CConstaterende datVeenendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

3.b Bijlage 1.2 Bestemmingsplan ‘Dijkstraat 159a’ (toelichting)

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente VeenendaalBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Dijkstraat 159a18.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het plaatsen van de hekken is ook vergunningplichtig. De beeldkwaliteitseisen in Bijlage 1 van de regels bieden de mogelijkheid om onder voorwaarden de hekken te plaatsen. De welstandscommissie kan dan aan de hand van de beeldkwaliteitseisen toetsen.

bestemmingsplan

27

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

Hoofdstuk 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten voor de ontwikkeling van de planlocatie beschreven. Het gaat hierbij om de aspecten natuur, water, archeologie, bodem, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Voor ieder aspect is een onderzoek of toets uitgevoerd.

5.1

Bodem

Bij bodem wordt onderscheid gemaakt in de fysische en de chemische bodemkwaliteit. De fysische bodemkwaliteit heeft betrekking op de opbouw en samenstelling van de bodem. Denk hierbij aan draagkracht en in de bodem aanwezige voorwerpen, zoals archeologische vondsten. 5.1.1

Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd. Wet bodembescherming De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden (saneringsnoodzaak). De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging. De interventiewaarde is de waarde, waarboven er mogelijk sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's. De urgentie van sanering wordt bepaald door de geplande projectontwikkeling. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren.

Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater. De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Veenendaal in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is te voorkomen dat de bodem (grond en grondwater) en het oppervlaktewater verontreinigd worden door het gebruik van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Daarnaast wordt gestreefd naar hergebruik van grondstoffen, zodat minder materiaal wordt gestort en minder nieuwe grondstoffen hoeven te worden gewonnen. In het besluit zijn regels opgenomen over kwaliteitsborging, bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

5.1.2

Toetsing bouwplan

Wegens het ontbreken van een (actueel) bodemonderzoek is een bodemonderzoek uitgevoerd volgens de NEN 5725 (vooronderzoek) en NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek). Op basis van de geïnventariseerde gegevens kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de onderzoekslocatie, met uitzondering van de asbestdakbedekking, geen activiteiten en/of calamiteiten hebben plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit nadelig kunnen hebben beïnvloed. Aangezien de locatie rond de asbestdakbedekking verhard is geweest en regenwater via goten is afgevoerd naar de vuilwaterriolering, is de locatie niet verdacht voor bodemverontreiniging. Het nader bodemonderzoek en het verkennend bodemonderzoek zijn terug te vinden in Bijlage 1 en

28

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij Bijlage 2.

5.1.3

Conclusie

In de vaste bodem zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater zijn licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten betreffen naar verwachting van nature verhoogde achtergrondwaarden en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie De bodem van het plangebied is geschikt voor de voorgenomen functie. Op basis van onderhavig onderzoek (2) worden geen belemmeringen verwacht voor de aanvraag van een eventuele toekomstige omgevingsvergunning voor de bouw van het servicepunt en het gebouw voor de agrarisch gerelateerde zorg. De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. Indien bij toekomstige werkzaamheden grond vrijkomt, welke niet op de locatie kan worden hergebruikt, dient aanvullend veld- en laboratoriumonderzoek plaats te vinden, om de afvoer- en verwerkingsmogelijkheden vast te stellen. Het uitgevoerde bodemonderzoek voldoet aan NEN5740, onderzoeksstrategie ONV-NL. Onderzoek naar PFAS in de bodem is niet meegenomen in dit onderzoek. Indien bij het graven ten behoeve van de nieuwbouw grond vrijkomt (afvoer/hergebruik) wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren.

5.2

Waterhuishouding

5.2.1

Wettelijk kader

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geldt de verplichting tot het doorlopen van het watertoetsproces bij een bestemmingsplanwijziging. Binnen dit proces wordt een afweging gemaakt van het waterbelang binnen de ruimtelijke planprocessen. Ruimtelijke wijzigingen kunnen een aandeel leveren in het bevorderen van de waterkwaliteit, maar mogen zeker niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit. Deze verplichte watertoets geldt alleen voor ruimtelijke besluiten waar sprake is van belangrijk ruimtelijke ingrepen. Waterschap Vallei en Veluwe Vanuit het waterschap Vallei en Veluwe zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.

bestemmingsplan

29

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

In de keur van Waterschap Vallei en Veluwe is bepaald dat er geen watercompenserende maatregelen nodig zijn als sprake is van een toename van minder dan 0,15 ha (1500 m²) verharding binnen het stedelijk gebied. Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) Het Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan (GRWP) beschrijft hoe de gemeente haar zorgtaken voor afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater uitvoert. De watertaken van de gemeente bestaan uit het inzamelen en afvoeren of verwerken van stedelijk afvalwater en hemelwater. Voor zover doelmatig neemt de gemeente maatregelen tegen grondwateroverlast en zorgt zij samen met het waterschap Vallei en Veluwe dat het stedelijk oppervlaktewater schoon, veilig en beleefbaar is. Bewoners en bedrijven hebben ook een taak. Zo moeten zij zelf voor de voorzieningen op hun perceel zorgen. In sommige gebieden en situaties moeten zij ook het hemelwater bergen en verwerken of afvoeren, of zelf maatregelen nemen tegen grondwaterproblemen. In dit GRWP zijn speerpunten benoemd die de komende planperiode extra aandacht krijgen. Het meest omvangrijk is het scheiden van vuil water en schoon hemelwater, ook op particulier terrein. In een groot deel van Veenendaal ligt een gemengd rioolstelsel, waarbij het vuile en schone water door dezelfde buis wordt afgevoerd.

