorische aspecten in vroegtijdig stadium van de planvorming aandacht krijgen. De ruimtelijke ontwikkelingen worden beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Voor alle ontwikkelingen die in het bestemmingsplan passen geldt geen nadere afweging op cultuurhistorische aspecten. Wel zal een zogenaamde “Zorgplicht” voor instandhouding van de stedenbouwkundige ensembles worden opgenomen.
De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. Deze status wordt toegekend aan enkele kleinschalige uitbreidingen buiten de linten, zoals Gort- en Beatrixstraat; We geven ook aandacht aan bebouwing en structuren uit de wederopbouw periode: 1940-1965. Het gaat om herkenbare stedenbouwkundige structuren die extra aandacht vragen. De bescherming richt zich op het behoud van de stedenbouwkundige karakteristiek, als samenhangend geheel tussen stedenbouwkundig plan, de karakteristieke groenstructuur en (in mindere mate) de architectuur van de woningen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het Franse Gat. De categorie hoogbouw krijgt geen extra bescherming. Hieronder vallen
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
bijvoorbeeld de vele hoogbouwwijken zoals Schrijverspark, t Hoorntje, Engelenburg, PWA park etc. Zij zijn kenmerkend voor de uitbreiding van Veenendaal, maar niet dusdanig dat vanuit historisch perspectief bescherming van de stedenbouwkundige en architectonische opzet noodzakelijk is. Zie ook de uitgangspunten in paragraaf 2.1 10. Stedenbouwkundige ensembles gebouwd na 1965 die er architectonisch uitspringen krijgen de status stedenbouwkundig ensemble. Dit betreft de ensembles Tarweveld/Gersteveld, Vrekenhorst en Stad in de Stad: gebieden die op basis van een herkenbare stedenbouwkundige en architectonische opzet en beeldtaal zijn gebouwd. Doel en werkwijze Het doel is waar mogelijk rekening houden met stedenbouwkundige structuur en kenmerken. Een ensemble gaat niet ‘op slot’, er is ruimte voor (her)ontwikkelingen. De stedenbouwkundige ensembles worden opgenomen in de Welstandsnota, zodat MooiSticht dit kan toetsen bij verbouwplannen/ herontwikkeling. Omdat het niet zozeer gaat om behoud van de bebouwing, maar om behoud van het karakter, is het vastleggen in een bestemmingsplan/regel niet noodzakelijk. In deze gebieden is niet gekozen voor het beschermen op pandniveau, maar juist op structuurniveau. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening houden met de cultuurhistorische waarde van de stedenbouwkundige opzet. Voorstel beleid Stedenbouwkundige ensembles 1.
De geselecteerde Stedenbouwkundige ensembles worden opgenomen in het Omgevingsplan; 2. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de karakteristieken van het stedenbouwkundig ensemble; 3. Opnemen van een zogeheten “Zorgplicht” voor instandhouding van de Stedenbouwkundige ensembles; 4. De beleidsnota wordt t.z.t. toegevoegd aan de Welstandsnota, zodat getoetst kan worden aan de beschrijvingen. Ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is worden beoordeeld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
13
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3.4 Agrarisch cultuurlandschap
Voor het onderdeel landschap zijn historisch-geografische elementen en structuren geïnventariseerd en geanalyseerd. In grote delen van het landelijke gebied is nog veel van de vroegere strokenverkaveling van de veenkoloniale periode te herkennen. In het landelijk gebied zijn de cultuurhistorische waarden sterk verbonden met de huidige landschappelijke waarden. Deze waarden zijn ook opgenomen in het Landschapsontwikkelingsplan en verankerd in het Bestemmingsplan Buitengebied. Toch is het belangrijk om in deze gebieden de cultuurhistorische laag apart te benadrukken. Het landelijk gebied heeft op de cultuurhistorische waardenkaart een aparte waardering gekregen. • De meest herkenbare landschappen zijn het buitengebied ten zuiden van de Dijkstraat en het gebied ten zuiden van het Gelders Benedeneind, rond de Grebbeweg en het natuurgebied van de Hellen. Daar is nog duidelijk te zien hoe grote delen van het buitengebied van Veenendaal er tot ver in de 20e eeuw uitzagen. Samen vormen ze als het ware een staalkaart voor een veel groter gebied. Deze gebieden hebben een hoge waardering gekregen. • Enigszins ‘verrommeld’ en met een aangetast bebouwingsbeeld en/of verkaveling is het gebied rond Fort aan de Buursteeg. Dat geldt ook voor de smalle reep van het gebied langs de Slaperdijk. Hier is de historische karakteristiek nog slechts in grote lijnen afleesbaar.
• De omgeving van de Middelbuurtseweg is een situatie apart: hier is het landschap als structuur nog vrij goed bewaard gebleven, maar door de harde overgang naar het bedrijventerrein is de ruimtelijke inbedding van matige kwaliteit. • Laag gewaardeerd is het gebied dat ligt ingeklemd tussen de Spoorlijn en de Klompersteeg. Dit gebied laat nauwelijks nog iets van zijn historische karakteristiek zien.
Hiernaast: afbeelding overzicht cultuurhistorische waardering buitengebied
14
3
4
1 2 De volgende gebieden krijgen de status ‘Agrarisch cultuurlandschap’ (kaart aanpassen p.m.): 1. Ten zuiden Dijkstraat e.o. 2. Ten zuiden Gelders Benedeneind en Grebbeweg 3. Fort aan de Buurtsteeg e.o. 4. Slaperdijk e.o. 5. Middelbuurtseweg e.o.
5
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Beleidsuitgangspunten Agrarische cultuurlandschap: 1. Daar waar in het landelijk gebied ook integrale ensembles zijn aangegeven worden de uitgangspunten van de integrale ensembles gehanteerd. 2. Voor de overige delen wordt geen extra regeling in het Omgevingsplan opgenomen. In het agrarisch cultuurlandschap zijn de cultuurhistorische waarden sterk verbonden met de landschappelijke waarden. In het landschapsontwikkelingsplan en het bestemmingsplan Buitengebied zijn deze waarden beschreven en voldoende verankerd. Met de waardering zoals opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart zijn deze waarden van het agrarisch cultuurlandschap nog eens bevestigd. In het bestemmingsplan Buitengebied zijn ingrepen in het agrarisch cultuurlandschap die invloed hebben op de verkavelingsstructuur of historische landschapsstructuur vergunningplichting. Bij nieuwe ontwikkelingen of functiewijziging van bijvoorbeeld (voormalige) agrarische bouwpercelen zal rekening moeten worden gehouden met de cultuurhistorische waarde van het gebied.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
3.5 Schema met samenvatting beleid voor de gebieden Cultuurhistorische waardering van gebieden door RAAP
Integrale ensembles
Stedenbouwkundige ensembles
Agrarisch cultuur landschap
Aanduiding “werkingsgebied” in Omgevingsplan
Aanduiding “werkingsgebied” in Omgevingsplan
Geen aparte aanduiding en/of regels, want:
Vergunningvrij blijft
Vergunningvrij blijft
‘Welstandstoets’ verbreden met CHW
Zorgplicht: initiatiefnemer moet zelf informatie over CHW inwinnen
Agrarisch cultuurlandschap Doel is het behouden en versterken van de cultuurhistorische en landschappelijke structuur en kenmerken. Voostel beleid Agrarisch cultuurlandschap 1. Er komt geen aparte regeling voor Agrarisch cultuurlandschap in het Omgevingsplan; 2. Daar waar in het landelijk gebied ook integrale ensembles zijn aangegeven worden de uitgangspunten van de integrale ensembles gehanteerd.
In het schema hiernaast staat hoe de waardering is vertaald naar beleid.