De gemeente zet het vervangen van de gemengde rioolstelsels door gescheiden systemen voort. Het schone hemelwater wordt van de riolering afgekoppeld. Het helpt om wateroverlast tegen te gaan en de gemeente klimaatbestendig te maken. Daarnaast is het goed voor het milieu. 5.2.2

Toetsing bouwplan

Op 28 februari 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd over het gebied ten westen van het fietspad waar fysieke bebouwing wordt toegevoegd. Hieruit blijkt dat het plan geen belangen van het Waterschap raakt. Deze is terug te vinden in Bijlage 3. Ook in het plangebied ten oosten van het fietspad waar uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing plaats vindt zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte worden er geen belangen van het waterschap geraakt. Overstroombaar gebied Veenendaal en ook dit deel van de Dijkstraat valt binnen overstroombaar gebied zoals aangegeven in artikel 2.16 van de omgevingsverordening van provincie Utrecht. Het overstromingsrisico komt vanuit de Neder-rijn/Lek en vanuit de randmeren. De provincie heeft in 2010 de handreiking Overstromingsrobuust inrichten opgesteld om het overstromingsrisico mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Dit richt zich met name op • Kwetsbare groepen • Coördinerende instanties bij overstromingen • Essentiële communicatienetwerken • Essentiële mobiliteitsnetwerken • Essentiële energie- en drinkwatervoorzieningen • Essentiële life-support voorzieningen • Essentiële documentatiecentra • Hoge economische gevolgschade • Hoge milieuschade De zorgboerderij aan de Dijkstraat kan gezien worden als een functie voor een kwetsbare groep.

De verwachting is dat bij hoogwater op de rivieren het gebied preventief geëvacueerd kan worden.Voor de nieuw te realiseren objecten moeten evacuatieplannen gemaakt worden. De initiatiefnemer wordt aangeraden een evacuatieplan op te stellen over hoe te handelen in geval van hoog water. Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad De ontwikkeling is gelegen in de matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Op grond van artikel 3.11 lid 2 IOV van de provincie Utrecht dient het bestemmingsplan een motivering te bevatten dat de ontwikkeling passend is in deze instructieregel. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad houdt rekening met de bescherming van de kwaliteit

30

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Dit is vooral belangrijk om het risico op aantasting van de beschermende kleilagen boven het grondwater te voorkomen (onder meer bij bodemenergiesystemen). Bij deze ontwikkeling worden er geen bodemenergiesystemen toegepast, deze regel is zodoende niet van toepassing. 5.2.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor dit ruimtelijk plan.

5.3

Externe veiligheid

Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico's wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.

5.3.1

Wettelijk kader

De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. Getracht wordt om door middel van regelgeving de gevolgen zo veel als mogelijk is te beperken. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid”. Deze wetgeving verankert het zogenaamde Basisnet en daarmee is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen per 01-04-2015 vervallen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) dat op 01-01-2011 in werking is getreden.

bestemmingsplan

31

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.3.2

Toetsing bouwplan

Vast te stellen dat er geen belemmeringen zijn te verwachten in het plangebied ten aanzien van externe veiligheid. Er bevinden zich geen relevante risicobronnen in de (directe) nabijheid van het perceel. Tevens bevindt het plangebied zich niet binnen magneetveldzones van hoogspanningsmasten.

5.3.3

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen te verwachten in het plangebied ten aanzien van externe veiligheid.

5.4

Archeologie

5.4.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg ‘het Verdrag van Malta’ (of Valletta). Sindsdien is het uitgangspunt van het (rijks)beleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen in beslissingen over de ruimtelijke inrichting van ons land. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft als doel bodemverstorende activiteiten beter te reguleren. Centraal daarbij staat de verplichting om archeologische waarden in bestemmingsplannen vast te leggen. Gemeenten zijn daarbij bevoegd gezag inzake de omgang met archeologische waarden. Binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid hebben zij de vrijheid naar eigen inzicht financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de zorg voor de archeologie binnen hun grondgebied. Het verdrag is in 2007 wettelijk verankerd in de herziene Monumentenwet 1988. Een deel hiervan is op 1 juli 2016 overgegaan naar de Erfgoedwet. Zowel archeologie als een deel van cultuurhistorie zijn namelijk sinds 1 juli 2016 verankerd in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. In juli 2015 nam de Tweede Kamer een amendement op de Omgevingswet aan, waarin gesteld wordt dat gemeente de archeologische dubbelbestemmingen beter moeten onderbouwen.

Daarbij is van belang dat de archeologische monumenten aantoonbaar moeten worden gemaakt. Het archeologisch erfgoed heeft hiermee een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1 en 3.38 Wro altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat gemeenten het kader moeten stellen voor de archeologische monumentenzorg. Zij hebben dus een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg en moeten bij ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang afwegen tegen de andere belangen. In de afgelopen 8 jaar zijn diverse archeologische onderzoeken binnen de gemeente uitgevoerd en zijn er nieuwe bronnen beschikbaar die relevant zijn voor de archeologische verwachting.