‘Welstandstoets’ verbreden met CHW
Heeft overlap met Integrale ensembles (Cultuurhistorische) landschappelijke waarden zijn beschermd in bestemmingsplan Buitengebied
15
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
16
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Beatrixstraat 1 woonhuis rij vooroorlogs 1935 De Beatrixstraat is een straat met eenvoudige bebouwing. De straat loopt evenwijdig aan de Hoofdstraat. Er staan verschillende woningtypen in de straat. De meeste woningen hebben een lage goot. De woning op nummer 1 is ingeklemd tussen naastgelegen woningen. De voorgevel staat naar voren ten opzichte van de woning op de hoek met de Achterkerkstraat. De voorgevel is gelijk aan de naastgelegen woning nummer 3. Het pand staat direct aan het trottoir en ligt hoger dan trottoir: er is een opstap naar de voordeur vanaf het trottoir. De woning is één bouwlaag hoog en heeft een mansardekap parallel aan de straat. De voorgevel is symmetrisch met een deur in het midden en aan weerszijden ramen. Boven de voordeur is een bescheiden dakkapel met houten versieringen aan de zijkant van het kozijn. Boven de voordeur en ramen zijn gebogen gemetselde lateien (toog: rollaag met stenen op hun kop) aanwezig. Aan de onderkant van de ramen is een natuurstenen waterslag (lekdorpel) aanwezig. De (getimmerde) dakgoot wordt gedragen door houten klossen. De voorgevel heeft een zogeheten trasraam: een waterdichte onderzijde tegen het optrekken van grondvocht.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering Het pand aan de Beatrixstraat 1 is van lokaal belang vanwege de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden die tot uitdrukking komen: • in de beeldondersteunende ligging aan de Beatrixstraat; • als representatief en typerend voorbeeld van een individueel pand in een aaneengebouwde rij; • in de redelijk gaaf bewaarde hoofdvorm en detaillering.
17
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Beatrixstraat 8 -14 woonhuis rij vooroorlogs 1935 De Beatrixstraat is een straat met eenvoudige bebouwing. De straat loopt evenwijdig aan de Hoofdstraat. Er zijn verschillende woningtypen aanwezig in de straat. De meeste woningen hebben een lage goot. Het rijtje woningen 8 t/m 14 ligt parallel aan de straat. Er is ondiepe voortuin en een achtererf met achterom. De voordeur ligt hoger dan rijbaan en trottoir: er is een opstap naar de voordeur vanaf het trottoir. De vier-onder-één-kap woningen bestaan uit één bouwlaag met een mansardekap parallel aan de straat. De twee hoekwoningen hebben een opbouw (doorgetrokken voorgevel) die de lengte van de kap onderbreekt. Deze opbouw heeft een zadeldak haaks op de straat. Deze kap eindigt halverwege de woning c.q. bij de nok van de mansardekap. De opbouw beslaat niet de gehele breedte van de woning. De woningen zonder opbouw hebben een dakkapel aan de straatzijde. Het bouwblok is in baksteen opgetrokken vanuit een rechthoekige plattegrond. De woningen 8 en 10 hebben de voordeur links van het raam, de nummers 12 en 14 hebben de voordeur rechts. In de voorgevel zijn diverse metselverbanden aanwezig, zoals rollagen boven en onder ramen en deuren, alsmede een horizontale band (koppen). Boven de voordeur en het raam op de begane grond zijn bovenlichten (kleine ramen) aanwezig.
Aan de onderzijde van de ramen op begane grond is er een gemetselde lekdorpel (waterslag). De (getimmerde) dakgoot wordt gedragen door houten klossen.
18
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering De aaneengesloten arbeiderswoningen aan de Beatrixstraat 8 – 14 zijn van lokaal belang vanwege de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden die tot uitdrukking komen: • in de beeldondersteunende ligging aan de Beatrixstraat; • als representatief en typerend voorbeeld van een rij eenvoudige aaneengesloten arbeiderswoningen; • in de redelijk gaaf bewaarde (kleinschalige) hoofdvorm.
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Beatrixstraat 16 -22 woonhuis rij vooroorlogs 1935 De Beatrixstraat is een straat met eenvoudige bebouwing. De straat loopt evenwijdig aan de Hoofdstraat. Er zijn verschillende woningtypen aanwezig in de straat. De meeste woningen hebben een lage goot. Het rijtje woningen 16 t/m 22 ligt parallel aan de straat. Er is ondiepe voortuin en een achtererf met achterom. De voordeur ligt hoger dan rijbaan en trottoir: er is een opstap naar de voordeur vanaf het trottoir. De vier-onder-één-kap woningen bestaan uit één bouwlaag met een mansardekap parallel aan de straat. De twee hoekwoningen hebben een opbouw (doorgetrokken voorgevel) die de lengte van de kap onderbreekt. Deze opbouw heeft een zadeldak haaks op de straat. Deze kap eindigt halverwege de woning c.q. bij de nok van de mansardekap. De opbouw beslaat niet de gehele breedte van de woning. De woningen zonder opbouw hebben een dakkapel aan de straatzijde. Het bouwblok is in baksteen opgetrokken vanuit een rechthoekige plattegrond. De woningen 16 en 18 hebben de voordeur links van het raam, de nummers 20 en 22 hebben de voordeur rechts. In de voorgevel zijn diverse metselverbanden aanwezig, zoals gemetselde lateien boven en onder ramen en deuren, alsmede een horizontale band (koppen). Boven de voordeur is een bovenlicht aanwezig (klein raam).