Daarom is de archeologische beleidskaart uit 2010 geactualiseerd en heeft er een verfijning plaatsgevonden van het verwachtingenmodel. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische beleidskaart die op 25 juni 2020 door de gemeenteraad is vastgesteld. De beleidskaart is vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan 2020', welke eveneens is vastgesteld door de raad op 25 juni 2020.

32

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.4.2

Toetsing bouwplan

Op basis van de beleidskaart archeologie van de gemeente Veenendaal geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Deze middelhoge verwachting is in het bestemmingsplan buitengebied vertaald naar een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3. Een archeologisch onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 50 cm onder het maaiveld; Het te bebouwen gebied is kleiner dan 5.000 m2 en reikt niet dieper dan 40cm. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. Omdat voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting geldt, kan niet worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Veenendaal) worden gemeld. 5.4.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het voorgenomen plan. Wanneer er (toevals)vondsten worden gedaan, moeten deze bij de gemeente worden gemeld.

5.5

Cultuurhistorie

5.5.1

Wettelijk kader

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. 5.5.2

Cultuurhistorischekenmerken

In 2018 is de cultuurhistorische waardenkaart door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en uit een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden die staan die – samen met de sectorale landschappelijke en gebouwde kaarten – het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien. De thema’s waarop in het bijzonder ingezoomd is, zijn vervening, industrie, religie en militair erfgoed. Deze vier thema’s vormen een belangrijk deel van het ‘verhaal van Veenendaal’, waarvan in wisselende hoeveelheden ook nog relicten in het huidige Veenendaal – ondergronds, landschappelijk of gebouwd – terug te vinden zijn.

5.5.3

Toetsing bouwplan

Binnen het cultuurhistorische beleid valt het perceel in stedenbouwkundig waardevol gebied De panden aan de Dijkstraat zijn niet opgenomen als gemeentelijk monument. Ook op de cultuurhistorische kenmerkenkaart is er geen aanduiding voor dit perceel opgenomen. Wel bevindt zich hier het ensemble van de Dijkstraat, bestaande uit de weg, de zuidelijk daarvan liggende erven en een deel van het daarachter liggende landschap. Hoeveel landschap bij het ensemble hebben is gevoegd heeft te maken met zichtbaarheid en met ingevoegde latere nieuwe functies, zoals villa’s. De Dijkstraat is iets hoger gelegen ten opzichte van het omliggende land en een deel van de straat was tot in 1934 nog onverhard. De Dijkstraat ontleend zijn naam waarschijnlijk aan het feit dat de straat naar de Slaperdijk loopt. In vroegere tijden werd de Dijkstraat ook wel de Hondzenelleboog of plat de Hondskont genoemd. Een deel van dit ensemble hoort bij het Buitengebied. De cultuurhistorische waarden zijn sterk verbonden met de landschappelijke opbouw van het gebied Voor het gebied ten Zuiden van de Dijkstraat geldt dat behoud en ontwikkeling van de aanwezige houtwallen centraal staat. De afwisseling van open velden en houtwallen in een haaks op elkaar staande structuur is daarbij karakteristiek. Vooral in het middengebied is toevoeging van houtwallen gewenst, om de karakteristieke structuur te versterken.

Voor wat betreft functieverandering wordt aangegeven dat de bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij functie moet passen in het landelijk karakter van het gebied en een bijdrage moet leveren aan het recreatieve netwerk en kleinschalige recreatieve voorzieningen. 5.5.4

Conclusie

Door de aanpassingen aan hekwerken, beplanting en de wal wordt de aantasting van het landschap zoveel mogelijk beperkt. Door deze ontwikkeling verdwijnt een gedeelte van het open veld. Om dit zo veel mogelijk uit zicht te stellen is de wal langs het fietspad wat omhoog getrokken. In de huidige situatie verminderen de hekwerken hier zicht. Door alleen hekwerken toe te staan waarvan de bovenste ligger een lint is wordt hier het zicht door het landschap beter. De bouwwerken zullen door beplanting wat meer uit het zicht komen te liggen. Hierdoor wordt het landschappelijke karakter meer behouden.

5.6

Ontplofbare oorlogsresten

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie. Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

5.6.1

Toetsing bouwplan

Binnen het plangebied zijn geen risico’s vastgesteld op mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de bodem. In het Vooronderzoek Conventionele Explosieven van gemeente Veenendaal is aangetoond dat er binnen het plangebied geen sprake is van verdachte (deel)gebieden voor wat betreft het mogelijk aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO). Werkzaamheden binnen het onverdachte plangebied zijn vrij van een verhoogd risicoprofiel en kunnen regulier uitgevoerd worden. Hierbij geldt altijd het advies om het protocol toevalvondsten in acht te nemen. 5.6.2

Conclusie

Het plangebied wordt gezien als geheel onverdacht, er zijn geen risico’s aanwezig. Aanvullend onderzoek is niet nodig. De werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd.

34

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.7

Ecologie

5.7.1

Wettelijk kader

Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met soortbescherming gericht en met gebiedsbescherming. De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming zorgt voor een goede natuurbescherming van planten- en diersoorten, natura 2000-gebieden, en bossen. Sommige plant- en diersoorten worden beschermd omdat ze als kwetsbaar worden gekenmerkt. De Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet, en de Flora- en Faunawet zijn vanaf 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. De provincie is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierin worden de soortbescherming en de gebiedsbescherming nader belicht omdat beide voor het bestemmingsplan van belang zijn. De regels die voorheen in de Boswet waren opgenomen zijn binnen het plangebied niet van toepassing omdat het gehele gebied binnen de bebouwde kom ligt. Een nadere beschrijving van dit deel van de wet is dan ook niet opgenomen. Soortbescherming Een belangrijk doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebiedt dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. In de regelgeving heeft de gunstige staat van in stand houding van soorten een prominentere plek gekregen.

De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Provincies hebben de mogelijkheid om voor bepaalde soorten aanvullende maatregelen vast te stellen. De provincie Utrecht heeft hiervoor al een lijst opgesteld met prioritaire soorten en aanvullende maartregelen per soort. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitats en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Belangrijk is dat ruimtelijke projecten niet zonder meer mogen worden gerealiseerd in beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Projecten die in de nabijheid van beschermde natuurgebieden (inclusief de Habitatrichtlijngebieden) worden geprojecteerd, dienen te worden getoetst op de mogelijke negatieve effecten die zij op deze gebieden kunnen hebben (externe werking). Indien een negatief effect vermoed wordt dan moet bij de Provincie een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden.

De Provincie zal naar aanleiding van de aanvraag een beschikking opstellen. De beschikking kan een verbod van het project betekenen of voorwaarden verbinden aan de uitvoer. De Wet natuurbescherming beschermt geen gebieden buiten de natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Naast de volgens de wet aangewezen gebieden kent Nederland het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Het NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones. Deze zones zijn niet beschermd volgens de Wet natuurbescherming maar krijgen planologische bescherming doordat deze in bestemmingsplannen worden opgenomen. Projecten en bestemmingsplannen worden getoetst aan dit provinciale beleid.

bestemmingsplan

35

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.7.2

Toetsing bouwplan

Het thema ecologie is door middel van een uitgebreide quickscan voldoende onderzocht. Deze quickscan Wet natuurbescherming is terug te vinden in Bijlage 4. In het ecologisch onderzoek is zowel aandacht besteed aan gebiedsbescherming als aan soortbescherming. Een berekening stikstofdepositie is niet nodig geacht. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels en de buizerd geldt dat de nesten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief begin februari en eind augustus). De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gezien de beperkte omvang en afstand van het plan wordt geen relevante bijdrage van stikstof op natura 2000 gebieden verwacht. Hierbij is het uitgangspunt dat de woning gasvrij gerealiseerd zal worden. Een (Aerius)berekening stikstofdepositie wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.7.3

Conclusie

Er zijn geen ecologische weigeringsgronden. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Concluderend leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden).

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Dat blijkt uit art. 76 en 76a van de Wgh. Dit betekent dat de geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wgh. Als nadere invulling van deze voorwaarden heeft de gemeente Veenendaal de beleidsregel hogere waarden Wgh opgesteld. In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen en spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting ter plaatse van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. Hierbij geldt een afzonderlijke toetsing per weg, spoorweg of industrieterrein. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluid reducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Beleidsregel hogere waarden Pas als blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college van Burgemeester en Wethouders een hogere waarde verlenen (ontheffing van de voorkeurswaarde). Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde.

Voordat een hogere waarde vast te stellen dienen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. In deze beleidsregel worden randvoorwaarden genoemd voor het toestaan van hogere geluidsbelastingen dan de voorkeurswaarde. De voorwaarden zijn geformuleerd als eis of als inspanningsverplichting. Indien

36

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij niet aan de inspanningsverplichting kan worden voldaan dient de initiatiefnemer te motiveren waarom dit niet kan of waarom voor een alternatieve oplossing is gekozen. 5.8.2

Toetsing bouwplan

De planlocatie is niet gelegen binnen een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is daarom niet verplicht. Uit een uitsnede van het geoloket van de ODRU blijkt daarnaast dat de gecumuleerde geluidbelasting over het hele plan (ruim) onder de 48 dB ligt. Gezien deze lage geluidbelasting vormt geluid geen belemmering voor het plan. Tijdens de tijd van deze uitsnede van de geluidsbelasting was de zorgboerderij al aanwezig. Zodoende wordt het stiltegebied geen schade aan gericht. Daarnaast blijven de bouwactiviteiten eveneens buiten de zone van het stiltegebied. Gemeente Veenendaal heeft in 2023 verkeerstellingen op de Dijkstraat uitgevoerd. Volgens de telresultaten rijden er gemiddeld 91 motorvoertuigen per werkdag, waarvan circa 38 motovoertuigen van/naar de paardenhouderij. Naar verwachting gaat dit aantal motorvoertuigen niet substantieel toenemen omdat ten tijde van de verkeerstelling ook al sprake was van dagbesteding. Een verkeerstoename is hier niet de verwachting omdat het koffiepunt zich met name richt op wandelaars en fietsers uit de omgeving. Zodoende vind hier naar verwachting geen geluidstoename plaats. 5.8.3