Aan de onderzijde van de ramen op begane grond is er een gemetselde lekdorpel (waterslag). De (getimmerde) dakgoot wordt gedragen door houten klossen.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering De aaneengesloten arbeiderswoningen aan de Beatrixstraat 16 – 22 zijn van lokaal belang vanwege de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden die tot uitdrukking komen: • in de beeldondersteunende ligging aan de Beatrixstraat; • als representatief en typerend voorbeeld van een rij eenvoudige aaneengesloten arbeiderswoningen; • in de redelijk gaaf bewaarde (kleinschalige) hoofdvorm.
19
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Beatrixstraat 55 Woonhuis vrijstaand vooroorlogs Architect J. de Geit: expressionisme Het huis staat haaks op de Beatrixstraat en is onderdeel van een reeks van overwegend vrijstaande huizen, die in een hoge dichtheid en op geringe afstand van elkaar gebouwd zijn. De huizen staan afwisselend haaks en parallel aan de straat. Het eenvoudige woonhuis heeft stijlelementen ontleend aan het Expressionisme, zoals de variatie in metselverbanden en siermetselwerk en aan de chaletstijl, zoals het latwerk in de topgevel. De vensters zijn voorzien van luiken en een afsluitende strek. De erker aan de voorzijde heeft aan de onderzijde een trasraam. Aan de bovenzijde van de erker is een balkon met houten hekwerk.
20
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering Het woonhuis uit 1931 is vanuit cultuurhistorisch oogpunt van lokaal belang: • als onderdeel van de vrijstaande bebouwing aan de Beatrixstraat; • als gaaf bewaard voorbeeld van een woonhuis uit 1931 met kenmerken van het Expressionisme en de chaletstijl; • vanwege het karakteristieke materiaal- en kleurgebruik en de detaillering; • als onderdeel van het oeuvre van de Veense architect J. de Geit.
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Bergweg 35 Woonhuis vrijstaand naoorlogs Architect: p.m. Zie voor informatie over de Bergweg: Bijlage 3 over Integrale ensembles Het woonhuis uit 1953 is door de architect voor zichzelf ontworpen. De woning is vormgegeven in de cottagestijl, die werd geïnspireerd door de kleine Engelse buitenhuizen in landelijke stijl. Het vrijstaande woonhuis is gesitueerd in een tuin aan een klein plantsoen. Het pand staat op een min of meer vierkante plattegrond. Het telt één bouwlaag onder een samengesteld dak. De gevels zijn opgetrokken in een rode baksteen in halfsteensverband en voorzien van een plint van afwijkende baksteen. De hoofdingang heeft een eenvoudige bakstenen omlijsting. De vensters zijn voorzien van luiken en een afsluitende strek. De getoogde garage-ingang heeft een dubbele deur onder een ontlastingsboog. Het dak is gedekt met riet en voorzien van halfronde dakkapellen. Op het linker dak-vlak staat een hoge, tabs toelopende schoorsteen. In de loop der tijd zijn onder meer de ramen vernieuwd en is aan de achterzijde een uitbreiding gerealiseerd.
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering De woning Bergweg 35 is vanuit stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch oogpunt van lokaal belang: • als voorbeeld van een woning in de cottagestijl; • vanwege de bijdrage aan architectuurstijlen en bouwtijden langs de Bergweg • vanwege de bewaarde hoofdvorm en voor de bouwstijl karakteristieke detaillering en materiaalgebruik.
21
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Boslaan 32a Transformatorhuisje 1957 Het transformatorhuis is een bouwlaag hoog. Het gebouwtje is aan de voorzijde voorzien van witte ruitvormige panelen. De achter- en zijkanten zijn van baksteen en uitgevoerd met vooruitspringende horizontale banden (strekken). Het gebouw heeft een zadeldak, met de nok haaks op de Boslaan. Het zadeldak heeft een overstek aan voor- en achterzijde. Onder de nok zit aan voor- en achterzijde een houten klos (console).