Conclusie

Het omgevingsaspect geluid vormt zodoende geen belemmering voor het bestemmingsplan

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Der basis hiervoor vormt de Wet milieubeheer. In de VNG handreiking 'bedrijven en milieuzonering' 2009 zijn de aan te houden afstanden opgenomen. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) dienen binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

5.9.1

Toetsing bouwplan

Om te onderzoeken of omringende bedrijven in hun belangen worden geschaad zijn de aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid onderzocht. Dit onderzoek is terug te vinden in Bijlage 5 In de directe oostelijke omgeving van de Dijkstraat 159A liggen 2 agrarische bedrijven. Op grotere afstand liggen in de westelijke omgeving een sauna en een viskwekerij. Verder liggen in de omgeving enkele burgerwoningen. In het kader van dit onderzoek zijn met name de 2 agrarische bedrijven van belang. Dit betreffen de bedrijven aan de Dijkstraat 115 en de Dijkstraat 117. Milieuzonering zorgt ervoor dat belastende functies ruimtelijk van elkaar wordt gescheden. 5.9.2

Conclusie

Conclusie over de uitvoerbaarheid van het plan vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering. Onderbouwd is dat de zorgfunctie op de paardenhouderij en de bijeenkomstruimte geen geurgevoelige objecten zijn, omdat er geen langdurige blootstelling is. Dit betekent ook dat omliggende veehouderijen door de functiewijziging niet worden belemmerd. De omliggende bedrijven worden door de realisatie van het gebouw voor agrarisch gerelateerde zorg en het recreatief servicepunt op de locatie Dijkstraat 159A niet in hun bedrijfsvoering beperkt. De nieuwbouw ligt buiten de afstandscontouren uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Maar ook is er geen sprake van langdurige blootstelling door geur vanuit veehouderijen. De nieuwbouw belemmert zodoende geen omliggende bedrijven en ook kan geconcludeerd worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

bestemmingsplan

37

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

De zorgfunctie op de paardenhouderij en de bijeenkomstruimte zijn niet belemmerend voor omliggende bedrijven. Hoewel de bedrijven zijn gelegen op korte afstand is er sprake van een korte verblijfstijd en daarmee een zeer beperkte blootstellingduur. Ook is de emissie van fijnstof zeer beperkt ter plaatse, waardoor er sprake is van NIBM. Ook gelden ter plaatse arbo-regels die ook ter bescherming van de zorgcliënten dienen. Als laatste speelt mee dat het bedrijf alle mogelijke maatregelen treft om overdracht van ziekten van paard op mens te voorkomen. Dit komt tot uiting in het keurmerk van de GD Zoönosen 2022. Op grond van het voornoemde kan de conclusie getrokken worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderbouwd is dat de zorgfunctie op de paardenhouderij en de bijeenkomstruimte geen geurgevoelige objecten zijn, omdat er geen langdurige blootstelling is. Dit komt omdat er in dit plan sprake is van dagbesteding en niet van dagopvang. Dit betekent ook dat omliggende veehouderijen door de functiewijziging niet worden belemmerd. Het plan kent zodoende geen belemmeringen wat betreft bedrijven- en milieuzonering.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1 Wettelijk kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m 2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd.

Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en (ultra) fijn stof voor het jaar 2015 en 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu. De wettellijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde ligt op 40 microgram per m3. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen.

38

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.10.2 Toetsing bouwplan De huidige en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) voldoen aan de Nederlandse normen De concentraties van stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof voldoen aan de wettelijke normen. De huidige en toekomstige concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) voldoen aan de Nederlandse normen. Hieronder is een tabel weergegeven met de huidige en toekomstigeconcentraties (afkomstig van de website van de ODRU).

De toekomstige concentraties van fijn stof en zeer fijn stof voldoen nagenoeg aan de WHO advieswaarden. De WHO heeft advieswaarden gepubliceerd voor de concentraties PM10 en PM2,5 waarboven schadelijke effecten op de gezondheid optreden. De GGD sluit zich aan bij deze waarden. De toekomstige concentraties van PM10 en PM2,5 voldoen nagenoeg aan deze advieswaarden. Dit is weergegeven in onderstaande tabel.

Er wordt voldaan aan de eisen uit de Wet luchtkwaliteit. Het huidige project is een dusdanig kleinschalig project dat het zeer waarschijnlijk niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Ook al zou het project wel in betekenende mate bijdrage, dan nog wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ruim onder de grenswaarden liggen. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. De locatie ligt niet binnen de onderzoekszone van een weg. Omdat de ontwikkeling het verblijf van kinderen en mogelijk ouderen toestaat, is hier sprake van een gevoelige bestemming. Indien een gevoelige bestemming binnen 300 meter van een rijksweg of binnen 50 meter van een provinciale weg ligt, is nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk. De huidige locatie ligt niet binnen 300 meter van een rijksweg of binnen 50 meter van een provinciale weg ligt, dus nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. 5.10.3 Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit lucht.

bestemmingsplan

39

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.11

Mobiliteit

5.11.1 Wettelijk kader Op 26 november 2020 heeft de raad de Notitie parkeernormen Veenendaal 2020 vastgesteld. De parkeernormen zijn hiermee herzien. In het vastgestelde beleid worden flexibelere parkeernormen toegepast, waardoor er meer maatwerk mogelijk is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Veenendaal. Hierbij wordt meer rekening gehouden met het bestaande stedelijk gebied en met de mogelijkheden om met andere vervoerswijzen te reizen naast de personenauto. Ook worden er fietsparkeernormen geïntroduceerd om de positie van Veenendaal als fietsstad verder te versterken. Tot slot kunnen initiatiefnemers van grote ruimtelijke ontwikkelingen met behulp van een mobiliteitsplan gemotiveerd een reductie op de parkeernormen verdienen door andere vormen van mobiliteit aan te bieden en gebruik te maken van de kwaliteiten die aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. 5.11.2 Toetsing bouwplan De aanvraag is getoetst aan de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023 . Het plangebied ligt in zone 4. Er is op basis van alle functies waar het bestemmingsplan in voorziet een inschatting gemaakt van de behoefte aan parkeerplaatsen. Ook is de ontsluiting van het plangebied nader onderzocht. Parkeren paardenhouderij In de Notitie Parkeernormen Veenendaal is geen parkeernorm opgenomen voor de functie paardenhouderij.

In de CROW publicatie Toekomstbestendig Parkeren – Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie wordt een parkeernorm van 0,3 tot 0,5 p.p. per paardenbox gehanteerd. Dit betekent dat voor de paardenhouderij maximaal 6 parkeerplaatsen benodigd zijn. Parkeren zorgboerderij Voor de zorgboerderij geldt dat er geen parkeernorm is opgenomen in de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. Om de parkeerbehoefte van deze functie te bepalen dient maatwerk te worden toegepast. Parkeerplaatsen voor halen/brengen van cliënten Gemiddeld zijn er op 4 dagen per week over twee dagdelen verspreid dagelijks 14 kinderen op locatie aanwezig. Daarnaast komen er op twee dagen per week 7 volwassenen per dag voor dagbesteding. Een deel van de cliënten wordt zelfstandig naar de locatie gebracht, maar het halen en brengen gebeurt ook gezamenlijk in busjes. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt er vanuit gegaan dat twee derde van de cliënten met de auto wordt gebracht en een derde gezamenlijk in een busje naar de zorgboerderij komt. Dit betekent dat er op twee momenten per dag maximaal 10 parkeerplaatsen voor het halen/brengen van cliënten nodig zijn. Parkeren service punt Naast de zorgverlening is de initiatiefnemer ook voornemens om een kleinschalig servicepunt met thee/ koffie voor passerende recreanten zoals fietsers en wandelaar in te richten.

Het servicepunt bestaat uit een klein gebouw met een omvang van 15 m2 en daaromheen een terras met 3 picknicktafels (circa 15 m2). De zorg-gerelateerde horeca activiteiten beperken zich tot de verkoop van thee, koffie, frisdrank en gebak welke uitsluitend aangeboden worden door de volwassen cliënten van de zorgboerderij. Dit betekent dat er geen extra medewerkers in dienst zullen komen. Vanwege de beperkte omvang van het servicepunt is ook het verwachte aantal bezoekers zeer gering. Het servicepunt richt zich ook niet op externe bezoekers, maar uitsluitend op recreanten in het gebied. De meeste bezoekers zullen dan ook wandelaars en fietsers zijn. Hoewel het niet de verwachting is dat de bezoekers van het servicepunt met de auto zullen komen, dient hiermee alsnog rekening te worden gehouden. Voorgesteld wordt om maatwerk toe te passen. Als uitgangspunt dient hierbij de parkeernorm voor de functie ‘restaurant’. In de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020 wordt voor deze functie een parkeernorm van 10 p.p. per 100 m2 gehanteerd. Gezien de kleinschalige omvang van het servicepunt en de beperkte keuze aan consumpties wordt voorgesteld om een parkeernorm van 5 p.p. per 100 m2 te hanteren. Hiermee bedraagt de parkeerbehoefte van het servicepunt circa 1,5 p.p. (afgerond 2). Parkeerbehoefte totaal

40

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

In totaal zijn voor de paardenhouderij, zorgboerderij en het servicepunt 20,1 parkeerplaatsen nodig. Echter is hierbij nog geen rekening gehouden met dubbelgebruik tussen de aanwezige functies. Aangenomen mag worden dat de piekmomenten voor parkeren voor de paardenhouderij en zorgverlening niet op hetzelfde moment zullen vallen. Voor het halen en brengen van zo zijn er slechts op twee momenten per dag gedurende een zeer korte periode parkeerplaatsen nodig. Op de overige momenten zijn deze parkeerplaatsen beschikbaar. De bezoekers van de paardenhouderij en het servicepunt zullen verspreid over de dag naar de locatie komen. Door rekening te houden met optimaal dubbelgebruik tussen de aanwezige functies volstaan de 15 parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte van de paardenhouderij en zorgboerderij op te kunnen vangen. Hiermee wordt voldaan aan het Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020. Fietsparkeren Conform de Notitie Parkeernormen Veenendaal dient rekening te worden gehouden met fietsparkeerplaatsen voor de zorgboerderij en het servicepunt. Dit betreft met name medewerkers van de zorgboerderij en voor bezoekers van het servicepunt. Voor bezoekers van het servicepunt zal een fietsenrek op eigen terrein naast het servicepunt worden geplaatst. Hiermee voldoet dit aspect aan de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020.