22
3 Gebieden
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Waardering Het transformatorhuis aan de Boslaan 32a is van lokaal belang vanwege de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden die tot uitdrukking komen: • in de aanwezige architectuurkenmerken van de tijd waarin het huisje is gerealiseerd; • als representant voor de aandacht die gebouwen van Nutsbedrijven kregen.
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Buurtlaan West 113 woonhuis vrijstaand naoorlogs 1951 De Buurtlaan West is in het interbellum aangelegd in het verlengde van de oostelijk gelegen Buursteeg, die de verbinding was tussen de Stationsstraat (vroeger Boveneindsche Grift) en buurtschappen langs de oostrand van Veenendaal. De Buurtlaan West is onderdeel van het uitbreidingsplan uit de jaren 20. Het is een brede hoofdlaan langs de noordrand van de grotendeels in het interbellum bebouwde wijk direct ten noorden van het centrum. De laan heeft een markante lintbebouwing, bestaande uit vrijstaande en geschakelde kleine middenstandswoningen van één of twee bouwlagen met kap. De oudste woningen dateren uit de jaren 30 van de vorige eeuw en de vroege naoorlogse periode. Veel percelen zijn in een recenter verleden alsnog ingevuld. De woning op nummer 113 is gebouwd in de stijl van de Delftse School. Dit is een traditionalistische sobere bouwstijl (circa 1925-1955), ontstaan rondom de Delftse hoogleraar ir. M.J. Granpré Molière (1883-1972) en geïnspireerd op de traditionele baksteenarchitectuur. Kenmerkend voor de Delftse School zijn: • het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen; • hoge gootlijnen; • het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten; • niet teveel opvallen (traditioneel blijven); • de vorm wordt bepaald door de functie (eenvoudige woningen, grote publieke gebouwen). (bron: joostdevree.nl)
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
kloeke schoorstenen. De woning is opgetrokken in roodbruine baksteen en voorzien van een trasraam in iets donkerdere bakstenen. De ramen zijn voorzien van roeden. Afmeting en plaats van ramen spelen in op de achterliggende functie, zoals woonkamer, slaapkamer, badkamer. Aan de onderzijde van de ramen is een waterslag aanwezig. Een opvallend element in de voorgevel is het franse balkon op de verdieping. De dakgoot plooit hier omhoog als een lijst om het balkon. De entree van de woning is in een aanbouw met kap haaks op het hoofdgebouw. Boven de voordeur is een gebogen rollaag (gestrekte toog) met op de hoeken en in het midden een natuurstenen sluitsteen. Waardering De woning uit 1951 is vanuit stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch oogpunt van lokaal belang: • als voorbeeld van een woning in de Delftse Schoolstijl; • vanwege de vrijwel gaaf bewaarde hoofdvorm en voor de bouwstijl karakteristieke detaillering en materiaalgebruik.
De woning is onderdeel van de gevarieerde woningbouw langs de Buurtlaan West. De woning staat, net als de overige woningen, op afstand van de openbare ruimte: er is een ruime voortuin. De erfafscheiding bestaat uit een lage gemetselde muur. De woning heeft twee bouwlagen en een zadeldak. De nok ligt parallel aan de straat. De kap heeft overstekken aan de kopse kanten, die worden gedragen door houten consoles. Boven beide kopgevels staan twee
23
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
Buurtlaan West 127 woonhuis vrijstaand vooroorlogs 1930 - 1940 De Buurtlaan West is in het interbellum aangelegd in het verlengde van de oostelijk gelegen Buursteeg, die de verbinding was tussen de Stationsstraat (vroeger Boveneindsche Grift) en buurtschappen langs de oostrand van Veenendaal. De Buurtlaan West is onderdeel van het uitbreidingsplan uit de jaren 20. Het is een brede hoofdlaan langs de noordrand van de grotendeels in het interbellum bebouwde wijk direct ten noorden van het centrum. De laan heeft een markante lintbebouwing, bestaande uit vrijstaande en geschakelde kleine middenstandswoningen van één of twee bouwlagen met kap. De oudste woningen dateren uit de jaren 30 van de vorige eeuw en de vroege naoorlogse periode. Veel percelen zijn in een recenter verleden alsnog ingevuld. De woning met nummer 113 is gebouwd in de stijl van de Delftse School. Dit is een traditionalistische sobere bouwstijl (circa 1925-1955), ontstaan rondom de Delftse hoogleraar ir. M.J. Granpré Molière (1883-1972) en geïnspireerd op de traditionele baksteenarchitectuur. Kenmerkend voor de Delftse School zijn: • het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen; • hoge gootlijnen; • het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten; • niet teveel opvallen (traditioneel blijven); • de vorm wordt bepaald door de functie (eenvoudige woningen, grote publieke gebouwen).