Ontsluiting plangebied De Dijkstraat heeft een rijbaanbreedte van slechts 3,0 meter. Deze rijbaanbreedte is onvoldoende voor een rijdende personenauto en een fietser om elkaar te kunnen passeren. Tijdens ontmoetingen dient te worden uitgeweken naar de berm. Aangezien de Dijkstraat een doodlopende weg is voor autoverkeer, is het aantal motorvoertuigen zeer laag. Echter heeft de Dijkstraat een zeer belangrijke functie als utilitaire en recreatieve fietsverbinding. Met name op werkdagen tijdens spitsuren en in het weekend maken grote hoeveelheden fietsers gebruik van deze weg. Om gevaarlijke ontmoetingen tussen fietsverkeer en autoverkeer zo veel mogelijk te beperken, is het wenselijk dat de hoeveelheid autoverkeer zo veel mogelijk wordt beperkt. Gemeente Veenendaal heeft in 2023 verkeerstellingen op de Dijkstraat uitgevoerd. Volgens de telresultaten rijden er gemiddeld 91 motorvoertuigen per werkdag, waarvan circa 38 motovoertuigen van/naar de paardenhouderij. Naar verwachting gaat dit aantal motorvoertuigen niet substantieel toenemen omdat ten tijde van de verkeerstelling ook al sprake was van dagbesteding. Als gevolg van de opening van het servicepunt dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat bezoekers met de auto naar het servicepunt komen. Echter is dit niet de verwachting omdat het servicepunt zich met name richt op wandelaars en fietsers uit de omgeving.

Hiermee mag worden aangenomen dat het aantal autobewegingen gerelateerd aan het servicepunt nihil is. Daarmee blijft de huidige hoeveelheid autoverkeer (zo goed als) ongewijzigd en is het niet de verwachting dat er verkeersveiligheidsknelpunten zullen ontstaan als gevolg van de opening van het servicepunt. 5.11.3 Conclusie Gelet op bovenstaande is er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Wel wordt geacht dat deze parkeerplekken in stand gehouden worden om de functie te kunnen blijven uitvoeren.

bestemmingsplan

41

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

5.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen.

5.12.1 Toetsing bouwplan Er is geen sprake van een of meer m.e.r.- (beoordelings)plichtige activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt waardoor er geen m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen hoeft te worden Uitgaande van de aard, omvang en directe omgeving, wordt ingeschat dat de ontwikkeling in dit specifieke geval niet aan te merken is als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) .Met dit laatste is rekening gehouden met het feit dat het vigerende bestemmingsplaneen binnenplanse afwijkmogelijkheid heeft om een functiewijziging naar ‘zorg’ toe te staan. Het nettoverschil betreft daarom (uitsluitend) de uitbreiding van de agrarisch gerelateerde zorg in het weiland(maximaal 100m2 bebouwing) en het servicepunt (maximaal 15 m2). 5.12.2 Conclusie Er hoeft voor het bestemmingsplan geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden en er hoeft dus ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.

5.13

Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het bestemmingsplan niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

42

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Inleiding

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat verbeelding en regels te allen tijde in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding Zoals reeds eerder gesteld is de verbeelding gerelateerd aan de regels (en vice versa) en heeft tevens de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Verder kunnen er binnen een bestemming verklaringen zijn aangegeven. Deze hebben juridisch gezien geen enkele betekenis en zijn uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken.

Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter geen rechtsreeks burgers bindende werking.

6.2

De indeling van de planregels

Het gemeentelijk beleid is vertaald in de planregels. Het deelplan bevat normatieve regels, die bindend zijn voor zowel de overheid als de burger. Daarbij is geprobeerd een flexibel stelsel van regels te ontwikkelen zonder daarbij tekort te doen aan eisen van rechtszekerheid. Gekozen is daarom om het aantal bestemmingen op de verbeelding te beperken tot datgene wat noodzakelijk wordt geacht. Het is voor beide partijen van groot belang, dat de verbeelding en de planregels duidelijke informatie verschaffen. Door het aantal bestemmingen met een minimum te beperken wordt de leesbaarheid en duidelijkheid van zowel de verbeelding als de planregels vergroot. Een leesbaar en duidelijk plan zorgt bovendien voor een plan dat handhaafbaar is. De indeling van de planregels is als volgt: 6.2.1

Inleidende regels (hoofdstuk1)

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren: begrippen: bevat in het plan gebruikte begrippen die uitleg behoeven; wijze van meten: bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlaktes, percentages, hoogtes, dieptes, breedtes en dergelijke. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.

bestemmingsplan

43

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

6.2.2

Bestemmingsregels (hoofdstuk2)

Binnen dit plan komen de volgende bestemmingen voor: Agrarisch Agrarisch met waarden - zorgboerderij