(bron: joostdevree.nl)
De woning is één bouwlaag hoog met een hoge kap. Daardoor is er een hoge voorgevel zichtbaar vanaf de openbare weg. De woning staat op ruime afstand van de openbare weg. De erfafscheiding is een lage gemetselde muur. De bloembak tegen de woning is van dezelfde steen. Kenmerkend voor de woning is de hoge kap met de nok haaks op de Buurtlaan. De symmetrie van 24
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
de voorgevel is op de begane grond verbroken door de grote en kleine ramen met behoud van eenheid. De lage goten zitten aan de zijkanten van de woning en zijn doorgetrokken tot in de voorgevel. Samen met de dakkapel, de luifel boven de entree en de lagere goot van de aanbouw aan de oostgevel geven zij de woning een dynamische uitstraling. Achter de woning de kavel staat een hoge schoorsteen. Deze is onderdeel van een plat afgedekte uitbouw achter de woning. De entree van de woning ligt aan de oostgevel. De indeling en plaats van de ramen heeft, zoals gebruikelijk in die tijd, verband met de achterliggende functie: woonkamer, wc, entree etc. Waardering De woning Buurtlaan West 127 is vanuit stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch oogpunt van lokaal belang: • als voorbeeld van een woning in de Delftse Schoolstijl; • vanwege de vrijwel gaaf bewaarde hoofdvorm en voor de bouwstijl karakteristieke detaillering en materiaalgebruik.
1. Inleiding
2. Panden en objecten
2.2 Monumenten
Bijlage 1: Voorstel beeldbepalende panden en objecten
2.3 Beeldbepalende panden en objecten
3 Gebieden
Bijlage 2: Beschrijvingen van de integrale ensembles
D.S van Schuppenstraat 2 Woonhuis vrijstaand vooroorlogs 1938 De woning is gebouwd in de stijl van de Delftse School. Dit is een traditionalistische sobere bouwstijl (circa 1925-1955), ontstaan rondom de Delftse hoogleraar ir. M.J. Granpré Molière (1883-1972) en geïnspireerd op de traditionele vaderlandse baksteenarchitectuur. Kenmerkend voor de Delftse School zijn: • het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen; • hoge gootlijnen; • het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten; • niet teveel opvallen (traditioneel blijven); • de vorm wordt bepaald door de functie (eenvoudige woningen, grote publieke gebouwen).
3.2. Integrale ensembles
3.3 Stedenbouwkundige ensembles
3.3 Agrarisch cultuurlandschap
Bijlage 3: Beschrijvingen van de stedenbouwkundige ensembles
Aan de noordzijde (achterzijde) van de woning is een volume aanwezig met een plat dak. De indeling en plaats van de ramen heeft, zoals gebruikelijk in die tijd, verband met de achterliggende functie: woonkamer, wc, entree etc. Waardering De woning D.S. van Schuppenstraat 2 is vanuit stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch oogpunt van lokaal belang: • als voorbeeld van een woning in de Delftse Schoolstijl; • vanwege de vrijwel gaaf bewaarde hoofdvorm en voor de bouwstijl karakteristieke detaillering en materiaalgebruik.
(bron: joostdevree.nl)
De woning staat op de hoek van de D.S. van Schuppenstraat en Leinweberstraat. In het ontwerp is deze ligging terug te zien in de opbouw van hoofdvolumes. Aan de Leinweberstraat is de woning (hoofdvolume) anderhalve bouwlaag hoog met een zadeldak waarvan de nok haaks op deze straat ligt. De entree van de woning ligt aan de van Schuppenstraat in een volume met de kap haaks op het hoofdvolume. De goot ligt lager dan de goot van het hoofdvolume. Boven de voordeur is een gebogen latei (toog) gemetseld met natuursteen sluitstenen, waardoor een zogeheten ‘hanenkam’ ontstaat. Aan de Leinweberstraat is een uitbouw (erker) aanwezig met lage goot en zadeldak. Tussen de entree en uitbouw erker is er een lage gemetselde bloembak tegen de gevel. 25