A AW

Verkeer Water Wonen

V WA W WG

Overi

Dubbelbestemmingen Leiding Leiding - Brandstof Leiding - Gas Leiding - Hoogspanning Leiding - Hoogspanningsverbinding Leiding - Olie Leiding - Riool Leiding - Water

L L-B L-G L-H L-HV L-O L-R L-W

Waarde Waarde - Archeologie Waarde - Cultuurhistorie Waarde - Ecologie Waarde - Geomorfologie Waarde - Landschap Waarde - Natuur Waarde - Natuur en landschap

WR WR-A WR-C WR-E WR-G WR-L WR-N WR-NL

Waterstaat Waterstaat - Waterberging Waterstaat - Waterkering Waterstaat - Waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie Waterstaat - Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie

WS WS-WB WS-WK WS-WAL WS-WWF

Gebiedsaanduidingen

44

bestemmingsplan

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

geluidzone geluidzone - industrie geluidzone - spoor geluidzone - weg luchtvaartverkeerzone milieuzone milieuzone - bodembeschermingsgebied milieuzone - geluidsgevoelige functie milieuzone - geurzone milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied milieuzone - stiltegebied milieuzone - waterwingebied milieuzone - zones wet milieubeheer overige zone reconstructiewetzone reconstructiewetzone - extensiveringsgebied reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied reconstructiewetzone - verwevingsgebied veiligheidszone veiligheidszone - bevi veiligheidszone - leiding veiligheidszone - lpg veiligheidszone - munitie veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen veiligheidszone - vuurwerk veiligheidszone - windturbine vrijwaringszone vrijwaringszone - buisleidingenstraat vrijwaringszone - dijk vrijwaringszone - duin vrijwaringszone - molenbiotoop vrijwaringszone - radar vrijwaringszone - spoor vrijwaringszone - straalpad vrijwaringszone - vaarweg vrijwaringszone - weg wetgevingzone wetgevingzone - afwijkingsgebied wetgevingzone - moderniseringsgebied wetgevingzone - wijzigingsgebied wetgevingzone - verwezenlijking in naaste toekomst wetgevingzone - wet geluidhinder wetgevingzone - natura 2000 wetgevingzone - tracéwet wetgevingzone - waterwet

In paragraaf 6.3 wordt er per bestemming aangegeven wat de gebruiksmogelijkheden en de bouwmogelijkheden zijn. bestemmingsplan

45

bestemmingsplan Dijkstraat 159a zorgboerderij

Indien bestemmingsspecifieke flexibiliteitsregels aan de orde zijn worden deze per artikel opgenomen. Algemene flexibiliteitsregels zijn in hoofdstuk 3 opgenomen. 6.2.3

Algemene regels (hoofdstuk3)

Hoofdstuk 3 bestaat achtereenvolgens uit de volgende artikelen: Anti-dubbeltelregel; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Algemene procedureregels; Overige regels 6.2.4

Overgangs- en slotregels (hoofdstuk4)

In hoofdstuk 4 van de regels is het overgangsrecht geformuleerd. De formulering is conform de tekst als in het Bro omschreven. Zonder vergunning opgerichte, dus illegale, bouwwerken vallen niet onder het overgangsrecht. Indien de bouwwerken door wetgeving inmiddels vergunningvrij kunnen worden opgericht, worden deze niet als illegaal beschouwd. In de slotregel wordt genoemd hoe het plan kan worden aangehaald.

6.3

Bestemmingen

De bestemmingen bestaan uit een opsomming van omschrijvingen die aangeven hoe een bepaalde plek gebruikt mag worden en wat er op een bepaalde plek gebouwd mag worden. Dit wordt respectievelijk opgesomd in de bestemmingsomschrijving en de bouwregels. Daarnaast gelden er voor sommige bestemmingen aanvullende specifieke gebruiksregels (bijvoorbeeld verboden) en mogelijkheden tot afwijken van de gebruiks- en bouwregels. Voor een enkele bestemming geldt een wijzigingsbevoegdheid waarmee het college bevoegd is om bestemmingen, onder voorwaarden, te wijzigen (bijvoorbeeld onder de bestemming Dienstverlening). Hieronder wordt de voor dit plan geldende bestemming toegelicht. Er wordt aangegeven wat de gebruiksen bouwmogelijkheden zijn. Agrarisch met waarden Zorgboerderij - Aw Gebruiksmogelijkheden De voor 'Agrarisch met waarden Zorgboerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor zorgvoorzieningen, met daarbij behorende het koffiepunt, welke direct en ondergeschikt een verband met de zorgvoorzieningen hebben en aan de paardenhouderij gerelateerde zorgvoorzieningen in de vorm van dagbesteding voor personen die daarbij zorg en hulp nodig hebben. Ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' is een paardenhouderij toegestaan. Ter plaatse van de aandudiing 'koffiepunt' is een koffiepunt toegestaan.

Ter plaatse van de aanduiding 'paardenbak' is een paardenbak toegestaan.Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan. Bouwmogelijkheden Gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak worden gebouwd. Het gehele bouwvlak mag bebouwd worden. De op de verbeelding opgenomen goot- en bouwhoogte zijn van toepassing op de hoofdgebouwen. Leiding - gas (dubbelbestemming) Ter waarborging van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leidingen is een groot aantal werken en werkzaamheden binnen een afstand van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14462735/1